Conclusie van de advocaat generaal
1. Bij de Raad van State, Nederland, is een geschil aanhangig over de Nederlandse regeling houdende vaststelling van regels omtrent de wijze waarop de datum van eerste toelating tot het verkeer van motorvoertuigen wordt bepaald.
Bij dit verzoek om een prejudiciële beslissing verzoekt de Raad van State het Hof om uitlegging van twee reeksen vragen. Hij vraagt het Hof uit te maken of:
a) een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een technisch voorschrift is dat valt onder de aanmeldingsplicht van richtlijn 83/189/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG (hierna: richtlijn 83/189"), en of
b) de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 28 EG en 30 EG) aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die regels vaststelt omtrent de wijze waarop de datum van eerste toelating tot het verkeer van motorvoertuigen wordt bepaald.
Voorafgaand aan deze vragen wenst de Raad van State ook te vernemen welke versie van richtlijn 83/189 ratione temporis op het hoofdgeding van toepassing is.
I - Toepasselijke bepalingen
Richtlijn 83/189
2. Richtlijn 83/189 heeft tot doel via een preventieve controle het vrij verkeer van goederen te beschermen. Daartoe stelt zij een procedure in die de lidstaten verplicht, hun ontwerpen op het gebied van technische voorschriften vóór de uitvaardiging daarvan bij de Commissie aan te melden.
3. Artikel 1 van richtlijn 83/189 bepaalt:
In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1. Technische specificatie: specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product, zoals kwaliteitsniveaus, prestatie, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van de voorschriften inzake terminologie, symbolen, proefnemingen en proefnemingsmethoden, verpakking, het merken of etiketteren, (...).
(...)
5. Technisch voorschrift: technische specificaties, met inbegrip van de hierop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor het verhandelen of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van deze staat, met uitzondering van die welke door de plaatselijke overheid zijn vastgesteld.
6. Ontwerp voor een technisch voorschrift: de tekst van een technische specificatie, met inbegrip van de bestuursrechtelijke bepalingen, uitgewerkt met de bedoeling deze uiteindelijk als technisch voorschrift vast te stellen of te doen vaststellen, (...).
7. Product: alle producten die industrieel worden vervaardigd, en alle landbouwproducten."
4. De artikelen 8 en 9 van richtlijn 83/189 verplichten de lidstaten, enerzijds de Commissie de ontwerpen van onder de werkingssfeer daarvan vallende technische voorschriften mee te delen, en anderzijds in bepaalde gevallen de goedkeuring van deze ontwerpen een aantal maanden uit te stellen teneinde de Commissie de gelegenheid te geven na te gaan, of die ontwerpen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht dan wel een richtlijn ter zake voor te stellen of vast te stellen.
5. Artikel 10 van richtlijn 83/189 bepaalt: De artikelen 8 en 9 zijn niet van toepassing wanneer de lidstaten voldoen aan hun verplichtingen die voortvloeien uit communautaire richtlijnen en verordeningen (...)."
6. In het arrest van 30 april 1996, CIA Security International, heeft het Hof richtlijn 83/189 aldus uitgelegd, dat het verzuim van de bij de artikelen 8 en 9 opgelegde aanmeldingsplicht de niet-toepasselijkheid van de betrokken technische voorschriften meebrengt, zodat deze niet aan particulieren kunnen worden tegengeworpen. Bijgevolg heeft het Hof voor recht verklaard, dat particulieren zich op de artikelen 8 en 9 van richtlijn 83/189 kunnen beroepen voor de nationale rechter, die een nationaal voorschrift dat niet overeenkomstig de richtlijn is meegedeeld, buiten toepassing dient te laten.
7. Op 23 maart 1994 hebben het Europees Parlement en de Raad richtlijn 94/10/EG vastgesteld, tot tweede substantiële wijziging van richtlijn 83/189.
8. De twaalfde overweging van de considerans van deze richtlijn luidt: (...) dat de tenuitvoerlegging van richtlijn 83/189/EEG de noodzaak aan het licht heeft gebracht om het begrip ,de facto technisch voorschrift te verduidelijken (...)". Bovendien heet het in de veertiende overweging van deze considerans: (...) dat de ervaring met het functioneren van richtlijn 83/189/EEG ook heeft uitgewezen dat het wenselijk is dat bepaalde definities, procedurevoorschriften of verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van genoemde richtlijn worden verduidelijkt of nader worden omschreven (...)".
9. Artikel 1 van richtlijn 94/10 bevat de volgende nieuwe definities:
2. ,technische specificatie: specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product, zoals kwaliteitsniveau, prestaties, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van de voor het product geldende voorschriften inzake verkoopbenaming, terminologie, symbolen, beproeving en beproevingsmethoden, verpakking, het merken of etiketteren, en de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures.
(...)
3. ,andere eis: een eis die, zonder een technische specificatie te zijn, ter bescherming van met name de consument of het milieu wordt opgelegd en betrekking heeft op de levenscyclus van het product nadat dit in de handel is gebracht, zoals voorwaarden voor gebruik, recycling, hergebruik of verwijdering van het product, wanneer deze voorwaarden op significante wijze de samenstelling, de aard of de verhandeling van het product kunnen beïnvloeden;
(...)
9. ,technisch voorschrift: een technische specificatie of andere eis, met inbegrip van de erop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor de verhandeling of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van een lidstaat, alsmede de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, behoudens die bedoeld in artikel 10, van de lidstaten die de vervaardiging, de invoer, de verhandeling of het gebruik van een product verbieden."
10. Luidens artikel 2 van richtlijn 94/10 moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om vóór 1 juli 1995 aan deze richtlijn te voldoen.
De nationale bepalingen
11. De Wegenverkeerswet 1994 vormt de basis voor de Nederlandse wegenverkeerswetgeving. Daarbij wordt een bestuursorgaan ingesteld, de Dienst Wegverkeer (hierna: DW"), dat belast is met de afgifte van kentekens en kentekenbewijzen voor motorvoertuigen in Nederland.
12. De Nederlandse kentekenbewijzen bestaan uit drie delen. Op deel II is de tenaamstelling vermeld. Het deel III bevat, naast het kenteken, summiere technische gegevens van het motorrijtuig, alsook een aanduiding van de termijn gedurende welke het geldig is. Het deel I bevat uitgebreide technische gegevens van het motorrijtuig, alsmede een categorie Bijzonderheden": hieronder wordt vermeld de datum van ingebruikneming van een voertuig, dat wil zeggen de datum van eerste toelating tot de openbare weg.
13. De regels inzake de bepaling van de datum van de eerste toelating van een voertuig tot de weg zijn geformuleerd in de Regeling houdende vaststelling van regels omtrent de wijze waarop de datum van eerste toelating tot de openbare weg op het kentekenbewijs dan wel het registratiebewijs van een voertuig wordt bepaald (hierna: litigieuze regeling"). Deze regeling is op 9 december 1994 door de minister van Verkeer en Waterstaat vastgesteld en op 1 januari 1995 in werking getreden.
14. Voor de bepaling van de datum van eerste toelating van een voertuig tot de weg onderscheidt de litigieuze regeling in wezen drie situaties.
15. De eerste situatie betreft voertuigen waarvoor niet reeds in Nederland of in een ander land een kentekenbewijs is afgegeven. In dat geval moet de DW ingevolge artikel 3 van de litigieuze regeling controleren of het voertuig duidelijke sporen van gebruik" vertoont.
Zijn er duidelijke sporen van gebruik, dan stelt de DW ambtshalve de datum van eerste toelating van het voertuig tot de weg vast op de datum van fabricage.
Indien het voertuig echter geen duidelijke sporen van gebruik vertoont, mag de DW een blanco kentekenbewijs" afgeven. Het gaat om een bewijs waarop als datum van eerste toelating van het voertuig tot de weg de datum van afgifte van het Nederlandse kentekenbewijs wordt vermeld. De afgifte van dat bewijs is evenwel afhankelijk van de voorwaarde dat degene die het kentekenbewijs aanvraagt, een officieel document overlegt waaruit blijkt dat het voertuig niet reeds eerder is geregistreerd.
16. De tweede situatie betreft de voertuigen waarvoor reeds eerder een Nederlands kentekenbewijs is afgegeven. In dat geval worden volgens artikel 2 van de litigieuze regeling de gegevens van het oude Nederlandse kentekenbewijs op het nieuwe kentekenbewijs vermeld. De datum van de eerste toelating van het voertuig tot de weg is dus de datum van het oude Nederlandse kentekenbewijs.
17. Ten slotte betreft de derde situatie voertuigen die reeds eerder buiten Nederland tot de openbare weg zijn toegelaten. In dat geval moet de DW ingevolge artikel 4 van de litigieuze regeling beoordelen, of het voertuig duidelijke sporen van gebruik" vertoont.
Zijn er geen duidelijke sporen van gebruik, dan mag de DW een blanco kentekenbewijs" afgeven. Ter verkrijging van dat kentekenbewijs moet de aanvrager evenwel twee soorten documenten overleggen, namelijk:
a) een niet langer dan twee dagen tenaamgesteld buitenlands kentekenbewijs, en
b) een originele aankoopnota met daarop vermeld: het BTW-nummer van de verkoper, de kilometerstand van het voertuig, die niet meer mag bedragen dan 2 500 km, en een verklaring van de verkoper dat het voertuig nieuw en ongebruikt is.
Vertoont het voertuig wel duidelijke sporen van gebruik of is het langer dan twee dagen in het buitenland tenaamgesteld, dan geeft de DW een kentekenbewijs af waarop als datum van eerste toelating van het voertuig tot de openbare weg staat vermeld de datum van eerste toelating tot de openbare weg in het buitenland, zoals deze blijkt uit het buitenlands kentekenbewijs.
II - Feiten en hoofdgeding
18. Autohaus Werner Pelster GmbH (hierna: Autohaus Werner"), gevestigd te Gronau (Duitsland), is een officiële wederverkoper van het distributienet van Bayerische Motorenwerke AG (hierna: BMW").
19. Op 6 augustus 1996 liet zij een personenauto van het merk BMW in Duitsland registreren. De bevoegde autoriteiten gaven een op naam van Autohaus Werner gesteld kentekenbewijs af, zodat daarmee het voertuig in deze lidstaat tot de openbare weg was toegelaten.
20. Op 13 augustus 1996 kocht Snellers Auto's BV (hierna: Snellers"), een Nederlandse parallelimporteur, het voertuig van Autohaus Werner. Op de factuur stond vermeld, dat het voertuig nieuw was en dat de kilometerstand 800 km bedroeg. De Duitse registratie werd dezelfde dag ongedaan gemaakt.
21. Op 14 augustus 1996 haalde Snellers het voertuig in Gronau af en voerde zij het in Nederland in. Op 15 augustus 1996 bood zij het bij het keuringsstation Lichtenvoorde ter keuring aan en vroeg zij een Nederlands kentekenbewijs aan.
22. Op 10 januari 1997 gaf de DW te Zoetermeer een kentekenbewijs af dat de datum van eerste toelating van het voertuig tot de openbare weg op 6 augustus 1996 bepaalde. In deel I van het kentekenbewijs stond namelijk onder bijzonderheden" vermeld: Datum eerste toelating 060896".
De DW voerde als reden voor zijn besluit aan, dat het voertuig langer dan twee dagen in het buitenland tenaamgesteld was geweest. Overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van de litigieuze regeling kon de DW dus geen blanco kentekenbewijs" afgeven, doch moest hij de datum van eerste toelating van het voertuig tot de openbare weg stellen op de datum waarop het voertuig op Duits grondgebied tot de openbare weg was toegelaten.
23. Snellers was van mening, dat als gevolg van het besluit van de DW de wederverkoopwaarde van het voertuig was gedaald. Op 10 januari 1997, de datum van afgifte van het Nederlandse kentekenbewijs, werd het voertuig immers wegens de vermelding datum eerste toelating 060896" beschouwd als een voertuig van het bouwjaar 1996. Had de DW daarentegen een blanco kentekenbewijs afgegeven, dan had het voertuig op dezelfde datum als een voertuig van het bouwjaar 1997 kunnen worden aangemerkt.
24. Snellers stelde tegen het besluit van de DW beroep in bij de Arrondissementsrechtbank te Almelo. Op 3 april 1997 verklaarde de president van deze rechtbank het besluit nietig. De DW heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.
25. In het kader van het hoofdgeding formuleert Snellers twee reeksen van argumenten. Zij stelt ten eerste, dat de litigieuze regeling een technisch voorschrift is dat niet overeenkomstig richtlijn 83/189 aan de Commissie is meegedeeld. Deze regeling kan haar dus volgens het arrest CIA Security International niet worden tegengeworpen. Ten tweede betoogt Snellers, dat de litigieuze regeling strijdig is met de artikelen 30 en 36 van het Verdrag op grond dat zij een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is, die niet kan worden gerechtvaardigd door eisen die verband houden met de verkeersveiligheid of het milieu.
26. In de verwijzingsuitspraak heeft de Raad van State vastgesteld, dat de litigieuze regeling niet overeenkomstig richtlijn 83/189 aan de Commissie was meegedeeld.
III - De prejudiciële vragen
27. Daarop heeft de verwijzende rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vragen voor te leggen:
1) Dient bij toepassing van richtlijn 83/189/EEG, zoals gewijzigd door richtlijn 88/182/EEG, op een op 9 december 1994 vastgestelde nationale regeling, tevens acht te worden geslagen op de na die datum door richtlijn 94/10/EG aangebrachte wijzigingen, zulks mede gelet op de in de preambule van deze richtlijn gebruikte bewoordingen?
2) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: valt een regeling als de Regeling 1995 binnen het toepassingsgebied van richtlijn 83/189/EEG, zoals gewijzigd door richtlijn 88/182/EEG en richtlijn 94/10/EG?
3) Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord:
a) Dient de term ,technische specificatie in artikel 1, punt 1, richtlijn 83/189/EEG, zoals gewijzigd door richtlijn 88/182/EEG, aldus te worden uitgelegd, dat daaronder ook een regeling als de Regeling 1995 valt?
b) Zo neen, valt zulk een regeling onder artikel 1, punt 5, van de aldus gewijzigde richtlijn (,technisch voorschrift)?
4) Is sprake van een door artikel 30 EG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking, indien een nationale regeling inzake de afgifte van blanco kentekenbewijzen, die geen formeel onderscheid maakt tussen officiële importeurs en parallelimporteurs, het voor parallelimporteurs in feite moeilijker maakt om auto's met een blanco kentekenbewijs te leveren omdat zij uit het buitenland slechts gekentekende auto's kunnen betrekken, en die regeling de afgifte van een blanco kentekenbewijs onder meer afhankelijk maakt van de omstandigheid dat de desbetreffende uit een andere lidstaat geïmporteerde auto niet langer dan twee dagen in die lidstaat gekentekend is geweest?
5) Indien vraag 4 bevestigend moet worden beantwoord, wordt een regeling als de Regeling 1995 dan gerechtvaardigd door het belang van de verkeersveiligheid en/of het milieu, zulks met name vanwege het verband van de regeling met de aan de auto te stellen eisen en de vaststelling van de ingangsdatum van een algemene periodieke keuringsplicht?
6) Indien vraag 5 bevestigend wordt beantwoord, moet zulk een handelsbelemmering evenredig worden geacht aan het met de nationale regeling inzake de afgifte van blanco kentekenbewijzen nagestreefde doel, indien die regeling geen bewijs van nieuwheid toelaat; is voor het antwoord op deze vraag van belang dat een parallelimporteur met zijn leverancier in een andere lidstaat kan overeenkomen dat die leverancier na afgifte van het buitenlandse kentekenbewijs opschorting van de aldus verleende toelating zal verzoeken en deze opschorting zal laten opheffen wanneer de parallelimporteur een kenteken in het land van invoer aanvraagt?"
IV - Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste vraag
28. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of bij de beslissing of een op 9 december 1994 vastgestelde nationale regeling een technisch voorschrift is waarvoor de aanmeldingsplicht van richtlijn 83/189 geldt, enkel de bepalingen van deze richtlijn moeten worden toegepast dan wel de bepalingen van deze richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/10.
29. De beweegredenen voor deze vraag liggen voor de hand. Richtlijn 94/10 is op 23 maart 1994 vastgesteld. Overeenkomstig de gangbare praktijk is daarin echter een termijn vastgesteld bij het verstrijken waarvan de lidstaten de nodige bepalingen moesten vaststellen om aan de richtlijn te voldoen. Deze termijn - gewoonlijk omzettingstermijn" genoemd - liep af op 1 juli 1995.
In casu is de litigieuze regeling op 9 december 1994 vastgesteld, dus na de vaststelling van richtlijn 94/10, maar vóór het verstrijken van de omzettingstermijn.
De verwijzende rechter probeert aldus vast te stellen aan de hand van welke versie van richtlijn 83/189 moet worden onderzocht, of de litigieuze regeling een technisch voorschrift is en, in voorkomend geval, of daarvoor de in die richtlijn neergelegde aanmeldingsplicht geldt.
30. Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag lijkt mij voort te vloeien uit twee bepalingen van het EG-Verdrag.
Volgens artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag (thans artikel 249, derde alinea, EG) is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen".
Blijkens deze bepaling legt de richtlijn de lidstaten waarvoor zij bestemd is, een resultaatsverplichting op, die aan het einde van de in de richtlijn vastgestelde termijn moet zijn nagekomen".
Krachtens artikel 191 EG-Verdrag (thans artikel 254 EG) treden de richtlijnen die tot alle lidstaten zijn gericht, in werking op de datum die zij daartoe bepalen of, bij gebreke daarvan, op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking. De overige richtlijnen worden door kennisgeving daarvan aan de lidstaten tot wie zij zijn gericht, van kracht.
31. Schematisch kan ervan worden uitgegaan, dat voormelde bepalingen en de richtlijn zelf de lidstaten twee opeenvolgende reeksen verplichtingen opleggen: eerst een verplichting tot omzetting" en daarna een verplichting tot uitvoering" van de richtlijn.
32. De omzettingsverplichting" verlangt - volgens de geijkte formule - dat de lidstaten alle nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen en in werking doen treden om binnen de gestelde termijn aan de richtlijn te voldoen. De lidstaten moeten de nodige maatregelen vaststellen ter verzekering dat het door de richtlijn voorgeschreven resultaat bij het verstrijken van de omzettingstermijn zal worden bereikt. Die verplichting houdt onder meer in, dat zij in hun nationale rechtsorde de materiële" bepalingen van de richtlijn opnemen, dat wil zeggen andere richtlijnbepalingen dan die welke betrekking hebben op de verplichting tot en de termijn voor omzetting.
Volgens artikel 191 van het Verdrag gaat de omzettingsverplichting ten aanzien van de lidstaten in op de dag van inwerkingtreding van de richtlijn - namelijk op de dag van haar kennisgeving, op de datum die zij daartoe bepaalt of, bij gebreke daarvan, op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad. Volgens artikel 189, derde alinea, van het Verdrag blijft de omzettingsverplichting tijdens de gehele daartoe in de richtlijn vastgestelde termijn voortduren.
In het arrest Inter-Environnement Wallonie (reeds aangehaald) leidde het Hof overigens uit de omzettingsverplichting af, dat aan de vrijheid van de lidstaten om wettelijke bepalingen vast te stellen, tijdens de omzettingstermijn van de communautaire richtlijnen bepaalde grenzen zijn gesteld.
Het Hof wees er namelijk op, (...) dat een richtlijn vanaf het tijdstip van kennisgeving ervan rechtsgevolgen sorteert ten aanzien van de lidstaat tot wie zij is gericht", en besliste, dat (...) uit de toepassing van artikel 5, tweede alinea, in samenhang met artikel 189, derde alinea, van het Verdrag en met de richtlijn zelf [volgt], dat [de lidstaten] zich gedurende deze termijn dienen te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door deze richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zouden brengen".
33. Met de uitvoeringsverplichting" wordt van de lidstaten verlangd, dat zij zich voegen naar de inhoud of het doel van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat. De lidstaten evenals de bevoegde autoriteiten en de betrokkenen moeten de materiële bepalingen van de richtlijn in de daardoor bestreken situaties toepassen en naleven. Die verplichting vloeit voort uit de door de lidstaten vastgestelde omzettingsmaatregelen of, bij gebreke daarvan, uit de rechtstreekse werking die de relevante bepalingen van de betrokken richtlijn eventueel kunnen hebben.
Op grond van artikel 189, derde alinea, van het Verdrag gaat de uitvoeringsverplichting in beginsel pas in bij het verstrijken van de in de richtlijn zelf vastgestelde omzettingstermijn.
In het arrest Becker (reeds aangehaald) besliste het Hof immers, dat blijkens deze bepaling [artikel 189, derde alinea, van het Verdrag] (...) de richtlijn de lidstaten waarvoor zij bestemd is, een resultaatsverplichting op[legt], die aan het einde van de in de richtlijn vastgestelde termijn moet zijn nagekomen".
Bovendien overwoog het Hof in het arrest Inter-Environnement Wallonie (reeds aangehaald):
Nu deze [omzettings]termijn met name bedoeld is om de lidstaten de nodige tijd te geven voor de vaststelling van de omzettingsmaatregelen, kan deze lidstaten niet het verwijt worden gemaakt dat zij de richtlijn niet in nationaal recht hebben omgezet vóór het verstrijken van deze termijn.
(...)
Hoewel op de lidstaten geen verplichting rust om deze maatregelen vast te stellen vóór het verstrijken van de omzettingstermijn (...)."
34. Mijn lezing van het bepaalde in artikel 189, derde alinea, van het Verdrag lijkt ook te worden bevestigd door 's Hofs rechtspraak inzake de rechtstreekse werking van de communautaire richtlijnen.
Het is immers bekend, dat het Hof zijn erkenning van de rechtstreekse werking van de richtlijnen in hoofdzaak baseert op het verzuim van de lidstaten. Het overwoog aldus: (...) een lidstaat die de door de richtlijn voorgeschreven uitvoeringsmaatregelen niet tijdig heeft getroffen, [kan] het feit dat hij de op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, niet aan de justitiabelen tegenwerpen". Met deze rechtspraak wil het Hof (...) voorkomen dat de staat voordeel heeft bij zijn miskenning van het gemeenschapsrecht". Het Hof is namelijk van oordeel, dat het (...) onaanvaardbaar [zou] zijn dat de staat, die door de gemeenschapswetgever wordt verplicht bepaalde voorschriften vast te stellen om zijn betrekkingen - of die van de overheidsorganen - met particulieren te regelen en om deze particulieren aanspraak op bepaalde rechten te verlenen, met een beroep op de niet-nakoming van zijn verplichtingen de particulieren deze rechten kan ontzeggen".
Het is vaste rechtspraak van het Hof (...) dat particulieren zich voor de nationale rechter eerst dan op een richtlijn kunnen beroepen, wanneer de termijn voor de omzetting ervan in nationaal recht is verstreken". De implicaties van deze rechtspraak sluiten aan bij de in het arrest Inter-Environnement Wallonie (reeds aangehaald) getrokken conclusie: zolang de omzettingstermijn van een richtlijn niet is verstreken, kan een lidstaat niet in gebreke" worden geacht omdat hij deze richtlijn nog niet in zijn nationaal recht heeft omgezet.
35. In de onderhavige zaak wil de verwijzende rechter weten, of bij de beslissing of de litigieuze regeling een technisch voorschrift is waarvoor de aanmeldingsplicht van richtlijn 83/189 geldt, de bepalingen van deze richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/10, moeten worden toegepast.
Indien de litigieuze regeling mocht worden aangemerkt als technisch voorschrift" in de zin van richtlijn 94/10, zou die kwalificatie voortvloeien uit de materiële bepalingen van deze richtlijn. Met andere woorden, de eventuele verplichting om de litigieuze regeling ingevolge richtlijn 94/10 aan de Commissie mee te delen, zou uitsluitend vallen onder hetgeen ik de verplichting tot uitvoering" van richtlijn 94/10 heb genoemd.
Op 9 december 1994, de datum van vaststelling van de litigieuze regeling, legde richtlijn 94/10 de lidstaten geen enkele uitvoeringsverplichting" op, daar de omzettingstermijn daarvan nog niet was verstreken. Krachtens artikel 189, derde alinea, van het Verdrag is die verplichting pas ingegaan na afloop van die omzettingstermijn, namelijk 1 juli 1995. Daarvóór vielen de enige op de lidstaten rustende verplichtingen onder hetgeen ik de verplichting tot omzetting" van richtlijn 94/10 heb genoemd.
36. Onder die omstandigheden kan de Nederlandse autoriteiten niet worden verweten, dat zij de litigieuze regeling niet hebben onderzocht en, zo nodig, aangemeld overeenkomstig richtlijn 94/10.
37. Ik geef het Hof dus in overweging op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden, dat bij de beslissing of een op 9 december 1994 vastgestelde nationale regeling een technisch voorschrift is waarvoor de aanmeldingsplicht van richtlijn 83/189 geldt, enkel de bepalingen van deze richtlijn moeten worden toegepast en niet de bepalingen van deze richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/10.
38. Mijn conclusie zou uiteraard anders luiden indien mocht blijken, dat het Koninkrijk der Nederlanden de nodige maatregelen voor de omzetting van richtlijn 94/10 had getroffen vóór de vaststelling van de litigieuze regeling. In dat geval zouden immers de eventuele kwalificatie daarvan als technisch voorschrift" en de eventuele verplichting om daarvan kennis te geven aan de Commissie, enkel aan de hand van de Nederlandse omzettingsmaatregelen moeten worden beoordeeld en zouden zij vanaf de bij die maatregelen vastgestelde datum ingaan.
Daar echter een aanwijzing voor een dergelijke voortijdige" omzetting van richtlijn 94/10 in Nederlands recht ontbreekt, zal ik de vraag onderzoeken, of de litigieuze regeling een technisch voorschrift is in het licht van de bepalingen van richtlijn 83/189.
De tweede vraag
39. Gezien het op de eerste vraag voorgestelde antwoord behoeft niet op de tweede vraag van de Raad van State te worden ingegaan.
De derde vraag
40. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de datum van eerste toelating van een voertuig tot de openbare weg een technische specificatie in de zin van richtlijn 83/189 is en of de nationale regeling die de wijze van bepaling daarvan vaststelt, een technisch voorschrift in de zin van die richtlijn is.
Bovendien blijkt uit de overwegingen van de verwijzingsuitspraak, dat de Raad van State eveneens wenst te vernemen, of de lidstaat die een dergelijk voorschrift heeft vastgesteld, dat bij de Commissie moet aanmelden ingevolge artikel 8 van richtlijn 83/189, dan wel of hij krachtens artikel 10 van deze richtlijn van deze verplichting is vrijgesteld.
De kwalificatie van technisch voorschrift
41. In mijn conclusie bij het arrest van 11 mei 1999, Albers e.a., heb ik uiteengezet, dat de bewoordingen van artikel 1, punten 1 en 5, van richtlijn 83/189 voldoende duidelijk, nauwkeurig en algemeen waren geformuleerd om te kunnen worden toegepast in de verschillende situaties die zich in het kader van prejudiciële procedures voordoen. Ik heb tevens alle bij de toepassing van de bij deze richtlijn gegeven definitie van technisch voorschrift" in aanmerking te nemen elementen vermeld.
42. Uit voormelde bepalingen van richtlijn 83/189 en uit 's Hofs rechtspraak ter zake volgt dat:
- met betrekking tot de inhoud van de nationale regeling het moet gaan om een geheel van officiële vermeldingen inzake de kenmerken van een product;
- de nationale regeling, wat de opsteller ervan betreft, door een andere nationale overheid dan een plaatselijke overheid moet zijn vastgesteld;
- de nationale regeling, wat de werking ervan betreft, feitelijk en rechtens dwingend moet zijn en eigen rechtsgevolgen moet sorteren;
- de nationale regeling, wat de sanctie bij niet-inachtneming ervan betreft, moet worden nageleefd op straffe van een verbod om het product op het grondgebied van de lidstaat of een groot deel van die staat in de handel te brengen of te gebruiken. Met andere woorden, enkel een nationale regeling die het intracommunautaire handelsverkeer al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren", kan als technisch voorschrift in de zin van richtlijn 83/189 worden aangemerkt.
43. Anders de meeste interveniënten in deze zaak ben ik van mening, dat de litigieuze regeling wel degelijk aan voormelde voorwaarden voldoet.
44. Ten eerste, voertuigen zijn producten van de automobielindustrie en daarmee producten die industrieel worden vervaardigd" in de zin van artikel 1, punt 7, van richtlijn 83/189.
45. Ten tweede, volgens artikel 1, punt 1, van richtlijn 83/189 is de datum van eerste toelating van een voertuig tot de openbare weg een officiële vermelding op een administratief document (het kentekenbewijs), die een aantal kenmerken van het product (het voertuig) omschrijft. Zij vormt een onderscheidend herkenbaar gegeven aan de hand waarvan het voertuig kan worden geïdentificeerd en van een ander kan worden onderscheiden.
De datum van eerste toelating van een voertuig tot de openbare weg bepaalt de datum waarop de bevoegde autoriteiten officieel toestemming hebben gegeven voor het gebruik waarvoor het product was bestemd, alsmede de eventuele duur van dat gebruik. Deze datum is verder bepalend voor een aantal vereisten met betrekking tot het gebruik van het product", zoals de verplichting het voertuig aan een periodieke technische controle te onderwerpen. Luidens richtlijn 96/96/EG is die verplichte controle in beginsel voorgeschreven vier jaar na de datum van ingebruikneming" van het voertuig.
Verder blijkt uit de bepalingen van de litigieuze regeling, dat uit de datum van eerste toelating van een voertuig tot de openbare weg rechtstreeks bepaalde technische gegevens inzake de ouderdom van het voertuig vallen af te lezen. Volgens die regeling hangt de bepaling van de datum van eerste toelating van een voertuig tot de openbare weg immers af van technische elementen, zoals:
a) het voertuig vertoont al dan niet duidelijke sporen van gebruik";
b) het nieuwe of gebruikte karakter van het voertuig;
c) de kilometerstand van het voertuig, die al naar het geval niet meer mag bedragen dan 2 500 km, en
d) het al dan niet bestaan van een eerdere registratie in Nederland of in het buitenland, alsmede de eventuele duur van deze registratie.
46. Ten derde, de litigieuze regeling werd door de minister van Verkeer en Waterstaat vastgesteld. Zij is dus door een andere nationale overheid dan een plaatselijke overheid vastgesteld.
47. Ten vierde, het lijdt nauwelijks twijfel dat de litigieuze regeling bepalingen bevat die moeten worden nageleefd voor het verhandelen en het gebruik van voertuigen op Nederlands grondgebied. Een natuurlijke of rechtspersoon die weigert zich te voegen naar de registratieprocedure op grond waarvan de DW de datum van eerste toelating van het voertuig tot de openbare weg bepaalt, kan het voertuig op Nederlands grondgebied immers niet legaal verhandelen of gebruiken. De litigieuze regeling is dus een maatregel die de intracommunautaire handel in goederen al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren.
48. Uit het voorgaande volgt, dat de litigieuze regeling derhalve moet worden aangemerkt als technisch voorschrift" in de zin van artikel 1, punt 5, van richtlijn 83/189.
49. In hun schriftelijke opmerkingen hebben een aantal interveniënten evenwel aangevoerd, dat de registratie van voertuigen onder de overheidsprerogatieven van de lidstaten valt. Immers de nationale bepalingen met betrekking tot de registratie van voertuigen hebben als hoofddoel, de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de personen te identificeren die de Wegenverkeerswet hebben overtreden, en de vereiste strafmaatregelen vast te stellen. Bijgevolg zouden die bepalingen buiten de werkingssfeer van richtlijn 83/189 vallen.
Dit betoog kan niet slagen.
In het arrest Lemmens heeft het Hof immers reeds uitgemaakt, dat (...) richtlijn [83/189] geen enkele aanwijzing [bevat], dat technische voorschriften in de zin van artikel 1, wanneer zij tot het gebied van het strafrecht behoren, uitgesloten zouden zijn van de verplichting tot mededeling en dat de richtlijn enkel zou gelden voor producten bestemd voor gebruik dat niet tot de overheidsprerogatieven behoort. (...) richtlijn [83/189] [is van toepassing] op technische voorschriften (...) ongeacht op welke gronden die voorschriften zijn vastgesteld."
50. Rest mij dus te onderzoeken of de Nederlandse autoriteiten de litigieuze regeling ingevolge artikel 8 van richtlijn 83/189 bij de Commissie moesten aanmelden dan wel of zij op grond van artikel 10 van die richtlijn van deze verplichting waren vrijgesteld.
De aanmeldingsplicht
51. Het lijkt mij om te beginnen zinvol na te gaan, of Snellers zich voor de verwijzende rechter wel op het arrest CIA Security International kan beroepen.
52. Het is immers bekend, dat het Hof zich in het arrest Lemmens (reeds aangehaald) genoodzaakt zag de draagwijdte van de rechtstreekse werking van artikel 8 van richtlijn 83/189 af te bakenen.
In de zaak Lemmens ging het om een nationale regeling die gold voor de kenmerken waaraan door de opsporingsdienst in het kader van alcoholonderzoeken gebruikte ademanalyseapparaten moesten voldoen. Het Hof moest bepalen welke gevolgen de niet-mededeling van die regeling had voor strafprocedures tegen automobilisten die werden verdacht van rijden onder invloed en waarvoor het bewijs van het alcoholgehalte was geleverd door middel van die ademanalyseapparaten.
Dienaangaande besliste het Hof, dat ook al leidt het niet mededelen van technische voorschriften, wat schending van een vormvoorschrift bij de vaststelling ervan oplevert, tot niet-toepasselijkheid van die voorschriften voor zover zij het gebruik of de verhandeling belemmeren van een product dat niet aan die voorschriften voldoet, dit echter niet betekent, dat elk gebruik van een product dat aan de niet-aangemelde voorschriften voldoet, onwettig wordt".
Het Hof stelde namelijk vast, dat de op de verdachten in het hoofdgeding toegepaste nationale regels - namelijk die welke rijden onder invloed verbieden, en die welke de bestuurder verplichten ademlucht uit te blazen in een ademanalyseapparaat - andere zijn dan die welke, omdat zij niet zijn meegedeeld, niet aan particulieren kunnen worden tegengeworpen. Het Hof merkte op, dat het gebruik van het product door de overheid geen belemmering voor het handelsverkeer [kan] scheppen, die had kunnen worden vermeden indien de mededelingsprocedure was gevolgd".
53. Uit het arrest Lemmens (reeds aangehaald) volgt, dat het arrest CIA Security International enkel gevolgen heeft voor de particulieren die kunnen aantonen rechtstreeks belang erbij te hebben dat de niet bij de Commissie aangemelde nationale technische voorschriften aan richtlijn 83/189 worden getoetst.
54. In casu komt het mij voor, dat Snellers een dergelijk belang heeft. Zij is immers overgegaan tot parallelimport van een voertuig en heeft om afgifte van een kentekenbewijs in Nederland verzocht. Verder is zij van mening, dat de in het kader van de registratieprocedure geldende voorschriften de daling van de wederverkoopwaarde van het voertuig tot gevolg hebben en derhalve een belemmering van het vrije verkeer van goederen vormen. Snellers heeft er dus een rechtstreeks en kennelijk belang bij, dat de in de litigieuze regeling opgenomen technische voorschriften aan richtlijn 83/189 worden getoetst.
55. Ik ben derhalve van mening, dat de litigieuze regeling niet onder de werkingssfeer van de vrijstelling van de aanmeldingsplicht als bedoeld in artikel 10 van richtlijn 83/189 kan vallen.
56. Bij mijn weten bestaat er namelijk geen enkele regeling van gemeenschapsrecht waarin direct of indirect de wijze van bepaling van de datum van eerste toelating van voertuigen tot de openbare weg wordt geregeld.
57. Ter terechtzitting heeft de Nederlandse regering echter verwezen naar de bepalingen van richtlijn 1999/37/EG inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen.
Deze richtlijn beoogt de kentekenbewijzen door harmonisatie van de vormgeving en de inhoud ervan begrijpelijker te maken en aldus bij te dragen dat in een lidstaat ingeschreven voertuigen vrij gebruik kunnen maken van de weg op het grondgebied van de andere lidstaten. Volgens de bijlagen I en II van deze richtlijn moeten de kentekenbewijzen onder meer de datum van eerste inschrijving van het voertuig" bevatten.
Op basis van voornoemde bijlagen heeft de Nederlandse regering betoogd, dat als gevolg van richtlijn 1999/37 de lidstaten niet meer vrij waren ten aanzien van de wijze waarop de datum van eerste toelating van voertuigen tot de weg op hun grondgebied wordt bepaald. Omgekeerd is de Franse regering van mening, dat richtlijn 1999/37 enkel de verplichting oplegt, de datum van eerste inschrijving van het voertuig op de kentekenbewijzen te vermelden, maar niet tot doel heeft, te regelen op welke wijze de lidstaten deze datum in hun respectieve wetgevingen dienen vast te leggen.
58. Mijns inziens behoeft het Hof evenwel niet op deze discussie in te gaan om uit te maken, of de Nederlandse autoriteiten al dan niet van de bij richtlijn 83/189 vastgestelde aanmeldingsplicht waren vrijgesteld.
Het volstaat namelijk vast te stellen, dat de Raad richtlijn 1999/37 op 29 april 1999 heeft vastgesteld, dus ruim na de litigieuze regeling (vastgesteld op 9 december 1994). Op de dag waarop die regeling werd vastgesteld, schreef richtlijn 1999/37 nog geen enkele verplichting voor die de Nederlandse regering had moeten nakomen.
59. Derhalve ben ik van mening, dat de Nederlandse autoriteiten de litigieuze regeling ingevolge artikel 8 van richtlijn 83/189 bij de Commissie moesten aanmelden.
60. Ik geef het Hof derhalve in overweging op de derde vraag te antwoorden, dat de datum van eerste toelating van een voertuig tot de openbare weg een technische specificatie is in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 83/189, en dat de nationale regeling die de wijze van bepaling daarvan vaststelt, een technisch voorschrift is in de zin van artikel 1, punt 5, van deze richtlijn. Ik geef het Hof ook in overweging voor recht te verklaren, dat de lidstaat die een nationale regeling als hiervoor omschreven vaststelt, haar ingevolge artikel 8 van richtlijn 83/189 bij de Commissie moet aanmelden.
De andere vragen
61. Blijkens de verwijzingsuitspraak heeft de Raad van State het Hof de andere vragen slechts gesteld voor het geval de tweede of de derde prejudiciële vraag ontkennend zou worden beantwoord. Gelet op het bevestigende antwoord dat ik u daarop in overweging geef, behoeft geen uitspraak te worden gedaan op de vraag, of de artikelen 30 en 36 van het Verdrag zich verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
Conclusie
62. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren:
1) Behoudens de door de betrokken lidstaat vastgestelde omzettingsmaatregelen, moet bij de beslissing of een op 9 december 1994 vastgestelde nationale regeling een technisch voorschrift is waarvoor de aanmeldingsplicht geldt van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, enkel de versie van deze richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988, worden toegepast, en niet de versie van deze richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 maart 1994.
2) De datum van eerste toelating van een motorvoertuig tot de openbare weg is een technische specificatie in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 83/189, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182, en de nationale regeling die de wijze van bepaling daarvan vaststelt, is een technisch voorschrift in de zin van artikel 1, punt 5, van deze richtlijn.
De lidstaat die een nationale regeling als hiervoor omschreven vaststelt, moet haar ingevolge artikel 8 van richtlijn 83/189, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182, bij de Commissie aanmelden."
Full & Egal Universal Law Academy