Conclusie van de advocaat generaal
1. Bij op 28 juli 1998 neergelegd verzoekschrift heeft de vennootschap Sarrió SA (hierna: Sarrió") hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 mei 1998, Sarrió/Commissie (hierna: bestreden arrest"), waarin uitspraak is gedaan op haar beroep tegen beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) (hierna: beschikking").
2. Bij die beschikking is aan negentien producenten die in de Gemeenschap karton leveren, een geldboete opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG). Met betrekking tot het bedrag van de aan Sarrió opgelegde geldboete bepaalt artikel 3 van de beschikking:
Sarrió SpA, een geldboete van 15 500 000 ECU."
3. Voor het Gerecht concludeerde Sarrió tot nietigverklaring van de beschikking. Subsidiair vorderde zij nietigverklaring van artikel 2 van de beschikking en van artikel 3, voor zover haar daarin een geldboete werd opgelegd, en meer subsidiair verlaging van het bedrag van deze geldboete.
4. Bij het bestreden arrest is Sarrió gedeeltelijk in het gelijk gesteld, voor zover het bij artikel 2 van de beschikking aan haar opgelegde verbod om in de toekomst deel te nemen aan bepaalde vormen van informatie-uitwisseling tussen kartonproducenten, voor een deel nietig is verklaard en haar geldboete is verlaagd naar 14 000 000 ECU. Voor het overige heeft het Gerecht haar beroep evenwel verworpen.
5. Voor een nadere uiteenzetting van de door Sarrió tegen de beschikking aangevoerde grieven en de redenen waarom het Gerecht meende deze slechts gedeeltelijk te kunnen aanvaarden, verwijs ik naar het bestreden arrest. Ik breng hier slechts in herinnering, dat het Gerecht als reden voor de verlaging van de geldboete heeft aangevoerd, dat Prat Carton, een van Sarrió's dochterondernemingen, slechts aan bepaalde bestanddelen van de inbreuk heeft deelgenomen en ook nog gedurende een kortere periode dan door de Commissie in aanmerking is genomen.
6. In hogere voorziening concludeert Sarrió dat het het Hof behaagt:
1) het bestreden arrest te vernietigen
- voor zover het Gerecht heeft geoordeeld dat in de beschikking niet werd gesteld, dat rekwirante zich schuldig had gemaakt aan een inbreuk betreffende de transactieprijzen, en voor zover het een beoordeling van Sarrió's gedrag op het punt van de werkelijk toegepaste prijzen niet noodzakelijk heeft geacht;
- voor zover het Gerecht als zijn oordeel heeft gegeven, dat Sarrió's deelneming aan de vergaderingen van de PG Paperboard voldoende bewijs was voor haar betrokkenheid bij de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen en de machinestilstand, of - subsidiair - voor zover het Gerecht voorbijgaat aan het feit dat de niet-uitvoering door Sarrió van de eventuele onderling afgestemde initiatieven de door haar gepleegde inbreuk minder zwaar maakt dan die van de overige ondernemingen, en het in dit verband door rekwirante aangedragen bewijsmateriaal negeert, of - meer subsidiair - voor zover het de door Sarrió gepleegde inbreuk onjuist kwalificeert waar het de heimelijke verstandhouding over de marktaandelen en de machinestilstand betreft;
- voor zover het Gerecht het niet noodzakelijk acht de aan Sarrió opgelegde geldboete in te trekken dan wel te verlagen wegens het ontbreken van een motivering, terwijl in de beschikking zelf niet de factoren zijn vermeld die de Commissie bij de bepaling van het bedrag van die geldboete stelselmatig in aanmerking heeft genomen;
- voor zover het Gerecht instemt met de door de Commissie toegepaste methode van berekening van de geldboete, waarbij de omzet van het referentiejaar wordt omgerekend in ecu op basis van de gemiddelde wisselkoersen van dat jaar en waarbij op basis van die omrekening het bedrag van de geldboete rechtstreeks in ecu wordt vastgesteld, zonder dat wordt nagegaan wat de juridische consequenties van de toepassing van deze methode zijn, noch welk nadeel Sarrió als gevolg daarvan lijdt;
- voor zover het Gerecht het bedrag waarmee de geldboete moet worden verlaagd wegens de beperkte deelneming van Prat Carton aan de inbreuk, vaststelt op 1 500 000 ECU;
2) de zaak naar het Gerecht te verwijzen indien deze volgens het Hof niet in staat van wijzen is;
3) voor zover de onderhavige hogere voorziening tegen het bestreden arrest gegrond wordt geacht, de overeenkomstige onderdelen van de beschikking nietig te verklaren;
4) de geldboete te verlagen met het bedrag dat het Hof passend geacht;
5) de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedures voor Gerecht en Hof.
7. De Commissie, geïntimeerde in hogere voorziening en verweerster in eerste aanleg, concludeert dat het het Hof behaagt:
- de hogere voorziening af te wijzen;
- rekwirante in de kosten te verwijzen.
8. Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante vijf middelen aan (zie punt 1 van het hiervoor weergegeven petitum), die zijn ontleend aan:
- verkeerde uitlegging van de beschikking op het punt van de werkelijk ten laste gelegde inbreuk;
- verkeerde uitlegging en toepassing van het gemeenschapsrecht ten aanzien van het automatische mededingingsverstorende gevolg van Sarrió's deelneming aan de vergaderingen van de producenten; subsidiair, voorbijgaan aan het feit dat Sarrió het kartel niet heeft uitgevoerd; meer subsidiair, onjuiste kwalificatie van de gepleegde inbreuk;
- voorbijgaan aan het ontbreken van motivering in de berekening van het bedrag van de geldboete en aan een tegenspraak tussen de considerans en het dispositief;
- voorbijgaan aan de fout bij de methode van berekening van de geldboete;
- tegenspraak tussen de overwegingen en het dictum op het punt van de verlaging van de geldboete.
9. Deze middelen zullen, om onnodige herhaling te voorkomen, voor zover nodig nader worden uiteengezet bij de behandeling ervan.
Eerste middel: verkeerde uitlegging van de beschikking op het punt van de ten laste gelegde inbreuk
10. Sarrió's eerste middel lijkt op het eerste gezicht paradoxaal. Rekwirante komt namelijk op tegen het oordeel van het Gerecht, dat de haar ten laste gelegde inbreuk, waarvoor zij is beboet, beperkter was dan zij uit de beschikking meende te kunnen opmaken.
11. Volgens haar kan de beschikking slechts aldus worden opgevat, dat haar wordt verweten dat zij heeft deelgenomen aan een mededingingsregeling betreffende zowel de aangekondigde prijzen, dat wil zeggen de catalogusprijzen, als de transactieprijzen, dat wil zeggen de aan de afnemers in rekening gebrachte prijzen.
12. Dit standpunt vindt volgens rekwirante bevestiging in het verweerschrift dat de Commissie heeft ingediend in de procedure voor het Gerecht, waarin staat te lezen dat de afstemming van de prijzen binnen de PWG en het JMC niet alleen betrekking had op de aangekondigde prijzen, doch ook op de besluiten tot periodieke prijsverhogingen voor elk type product in elke nationale valuta, en tot planning en toepassing van gelijktijdige prijsverhogingen binnen de gehele Gemeenschap".
13. Volgens rekwirante is het onderscheid tussen de heimelijke verstandhouding over de aangekondigde prijzen en die over de transactieprijzen juridisch van groot belang, zoals het Hof heeft beklemtoond in zijn arrest Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, ook wel bekend als het houtslijparrest".
14. Het Gerecht zou dan ook ten onrechte hebben geoordeeld, dat uit het voorgaande [blijkt], dat de Commissie in de considerans van de beschikking toereikend heeft uiteengezet, dat de onderlinge afstemming betrekking had op de catalogusprijzen en een verhoging van de transactieprijzen ten doel had" (punt 60).
15. De reden waarom rekwirante zo veel belang hecht aan de vaststelling, dat zij schuldig is bevonden aan deelneming aan een kartel betreffende zowel de aangekondigde als de toegepaste prijzen, is dat zij wil aantonen dat zij is bestraft voor feiten die zij niet heeft gepleegd, wat haars inziens een verlaging van de haar opgelegde geldboete rechtvaardigt.
16. Zowel voor het Gerecht als voor het Hof tracht zij met een uitvoerig betoog aan te tonen dat, ofschoon zij heeft deelgenomen aan een mededingingsregeling betreffende de aangekondigde prijzen - wat zij tijdens de administratieve procedure ook zonder meer heeft toegegeven -, zij nooit en op geen enkele wijze betrokken is geweest bij een mededingingsregeling over de toegepaste prijzen.
17. Doordat het Gerecht de beschikking aldus heeft uitgelegd, dat de leden van het kartel daarin geen onderlinge afstemming van de toegepaste prijzen ten laste wordt gelegd, is rekwirantes betoog volstrekt irrelevant geworden en is aan haar verzoek om verlaging van de geldboete iedere grond komen te ontvallen.
18. Voor zover het middel het Gerecht een verkeerde uitlegging van de beschikking verwijt, is het ontvankelijk, in tegenstelling tot wat de Commissie beweert, die meent dat het middel een louter feitelijke beoordeling impliceert.
19. Ter beoordeling van de gegrondheid van dit middel moet worden ingegaan op de redenen waarom het Gerecht heeft geweigerd te erkennen, dat Sarrió in de beschikking deelneming aan een mededingingsregeling betreffende de toegepaste prijzen wordt verweten.
20. Het Gerecht begint met vast te stellen, dat uit het dispositief van de beschikking niet duidelijk blijkt, op welke prijzen - catalogusprijzen of transactieprijzen - de onderlinge afstemming betrekking had. Tegen deze vaststelling kan niets worden ingebracht. Artikel 1 van de beschikking bepaalt namelijk, dat de leden van het kartel hebben deelgenomen aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging die van medio [1986] stammen en waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap:
(...)
- voor elke productkwaliteit in elke nationale valuta regelmatige prijsverhogingen overeenkwamen;
- gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen in de gehele Gemeenschap planden en ten uitvoer legden;
- een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen (...);
- in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen;
- ter ondersteuning van de bovengenoemde maatregelen, commerciële informatie uitwisselden over leveringen, prijzen, machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden."
21. Teneinde op dit punt duidelijkheid te verkrijgen, heeft het Gerecht overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof de overwegingen van de beschikking onderzocht.
22. Na dat onderzoek kwam het tot de slotsom, dat de transactieprijzen in de beschikking weliswaar van belang worden geacht, al was het maar omdat bij de aan de leden van het kartel op te leggen sanctie rekening moest worden gehouden met de gevolgen van het kartel voor de markt, een van de factoren die de zwaarte van de inbreuk bepalen, maar dat de ten laste gelegde inbreuk uitsluitend bestaat in de heimelijke verstandhouding over de vaststelling van de catalogusprijzen, waarmee uiteraard een verhoging van de transactieprijzen wordt beoogd.
23. Ik zie inderdaad niet in, wat de tussen producenten overeengekomen vaststelling van uniforme catalogusprijzen voor zin zou hebben, indien de verschillende verkopers zich in de onderhandelingen met hun afnemers volstrekt niet aan die prijzen gebonden achtten.
24. Identieke catalogusprijzen - ook al gaan zij niet vergezeld van volstrekt identieke transactieprijzen, voor zover de afnemers, afhankelijk van de gekochte hoeveelheden of van andere factoren, soms tegen gunstiger voorwaarden kunnen kopen - zijn uiteraard op zichzelf al een factor waardoor de mededinging ernstig wordt beperkt, aangezien zij bij de afnemers de overtuiging doen postvatten dat zij vermoedelijk bij de ene leverancier niet wezenlijk betere voorwaarden zullen krijgen dan bij de andere, en moeten aanleiding zijn voor een sanctie.
25. Met de beschikking heeft de Commissie een inbreuk willen bestraffen, namelijk een onderlinge afstemming van de aangekondigde prijzen, voor zover daarmee een met het mededingingsrecht strijdig doel werd nagestreefd, te weten gelijkschakeling van de transactieprijzen.
26. Nergens in de beschikking staat echter te lezen, dat dit doel tijdens de gehele inbreukperiode stelselmatig werd bereikt, noch heeft de Commissie het feit dat dit doel in de meeste gevallen wél werd bereikt, aangemerkt als een afzonderlijke inbreuk bovenop die waaraan de leden van het kartel zich schuldig hadden gemaakt door de catalogprijzen gelijk te trekken.
27. In zoverre verschilt de beschikking duidelijk van die welke de aanleiding vormde voor het reeds aangehaalde houtslijparrest, waarin twee op zichzelf staande inbreuken werden bestraft, namelijk een onderlinge afstemming van de catalogusprijzen en een onderlinge afstemming van de toegepaste prijzen.
28. Het feit dat wanneer een onderneming aan haar afnemers prijzen in rekening bracht die afweken van de tijdens periodieke bijeenkomsten van de leden van het kartel vastgestelde catalogusprijzen, de andere ondernemingen haar daarvoor op de vingers tikten en haar erop wezen dat de aangekondigde prijzen moesten worden gerespecteerd, kan niet worden gezien als het bewijs dat ook de transactieprijzen in onderling overleg werden vastgesteld.
29. Het bevestigt slechts dat het uiteindelijke - en tussen de leden van het kartel duidelijk overeengekomen - doel van de onderlinge afstemming van de catalogusprijzen was, dat de toegepaste prijzen zo veel mogelijk werden gelijkgetrokken, en dat de leden van het kartel bij elke afwijking van die catalogusprijzen door één van hen de verwezenlijking van het doel van het kartel in gevaar zagen gebracht.
30. Het waren weliswaar de catalogusprijzen die in onderling overleg werden vastgesteld, maar wanneer een onderneming in de praktijk te veel van die prijzen afweek, werd dit beschouwd als een schending van de verplichting om ten opzichte van de overige leden van het kartel te goeder te trouw te handelen, voor zover in verband met een ongeoorloofde overeenkomst al een beroep kan worden gedaan op het beginsel van goede trouw.
31. Wanneer de Commissie interesse toonde in de transactieprijzen en in de discussies waartoe een prijs die te veel van de catalogusprijzen afweek, aanleiding gaf, was dit om aan te tonen dat uiteindelijk de toepassing van uniforme transactieprijzen werd beoogd, en om de werkelijke draagwijdte van de door de leden van het kartel gedane toezeggingen te beoordelen.
32. Zoals ik al zei, was de belangstelling van de Commissie voor de consequenties van het kartel volstrekt legitiem. Het is dan ook misplaatst dat Sarrió daaraan de conclusie verbindt, dat de Commissie behalve een mededingingsregeling betreffende de aangekondigde prijzen ook een mededingingsregeling inzake de toegepaste prijzen heeft willen bestraffen.
33. Rekwirante verwijt het Gerecht een verkeerde uitlegging van de beschikking, maar in feite heeft zij zelf de beschikking verkeerd uitgelegd, zodat haar eerste middel naar mijn mening moet worden afgewezen zonder dat nader behoeft te worden ingegaan op de argumenten die zij heeft aangevoerd om aan te tonen, dat zij nooit heeft deelgenomen aan een mededingingsregeling over de toegepaste prijzen, een inbreuk die haar, zoals wij hebben gezien, niet ten laste is gelegd.
Tweede middel: de conclusies die mogen worden verbonden aan de vaststelling dat rekwirante heeft deelgenomen aan de vergaderingen van de leden van het kartel
34. Met haar tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht primair, dat het haar betoog heeft afgewezen dat haar deelneming aan de vergaderingen van de verschillende instanties van de PG Paperboard, een branchevereniging die in wezen legitieme doelstellingen nastreeft, niet kon volstaan als bewijs van haar deelneming aan een mededingingsregeling over handhaving van marktaandelen en geprogrammeerde machinestilstand om het aanbod te beheersen.
35. Haars inziens heeft het Gerecht van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven door in punt 118 van het bestreden arrest te overwegen, dat het feit dat een onderneming zich niet houdt aan de resultaten van vergaderingen die een kennelijk mededingingsverstorend doel hebben, haar niet van de volle aansprakelijkheid voor haar deelneming aan het kartel kan ontslaan, wanneer zij zich niet publiekelijk van de inhoud van de vergaderingen heeft gedistantieerd (zie bijvoorbeeld arrest Gerecht van 6 april 1995, Tréfileurope/Commissie, T-141/89, Jurispr. blz. II-791, punt 85). Zelfs indien [rekwirante] zich op de markt niet op de overeengekomen wijze heeft gedragen, doet zulks dus niets af aan haar aansprakelijkheid voor een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag."
36. Volgens rekwirante is de deelneming aan een vergadering met een mededingingsverstorend doel als zodanig niet een gedraging waarvoor een sanctie kan worden opgelegd, en moet de Commissie bewijzen dat de onderneming de tijdens een dergelijke vergadering genomen besluiten ten uitvoer heeft gelegd. Wordt van de onderneming geëist dat zij bewijst dat zij zich van die besluiten heeft gedistantieerd, dat wil zeggen dat zij deze niet heeft goedgekeurd noch ten uitvoer heeft gelegd, dan wordt van haar in feite een onmogelijk te leveren bewijs verlangd.
37. Om te beginnen stel ik met de Commissie vast, dat de conclusie van het Gerecht dat Sarrió terecht een sanctie is opgelegd wegens deelneming aan een heimelijke verstandhouding over handhaving van marktaandelen en beheersing van het aanbod, niet uitsluitend gebaseerd is op het hiervoor weergegeven punt 118 van het bestreden arrest. Het Gerecht voert dit argument namelijk pas in de derde plaats" aan, na te hebben vastgesteld dat de door de Commissie ten laste gelegde inbreuk de heimelijke verstandhouding en niet de uitvoering daarvan betreft, en dat Sarrió wel degelijk volledig aan die heimelijke verstandhouding heeft deelgenomen.
38. De vaststelling van die deelneming is uiteraard een feitelijke beoordeling die door het Hof in hogere voorziening niet kan worden getoetst. Echter, nog afgezien van het feit dat het Gerecht de bewijskracht van de elementen die de Commissie heeft aangevoerd om zowel de heimelijke verstandhouding als rekwirantes deelneming daaraan aan te tonen, zorgvuldig heeft onderzocht, komen Sarrió's ontkenningen mij zeer ongeloofwaardig voor.
39. Zonder haar aanwezigheid bij de vergaderingen tijdens welke de heimelijke verstandhouding tot stand kwam, te betwisten, tracht rekwirante namelijk aan die aanwezigheid een betekenis en een draagwijdte toe te kennen die haar haars inziens vrijpleiten.
40. Als wij rekwirante moeten geloven, had haar aanwezigheid een zuiver defensief karakter, voor zover het haar enkel erom te doen was zich te wapenen tegen de agressie van de Scandinavische, Duitse en Oostenrijkse producenten, die in een gunstiger concurrentiepositie verkeerden.
41. Ik betwijfel of deze verklaring voor rekwirantes aanwezigheid bij de betrokken vergaderingen haar zaak ten goede komt. Mij lijkt eerder het tegendeel het geval, aangezien hieruit blijkt dat Sarrió in haar ogen duidelijk belang had bij haar deelneming aan een mededingingsregeling die, door prijsoorlogen uit te sluiten, de bestaande marktaandelen veilig te stellen en het aanbod te beheersen, de consequenties van haar zwakke concurrentiepositie kon verzachten.
42. Hoe dan ook hangt de mogelijkheid om een sanctie op te leggen wegens gedrag dat objectief beschouwd schending van de mededingingsregels oplevert, op geen enkele wijze samen met de agressieve" of defensieve" beweegredenen van de betrokken ondernemingen, zij het dat in de praktijk defensieve overwegingen de boventoon zullen voeren, aangezien alleen die ondernemingen die de gevolgen van de mededinging vrezen, werkelijk belang hebben bij een beperking van de mededinging.
43. Bovendien heeft Sarrió's deelneming aan de vergaderingen van de leden van het kartel, wat ook haar beweegredenen mogen zijn geweest, objectief beschouwd geleid tot versterking van het kartel. Als gevolg van die deelneming waren namelijk alle kartonproducenten die op de gemeenschapsmarkt meetellen, bij het kartel betrokken, wat de inbreuk tot een van de ernstigste uit de geschiedenis maakt.
44. Dit alles staat in de weg aan het standpunt, dat het Gerecht het gemeenschapsrecht zou hebben geschonden door Sarrió's betoog dat zij niet heeft deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding die tijdens de door haar bijgewoonde vergaderingen tot stand kwam, van de hand te wijzen.
45. Het debat over de juistheid van punt 118 van het bestreden arrest, volgens hetwelk de enkele deelneming van een onderneming aan vergaderingen die een kennelijk mededingingsverstorend doel hebben, die onderneming aansprakelijk maakt, tenzij zij zich publiekelijk van de inhoud van de vergaderingen distantieert, wil ik echter niet uit de weg gaan. Ik ben er namelijk van overtuigd dat de deelneming aan dergelijke vergaderingen moet worden gezien als een uiting van de wil van de onderneming om aan de tijdens die vergaderingen genomen besluiten mee te werken, en dat het onmogelijk zou worden om verstoringen van de mededinging door kartels te bestraffen, wanneer ondernemingen dergelijke vergaderingen ongestraft konden bijwonen. Een vergadering van ondernemers die het eens proberen te worden over prijzen of marktaandelen, heeft niets van doen met een bijeenkomst van een letterkundig genootschap; de vertegenwoordigers van een onderneming die er tijdens een vergadering achter komen, dat er andere zaken worden besproken dan zij hadden gedacht toen zij besloten de vergadering bij te wonen, kunnen altijd nog de vergadering verlaten, zelfs zonder dat zij de andere deelnemers behoeven te verwijten door hen in de val te zijn gelokt.
46. Met het vereiste van publieke distantiëring, waaraan volgens het Gerecht moet zijn voldaan wil deelneming aan een vergadering niet worden beschouwd als deelneming aan een inbreuk, is volgens mij dan ook niets mis. Sarrió stelt weliswaar, dat die distantiëring in de praktijk lastig kan blijken, maar daartegen kan in de eerste plaats worden ingebracht, dat de onderneming die deelneemt aan een vergadering met een volstrekt ondubbelzinnig doel, welbewust een risico neemt en dus niet later ermee moet aankomen dat het voor haar moeilijk is om te beletten, dat dit risico concreet wordt, en in de tweede plaats, dat een onderneming die verzeild is geraakt op een bijeenkomst waarvan zij de doelstellingen niet onderschrijft, heel wel in staat moet worden geacht te bewijzen dat zij zich van een inbreuk distantieert, gelet op de handigheid die de leden van het kartonkartel aan de dag hebben gelegd om hun mededingingsverstorende praktijken te verhelen.
47. Rekwirantes tweede middel faalt derhalve wat de primaire grief betreft.
48. Ook de subsidiaire grief, volgens welke het Gerecht geen rekening heeft gehouden met het ontbreken van enig bewijs voor de tenuitvoerlegging van de besluiten inzake stabilisatie van de marktaandelen en beheersing van het aanbod door rekwirante, kan niet slagen.
49. Volgens Sarrió hebben haar verkopen een dalende lijn vertoond, zijn haar marktaandelen gekrompen en heeft zij nooit om andere dan technische redenen tot stillegging van de productie besloten.
50. Deze informatie is irrelevant in het licht van de inbreuk waarvoor zij is beboet. Zoals in het bestreden arrest staat te lezen, hebben de door de Commissie verstrekte bewijzen (...) namelijk een zodanige bewijskracht, dat de inlichtingen betreffende het feitelijke gedrag van [rekwirante] op de markt niet kunnen afdoen aan de conclusies van de Commissie betreffende het bestaan zelf van de heimelijke verstandhoudingen betreffende de beide aspecten van het betrokken beleid" (punt 116).
51. Bovendien zijn deze inlichtingen, gesteld al dat zij het feitelijke gedrag van Sarrió weerspiegelen, niet in tegenspraak met de verklaringen van de Commissie, zoals het Gerecht in punt 117 van het bestreden arrest beklemtoont. Er is immers nooit beweerd, dat de heimelijke verstandhouding over de marktaandelen een volledige bevriezing daarvan heeft meegebracht; ook is altijd erkend, dat tot 1990 wegens de dynamische vraag geen aanbodbeperking door machinestilstand noodzakelijk was, zodat het feit dat Sarrió in 1990 en 1991 haar productie niet tijdelijk heeft stilgelegd, geenszins bewijst dat zij niet bij de gelaakte heimelijke verstandhouding betrokken was.
52. Rest mij nog in te gaan op de laatste, door rekwirante meer subsidiair aangevoerde grief, volgens welke het Gerecht in verband met de bevriezing van de marktaandelen en de geprogrammeerde machinestilstand ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake was van een kartel, terwijl het enige verwijt dat Sarrió kan worden gemaakt, de deelneming aan een informatie-uitwisseling is, die door haar onbeduidend karakter hooguit een symbolische geldboete rechtvaardigde. Aan deze grief behoeven niet veel woorden vuil te worden gemaakt, aangezien na onderzoek van de eerste twee grieven volkomen duidelijk is, dat deze laatste grief afstuit op de feiten zoals deze door de Commissie zijn vastgesteld en door het Gerecht zijn geverifieerd.
53. Alles wat rekwirante zegt over het onderscheid dat, zowel wat de zwaarte van de inbreuk als wat de op te leggen geldboete betreft, moet worden gemaakt tussen een loutere uitwisseling van informatie en een kartel, is irrelevant, aangezien vaststaat dat zij in casu niet alleen maar heeft deelgenomen aan een informatie-uitwisseling, maar actief betrokken is geweest bij een heimelijke verstandhouding over de marktaandelen en het productievolume en daarmee meerdere inbreuken heeft gepleegd.
54. Teleurstellend" noemt rekwirante tot slot de redenering op basis waarvan het Gerecht haar middel inzake een onjuiste beoordeling, door de Commissie, van het systeem van informatie-uitwisseling waaraan zij heeft deelgenomen, niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het voor het eerst in het stadium van de repliek is aangevoerd. In dit verband kan ik volstaan met op te merken, dat rekwirantes teleurstelling uiteraard voor het Hof geen aanleiding kan zijn om in hogere voorziening de juistheid van de conclusie van het Gerecht ter discussie te stellen. Die conclusie geeft immers blijk van een juiste rechtsopvatting en Sarrió heeft, zoals de Commissie opmerkt, niets aangevoerd om de vaststelling van het Gerecht dat zij pas in repliek met dit middel is gekomen, te ontkrachten.
55. Ik geef het Hof dan ook in overweging, rekwirantes tweede middel in zijn geheel af te wijzen.
Derde middel: ontoereikende motivering van de beschikking op het punt van de vaststelling van het bedrag van de geldboete
56. Volgens rekwirante kon het Gerecht niet zonder zichzelf tegen te spreken tegelijkertijd vaststellen, dat de beschikking ontoereikend gemotiveerd was waar het de vaststelling van het bedrag van de aan haar opgelegde geldboete betrof, en weigeren de beschikking op dit punt nietig te verklaren.
57. Aangezien deze kritiek aansluit bij de kritiek die rekwirante Mo och Domsjö AB heeft aangevoerd in zaak C-283/98 P, verwijs ik voor de redenen op grond waarvan dit middel moet worden afgewezen, naar mijn conclusie van heden in die zaak.
Vierde middel: onjuiste methode van berekening van de geldboete
58. Met dit middel komt rekwirante op tegen de weigering van het Gerecht om mee te gaan in haar kritiek op de methode die de Commissie heeft gevolgd voor de vaststelling van het bedrag van de aan haar opgelegde geldboete. Alvorens rekwirantes grieven één voor één te onderzoeken, lijkt het mij zinvol de door de Commissie toegepaste methode in herinnering te brengen.
59. De Commissie heeft ervoor gekozen het bedrag van de geldboeten in ecu vast te stellen. Daarvoor is zij uitgegaan van de omzet van de verschillende leden van het kartel in 1990, het laatste volledige jaar van de inbreuk, uitgedrukt in ecu, waarbij de omrekening in ecu heeft plaatsgevonden tegen de gemiddelde wisselkoers, in datzelfde jaar 1990, van de nationale valuta van de verschillende leden van het kartel.
60. Sarrió stelt in dit verband in de eerste plaats een motiveringsgebrek, voor zover het Gerecht nergens expliciet is ingegaan op de door haar aan de orde gestelde discriminatie van de ondernemingen wier nationale munt tussen 1990, het referentiejaar dat de Commissie voor de bepaling van het bedrag van de geldboeten in aanmerking heeft genomen, en 1994, het jaar waarin de beschikking werd vastgesteld, in waarde is verminderd.
61. Sarrió verwijt het Gerecht eigenlijk, dat het één van haar argumenten onbesproken heeft gelaten. Op dit punt kan ik niet anders dan de verbazing van de Commissie delen, aangezien de overwegingen in de punten 392 tot en met 404 van het bestreden arrest, die betrekking hebben op de door de Commissie gevolgde methode van berekening van de geldboeten, nu juist vooral bedoeld zijn om aan te tonen dat met die methode, waarbij wordt uitgegaan van in dezelfde munteenheid uitgedrukte objectieve gegevens, de distorsies kunnen worden voorkomen die onvermijdelijk zouden optreden wanneer werd uitgegaan van de verschillende nationale valuta met de bijbehorende valutaschommelingen.
62. Wanneer nu voor de vaststelling van het bedrag van de geldboeten die aan de verschillende bij een kartel aangesloten ondernemingen - afhankelijk van de mate waarin elk van hen verantwoordelijk kan worden geacht - moeten worden opgelegd, één munteenheid wordt gebruikt, welk ander doel zou hiermee worden beoogd dan discriminaties te vermijden? Sarrió stelt ten onrechte, dat zij haar verwijt van discriminatie niet beantwoord ziet in een redenering waarmee het Gerecht wil aantonen, dat het beginsel van gelijke behandeling is gerespecteerd.
63. Natuurlijk is het haar goed recht om het betoog van het Gerecht niet overtuigend te achten, maar zij kan niet in ernst beweren, dat het bestreden arrest aan het probleem van een mogelijke discriminatie voorbijgaat.
64. Rekwirantes tweede grief betreft het feit dat het Gerecht geen korte metten heeft gemaakt met de keuze van de Commissie om voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete uit te gaan van de omzet van het laatste volledige jaar waarin het kartel opereerde. Deze keuze introduceert volgens rekwirante een dualisme, voor zover twee omzetten een rol gaan spelen, namelijk enerzijds de omzet op basis waarvan de geldboete wordt vastgesteld, en anderzijds de omzet die is behaald in het boekjaar vóór de vaststelling van de beschikking, waaraan wordt afgemeten of het plafond van 10 % van de omzet van de beboete onderneming, zoals vastgelegd in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag, in acht is genomen.
65. Naast dit inhoudelijke verwijt stelt Sarrió wederom een motiveringsgebrek, voor zover zij betoogt dat deze nieuwigheid een bijzonder gedetailleerde motivering vereiste, die naar haar mening in het desbetreffende betoog van het Gerecht ontbreekt.
66. Rekwirante gaat niet zo ver dat zij stelt, dat de Commissie door de inaanmerkingneming van de omzetten van twee verschillende jaren artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 heeft geschonden, maar zij tracht aan te tonen dat de keuze van de omzet van het laatste jaar van de inbreuk, in plaats van te garanderen dat de geldboete evenredig is aan de zwaarte van de inbreuk en de economische macht van de ondernemingen waaraan een sanctie wordt opgelegd, juist tot het tegengestelde resultaat zou kunnen leiden.
67. Zij is namelijk van mening, dat wanneer de omzet van een onderneming in de periode tussen het einde van de inbreuk en de oplegging van de sanctie aanmerkelijk is gestegen, de Commissie, teneinde te vermijden dat het bedrag van de geldboete, vergeleken met de omzet van het laatste boekjaar vóór de sanctie, zo al niet belachelijk, dan toch zeker te laag - want ver onder het in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 bepaalde plafond van 10 % - lijkt, onvermijdelijk geneigd zal zijn bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete een zeer hoog percentage toe te passen op de omzet die daarvoor in aanmerking wordt genomen, dat wil zeggen aan de onderneming een geldboete op te leggen die volstrekt niet in verhouding staat tot haar economische macht ten tijde van de inbreuk.
68. Ik vind deze redenering absoluut niet overtuigend.
69. Immers, nog afgezien van het feit dat rekwirante de Commissie wel heel kwade bedoelingen toedicht en weinig waarde hecht aan de rechterlijke toetsing waarin deze instelling is onderworpen, gaat zij ten onrechte ook volledig eraan voorbij, dat het volstaat dat een lid van het kartel zijn omzet heeft zien kelderen, althans stagneren of dalen, om het de Commissie, gelet op haar verplichting om het beginsel van gelijke behandeling en het in verordening nr. 17 bepaalde plafond te eerbiedigen, onmogelijk te maken op bedoelde wijze te handelen, zo zij daartoe al geneigd zou zijn.
70. Essentieel is evenwel, dat het er niet om gaat of de door de Commissie gevolgde methode de enig toelaatbare of de beste is, maar of deze methode geoorloofd is, dat wil zeggen of zij al dan niet in strijd is met verordening nr. 17 of met door het Hof erkende algemene beginselen.
71. Wat deze vraag betreft, voert Sarrió eigenlijk niets aan op grond waarvan de juistheid van het oordeel van het Gerecht in twijfel zou moeten worden getrokken.
72. Met zijn inventarisatie van de voordelen die de door de Commissie gekozen methode oplevert voor de beoordeling van zowel de omvang van de inbreuk als de omvang en de economische macht van de ondernemingen die de inbreuk hebben gepleegd, heeft het Gerecht naar mijn mening op volstrekt overtuigende wijze uiteengezet, waarom op deze methode niets valt aan te merken. Het door rekwirante gelaakte dualisme is met andere woorden gerechtvaardigd en, voor zover het al een novum vormt, door het Gerecht genoegzaam gemotiveerd.
73. Rekwirantes derde en laatste grief betreft de afwijzing door het Gerecht van haar betoog dat de methode waarbij het bedrag van de geldboete wordt vastgesteld op basis van de omzet van het laatste volledige jaar van de inbreuk, omgerekend in ecu tegen de gemiddelde wisselkoers van dat jaar, tot ongerechtvaardigde verschillen in behandeling leidt in geval van een latere wijziging van de wisselkoersen, omdat dan de ondernemingen wier nationale munt in waarde is vermeerderd, de door hen te betalen geldboete de facto zien afnemen, terwijl voor de ondernemingen wier munteenheid is gedevalueerd, die geldboete juist zwaarder wordt, in sommige gevallen - zoals in casu - aanzienlijk.
74. Volgens Sarrió leidt de door de Commissie toegepaste methode door het risico van wisselkoersschommelingen tot onbillijke resultaten en is zij dus onaanvaardbaar. Dit geldt ook uit een oogpunt van logica: het is volgens rekwirante ongerijmd om enerzijds de berekening van het bedrag van de geldboete op basis van de omzet van het referentiejaar, omgerekend in ecu - een referentievaluta en geen valuta waarin betalingen kunnen geschieden -, te rechtvaardigen met een beroep op de noodzaak de gevolgen van wisselkoerschommelingen te vermijden, en anderzijds geen oog te hebben voor de gevolgen die deze schommelingen kunnen hebben voor het bedrag dat de betrokken onderneming effectief in nationale valuta zal moeten betalen.
75. Bij de beoordeling van deze grief mag niet worden vergeten, dat de Commissie beschikt over een beoordelingsvrijheid die weliswaar niet onbegrensd is - denk maar aan artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 -, maar die de rechter verbiedt de door haar gevolgde methode af te keuren, tenzij hij de onwettigheid ervan kan aantonen.
76. Sarrió komt dan ook tevergeefs met - voor haar gunstiger - alternatieven voor de door de Commissie toegepaste methode om haar boete te bepalen, aangezien het er niet om gaat, wat de best denkbare methode is, maar of de toegepaste methode door de beugel kan.
77. Op dit punt is Sarrió's betoog niet overtuigend. Zij laakt weliswaar de vaststelling van de geldboete in ecu, maar verordening nr. 17 staat geenszins aan het gebruik van deze munteenheid voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete in de weg, en de redenen waarom het Hof in zijn arrest Générale sucrière en Béghin-Say/Commissie e.a. de vaststelling van het bedrag van de geldboete in rekeneenheid" verbood, gaan, zoals het Gerecht heeft opgemerkt, voor de vaststelling in ecu niet meer op, daar de ecu een heel andere status heeft dan de rekeneenheid.
78. Rekwirante hekelt ook het feit dat met de mogelijkheid van valutaschommelingen een onzekere factor in het mechanisme voor de bestraffing van inbreuken wordt geïntroduceerd. Zij stelt dat een dergelijk toeval enkel in de handelsbetrekkingen toelaatbaar kan worden geacht, maar gaat eraan voorbij dat de pleger van een inbreuk met heel wat meer onzekerheden te maken heeft. Zo heeft hij geen enkele garantie, dat op het moment waarop hij zal moeten voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de in het verleden door hem gepleegde inbreuk, zijn financiële armslag zo ruim zal zijn dat hij de geldboete zonder problemen zal kunnen betalen.
79. Bij een gelijkblijvende omzet kan zijn winstmarge drastisch zijn gekrompen of kan hij zich zo ver in de schulden hebben gestoken, dat de banken weigeren hem nog verder krediet te verlenen. Ook kan als gevolg van een verslechtering van de conjunctuur zijn omzet zelf zijn gedaald, waardoor hij ondanks een constante winstmarge minder inkomsten heeft.
80. Van de andere kant kunnen die onzekerheden hem ook aangename verrassingen brengen. Zo kan hij een moeilijke periode te boven zijn gekomen en floreren op een wijze die hij enkele jaren eerder niet eens voor mogelijk had gehouden.
81. De zwaarte van de op een bepaald moment door de onderneming gepleegde inbreuk, die bepalend is voor de omvang van de aan haar op te leggen sanctie, blijft door dit alles ongewijzigd.
82. Het risico van valutaschommelingen zelf is niet per definitie in het nadeel van de onderneming wier nationale munteenheid is gedevalueerd.
83. Zo zal de onderneming die een aanzienlijk deel van haar productie exporteert naar landen met een sterke munt, behalve haar marktaandeel - en dus haar omzet in nationale valuta - ook haar winstmarge hebben kunnen vergroten, aangezien haar op haar exportmarkten behaalde winsten tegen een gunstiger koers zijn omgerekend in nationale valuta.
84. Omgekeerd zullen de ondernemingen wier nationale valuta is gerevalueerd, concessies hebben moeten doen aan hun winstmarge teneinde hun exportmarkten te behouden, zodat de waardevermeerdering van hun nationale munt ten opzichte van de ecu, en de daaruit voortvloeiende verlaging van de in nationale munteenheid uitgedrukte geldboete, slechts een compensatie vormen voor het door de winstdaling toegenomen gewicht van de geldboete.
85. Wanneer men nu deze risico's van het ondernemersvak tracht uit te schakelen door de geldboeten vast te stellen in nationale valuta of door alleen voor die ondernemingen wier nationale valuta is gedevalueerd, uit te gaan van een andere wisselkoers tussen ecu en nationale valuta dan die van het laatste jaar waarin het kartel heeft geopereerd, bestaat het gevaar dat andere distorsies worden geïntroduceerd en op het punt van de gelijkheid van behandeling van alle leden van een kartel dus niets wordt gewonnen vergeleken met de methode waarvoor de Commissie heeft geopteerd.
86. Zoals de Commissie terecht beklemtoont, bestaat altijd het gevaar dat een bepaalde onderneming wordt benadeeld, ongeacht van welk tijdstip voor de toepassing van de wisselkoers ecu-nationale valuta wordt uitgegaan. Dit betekent dat zelfs met het door rekwirante voorgestelde criterium, namelijk de wisselkoers op de datum van de beschikking, slechts een zuiver willekeurige verstorende factor zou worden geïntroduceerd.
87. Verder acht ik evenals de Commissie ook het door het Gerecht in punt 399 van het bestreden arrest aangevoerde argument van belang, dat rekwirante zelf haar activiteiten in meerdere lidstaten uitoefent. Als gevolg hiervan heeft zij zowel de voordelen genoten als de nadelen ondervonden van het thans door haar bestreden wisselkoerscriterium. Bovendien heeft zij dankzij de verkoop van haar producten verschillende Europese deviezen ontvangen en niet alleen peseta's.
88. Tot slot wijs ik erop, dat het met de waardevermindering van de nationale munteenheid verband houdende risico hoe dan ook slechts beperkte gevolgen zal kunnen hebben, aangezien ingevolge artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 het door de onderneming te betalen bedrag op het moment van vaststelling van de geldboete niet meer dan 10 % van de omzet van haar laatste boekjaar mag bedragen.
89. Vastgesteld moet dan ook worden, dat het door rekwirante gehekelde risico noch als zodanig, noch wat betreft zijn gevolgen laakbaar is. Daarom stel ik het Hof voor, rekwirantes vierde middel in zijn geheel af te wijzen.
Vijfde middel: bedrag waarmee het Gerecht de geldboete heeft verlaagd
90. Met dit middel stelt rekwirante, dat de door het Gerecht toegepaste verlaging van de geldboete met 1 500 000 ECU niet strookt met de correcties betreffende de mate waarin zij via haar dochteronderneming Prat Carton betrokken is geweest bij de mededingingsverstorende praktijken van het kartel in de kartonsector tussen 1986 en 1991. Deze correcties betroffen, zoals wij weten, zowel de duur van de deelneming van die dochteronderneming, die de Commissie had vastgesteld op 60/60 van de inbreukperiode en door het Gerecht werd teruggebracht tot negen maanden, als de mededingingsverstorende praktijken waarbij zij betrokken was, voor zover volgens het Gerecht aan Prat Carton enkel deelneming aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en aan die inzake beheersing van het aanbod ten laste kon worden gelegd, terwijl de Commissie haar ook als deelnemer aan de heimelijke verstandhouding tot bevriezing van de marktaandelen had aangemerkt.
91. In de punten 411 en 412 van het bestreden arrest overweegt het Gerecht:
In aanmerking genomen dat Prat Carton slechts aan bepaalde bestanddelen van de inbreuk heeft deelgenomen en ook nog gedurende een beperktere periode dan door de Commissie in aanmerking is genomen, dient het bedrag van de aan [rekwirante] opgelegde geldboete te worden verlaagd.
Aangezien in casu geen van de andere door [rekwirante] aangevoerde middelen grond oplevert voor een verlaging van de geldboete, zal het Gerecht in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het bedrag van deze geldboete vaststellen op 14 000 000 ECU."
92. Sarrió leidt hieruit af - en ik moet haar op dit punt wel gelijk geven -, dat de verlaging van haar geldboete volledig is terug te voeren op de door de Commissie gemaakte fouten bij de beoordeling van het gedrag van haar dochteronderneming. Om aan te tonen dat deze verlaging ontoereikend is, gaat zij uit van de omzet van de moedermaatschappij en van Prat Carton, namelijk 224 200 000 ECU respectievelijk 33 800 000 ECU, en berekent zij door opsplitsing van het totaalbedrag van de door de Commissie opgelegde geldboete, te weten 15 500 000 ECU, het aan de moedermaatschappij toe te rekenen deel, dat zij op 13 500 000 stelt, en het deel dat moet worden toegerekend aan Prat Carton, dat volgens haar 2 000 000 ECU bedraagt. Vervolgens vergelijkt zij dit bedrag van 2 000 000 ECU met het bedrag van de verlaging en stelt zij dat, gelet op de omvang van de door het Gerecht toegepaste correctie van de betrokkenheid van Prat Carton bij de inbreuk, de geldboete met een veel groter bedrag had moeten worden verlaagd.
93. De Commissie brengt hiertegen in, dat het Gerecht in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht heeft geoordeeld, dat het Hof in hogere voorziening niet in de uitoefening van deze bevoegdheid mag treden en dat alle berekeningen van Sarrió bewijskracht ontberen, aangezien de Commissie - daarin gesteund door het Gerecht - aan Sarrió één totaalboete heeft opgelegd, die zich niet leent voor opsplitsing in verschillende, met het gedrag van de verschillende onderdelen van de onderneming corresponderende bedragen.
94. Ikzelf ben echter met Sarrió van mening, dat het bestreden arrest incoherent is of, preciezer gezegd, ontoereikend is gemotiveerd. Het Gerecht heeft inderdaad ontegenzeglijk in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht geoordeeld en het staat ook buiten kijf, dat het bedrag van een geldboete niet door toepassing van een mathematische formule moet worden vastgesteld.
95. De uitoefening van volledige rechtsmacht betekent echter niet, dat de motiveringsplicht mag worden verzaakt. Zo het Gerecht in casu meende dat de geldboete, gelet op zijn oordeel over de zwaarte van de door Sarrió gepleegde inbreuk, met niet meer dan 1 500 000 ECU moest worden verlaagd, had het dit moeten toelichten. Gezien de wijze waarop de Commissie in casu de geldboeten heeft berekend - een berekeningsmethode waarmee het Gerecht overigens heeft ingestemd -, lijkt de ten gunste van Sarrió toegepaste verlaging namelijk op het eerste gezicht niet in verhouding te staan tot de omvang van de correcties van de betrokkenheid van Prat Carton bij de inbreuk.
96. Ik ben dan ook van mening, dat het vijfde middel terecht is voorgesteld en dat het bestreden arrest moet worden vernietigd voor zover het bedrag van de aan Sarrió opgelegde geldboete daarin op 14 000 000 ECU is vastgesteld.
97. Deze vernietiging maakt het mijns inziens evenwel niet nodig de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen. Het Hof beschikt immers over de gegevens die nodig zijn om de consequenties uit deze vernietiging te trekken, aangezien er geen reden is om de juistheid van de feitelijke vaststellingen van het Gerecht in twijfel te trekken, noch om het algemene niveau van de geldboeten ter discussie te stellen. De enige vraag is, of het Gerecht de aan Sarrió opgelegde geldboete voldoende heeft verlaagd.
98. Zelf denk ik van niet. Bij de berekening van die geldboete is de Commissie uitgegaan van Sarrió's omzet in 1990, die uiteraard ook de omzet van Prat Carton omvatte. Het Gerecht heeft echter vastgesteld, dat Prat Carton pas vanaf juni 1990 aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en de beheersing van het aanbod heeft deelgenomen. Wat deze dochteronderneming betreft, heeft de referentieomzet, die in de berekening van de Commissie in Sarrió's totale omzet werd meegenomen, derhalve betrekking op een periode waarin de onderneming slechts zeven maanden, namelijk van juni tot en met december, aan de heimelijke verstandhouding deelnam, waardoor stellig een coherentieprobleem ontstaat.
99. Gelet op de verhouding tussen Sarrió's totale omzet en de omzet van Prat Carton, het feit dat Prat Carton aan een van de bestanddelen van de inbreuk niet heeft deelgenomen, alsmede de korte duur van haar deelneming, ben ik dan ook van mening dat Sarrió's geldboete moet worden verlaagd naar 13 650 000 euro.
Kosten
100. Het is duidelijk dat de vernietiging van het bestreden arrest, zelfs indien deze slechts één punt betreft, zijn weerslag moet vinden in de beslissing omtrent de kosten.
101. In zijn arrest heeft het Gerecht rekwirante verwezen in haar eigen kosten, alsmede in de helft van de kosten van de Commissie, die de helft van haar eigen kosten diende te dragen.
102. Ik geef in overweging deze verdeling te wijzigen en rekwirante naast haar eigen kosten slechts 2/5 van de kosten van de Commissie te laten dragen. Aangaande de kosten van de hogere voorziening acht ik het, gelet op het feit dat rekwirante volgens mij op de meeste punten in het ongelijk moet worden gesteld, billijk dat zij haar eigen kosten alsmede 2/3 van de kosten van de Commissie draagt.
Conclusie
103. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
1) Het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 mei 1998, Sarrió/Commissie (T-334/94), wordt vernietigd, voor zover daarin het bedrag van de aan rekwirante opgelegde geldboete op 14 000 000 ECU is bepaald en voor zover rekwirante daarin in haar eigen kosten, alsmede in de helft van de kosten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen is verwezen en de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de helft van haar eigen kosten.
2) De geldboete wordt bepaald op 13 650 000 euro.
3) Met betrekking tot de procedure voor het Gerecht zal rekwirante naast haar eigen kosten 2/5 van de kosten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen dragen en met betrekking tot de procedure voor het Hof naast haar eigen kosten 2/3 van de kosten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
4) Met betrekking tot de procedure voor het Gerecht zal de Commissie van de Europese Gemeenschappen 3/5 van haar eigen kosten en met betrekking tot de procedure voor het Hof 1/3 van haar eigen kosten dragen.
5) De hogere voorziening wordt voor het overige afgewezen."
Full & Egal Universal Law Academy