Conclusie van de advocaat generaal
1. Het Bundessozialgericht (Duitsland) heeft een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof om te vernemen of het gemeenschapsrecht en in het bijzonder de bepalingen inzake het vrij verkeer van werknemers zich ertegen verzetten, dat over het brutobedrag van het aan een migrerende werknemer uit hoofde van een collectieve overeenkomst toegekende pensioen ziekteverzekeringsbijdragen moeten worden betaald zowel in de staat die hem het pensioen uitkeert, maar die daar geen recht op prestaties tegenoverstelt, als in de lidstaat waar hij woont en waarvan de socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing is.
I - De feiten van het hoofdgeding
2. Sehrer, verzoeker in het hoofdgeding, is geboren in 1924. Vanaf 1984, toen hij 60 werd, ontvangt hij een rustpensioen van de Bundesknappschaft, het verwerende socialezekerheidsorgaan. Hij woont in Duitsland, waar hij verzekerd is bij de Krankenversicherung der Rentner (ziekenkas voor gepensioneerden). Ook ontvangt hij in Duitsland van de Landesversicherungsanstalt für das Saarland een aanvullend pensioen uit hoofde van de verzekering van metaalarbeiders.
3. Aangezien Sehrer ook in Frankrijk heeft gewerkt, ontvangt hij van de Caisse de retraite complémentaire des ouvriers mineurs (fonds voor aanvullend rustpensioen voor mijnwerkers) een rustpensioen uit hoofde van een pensioenstelsel van een collectieve overeenkomst.
Op het brutobedrag van het Franse aanvullende pensioen, dat varieerde tussen 2 384,19 FRF en 2 538,45 FRF per kwartaal tijdens de litigieuze periode, die zich uitstrekte van december 1988 tot september 1993, werd 2,4 % als bijdrage aan de ziektekostenverzekering ingehouden. Tijdens diezelfde periode varieerde het bijdragebedrag tussen 57,22 FRF en 60,92 FRF per kwartaal. Deze zogenoemde solidariteitsbijdrage" geeft hem geen recht op enigerlei prestatie.
4. Toen het verwerende socialezekerheidsorgaan vernam dat Sehrer nog een Frans pensioen genoot, vorderde het betaling van Duitse ziekteverzekeringsbijdragen, die waren berekend over het brutobedrag van het Franse pensioen zonder aftrek van de reeds in Frankrijk betaalde bijdragen. Het nagevorderde bedrag bedraagt 1 005,67 DEM.
5. Nadat zijn bezwaarschrift tegen deze vordering was afgewezen, stelde Sehrer beroep in bij het Sozialgericht für das Saarland, dat hem gedeeltelijk in het gelijk stelde; deze rechterlijke instantie verklaarde de beslissingen van het verwerende socialezekerheidsorgaan nietig voor zover daarin werd gesteld dat over het brutobedrag van het Franse pensioen, inclusief het als Franse ziekteverzekeringsbijdrage ingehouden bedrag, in Duitsland bijdrage moest worden betaald. Het beroep werd voor het overige afgewezen.
6. Het hoger beroep werd door het Landessozialgericht für das Saarland verworpen, waarna het verwerende orgaan Revision" (cassatie naar Duits recht) instelde bij het Bundessozialgericht.
Het geschil heeft betrekking op de vraag of het deel van het Franse aanvullende pensioen dat als bijdrage aan de Franse ziekteverzekering in mindering is gebracht, voor de tijdvakken tussen december 1988 en september 1993 moet worden meegerekend in de berekeningsgrondslag voor de bijdragen aan de ziektekostenverzekering voor gepensioneerden in Duitsland, zoals het verwerende orgaan stelt.
II - De prejudiciële vraag
7. Het Bundessozialgericht vraagt zich af of de cumulatie van lasten voor een migrerende werknemer als Sehrer in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling. Indien dit het geval is, vraagt het zich af of de schending van dat beginsel dan op objectieve gronden gerechtvaardigd is.
8. Teneinde zijn twijfel dienaangaande weg te nemen, heeft het Bundessozialgericht besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
Staan de artikelen 6 en 48 tot en met 51 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, alsook artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de weg aan nationale regelingen krachtens welke een op een collectieve overeenkomst berustend Frans aanvullend pensioen in volle omvang zowel met bijdragen voor de Franse ziekteverzekering als met bijdragen voor de Duitse ziekteverzekering voor gepensioneerden wordt belast?"
III - Het gemeenschapsrecht
9. Artikel 48 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 39 EG) bepaalt als volgt:
(...)
2. [Het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap] houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden."
10. Artikel 1, sub j, eerste en tweede alinea, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1247/92, bepaalt als volgt:
[Voor de toepassing van deze verordening] worden ten aanzien van elke lidstaat onder ,wetgeving of ,wettelijke regeling verstaan de bestaande of toekomstige wetten, regelingen, statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsmaatregelen, welke betrekking hebben op de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid, of de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis.
Onder deze term vallen niet de bestaande of toekomstige contractuele bepalingen, ongeacht of deze al dan niet bij een besluit van de overheid algemeen verbindend zijn verklaard, dan wel een ruimere werkingssfeer hebben verkregen (...)."
In bepaalde gevallen kan deze beperking worden opgeheven door een verklaring van de betrokken lidstaat waarvan overeenkomstig artikel 97 van verordening nr. 1408/71 kennisgeving en bekendmaking moeten plaatsvinden.
11. Artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2195/91, bepaalt dat:
(...)
f) (...) op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing [is] van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen."
12. Artikel 33 van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2332/89, bepaalt met betrekking tot bijdragen of premies te betalen door pensioen- of rentetrekkers als volgt:
1. Het orgaan van een lidstaat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen- of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de verstrekkingen te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voor zover de verstrekkingen krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van genoemde lidstaat komen.
2. Wanneer de pensioen- of rentetrekker in de in artikel 28 bis bedoelde gevallen krachtens de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, uit hoofde van zijn woonplaats aldaar, premies of soortgelijke inhoudingen verschuldigd is voor de dekking van de kosten van prestaties wegens ziekte of moederschap, zijn deze niet invorderbaar."
IV - De procedure voor het Hof
13. De Duitse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend binnen de termijn die daarvoor is voorzien in artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG. Aangezien geen van de betrokken partijen heeft verzocht in zijn mondelinge opmerkingen te worden gehoord, heeft het Hof overeenkomstig artikel 104, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering besloten het mondelinge gedeelte achterwege te laten.
14. De Duitse regering benadrukt dat op grond van de op Sehrer toepasselijke socialezekerheidswetgeving over zijn gehele bruto-inkomsten bijdragen worden geheven en dat niet is voorzien in een uitzondering voor het geval dat het pensioen wordt verstrekt door een verzekeringsorgaan in een andere lidstaat. Evenmin wordt rekening ermee gehouden dat dit orgaan een deel van dat pensioen inhoudt als ziekteverzekeringsbijdragen in die lidstaat.
Het gemeenschapsrecht verbiedt in beginsel dubbele heffing van socialezekerheidsbijdragen. Aangezien Sehrer in Duitsland een volledige dekking tegen ziektekosten geniet, is hij enkel aldaar bijdrageplichtig, te meer omdat de in Frankrijk betaalde bijdrage hem geen enkel extra voordeel of recht oplevert.
De inhouding in Frankrijk van ziekteverzekeringsbijdragen op het pensioen van een migrerende werknemer die niet op het grondgebied van die staat woont en niet onderworpen is aan zijn socialezekerheidswetgeving, vormt een bij artikel 48 van het Verdrag verboden belemmering van het vrij verkeer, die niet wordt gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, aangezien die bijdrage de betrokkene geen enkel recht op een uitkering of een sociaal voordeel garandeert.
15. De Commissie wijst er om te beginnen op dat de verplichting tot betaling van bijdragen aan een ziektekostenverzekering die Frankrijk oplegt aan een werknemer die niet onder zijn wetgeving valt, zonder dat daar voor hem enig recht op een uitkering tegenover staat, onverenigbaar is met het recht op vrij verkeer voor werknemers in de Gemeenschap.
In de tweede plaats kan de omstandigheid dat de Duitse wetgeving gelijkelijk wordt toegepast zowel op een migrerende werknemer als op een werknemer die geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer, tot een resultaat leiden dat onverenigbaar is met de doelstelling van de artikelen 48 EG-Verdrag, 49 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 40 EG), 50 EG-Verdrag (thans artikel 41 EG) en 51 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 42 EG), wegens het feit dat met betrekking tot de pensioenrechten van de migrerende werknemer de wetgevingen van twee of meer lidstaten van toepassing zijn. In een dergelijk geval verplicht het in artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) neergelegde beginsel van loyale samenwerking de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, alle hun ter beschikking staande middelen te gebruiken om de doelstelling van artikel 48 van het Verdrag te realiseren en na te gaan of hun wetgeving op een migrerende werknemer kan worden toegepast, letterlijk en op dezelfde wijze als op een ingezeten werknemer zonder dat deze toepassing uitmondt in het verlies van een socialezekerheidsvoordeel voor die migrerende werknemer en hem derhalve ervan weerhoudt zijn recht op vrij verkeer daadwerkelijk uit te oefenen.
16. Teneinde informatie te verkrijgen over de ziekteverzekeringsbijdrage die in Frankrijk op het pensioen van Sehrer wordt ingehouden, heeft het Hof een schriftelijk te beantwoorden vraag aan de Franse regering gesteld. Deze heeft geantwoord dat een bij wet nr. 71-1129 van 28 december 1979 vastgestelde ziekteverzekeringsbijdrage wordt ingehouden op alle (basis- en aanvullende) rustpensioenen die geheel of gedeeltelijk door de werkgevers worden gefinancierd. Het gaat daarbij om een solidariteitsbijdrage die op zich geen recht geeft op ziektekostendekking, aangezien dit een recht is dat wordt verkregen door de vaststelling van het recht op pensioen, voor zover de gepensioneerde aan het daarvoor geldende woonplaatsvereiste voldoet. Op het aanvullende pensioen wordt momenteel 1 % aan bijdrage ingehouden. Voor personen die onder het Franse ziektekostenverzekeringsstelsel vallen en die niet de algemene sociale bijdrage verschuldigd zijn die enkel bij binnenlandse belastingplichtigen wordt geheven, bedraagt dit percentage evenwel onverminderd 3,8 %.
V - Analyse van de prejudiciële vraag
17. Het Bundessozialgericht heeft zich tot het Hof gewend teneinde te vernemen of het gemeenschapsrecht, en met name het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van het vrij verkeer van werknemers, zich ertegen verzet dat een lidstaat bij de vaststelling van de berekeningsgrondslag voor de bijdrage aan de ziekteverzekering van een reeds gepensioneerde migrerende werknemer die onder zijn wetgeving valt, het brutobedrag van het pensioen dat die werknemer uit hoofde van een collectieve overeenkomst uit een andere lidstaat ontvangt als inkomen beschouwt, zonder rekening ermee te houden dat een deel van dat pensioen reeds in de andere staat is ingehouden als bijdrage aan de ziekteverzekering.
18. Alvorens het Hof een antwoord in overweging te geven, sta ik stil bij de bijdrageplicht in Frankrijk en de gevolgen daarvan.
A - De bijdrageplicht in Frankrijk
19. Uit de feiten blijkt dat Frankrijk een ziekteverzekeringsbijdrage heft over een pensioen dat wordt uitgekeerd op grond van een collectieve overeenkomst, hoewel de pensioengerechtigde niet onder zijn socialezekerheidswetgeving valt en geen enkel recht op een prestatie bij ziekte uit dien hoofde heeft.
20. Het is niet de eerste keer dat twijfel rijst of dergelijke wettelijke bepalingen verenigbaar zijn met het beginsel van het vrij verkeer van werknemers. Frankrijk is ook niet de enige lidstaat die op deze wijze de kas van zijn socialezekerheidsstelsel vult, ook al toont het zich in dat opzicht bijzonder hardnekkig.
21. In 1985 veroordeelde het Hof het Koninkrijk België wegens niet-nakoming, omdat de Belgische wet inzake de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering in strijd was met artikel 33 van verordening nr. 1408/71. Concreet bestond de inbreuk hierin, dat vanaf oktober 1980 ten behoeve van de ziekteverzekering bijdragen werden ingehouden op de wettelijke ouderdoms-, rust-, overlevings- en daarmee gelijkgestelde pensioenen of op elk voordeel ter vervollediging van deze pensioenen, ook al woonden de pensioentrekkers niet in België en hadden zij recht op prestaties bij ziekte in de lidstaat waar zij woonden.
Artikel 33 van verordening nr. 1408/71 machtigt het orgaan dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van de pensioen- of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de verstrekkingen te dekken, deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente die dit orgaan verschuldigd is, voor zover de verstrekkingen voor rekening van een orgaan van die lidstaat komen.
22. Uit de later bevestigde uitlegging van het Hof in dat arrest volgt, dat inhoudingen op de wettelijke ouderdoms-, rust-, anciënniteits- en overlevingspensioenen, zelfs bij ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de bijdrage en het verzekerde risico, door een lidstaat niet mogen worden verricht wanneer de daartegenover staande prestaties bij ziekte en moederschap niet voor rekening van een orgaan van die lidstaat komen.
23. Als gevolg van het arrest uit 1985 werden de als strijdig met het gemeenschapsrecht verklaarde Belgische voorschriften niet langer toegepast op pensioenen die op grond van het algemene stelsel werden uitgekeerd aan in een andere lidstaat dan België woonachtige gemeenschapsonderdanen, maar bleven zij wel van toepassing op hun aanvullende rustpensioenen.
Iets vergelijkbaars is in Frankrijk gebeurd, waar ter bekostiging van het algemene socialezekerheidsstelsel een bijdrageheffing werd ingevoerd over het aanvullende en het vervroegde rustpensioen, onafhankelijk van de woonplaats van de ontvangers.
24. Derhalve heeft de Commissie een beroep wegens niet-nakoming ingesteld tegen het Koninkrijk België en in 1990 tegen de Franse Republiek op grond dat deze staten niet zouden hebben voldaan aan de krachtens artikel 13, lid 1, en artikel 33 van verordening nr. 1408/71 op hen rustende verplichtingen.
De Commissie erkende weliswaar dat noch de regelingen voor vervroegde rustpensioenen noch de regelingen voor aanvullende rustpensioenen binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vielen, maar zij was van mening dat het in artikel 13, lid 1, neergelegde fundamentele beginsel dat de migrerende werknemer te allen tijde slechts onder één enkele wetgeving valt, een algemeen beginsel is dat reeds voor deze verordening bestond en dat kon worden ingeroepen teneinde te voorkomen dat een migrerende werknemer in twee lidstaten socialezekerheidsbijdragen moet betalen, terwijl de dekking van dat risico slechts in een van beide lidstaten is gegarandeerd.
25. In zijn in deze beide zaken gewezen arresten verklaarde het Hof, dat de rechthebbenden op een van deze soorten pensioen werknemers waren in de zin van artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 en binnen de in artikel 2 beschreven personele werkingssfeer van de verordening vielen, en voorts dat het beginsel dat slechts één wetgeving van toepassing is, enkel geldt voor de situaties bedoeld in artikel 13, lid 2, en de artikelen 14 tot en met 17 van de verordening, die de conflictregels bepalen die in iedere situatie moeten worden toegepast. Aangezien de begunstigden van een vervroegd of van een aanvullend rustpensioen onder geen van de genoemde situaties vielen, konden zij zich niet op dat beginsel beroepen.
26. Wat artikel 33 van verordening nr. 1408/71 betreft, heeft het Hof voor recht verklaard dat iedere staat die een pensioen of rente krachtens zijn wettelijke regeling verschuldigd is, moet worden geacht een pensioen of rente verschuldigd te zijn.
27. Volgens artikel 1, sub j, worden onder het begrip wetgeving" of wettelijke regeling" echter niet verstaan de bestaande of toekomstige contractuele bepalingen, ongeacht of deze al dan niet bij een overheidsbesluit algemeen verbindend zijn verklaard, dan wel een ruimere werkingssfeer hebben verkregen, voor zover deze beperking niet in bepaalde gevallen door een verklaring van de betrokken lidstaat is opgeheven.
De Commissie erkende dat de Belgische stelsels van aanvullende rustpensioenen en de Franse stelsels van vervroegde en aanvullende rustpensioenen geen wetgevingen waren in de zin van deze bepaling, aangezien deze waren vastgesteld bij door de bevoegde autoriteiten met beroeps- of bedrijfstakorganisaties, vakorganisaties of ondernemingen gesloten overeenkomsten dan wel bij tussen de sociale partners gesloten collectieve overeenkomsten, en ten aanzien van deze stelsels niet een verklaring in de zin van artikel 1, sub j, derde alinea, van verordening nr. 1408/71 was afgegeven.
Het Hof bevestigde deze beoordeling en verwierp de twee beroepen.
28. De Commissie is thans van mening dat de aan Sehrer in de beschreven omstandigheden opgelegde bijdrageplicht aan het ziekteverzekeringsstelsel in Frankrijk een inbreuk vormt op de verdragsbepalingen inzake het vrij verkeer van werknemers, hoewel zij uit deze opvatting geen praktische conclusie lijkt te trekken.
De Duitse regering is het daarmee eens en onderstreept bovendien dat ingeval het Hof van mening zou zijn dat de heffing van deze bijdragen in Frankrijk verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, dit geen afbreuk zou doen aan haar recht om uit hoofde van de Duitse ziektekostenverzekering bijdragen te heffen over het brutobedrag van alle inkomsten van de betrokkene, ongeacht of deze in Duitsland of elders worden ontvangen, en zonder rekening te houden met het feit dat een deel van deze inkomsten reeds aan een bijdrageheffing onderworpen was.
29. Dienaangaande wil ik twee opmerkingen maken. Om te beginnen kan ik het eens zijn met de opvatting van de Commissie dat de Franse regeling, zoals weergegeven in het onderhavige geding, waarin de Franse Republiek niet eens opmerkingen heeft ingediend, als een belemmering van het vrij verkeer van werknemers en bijgevolg als strijdig met artikel 48 van het Verdrag zou kunnen worden beschouwd. Het betreft immers een wettelijke regeling die een werknemer ervan kan weerhouden naar Frankrijk te gaan om aldaar arbeid in loondienst te verrichten, indien dit met zich brengt dat het pensioen, waarop hij bij zijn pensionering recht heeft, in Frankrijk - hoewel hij niet in dat land woont - zal worden onderworpen aan bijdragen aan het ziekteverzekeringsstelsel zonder dat hij recht heeft op een uitkering uit hoofde daarvan.
Het Hof kan de verenigbaarheid van een nationale regeling met het gemeenschapsrecht echter enkel onderzoeken in het kader van een beroep wegens niet-nakoming dat uitsluitend door de Commissie of door een andere lidstaat kan worden ingesteld. De Commissie heeft evenwel geen niet-nakomingsprocedure tegen de Franse Republiek ingeleid, met het doel dat het Hof zich uitspreekt over de verenigbaarheid van de betrokken wettelijke regeling met de beginselen op het gebied van het vrij verkeer van werknemers in de Gemeenschap. Ook de Bondsrepubliek Duitsland heeft zulks niet gedaan, hoewel artikel 170 EG-Verdrag (thans artikel 227 EG) haar die mogelijkheid geeft.
In de tweede plaats heeft de nationale rechter met zijn vraag het Hof niet verzocht om een onderzoek van de Franse wettelijke regeling, en heeft hij zelfs uitdrukkelijk in zijn verwijzingsbeschikking verklaard dat verzoeker de onwettigheid van de Franse ziekteverzekeringsbijdrage enkel bij de Franse rechter kan aanvoeren.
30. Er zou van een volstrekt andere situatie sprake zijn geweest, wanneer Sehrer de beslissing van het verwerende socialezekerheidsorgaan om een ziekteverzekeringsbijdrage te heffen over het pensioenbedrag dat reeds in Frankrijk aan een dergelijke heffing was onderworpen, niet in Duitsland had aangevochten, maar zich in plaats daarvan had gewend tot een Franse rechter en had gesteld dat de bijdrageplicht in Frankrijk, zonder dat daar een recht op uitkering tegenover staat, een belemmering vormt van het vrij verkeer van werknemers, en wanneer deze Franse rechter zich in het kader van een prejudiciële procedure tot het Hof had gewend. Het feit dat hij dit niet heeft gedaan, staat evenwel niet in de weg aan de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag van de Duitse rechter.
31. In de zaak Celestini heeft het Hof geantwoord op prejudiciële vragen die door een Italiaanse rechterlijke instantie waren gesteld, hoewel de Commissie en de Duitse regering het verzoek niet-ontvankelijk achtten, onder meer op grond dat de Italiaanse rechterlijke instanties onbevoegd waren om van het geschil kennis te nemen en de procedure een kunstmatig karakter had.
In het hoofdgeding had de ene partij de andere gedagvaard wegens de niet-nakoming van een overeenkomst ter zake van de levering van een partij wijn die in Duitsland moest worden afgeleverd. Toen de wijn uit Italië in Duitsland was aangekomen, voerden de Duitse autoriteiten bepaalde controles uit, hoewel de wijn vergezeld ging van analysecertificaten die waren afgegeven door in Italië erkende laboratoria, waarin werd verklaard dat de wijn in overeenstemming met de communautaire regeling was. Nadat de wijn eerst volgens de traditionele methoden was geanalyseerd en daarna volgens de zogeheten onderzoekmethode van de bepaling van de isotopenverhouding O18/O16 van water in wijn" namen de Duitse autoriteiten de wijn in beslag en stuurden die terug naar Italië met de mededeling dat er water aan was toegevoegd.
Geen van partijen in het geding, die beide de wettigheid van de methode van de bepaling van de isotopenverhouding O18/O16 van water in wijn betwistten, wendde zich tot de Duitse rechter, die als enige bevoegd was om zich uit te spreken over de geldigheid van de handeling waarmee de Duitse autoriteiten hadden verklaard dat de ingevoerde wijn niet geschikt was voor menselijke consumptie. Niets wees er echter op dat partijen vooraf een afspraak hadden gemaakt met als doel het Hof door middel van een kunstmatig geschil een uitspraak te ontlokken.
32. Ook in de onderhavige zaak hebben partijen geen afspraak gemaakt om een kunstmatig geschil te construeren.
33. Wat de relevantie van de gestelde vraag betreft, volgens vaste rechtspraak van het Hof is het uitsluitend een zaak van de nationale rechterlijke instantie waarbij het geding aanhangig is en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, te oordelen over de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis, alsmede over de juridische relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Een verzoek van een nationale rechter kan alleen worden afgewezen, wanneer duidelijk blijkt dat de gestelde vraag over de uitlegging van het gemeenschapsrecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.
In de zaak Celestini zette de Italiaanse rechter uiteen dat hij de vordering van Celestini moest afwijzen, indien het Hof antwoordde dat de onderzoekmethode van de bepaling van de isotopenverhouding O18/O16 van water in wijn verenigbaar was met het gemeenschapsrecht. Het Hof oordeelde dat het niet aan hem stond om deze beoordeling in twijfel te trekken.
In de onderhavige zaak stelt het Bundessozialgericht in zijn verwijzigingsbeschikking dat verzoeker zich weliswaar tot de Franse rechter had kunnen wenden, maar dit niet heeft gedaan en de beslissing heeft aangevochten die hem op grond van het bijdragepercentage zwaarder belastte. Aangezien de nationale rechter heeft verzocht om uitlegging van het gemeenschapsrecht en zijn vraag relevant is voor het wijzen van zijn vonnis, is het Hof in beginsel gehouden daarop te antwoorden.
B - De beantwoording van de prejudiciële vraag
34. Het feit dat zowel het aanvullend rustpensioen dat Sehrer in Frankrijk ontvangt als het aanvullend pensioen dat hem in Duitsland wordt uitgekeerd door de bedrijfsvereniging voor mijnwerkers en metaalbewerkers, wordt verstrekt op grond van contractuele bepalingen, die uitgesloten zijn van het begrip wetgeving" of wettelijke regeling" van artikel 1, sub j, van verordening nr. 1408/71, betekent in de praktijk dat hij één enkel rustpensioen ontvangt dat binnen de materiële werkingssfeer van die verordening valt, namelijk het wettelijke rustpensioen dat de Bundesknappschaft hem verstrekt in Duitsland, waar hij woont.
Overeenkomstig artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 is hij onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waar hij woont, is hij aldaar verzekerd tegen ziektekosten en kan dat socialezekerheidstelsel bijdragen van hem eisen ter bekostiging van dat stelsel.
35. Afdeling 5 van hoofdstuk 1 van titel III van verordening nr. 1408/71 regelt de rechten van pensioen- of rentetrekkers en hun gezinsleden op prestaties bij ziekte en moederschap. Sehrer kan echter op geen van de bepalingen van deze afdeling een beroep doen, aangezien zij betrekking hebben op situaties waarin de rechthebbende pensioen of rente ontvangt op grond van de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, zoals in de in de artikelen 27 en 28 bis bedoelde gevallen, of op de in artikel 28 bedoelde situaties, waarin de rechthebbende pensioen ontvangt op grond van de wettelijke regeling van één enkele lidstaat, maar geen recht heeft op prestaties in zijn woonstaat.
Artikel 33 van de verordening, dat het orgaan van een lidstaat dat een pensioen verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van rechthebbende bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de verstrekkingen te dekken, machtigt deze bedragen in te houden op het pensioen, is evenmin in casu van toepassing. Indien het wel van toepassing zou zijn, zou de Bondsrepubliek Duitsland geen bijdragen kunnen inhouden op het pensioen dat Sehrer in Frankrijk ontvangt. Deze bepaling onderstelt evenwel dat de prestaties bij ziekte of moederschap worden verstrekt op grond van de artikelen 27, 28 en 28 bis, die, zoals ik zojuist heb uiteengezet, in casu niet van toepassing zijn.
36. Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan dat de socialezekerheidsrechten van Sehrer uitsluitend worden beheerst door de Duitse wettelijke regeling. Dit betekent evenwel niet dat de Duitse autoriteiten bij de toepassing van hun wettelijke regeling op een migrerende werknemer de verdragsbepalingen ter zake van het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap buiten beschouwing kunnen laten.
37. De Duitse nationaliteit is voor Sehrer geen beletsel om zich tegenover de autoriteiten van zijn staat van herkomst te beroepen op het gemeenschapsrecht, aangezien hij gebruik heeft gemaakt van een van vrijheden die het Verdrag hem toekent. In de arresten Scholz en Terhoeve heeft het Hof bevestigd, dat iedere gemeenschapsonderdaan die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer van werknemers en die een beroepswerkzaamheid in een andere lidstaat heeft uitgeoefend, ongeacht zijn woonplaats en zijn nationaliteit binnen de werkingssfeer van artikel 48 van het Verdrag valt.
38. De verwijzende rechter verzoekt het Hof om uitlegging van artikel 6 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12 EG), dat binnen de werkingssfeer van het Verdrag elke discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt, artikel 48 van het Verdrag, dat het beginsel van gelijke behandeling toepast op het vrij verkeer van werknemers en concretiseert, en artikel 3 van verordening nr. 1408/71, dat is vastgesteld door de Raad op grond van zijn verplichting ex artikel 51 van het Verdrag inzake de totstandkoming van het vrij verkeer van werknemers, waarin hetzelfde beginsel is opgenomen.
39. De litigieuze Duitse wettelijke regeling, die voorziet in de inhouding van een ziekteverzekeringsbijdrage op alle inkomsten van de verzekerde, leidt niet tot rechtstreekse discriminatie op grond van nationaliteit. Evenmin stelt zij voorwaarden die door de Duitse verzekerden gemakkelijker kunnen worden vervuld dan door buitenlandse verzekerden en lijkt zij werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten niet te kunnen benadelen. Deze wettelijke regeling houdt derhalve ook geen indirecte discriminatie in.
40. Volgens vaste rechtspraak geeft artikel 48 van het Verdrag uitvoering aan een fundamenteel beginsel dat is neergelegd in artikel 3, sub c, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, sub c, EG), bepalende dat, teneinde de in artikel 2 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 2 EG) genoemde doelstellingen te bereiken, het optreden van de Gemeenschap de verwijdering tussen de lidstaten van hinderpalen voor het vrij verkeer van personen omvat.
Het Hof heeft eveneens overwogen dat de verdragsbepalingen inzake het vrij verkeer van personen het de gemeenschapsonderdanen gemakkelijker beogen te maken, op het grondgebied van de Gemeenschap om het even welk beroep uit te oefenen, en in de weg staan aan regelingen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten.
41. Zeker is dat het in de huidige stand van het gemeenschapsrecht aan de wetgeving van elke lidstaat staat om zowel het recht van of de verplichting tot aansluiting bij de socialezekerheidsstelsels als de voorwaarden voor die aansluiting te bepalen, alsmede de inkomsten die voor de berekening van de bijdragen in aanmerking moeten worden genomen. Immers, afgezien van artikel 14 quinquies van verordening nr. 1408/71, waarin diverse zeer specifieke bepalingen zijn opgenomen die in casu niet van toepassing zijn, bevat het gemeenschapsrecht ter zake van het vrij verkeer van werknemers geen enkel voorschrift over de samenstelling van de berekeningsgrondslag voor de bijdragen aan de nationale socialezekerheidsstelsels.
42. Zoals ik echter al in mijn conclusie in de zaak Terhoeve heb opgemerkt, moeten de lidstaten bij de uitoefening van hun bevoegdheid wat de samenstelling te bepalen van de berekeningsgrondslag voor de bijdragen aan hun socialezekerheidsstelsels, niet alleen het beginsel van gelijke behandeling in acht nemen en erop toezien dat hun regels zonder onderscheid worden toegepast op de eigen onderdanen en de onderdanen van de andere lidstaten, maar ook ervoor zorgen dat hun nationale bepalingen inzake sociale zekerheid geen belemmering vormen voor de daadwerkelijke uitoefening van de door artikel 48 van het Verdrag gegarandeerde fundamentele vrijheid en dat de werknemer die van zijn recht van vrij verkeer gebruik heeft gemaakt niet in zijn socialezekerheidsrechten wordt benadeeld in vergelijking met een ingezeten werknemer.
43. Volgens de rechtspraak van het Hof leveren bepalingen die een onderdaan van een lidstaat beletten of ervan weerhouden zijn land van herkomst te verlaten om zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, belemmeringen van die vrijheid op, zelfs wanneer zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing zijn.
44. De litigieuze Duitse wettelijke regeling die op gelijke wijze op migrerende en ingezeten werknemers van toepassing is, kan op het gebied van de sociale zekerheid enkel eerstgenoemde benadelen. Immers, de kans dat op de inkomsten van een aan de Duitse wettelijke regeling onderworpen ingezeten werknemer een dubbele bijdrageheffing voor hetzelfde socialezekerheidsstelsel wordt toegepast, is in de praktijk zeer klein. Een werknemer die gebruik maakt van het vrij verkeer en die het recht op een of meer pensioenen in andere lidstaten heeft verworven, kan daarentegen voor de tweede keer worden geconfronteerd met een verplichte ziekteverzekeringsbijdrage over de bruto-inkomsten waarover reeds door een andere lidstaat een dergelijke bijdrage is geheven, telkens wanneer het rustpensioenen betreft die buiten de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 zijn gelegen.
Hieruit leid ik af dat het vooruitzicht voor een werknemer dat het brutobedrag van een rustpensioen, waarop hij gedurende zijn werkzame leven het recht heeft verworven, onderworpen wordt aan een dubbele bijdrageheffing ter dekking van hetzelfde risico, hem ervan kan weerhouden zijn recht op vrij verkeer uit te oefenen.
45. Op grond van het voorafgaande ben ik van mening dat een nationale wettelijke regeling, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een bij artikel 48 van het Verdrag verboden belemmering vormt van het vrij verkeer van werknemers, aangezien zij bij de vaststelling van de berekeningsgrondslag voor de bijdrage aan haar ziekteverzekeringsstelsel geen rekening ermee houdt dat een deel van het brutobedrag van het pensioen dat de betrokkene in een andere lidstaat ontvangt uit hoofde van een regeling ter uitvoering een collectieve overeenkomst, reeds werd ingehouden als ziekteverzekeringsbijdrage in die lidstaat.
46. In zijn verwijzingsbeschikking vestigt de Duitse rechter de aandacht erop dat hij, voor het geval dat het Hof de cumulatie van bijdragen ten nadele van de migrerende werknemer in strijd met het beginsel van gelijke behandeling zou achten, eveneens wenst te vernemen of een dergelijke cumulatie objectief kan worden gerechtvaardigd. Hij heeft dit verzoek evenwel niet in zijn prejudiciële vraag opgenomen en evenmin in zijn verwijzingsbeschikking rechtvaardigingsgronden aangevoerd.
In deze omstandigheden kan mijns inziens kortheidshalve worden verwezen naar de overvloedige rechtspraak van het Hof ter zake van de mogelijke rechtvaardigingsgronden voor indirecte discriminatie of bepaalde belemmeringen van het vrij verkeer van personen, welke rechtspraak ik in mijn conclusie in de zaak Terhoeve heb aangehaald.
C - Slotoverwegingen
47. Hoewel het Hof zich in het kader van de onderhavige prejudiciële zaak niet over dit punt kan uitspreken, wil ik niet eindigen zonder met nadruk te hebben gewezen op de buitengewoon negatieve gevolgen die mijns inziens voor het vrij verkeer van personen ontstaan door nationale wettelijke regelingen als de Franse, die evenwel tot op heden nooit door het Hof zijn gelaakt. Op grond van wettelijke regelingen als door mij beschreven of daarmee vergelijkbare wettelijke regelingen worden ten behoeve van de nationale socialezekerheidsstelsels bijdragen geheven over de inkomsten van nog actieve of - zoals in het geval van Sehrer - gepensioneerde grensarbeiders of migrerende werknemers die in een andere lidstaat wonen en aldaar aan de socialezekerheidswetgeving zijn onderworpen.
Het feit dat deze inhoudingen uit hoofde van bijdragen geschieden door een staat die de betrokkene geen enkele sociale dekking als tegenprestatie biedt, en niet plaatsvinden in de vorm van directe belastingen, wat zij - ofschoon zij een concrete bestemming hebben - in werkelijkheid zijn, heeft twee gevolgen, waarvan het ene nog negatiever is dan het andere voor de al dan niet gepensioneerde grensarbeider of migrerende werknemer: in de eerste plaats moet hij noodzakelijkerwijze ook in een andere lidstaat bijdragen betalen om recht op socialezekerheidsuitkeringen te hebben; in de tweede plaats kan hij geen beroep doen op tussen de lidstaten van kracht zijnde verdragen inzake dubbele belastingheffing om te voorkomen dat inkomsten waarop in een staat reeds inhoudingen hebben plaatsgevonden, in de woonstaat opnieuw worden belast.
VI - Conclusie
48. Bijgevolg geef ik het Hof in overweging de vraag van het Bundessozialgericht te beantwoorden als volgt:
Artikel 48 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 39 EG) staat eraan in de weg dat een lidstaat in de berekeningsgrondslag voor de ziekteverzekeringsbijdrage van een onder zijn wetgeving vallende gepensioneerde migrerende werknemer het brutobedrag van het pensioen betrekt dat die werknemer uit hoofde van een collectieve overeenkomst uit een andere lidstaat ontvangt, zonder rekening ermee te houden dat een deel van het brutobedrag van dat pensioen reeds in de andere staat is ingehouden als bijdrage aan de ziekteverzekering."
Full & Egal Universal Law Academy