Conclusie van de advocaat generaal
1. Deze zaak betreft het raakvlak van het gemeenschapsrecht inzake de bescherming van geografische oorsprongsaanduidingen en inzake het vrij verkeer van goederen met het nationale recht inzake de bescherming van geografische herkomstaanduidingen en inzake de oneerlijke mededinging, met inbegrip van de consumentenbescherming. Het Duitse Bundesgerichtshof wenst van het Hof te vernemen of verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen, zich verzet tegen de toepassing van een nationale regeling die het misleidend gebruik van een eenvoudige geografische herkomstaanduiding verbiedt.
2. Vooraf wil ik erop wijzen dat de op dit gebied gebruikte terminologie zelf al veelvuldig tot verwarring kan leiden. Ik zal het begrip geografische herkomstaanduiding" alleen gebruiken in de zin van een plaatsnaam die een product aanduidt waarbij geen verband bestaat tussen de kenmerken van het product en de geografische herkomst ervan, en het gebruik van de naam al dan niet bij de consumenten de indruk kan wekken dat het product uit die plaats afkomstig is; zoals blijkt uit de verwijzingsbeschikking, is dit bovendien de betekenis waarin de verwijzende rechter het begrip eenvoudige geografische herkomstaanduiding" gebruikt. Ik zal daarentegen de begrippen geografische aanduiding" en oorsprongsbenaming" alleen gebruiken in de betekenis zoals gedefinieerd in verordening nr. 2081/92, te weten (beknopt samengevat) wanneer enig verband bestaat tussen de kenmerken van het product en de geografische herkomst ervan.
De feiten en het hoofdgeding
3. Verweerster exploiteert een brouwerij in Warstein en is houdster van het Duitse merk nr. 1 166 399 Warsteiner" voor Bier nach Pilsener Brauart", dat op 24 oktober 1990 werd ingeschreven. In het najaar van 1990 kocht verweerster een brouwerij te Paderborn, op 40 km afstand van Warstein.
4. De inzet van het geschil is de tekst van verweersters etiketten op de flessen voor de biersoorten Light" en Fresh", die tot eind 1991 in Paderborn werden gebrouwen. Het etiket op de voorzijde omschrijft het bier als Warsteiner Premium Light" respectievelijk Warsteiner Marke Premium Fresh". Het etiket op de achterzijde herhaalt telkens de naam, bevat enige verkoopbevorderende informatie over het bier en vermeldt ten slotte:
Speciaal gebrouwen overeenkomstig het Duitse Reinheitsgebot en gebotteld in onze nieuwe BROUWERIJ TE PADERBORN".
5. Ik wil op deze plaats erop wijzen dat vaststaat dat Warsteiner", het bijvoeglijk naamwoord van Warstein" als plaatsnaam, een geografische herkomstaanduiding is en dat een te Warstein gebrouwen bier geen aan die plaats toe te schrijven bijzondere kenmerken bezit: de faam van het als Warsteiner" aangeduid bier is te danken aan de kwaliteit van het bier en de promotie van het merk.
6. Verzoekster, een vereniging met als statutair doel de bestrijding van oneerlijke mededinging, is van mening dat het ontwerp van deze etiketten misleidend is en dat de geografische herkomstaanduiding Warsteiner" daarom niet mag worden gebruikt voor bier dat in Paderborn is gebrouwen. Verweerster voert daartegen aan dat consumenten Warsteiner" niet zien als een verwijzing naar een geografische herkomst. De plaats Warstein is bij het publiek onbekend; ook wanneer enige consumenten de benaming Warsteiner" in verband brengen met een geografische herkomst, wordt de appreciatie van het bier niet bepaald door locale omstandigheden. Er bestaan andere bieren met een geografische herkomstaanduiding die niet (uitsluitend) uit de aldus aangeduide plaatsen komen.
7. Nadat het een opinieonderzoek had laten verrichten, wees het Landgericht Mannheim de verbodsvordering grotendeels toe en verbood het verweerster bij vonnis van 10 juni 1994 de in de brouwerij te Paderborn gebrouwen bieren Warsteiner Premium Light" en Warsteiner Premium Fresh" met de hierboven genoemde etiketten ten verkoop aan te bieden, te verspreiden en/of in het verkeer te brengen. Het Landgericht baseerde zich daarbij op § 3 van het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb (wet tegen oneerlijke mededinging; hierna: UWG").
8. Na een aanvullend deskundigenverslag van het opinieonderzoek vernietigde het Oberlandesgericht Karlsruhe, waarbij hoger beroep was ingesteld, het vonnis van het Landgericht en wees het de vordering af. Het oordeelde dat uit het opinieonderzoek bleek dat een belangrijk deel van het ondervraagde publiek niet op een voor het consumentengedrag doorslaggevende wijze werd misleid door de benaming. Slechts 8 % van de ondervraagde consumenten die, zij het ook alleen bij gelegenheid of zelden, bier dronken, wist uiteindelijk dat er een plaats Warstein bestond en verbond desgevraagd tevens een voorstelling aan die plaats.
9. Verzoekster stelde Revision" in bij het Bundesgerichtshof. Dat was van oordeel dat de in Revision" te geven beslissing afhing van de vraag of verordening nr. 2081/92 zich verzet tegen de nationale bescherming van eenvoudige geografische herkomstaanduidingen: indien de nationale wettelijke regeling niet door de verordening wordt geraakt, dient de vordering van verzoekster te worden toegewezen om redenen die hieronder worden uiteengezet. Daarom heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof bij beschikking van 2 juli 1998 de volgende vraag voorgelegd:
Verzet de regeling van verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen, zich tegen de toepassing van een nationale regeling die het misleidende gebruik van een eenvoudige geografische herkomstbenaming verbiedt, dat wil zeggen een aanduiding waarbij geen verband bestaat tussen de kenmerken van het product en de geografische herkomst ervan?"
10. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door partijen, de Oostenrijkse, de Franse, de Duitse, de Griekse en de Italiaanse regering alsmede door de Commissie. Partijen, de Duitse, de Griekse en de Italiaanse regering alsmede de Commissie zijn ter terechtzitting verschenen.
De relevante nationale wettelijke regeling en de uitlegging ervan door de verwijzende rechter
11. § 3 UWG bepaalt:
Eenieder die in het economisch verkeer voor mededingingsdoeleinden misleidende mededelingen doet inzake (...) de oorsprong (...) van goederen (...), kan worden gelast, het doen van die mededelingen te staken."
12. Ofschoon de vordering oorspronkelijk, evenals de beslissing in eerste aanleg, was gebaseerd op de zojuist genoemde bepaling, stelt het Bundesgerichtshof in zijn verwijzingsbeschikking dat de zaak in de eerste plaats dient te worden beoordeeld aan de hand van het Markengesetz (merkenwet), dat op 1 januari 1995 in werking is getreden, en alle opmerkingen zijn daarop gebaseerd.
13. Hoofdstuk 6 van het Markengesetz omvat drie afdelingen. Afdeling 1 (§§ 126-129) heeft betrekking op de bescherming van geografische herkomstaanduidingen" en afdeling 2 (§§ 130-136) op de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen in de zin van verordening (EEG) nr. 2081/92". Afdeling 3 bevat voorschriften inzake de delegatie van bevoegdheden voor het vaststellen van Rechtsverordnungen" (besluiten van algemene aard).
14. § 126 Markengesetz draagt het opschrift Als geografische herkomstaanduidingen beschermde namen, aanduidingen of tekens". Lid 1 daarvan bepaalt:
Onder geografische herkomstaanduidingen in de zin van deze wet worden verstaan de namen van plaatsen, streken, gebieden of landen, alsmede andere aanduidingen of tekens die in het economisch verkeer worden gebruikt om de geografische herkomst van goederen of diensten aan te duiden."
15. § 127 Markengesetz, Omvang van de bescherming", bepaalt voor zover relevant:
1) Geografische herkomstaanduidingen mogen in het economisch verkeer niet worden gebruikt voor goederen of diensten die niet afkomstig zijn uit de plaats, de streek, het gebied of het land die of dat daarmee wordt aangeduid, wanneer door het gebruik van dergelijke namen, aanduidingen of tekens voor goederen of diensten van andere herkomst misleiding ten aanzien van de geografische herkomst zou kunnen ontstaan.
2) Wanneer de door een geografische herkomstaanduiding aangeduide goederen of diensten bijzondere kenmerken of een bijzondere hoedanigheid bezitten, mag de geografische herkomstaanduiding in het economisch verkeer slechts voor soortgelijke goederen of diensten van die herkomst worden gebruikt, indien deze goederen of diensten die kenmerken of hoedanigheid vertonen.
3) Wanneer een geografische herkomstaanduiding een bijzondere faam geniet, mag zij, ook zonder dat misleiding ten aanzien van de geografische herkomst zou kunnen ontstaan, in het economisch verkeer niet voor goederen of diensten van andere herkomst worden gebruikt, voor zover door het gebruik voor goederen of diensten van andere herkomst zonder geldige reden ongerechtvaardigd voordeel kan worden getrokken uit of afbreuk kan worden gedaan aan de faam van de geografische herkomstaanduiding of het onderscheidend vermogen daarvan."
16. § 128, lid 1, Markengesetz bepaalt:
Tegen eenieder die in het economisch verkeer namen, aanduidingen of tekens gebruikt in strijd met § 127, kan door hen die op grond van § 13, lid 2, van de wet tegen oneerlijke mededinging [UWG] rechten kunnen doen gelden, een verbodsvordering worden ingesteld."
17. Blijkens de verwijzingsbeschikking ziet § 13, lid 2, UWG op concurrenten, beroepsorganisaties, consumentenverenigingen en kamers van koophandel, industrie of ambacht.
18. Het Bundesgerichtshof beklemtoont in de verwijzingsbeschikking dat de bescherming van geografische herkomstaanduidingen als vervat in de §§ 126-128 Markengesetz moet worden aangemerkt als lex specialis van een naar haar aard mededingingsrechtelijke bescherming; op § 3 UWG kan nu alleen nog een beroep worden gedaan voor feitelijke omstandigheden die niet onder de §§ 126 en volgende Markengesetz vallen. Geografische herkomstaanduidingen vormen echter niet nog een soort van intellectuele eigendom, omdat de benaming niet aan een bepaalde (uitsluitende) houder toekomt. Individuele bescherming volgt evenals vroeger enkel als een reflex uit de naar haar aard mededingingsrechtelijke bescherming.
19. Het Bundesgerichtshof zet vervolgens uiteen dat, aangezien het reeds om redenen van bescherming van de concurrenten verboden is een product van onjuiste aanduidingen over de geografische herkomst ervan te voorzien, geografische herkomstaanduidingen eveneens kunnen worden beschermd wanneer de herkomst van het product niet van belang is voor de beslissing van de consument om tot aankoop over te gaan. Voor de bescherming van eenvoudige geografische herkomstaanduidingen op grond van § 127, lid 1, Markengesetz is slechts vereist dat de genoemde plaats niet duidelijk niet als productieplaats in aanmerking komt wegens haar karakteristieke eigenschappen of de bijzondere aard van de waren; niet is vereist dat de consument met de aanduiding een specifieke kwaliteit verbindt die is gebaseerd op regionale of locale karakteristieke eigenschappen, of dat de aanduiding als zodanig bij het publiek bekend is. Voor deze zaak is het daarom niet relevant of de consument bepaalde kwaliteitsverwachtingen aan de plaats van herkomst van het bier verbindt dan wel in hoeverre de benaming Warsteiner" als geografische aanduiding van belang is voor de beslissing van de consument om tot aankoop over te gaan. Aangezien verweerster niet voldoende en op redelijke wijze duidelijk heeft gemaakt dat de plaats van de brouwerij Paderborn is, is het haar niet toegestaan de plaatsaanduiding Warsteiner" te gebruiken voor bier dat in Paderborn is gebrouwen.
20. Ten slotte wijst het Bundesgerichtshof erop dat verweerster het belang van Warsteiner" als geografische aanduiding had kunnen neutraliseren door op de etiketten aan de voorzijde van de bierflessen te vermelden dat het bier gebrouwen wordt in Paderborn en door wellicht het woord Marke" (merk") aan de benaming Warsteiner" toe te voegen. Verzoekster stelt dat een gedeelte van het Fresh"- en het Light"-bier dat door verweerster in Paderborn was gebrouwen, in de handel was gebracht met etiketten die aan deze criteria voldeden, en het Bundesgerichtshof in een parallelle procedure die door verzoekster tegen verweerster wegens die etikettering was aangespannen, verweerster in het gelijk heeft gesteld. Gebleken is evenwel dat volgens partijen door dat arrest de procedure die aan het onderhavig verzoek om een prejudiciële beslissing ten grondslag ligt, niet zonder voorwerp is geraakt. Volgens verzoekster wil verweerster weer terugvallen op de uitvoering van de etiketten die in deze procedure aan de orde is, wanneer haar dit juridisch mogelijk is.
De relevante gemeenschapsregeling
Verordening nr. 2081/92
21. Benamingen die voldoen aan de voorwaarden van verordening nr. 2081/92 en krachtens deze zijn geregistreerd, worden overal in de Gemeenschap beschermd.
22. De zevende, de negende en de tiende overweging van de considerans van verordening nr. 2081/92 luiden:
(...) dat de gebruiken met betrekking tot de oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen in de lidstaten thans nog uiteenlopen; dat een communautaire benadering moet worden overwogen; dat immers met een communautair kader in de vorm van een beschermingsregeling het gebruik van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen verder zou kunnen worden ontwikkeld, aangezien een dergelijk kader, dankzij een meer uniforme aanpak, aan producenten van producten met dergelijke vermeldingen gelijke mededingingsvoorwaarden garandeert en deze producten voor de consumenten geloofwaardiger maakt;
(...) dat deze verordening slechts geldt voor landbouwproducten en levensmiddelen waarvoor er een verband bestaat tussen de kenmerken van het product en de geografische oorsprong ervan; dat het toepassingsgebied van deze verordening echter zo nodig tot andere producten kan worden uitgebreid;
(...) dat het, gezien de bestaande praktijk, wenselijk is twee verschillende niveaus van geografische referenties vast te stellen, namelijk beschermde geografische aanduidingen en beschermde oorprongsbenamingen".
23. Artikel 1, lid 1, bepaalt:
In deze verordening worden de voorschriften vastgesteld voor de bescherming van de oorsprongsbenamingen en de geografische aanduidingen van de voor menselijke voeding bestemde landbouwproducten die vermeld staan in bijlage II van het Verdrag en van de levensmiddelen die vermeld staan in bijlage I bij deze verordening alsmede van de landbouwproducten die vermeld staan in bijlage II bij deze verordening. (...)"
Bier maakt deel uit van de levensmiddelen genoemd in bijlage I.
24. Artikel 2, lid 1, van de verordening luidt: De communautaire bescherming van oorsprongsbenamingen en van geografische aanduidingen van producten wordt verkregen overeenkomstig de bepalingen van deze verordening."
25. De algemene definitie van oorsprongsbenaming" en geografische aanduiding" in de zin van de verordening staat in artikel 2, lid 2:
a) ,oorsprongsbenaming: de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of levensmiddel:
- dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land en
- waarvan de kwaliteit of de kenmerken hoofdzakelijk of uitsluitend aan het geografische milieu, dat factoren van natuurlijke en menselijke aard omvat, zijn toe te schrijven en waarvan de productie, de verwerking en de bereiding in het geografische gebied geschieden;
b) ,geografische aanduiding: de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of levensmiddel:
- dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land en
- waarvan een bepaalde hoedanigheid, de faam of een ander kenmerk aan deze geografische oorsprong kan worden toegeschreven en waarvan de productie en/of de verwerking en/of de bereiding in het bepaalde geografische gebied geschieden."
26. Krachtens artikel 17, lid 1, van de verordening moesten de lidstaten [b]innen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening (...) de Commissie mee[delen], welke van hun wettelijk beschermde benamingen of, in de lidstaten waar geen beschermingssysteem bestaat, welke van hun door het gebruik algemeen gangbaar geworden benamingen zij krachtens deze verordening willen laten registreren". Voorts bepaalt artikel 17, lid 3: De lidstaten kunnen de nationale bescherming van de overeenkomstig lid 1 meegedeelde benamingen handhaven totdat een besluit over de registratie is genomen." Latere registraties zijn uiteraard toegestaan en er bestaat inderdaad nog een voortdurende stroom van registratieaanvragen op grond van de verordening. De registratieprocedure is vastgesteld in de artikelen 4 tot en met 7: beknopt samengevat komt deze erop neer dat een groepering of, onder bepaalde voorwaarden, een natuurlijke of rechtspersoon een registratieaanvraag kan indienen voor landbouwproducten of levensmiddelen die hij/zij produceert of verkrijgt in de zin van artikel 2, lid 2, sub a of b; de Commissie gaat na of de aanvraag alle voorgeschreven gegevens bevat, en wanneer dit het geval is maakt zij de details bekend in het Publicatieblad; de naam wordt geregistreerd wanneer binnen zes maanden na de bekendmaking geen bezwaren zijn ingediend.
De richtlijnen inzake etikettering en reclame
27. Verzoekster, verweerster, de Duitse regering en de Commissie verwijzen in hun opmerkingen meer dan eens naar richtlijn 79/112 inzake de etikettering en de presentatie van levensmiddelen en de reclame daarvoor, en naar richtlijn 84/450 inzake misleidende reclame.
28. Richtlijn 79/112 stelt communautaire etiketteringsvoorschriften vast van algemene en horizontale aard die van toepassing zijn op alle levensmiddelen die in de handel worden gebracht en bestemd zijn voor de eindverbruiker. Daarbij wordt in de eerste plaats uitgegaan van de noodzaak de consumenten voor te lichten en te beschermen; eveneens dienen de voorschriften ertoe het gebruik van de koper misleidende informatie te verbieden. Etikettering" omvat volgens de definitie ervan de vermeldingen, aanwijzingen en fabrieks- of handelsmerken die betrekking hebben op een levensmiddel en voorkomen op enig etiket. De etikettering mag de koper niet kunnen misleiden, onder meer ten aanzien van de kenmerken van het levensmiddel met inbegrip van oorsprong of herkomst.
29. Richtlijn 84/450 beoogt de consument beter te beschermen en een einde te maken aan de distorsies van de mededinging en de belemmeringen van het vrij verkeer van goederen en het vrij verrichten van diensten die het gevolg zijn van de verschillen tussen de wettelijke regelingen van de lidstaten op het gebied van misleidende reclame. Daartoe schrijft zij objectieve minimumcriteria voor om te beoordelen of reclame misleidend is, en minimumeisen voor de beschermingsmogelijkheden tegen dergelijke reclame. Reclame" is in artikel 2, lid 1, ruim omschreven en omvat iedere mededeling bij de uitoefening van een commerciële, industriële of ambachtelijke activiteit of van een vrij beroep ter bevordering van de afzet van goederen of diensten; Misleidende reclame" wordt in artikel 2, lid 2, gedefinieerd als elke vorm van reclame die op enigerlei wijze de personen tot wie zij zich richt of die zij bereikt, misleidt of kan misleiden en die door haar misleidende karakter hun economisch gedrag kan beïnvloeden, of die om die redenen een concurrent schade toebrengt of kan toebrengen. Artikel 3 preciseert dat bij de beoordeling of een bepaalde reclame misleidend is, alle daarin voorkomende mededelingen omtrent de geografische of commerciële oorsprong van de goederen in aanmerking moeten worden genomen. Artikel 7 bepaalt dat de lidstaten voorschriften mogen handhaven of aannemen met het oog op een verdergaande bescherming van onder meer consumenten.
Onderzoek van de geschilpunten
30. In deze zaak doet zich een aantal geschilpunten voor. In de eerste plaats moet worden vastgesteld of naast verordening nr. 2081/92 een nationale wettelijke regeling inzake eenvoudige herkomstaanduidingen kan bestaan: dat is uiteraard de door het Bundesgerichtshof voorgelegde vraag. Mocht dit zo zijn, rijst vervolgens de vraag of die nationale wettelijke regeling verenigbaar is met andere eisen van het gemeenschapsrecht, met name de verdragsbepalingen inzake het vrij verkeer van goederen. Die vraag werd door verweerster opgeworpen alsmede door de Franse, de Duitse en de Italiaanse regering in het kader van hun schriftelijke opmerkingen. Aangezien echter die opmerkingen voornamelijk betrekking hadden op de werkingssfeer van verordening nr. 2081/92 als het voorwerp van de enige gestelde vraag, verzocht het Hof om ter terechtzitting ook in te gaan op het verband tussen de nationale bescherming van eenvoudige geografische herkomstaanduidingen en de verdragsbepalingen inzake het vrij verkeer van goederen en, in die context, op de verenigbaarheid van de uitlegging door het Bundesgerichtshof van § 127, lid 1, Markengesetz met de eisen van het gemeenschapsrecht, met name op het gebied van de bescherming van consumenten. Ik zal eerst de voorgelegde vraag behandelen, te weten of naast verordening nr. 2081/92 een nationale wettelijke regeling inzake eenvoudige geografische herkomstaanduidingen kan bestaan.
De werkingssfeer van verordening nr. 2081/92
31. Verzoekster, de Franse, de Duitse en de Italiaanse regering alsmede de Commissie sluiten zich alle aan bij de opvatting van het Bundesgerichtshof als weergegeven in de verwijzingsbeschikking: verordening nr. 2081/92 geldt uitsluitend voor de in artikel 2 gedefinieerde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen - te weten benamingen voor producten waarbij een verband bestaat tussen de geografische oorsprong en de bijzondere kwaliteit ervan - en verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling ter bescherming van andere soorten geografische aanduidingen.
32. De Duitse regering voegt hieraan toe dat richtlijn 79/112 inzake de etikettering en de presentatie van levensmiddelen en de reclame daarvoor, en richtlijn 84/450 inzake misleidende reclame de lidstaten ertoe verplichten alle misleidende aanduidingen, met inbegrip van misleidende aanduidingen betreffende de geografische oorsprong, te verbieden; het zou in strijd zijn met die richtlijnen wanneer de verordening aan de lidstaten op het gebied van geografische herkomstaanduidingen iedere bevoegdheid zou ontnemen. Bovendien zou, wanneer de verordening uitputtend ware, het misleidend gebruik van zulke herkomstaanduidingen zowel op nationaal als op communautair niveau zich aan iedere controle kunnen onttrekken.
33. De Oostenrijkse regering sluit zich aan bij de opvatting dat de verordening zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling ter bescherming van geografische herkomstaanduidingen, maar komt langs andere weg tot die conclusie. Zij merkt op dat de verordening met name beoogt het inkomen in agrarische regio's te verbeteren. Het zou tegen die doelstelling indruisen wanneer eenvoudige geografische herkomstaanduidingen, die niet onder de bescherming van de verordening vallen, ook iedere nationale bescherming zouden verliezen, omdat alsdan de levensstandaard van de betrokken producenten ernstig zou worden aangetast. De Oostenrijkse en de Duitse regering verwijzen beide bovendien naar artikel 22 van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIP's), op grond waarvan partijen - waaronder de Gemeenschap zelf en de lidstaten als leden van de WTO - verplicht zijn geografische aanduidingen" te beschermen.
34. Daarentegen voeren verweerster en de Griekse regering aan dat de verordening de bescherming van alle soorten geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen uitputtend heeft geregeld en zich derhalve verzet tegen een nationale wettelijke regeling op dit gebied (ofschoon verweerster ter terechtzitting in haar opmerkingen betreffende de door het Hof aan de orde gestelde aanvullende geschilpunten ervan uitging dat een nationale wettelijke regeling niet aldus was uitgesloten). Verweerster voegt eraan toe dat de verordening niet raakt aan nationale mededingingsrechtelijke voorschriften die tot doel hebben de consument tegen misleidende praktijken te beschermen, inzonderheid die ter omzetting van richtlijn 79/112 inzake de etikettering en de presentatie van levensmiddelen en de reclame daarvoor, en richtlijn 84/450 inzake misleidende reclame.
35. Mijns inziens blijkt zowel uit de doelstelling als uit de tekst van de verordening dat zij zich niet verzet tegen nationale beschermingssystemen van eenvoudige geografische herkomstaanduidingen, dat wil zeggen aanduidingen waarbij het verband tussen herkomst en kwaliteit of faam ontbreekt.
36. In de eerste plaats is het duidelijk dat de verordening zelf slechts geldt voor die landbouwproducten en levensmiddelen waarvoor een verband bestaat tussen de kenmerken ervan en de plaats van oorsprong: zie de negende overweging van de considerans en de definities in artikel 2, lid 2, van oorsprongsbenaming" en geografische aanduiding", waartoe de verordening krachtens artikel 1, lid 1, met zoveel woorden is beperkt. Het staat vast dat eenvoudige geografische herkomstaanduidingen niet onder deze definitie vallen.
37. Uiteraard zou gesteld kunnen worden dat, aangezien aan strikte voorwaarden moet worden voldaan voor de kwalificatie als geografische aanduidingen" in de zin van de verordening, het merkwaardig zou zijn wanneer eenvoudige aanduidingen konden worden beschermd zonder dat daaraan enige voorwaarde werd gesteld. Hiertegen kan worden ingebracht dat op het gebied van echte" oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen (dat wil zeggen die welke onder de definitie van artikel 2, lid 2, vallen) strikte voorwaarden gerechtvaardigd zijn om in de gehele Gemeenschap bescherming te waarborgen op grond van een gemeenschapsregeling, maar dat dit de lidstaten niet behoeft te beletten om die nationale bescherming te verlenen die zij passend achten (uiteraard mits die bescherming verenigbaar is met andere bepalingen van gemeenschapsrecht en met name de verdragsbepalingen inzake het vrij verkeer van goederen).
38. Verweerster betoogt dat ofschoon de verordening krachtens artikel 2 door registratie alleen bescherming verleent aan de in dat artikel gedefinieerde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, de in artikel 1 afgebakende werkingssfeer van de verordening zich uitstrekt tot alle soorten geografische benamingen en aanduidingen en zich derhalve verzet tegen nationale bescherming daarvan, met inbegrip van herkomstaanduidingen. Dit is mijns inziens een wat gekunstelde uitlegging; zij is bovendien in tegenspraak met de vermelding in de considerans van de verordening dat deze slechts geldt voor producten waarvoor een verband bestaat tussen de kenmerken en de geografische oorsprong ervan.
39. Zoals al vermeld, beroepen meerdere partijen zich ter staving van hun argumenten op richtlijn 79/112 inzake de etikettering en de presentatie van levensmiddelen en de reclame daarvoor, en op richtlijn 84/450 inzake misleidende reclame. De richtlijnen zijn zowel genoemd door de partijen die stellen dat de verordening niet uitputtend kan zijn - omdat zij alsdan de lidstaten zou beletten te voldoen aan hun verplichtingen krachtens de richtlijnen om ten aanzien van de herkomst misleidende etiketten en reclame te verbieden - als door verweerster, die betoogt dat de verordening, ofschoon zij zich verzet tegen een nationale regeling inzake herkomstaanduidingen, niet raakt aan regelingen als de richtlijnen die de bescherming van consumenten beogen.
40. Mijns inziens zijn de richtlijnen van geen nut bij de vaststelling of de verordening al dan niet uitputtend is. Zij zijn echter van enige betekenis voor de vraag of de nationale regeling wettig is, ongeacht de werkingssfeer van de verordening. Dienovereenkomstig zal ik in die context hierna op de richtlijnen terugkomen.
41. Het is zeker niet duidelijk of naast de verordening nationale systemen kunnen bestaan voor de bescherming van producten en levensmiddelen die binnen de werkingssfeer van de verordening vallen, dat wil zeggen producten en levensmiddelen in de benaming waarvan de in de verordening gedefinieerde geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen voorkomen. Deze vraag is echter niet aan de orde in de onderhavige zaak, die alleen betrekking heeft op de wettigheid van een nationaal beschermingssysteem van eenvoudige geografische herkomstaanduidingen, die duidelijk niet binnen de werkingssfeer van de verordening vallen.
42. Met betrekking tot de door het Bundesgerichtshof gestelde vraag kom ik derhalve tot de conclusie dat de verordening zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling als § 127, lid 1, Markengesetz die eenvoudige geografische herkomstaanduidingen beschermt. De vraag of een dergelijke regeling wettig is, moet daarom worden beoordeeld aan de hand van andere beginselen van gemeenschapsrecht.
De toepasselijkheid van artikel 30 EG-Verdrag
43. Vervolgens moet de vraag worden onderzocht of een nationale wettelijke regeling als § 127, lid 1, Markengesetz binnen de werkingssfeer valt van artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG), dat kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten verbiedt.
44. Men kan zich afvragen of de feiten die tot het hoofdgeding hebben geleid binnen de werkingssfeer van dat artikel vallen, aangezien een Duitse vereniging op grond van Duits recht ageert tegen een Duitse vennootschap met betrekking tot bier dat in Duitsland wordt gebrouwen. De vertegenwoordiger van de Italiaanse regering heeft dit inderdaad ter terechtzitting betwijfeld. Echter zijn verweerster en impliciet de Franse en de Duitse regering van oordeel dat artikel 30 in beginsel van toepassing is, gezien de mogelijke gevolgen van de nationale regeling voor de intracommunautaire handel.
45. Een soortgelijk probleem deed zich voor in de zaak Pistre e.a., die betrekking had op de strafvervolging van Franse onderdanen in verband met Franse producten die op Frans grondgebied in de handel waren gebracht. De strafvervolging was ingesteld omdat verzuimd was een vergunning aan te vragen die volgens nationaal recht nodig was voor het gebruik van bepaalde aanduidingen bij het in de handel brengen van de waren. Het Hof verwierp het argument dat onder zulke omstandigheden de strafvervolgingen niet binnen de werkingssfeer van artikel 30 vielen, op grond dat de toepasselijkheid van dat artikel niet kon worden uitgesloten om de enkele reden dat in het aan de nationale rechter voorgelegde concrete geval alle elementen binnen één enkele lidstaat gesitueerd waren, nu ook in een dergelijke situatie de toepassing van de nationale maatregel gevolgen kon hebben voor het vrij verkeer van goederen tussen de lidstaten. Daarbij moet echter worden bedacht dat het probleem in die zaak zich op een nogal ongebruikelijke manier voordeed: betoogd was dat de verenigbaarheid van de nationale wettelijke regeling met artikel 30 relevant was omdat, wanneer de regeling alleen met betrekking tot invoer onwettig was, sprake zou zijn van discriminatie van nationale producenten. Een dergelijke omgekeerde discriminatie zou echter in strijd zijn geweest met nationaal recht. Bijgevolg konden de nationale producenten indirect een beroep doen op artikel 30 om te voorkomen dat de nationale regeling op hen zou worden toegepast.
46. In de onderhavige zaak is daarentegen van een dergelijk verband geen sprake. Ik blijf van mening dat artikel 30 alleen toepassing kan vinden in geval van een daadwerkelijke of potentiële beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten; ik herinner eraan dat deze opvatting recentelijk ook is verkondigd door advocaat-generaal Saggio in de zaak Guimont. Aangezien partijen echter ook artikel 30 in het debat hebben betrokken, zal ik mijn standpunt bepalen in de veronderstelling dat een dergelijke beïnvloeding zou kunnen plaatsvinden.
47. Naar de inhoud ervan valt § 127, lid 1, Markengesetz duidelijk binnen de werkingssfeer van artikel 30, dat betrekking heeft op iedere handelsregeling van de lidstaten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren.
48. Dienovereenkomstig moet nog worden nagegaan of de litigieuze nationale bepaling gerechtvaardigd kan zijn hetzij op grond van artikel 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 30 EG) hetzij als dwingende eis in de zin van het arrest Cassis de Dijon.
De bescherming van de industriële en commerciële eigendom krachtens artikel 36
49. Artikel 36 staat invoerbeperkingen toe die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van onder meer de bescherming van de industriële en commerciële eigendom, mits de beperkingen geen middel tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen. Verzoekster voert aan dat de nationale regeling onder deze uitzondering valt en beroept zich daarvoor op het arrest Exportur, waarin het Hof lijkt te erkennen dat de bescherming van eenvoudige geografische herkomstaanduidingen onder de bescherming van de industriële en commerciële eigendom" in de zin van artikel 36 valt.
50. Verweerster voert daartegen aan dat het hoofdgeding in de onderhavige zaak op een beslissend punt verschilt van dat in de zaak Exportur. In die zaak leek het Hof te erkennen dat herkomstaanduidingen beschermd dienden te worden omdat zij bij de consument een goede klank [kunnen] hebben en voor de producenten die in de erdoor aangeduide plaats zijn gevestigd, een belangrijk middel zijn om afnemers te trekken". De bescherming van dergelijke herkomstaanduidingen was daarom gerechtvaardigd wegens het gevaar dat anders derden van de faam ervan zouden kunnen profiteren. In het onderhavige geval verbiedt de nationale regeling echter het gebruik van herkomstaanduidingen, ongeacht of de geografische aanduiding enige faam impliceert. De aanduiding Warsteiner" is door verweerster gepromoot, en de faam ervan berust op de kwaliteit van het daardoor aangeduide bier en niet op de geografische herkomst van dat bier. Dienovereenkomstig komt verweerster tot de slotsom dat alleen zij het recht heeft schending te stellen van haar fundamenteel gemeenschapsrechtelijk recht op de bescherming van haar intellectuele eigendom.
51. Deze argumenten van verweerster komen mij overtuigend voor. Het arrest in de zaak Exportur was gebaseerd op een vordering van een voor het lanceren en promoten van de uitvoer gevormde Spaanse vereniging van exporteurs van het betrokken product (noga met de naam Turrón de Alicante" en Turrón de Jijona"), tegen twee Franse fabrikanten van noga met de benaming tourons Alicante", tourons type Alicante", tourons Jijona" en tourons type Jijona", die erop was gericht deze laatste te doen verbieden de betrokken Spaanse benamingen te gebruiken. De vordering berustte op de overeenkomst tussen de Franse Republiek en de Spaanse Staat van 27 juni 1973 inzake de bescherming van de benaming van oorsprong, de aanduiding van herkomst en de namen van bepaalde producten, waarin was bepaald dat de benamingen Turrón de Alicante" en Turrón de Jijona" op het grondgebied van de Franse Republiek uitsluitend waren voorbehouden aan Spaanse producten of goederen en aldaar alleen volgens de bepalingen van de Spaanse wetgeving mochten worden gebruikt. Ongeacht of eenvoudige geografische herkomstaanduidingen als in de zaak Exportur aan de orde redelijkerwijs kunnen worden geacht op één lijn te staan met de voornaamste intellectuele eigendomsrechten als octrooien, merkrechten en auteursrechten, is het hoe dan ook duidelijk dat verzoekster in die zaak een recht wilde doen gelden dat daarmee op zijn minst overeenkomsten vertoonde en dat haar (of haar leden) bij de overeenkomst was toegekend; het Hof achtte kennelijk ook van betekenis dat de beschermde benamingen en de producten die door de aldaar gevestigde ondernemingen waren geproduceerd een reputatie genoten waarvan de verwerende producenten profijt trokken. In deze zaak daarentegen vordert verzoekster, die niet het minste recht heeft de litigieuze geografische herkomstaanduiding te gebruiken, een verbod op het gebruik daarvan door de onderneming die de reputatie die die naam geniet, zelf heeft opgebouwd. De veronderstelling dat wettelijke bepalingen op grond waarvan een dergelijke vordering wordt ingesteld, onder de bescherming van de industriële en commerciële eigendom" in de zin van artikel 36 zouden vallen, doet mijns inziens het erkend gebruik van gemeenschapsrechtelijke begrippen geweld aan.
52. Bovendien heeft het Hof in vaste rechtspraak betreffende de omvang van die uitzondering beslist dat artikel 36 inbreuken op het vrij verkeer van goederen slechts toelaat voor zover die gerechtvaardigd zijn teneinde de rechten te waarborgen die het specifieke voorwerp van deze eigendom vormen. Het Hof heeft richtsnoeren gegeven voor de vaststelling wat het specifieke voorwerp van bepaalde soorten intellectuele eigendom vormt: bij octrooien bijvoorbeeld is het de octrooihouder, ter beloning van de creatieve inspanning van de uitvinder, het uitsluitend recht te verschaffen de uitvinding te gebruiken voor de vervaardiging en het als eerste in het verkeer brengen van producten van nijverheid, alsmede het recht zich tegen inbreuken te verzetten; bij een merk is het de merkgerechtigde het uitsluitend recht te verschaffen het merk te gebruiken voor het als eerste in het verkeer brengen van producten die door het merk worden beschermd, en hem aldus te beschermen tegen concurrenten die van de positie en reputatie van het merk misbruik zouden willen maken door van dit merk valselijk voorziene producten te verkopen. Een nationale regeling als § 127, lid 1, Markengesetz heeft kennelijk niet tot doel om enige vergelijkbare rechten verband houdend met herkomstaanduidingen te waarborgen; inderdaad wijst het Bundesgerichtshof er uitdrukkelijk op dat wanneer een herkomstaanduiding niet aan een bepaalde uitsluitende houder wordt toegewezen, het misplaatst is van intellectuele eigendomsrechten te spreken. Mijns inziens vormen de door het Hof ontwikkelde beginselen in het kader van de industriële en commerciële eigendom in de strikte betekenis van overdraagbare rechten als octrooien, merken en het auteursrecht, een naar hun aard ongeschikt kader voor de beoordeling van de wettigheid van een nationale regeling inzake eenvoudige geografische herkomstaanduidingen.
53. Ten slotte wil ik erop wijzen dat aan de feiten in de zaak Exportur een volstrekt andere historische en juridische context ten grondslag lag dan in de onderhavige zaak. In de zaak Exportur onderzocht het Hof een overeenkomst met een veel bredere doelstelling dan die van de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde nationale regeling: met de overeenkomst werd de bescherming beoogd van oorsprongsbenamingen, herkomstaanduidingen en de benamingen van bepaalde producten, waarvan ten tijde van de feiten die aan het hoofdgeding ten grondslag lagen geen enkele op gemeenschapsniveau was beschermd. Ik ben er niet van overtuigd dat de algemene uitspraak van het Hof dat het doel van die overeenkomst kan worden beschouwd als behorend tot de bescherming van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 36" eveneens van toepassing is op het veel engere gebied van eenvoudige geografische herkomstaanduidingen, en zulks te meer nu oorsprongsbenamingen binnen de werkingssfeer van de verordening vallen en als gevolg daarvan op communautair niveau worden beschermd.
54. Mitsdien kom ik tot de slotsom dat een nationale wettelijke regeling als § 127, lid 1, Markengesetz niet valt onder de uitzondering voor maatregelen ter bescherming van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 36 van het Verdrag.
Rechtvaardiging op grond van dwingende eisen
55. Ofschoon het Hof kennelijk heeft aanvaard dat de noodzaak om producenten te beschermen tegen oneerlijke mededinging en consumenten tegen misleidende oorsprongsaanduidingen van producten, een rechtvaardiging kan vormen uit hoofde van de openbare orde krachtens artikel 36, is uit latere rechtspraak gebleken dat artikel 36 als uitzondering op de in artikel 30 verankerde fundamentele regel van het Verdrag eng moet worden uitgelegd en niet kan worden uitgebreid tot doelstellingen - zoals de bescherming tegen oneerlijke mededinging en van consumenten - die niet uitdrukkelijk daarin zijn genoemd. De rechtvaardiging van de betrokken nationale regeling uit hoofde van de bescherming van consumenten moet daarom elders worden gezocht.
56. Aangezien de nationale regeling blijkens de tekst ervan zonder onderscheid van toepassing is op binnenlandse en op ingevoerde goederen, kan de beperking van het vrij verkeer van goederen binnen de Gemeenschap die daarvan het gevolg is in beginsel gerechtvaardigd worden op grond van de formule die door het Hof voor het eerst is gehanteerd in het arrest Cassis de Dijon, te weten ter voldoening aan dwingende eisen, waaronder de bescherming tegen oneerlijke mededinging en de bescherming van de consument, mits de regeling evenredig is aan haar doelstelling.
57. In zijn verwijzingsbeschikking beklemtoont het Bundesgerichtshof dat § 127, lid 1, Markengesetz naar zijn oordeel een bepaling van mededingingsrecht is; de Duitse regering stelt met nadruk dat dit voorschrift gebaseerd is op de bescherming van de consument. Dit laatste aspect van de regeling blijkt niet alleen uit de tekst ervan, maar eveneens uit het feit dat krachtens § 128, lid 1, Markengesetz juncto § 13, lid 2, UWG consumentenverenigingen bij schending van § 127, lid 1, in rechte kunnen optreden, en dat § 3 UWG, die kennelijk op het gebied van de herkomstaanduidingen door § 127, lid 1, Markengesetz aangevuld zoal niet vervangen wordt, herhaaldelijk door het Hof als een voorschrift voor de bescherming van consumenten is gezien.
58. In ieder geval blijkt uit het arrest Cassis de Dijon zelf dat tussen de twee begrippen consumentenbescherming en oneerlijke mededinging een nauw verband bestaat: het Hof oordeelde dat het voorschrijven van een minimumalcoholpercentage niet als een wezenlijke garantie voor een eerlijk handelsverkeer kon worden beschouwd, aangezien de koper zeer wel van de nodige informatie kon worden verzekerd door deze eenvoudigweg op de verpakking te vermelden. De twee rechtvaardigingsgronden zullen naar hun aard vaak gezamenlijk aanwezig zijn; inderdaad ligt de dubbele doelstelling van de bescherming van consumenten en de bescherming van producenten aan verordening nr. 2081/92 ten grondslag.
59. Dienaangaande blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat een risico van misleiding van de consumenten niet meer gewicht kan hebben dan de eisen van het vrij verkeer van goederen, zodat dit risico belemmeringen van het handelsverkeer slechts kan rechtvaardigen voor zover het voldoende ernstig is, en dat bij de beoordeling van de omvang van dat risico moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument.
60. Wanneer daarom de aldus gedefinieerde gemiddelde consument van een bepaald product dat onder een eenvoudige geografische herkomstaanduiding in de handel wordt gebracht, geen verband legt tussen de kenmerken van het product op grond waarvan hij tot aankoop wil overgaan en de herkomstaanduiding, dan is die aanduiding niet van invloed op zijn beslissing, kan hij redelijkerwijs niet geacht worden te zijn misleid en zou een verbod tot verhandeling van het product onder een dergelijke aanduiding, zogenaamd ter bescherming van consumenten, duidelijk een onevenredige en ongeschikte maatregel zijn ter bereiking van dat doel.
61. Uit de in de verwijzingsbeschikking genoemde cijfers (ontleend aan het opinieonderzoek waarop het arrest van het Oberlandesgericht Karlsruhe is gebaseerd) blijkt dat, ofschoon bijna 81 % van de regelmatige bierdrinkers de plaats Warstein kent, slechts 8 % van de consumenten die, zij het ook alleen bij gelegenheid of zelden, bier drinken, die plaats van belang achten voor hun beslissing om tot aankoop over te gaan.
62. Het Bundesgerichtshof stelt in de verwijzingsbeschikking dat het voor de bescherming van een geografische herkomstaanduiding krachtens § 127, lid 1, Markengesetz niet vereist is dat de herkomstaanduiding als zodanig bij de consumenten bekend is, doch slechts dat de aangeduide plaats niet duidelijk niet als plaats van productie in aanmerking komt. Bij deze uitlegging is het niet relevant of het feit dat een plaats met de naam Warstein bestaat, van belang is voor de beslissing van de gemiddelde consument om Warsteiner bier te kopen: de vraag of er een reëel gevaar bestaat dat de consument ten aanzien van de geografische herkomst van het product zal worden misleid, komt niet aan de orde.
63. Wanneer de gemiddelde consument echter niet wordt misleid, valt moeilijk in te zien welk algemeen belang wordt gediend met de beperking van het gebruik van de herkomstaanduiding. Het is niet mogelijk een dergelijke beperking in overeenstemming te brengen met de norm van de gemiddelde consument die, zoals zojuist uiteengezet, door het Hof is ontwikkeld als een maatstaf voor de beoordeling van de wettigheid in dit verband van belemmeringen van het vrij verkeer van goederen. Anders geformuleerd, het is kennelijk onevenredig om onder zulke omstandigheden de verhandeling van een product onder een herkomstaanduiding te verbieden. Daarom concludeer ik dat § 127, lid 1, Markengesetz in de uitlegging van het Bundesgerichtshof om bovengenoemde redenen een ongerechtvaardigde beperking vormt van het door artikel 30 gewaarborgde vrij verkeer van goederen, omdat die paragraaf zou leiden tot de bescherming van eenvoudige geografische herkomstaanduidingen en als gevolg daarvan potentieel de intracommunautaire handel zou beperken, zelfs wanneer geen sprake is van een reëel gevaar van misleiding van de consumenten. Het zou echter verenigbaar zijn met artikel 30, want gerechtvaardigd op grond van de bescherming van consumenten, wanneer § 127, lid 1, Markengesetz door de nationale rechter aldus zou worden uitgelegd, dat daarvoor een voldoende ernstig gevaar van misleiding van de gemiddelde consument als door het Hof gedefinieerd met betrekking tot de geografische herkomst, is vereist.
64. Deze benadering waarborgt bovendien dat de wettigheid van de nationale regeling wordt beoordeeld op grond van dezelfde criteria als die welke doorslaggevend zijn voor de verenigbaarheid ervan met richtlijn 79/112 inzake de etikettering en de presentatie van levensmiddelen en de reclame daarvoor, omdat in het geval van deze richtlijn dezelfde maatstaf van de gemiddelde consument als in het gemeenschapsrecht gedefinieerd geldt: uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat die norm wordt toegepast om vast te stellen in hoeverre een benaming, een merk of een reclame-uiting in het licht van de bepalingen van het Verdrag of van het gemeenschapsrecht misleidend is.
65. De situatie is echter enigszins anders met betrekking tot richtlijn 84/450 inzake misleidende reclame, die uitdrukkelijk minimumcriteria inhoudt en de lidstaten niet belet voorschriften te handhaven of aan te nemen met het oog op een verdergaande bescherming van de consument, van de personen die een commerciële, industriële, ambachtelijke of beroepsactiviteit uitoefenen, en van het publiek in het algemeen. De richtlijn zelf zou zich daarom niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als § 127, lid 1, Markengesetz zoals door het Bundesgerichtshof uitgelegd. Een dergelijke wettelijke regeling moet echter, zoals hierboven aangegeven, verenigbaar zijn met de beginselen die door het Hof in het kader van artikel 30 zijn opgesteld: het resultaat zou bijgevolg hetzelfde zijn.
Conclusie
66. Mitsdien geef ik in overweging de door het Bundesgerichtshof voorgelegde vraag te beantwoorden als volgt:
1) Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen, verzet zich niet tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling die het misleidend gebruik van een eenvoudige geografische herkomstaanduiding verbiedt, dat wil zeggen een aanduiding waarbij geen verband bestaat tussen de kenmerken van het product en de geografische herkomst ervan.
2) Een dergelijke nationale wettelijke regeling is in strijd met artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) wanneer zij de handel tussen de lidstaten daadwerkelijk of potentieel beïnvloedt en door de nationale rechter aldus wordt uitgelegd dat zij het gebruik verbiedt van een eenvoudige geografische herkomstaanduiding, ook wanneer een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument daardoor niet kan worden misleid."
Full & Egal Universal Law Academy