Conclusie van de advocaat generaal
1 Met het onderhavige verzoek, ingediend krachtens artikel 169 EG-Verdrag, verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 94/47/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 oktober 1994 betreffende de bescherming van de verkrijger voor wat bepaalde aspecten betreft van overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen, de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.(1)
2 Volgens artikel 12 van de richtlijn dienden de lidstaten uiterlijk op 30 april 1997 hun nationale recht aan te passen aan het bepaalde in de richtlijn, en de Commissie daarvan onverwijld in kennis te stellen.
3 Tijdens de precontentieuze procedure zond de Commissie de Belgische regering op 9 september 1997 een aanmaningsbrief. Toen daarop geen antwoord kwam, deed de Commissie de Belgische regering op 19 februari 1998 een met redenen omkleed advies toekomen, met het verzoek de nodige maatregelen vast te stellen om aan de richtlijn te voldoen.
4 In antwoord op dat advies deelde de Belgische regering de Commissie bij brief van 20 april 1998 mee, dat de ministerraad, weliswaar met enige vertraging, het desbetreffende wetsontwerp had aangenomen en dat de wet, zodra zij was vastgesteld, aan de Commissie zou worden meegedeeld.
5 Toen de Commissie op 17 augustus 1998 vaststelde dat de richtlijn niet was uitgevoerd, diende zij het onderhavige verzoek in bij het Hof.
6 In haar verweerschrift verklaarde de Belgische regering, dat het ontwerp van de uitvoeringswet op 18 augustus 1998 aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers was voorgelegd, en dat het zo spoedig mogelijk zou worden aangenomen.
7 Aangezien de niet-nakoming welke de Commissie het Koninkrijk België verwijt, vaststaat, dient het beroep gegrond te worden verklaard en moet verweerder in de kosten worden verwezen (artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering).
Conclusie
8 Derhalve geef ik het Hof in overweging,
1) te verstaan, dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 94/47/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 oktober 1994 betreffende de bescherming van de verkrijger voor wat bepaalde aspecten betreft van overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2) Het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.
(1) - PB C 280, blz. 83.
Full & Egal Universal Law Academy