CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 15 maart 2001 ( 1 )
1.
In zijn fabel van de molenaar, zijn zoon en de ezel, laat Jean de La Fontaine de molenaar zeggen: „Dwaas is hij die iedereen tevreden wil stellen.” Ik denk dat de Raad van de Europese Unie, gezien de vele geschillen waartoe de vaststelling van de interventieprijs voor suiker voor Italië heeft geleid, deze uitroep van frustratie kan beamen.
2.
De vaststelling voor Italië van een afgeleide interventieprijs voor witte suiker, wegens een verwacht tekort in de bevoorrading van de Italiaanse markt voor de verkoopseizoenen 1996/1997 en 1997/1998, heeft immers, daarvoor hoeven we maar naar het recente verleden te kijken, tot grote ontevredenheid geleid bij de Italiaanse suikerfabrikanten, die hun leveranciers van suikerbieten een hogere prijs moesten betalen. Die ontevredenheid heeft geresulteerd in procedures bij zowel het Hof als het Gerecht ( 2 ). Na het wegvallen van een afgeleide interventieprijs voor Italië vanaf het verkoopseizoen 1998/1999 is de door de keuzen van de Raad ontstane ontevredenheid niet verdwenen; integendeel, want voor de ontevredenheid van slechts de Italiaanse suikerfabrikanten is de ontevredenheid van zowel de Italiaanse regering als de Italiaanse bietenproducenten in de plaats gekomen.
3.
De verordeningen waarbij de suikerprijzen voor het verkoopseizoen 1998/1999 zijn vastgesteld, werden dan ook voor het Hof bestreden door Italië in zaak C-340/98 en voor het Gerecht door de bietentelers in de zaken T-152/98, Azienda agricola Ponte S. Pietro/Raad en T-153/98 ANB e.a./Raad, en ook de verordeningen met de suikerprijzen voor het verkoopseizoen 1999/2000 worden door Italië reeds bestreden in zaak C-352/00.
4.
Thans ga ik één van de geschillen uit deze rijke oogst bespreken, namelijk zaak C-340/98, Italiaanse Republiek tegen de Raad, die wordt ondersteund door de Commissie, inzake de vaststelling van de interventieprijs voor suiker voor het verkoopseizoen 1998/1999. Het gaat hierbij om een beroep tot nietigverklaring van artikel 1 van verordening (EG) nr. 1361/98 van de Raad van 26 juni 1998 tot vaststelling voor het verkoopseizoen 1998/1999 van de afgeleide interventieprijzen voor witte suiker, de interventieprijs voor ruwe suiker, de minimumprijzen voor A-suikerbieten en B-suikerbieten, alsmede het bedrag van de vergoeding voor de verevening van de opslagkosten ( 3 ), „voorzover daarin is nagelaten voor alle gebieden van Italië de afgeleide interventieprijs voor witte suiker vast te stellen, waardoor in Italië de interventieprijs voor witte suiker toepasselijk is geworden die is vastgesteld bij artikel 1, lid 2, van verordening (EG) nr. 1360/98 ( 4 ), voor de gebieden zonder tekort, welke verordening, wat dat onderdeel betreft en in voorkomend geval, eveneens wordt bestreden”.
5.
Ik breng heel kort in herinnering dat de gemeenschappelijke marktordening voor suiker zoals die momenteel voortvloeit uit verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker ( 5 ) (hierna: „basisverordening”), onder andere een systeem van gewaarborgde prijzen omvat. Daartoe behoort in het bijzonder de interventieprijs voor witte suiker, die ieder jaar vóór 1 augustus wordt vastgesteld voor het verkoopseizoen dat op 1 juli van het daaropvolgende jaar begint; het is de prijs die de interventiebureaus moeten betalen voor de hun door de producenten geleverde suiker (artikel 3 van de basisverordening).
6.
Tegelijkertijd stelt de Raad jaarlijks een basisprijs voor suikerbieten vast (artikel 4 van de basisverordening). Op basis van deze basisprijs stelt de Raad een minimumprijs vast, die door de suikerproducenten aan de leveranciers van suikerbieten moet worden betaald (artikel 5, lid 1, van de basisverordening).
7.
De interventieprijs voor witte suiker en de minimumprijs voor suikerbieten zijn niet overal in de Gemeenschap gelijk. Er wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen gebieden zonder tekort en gebieden met een tekort. Voor laatstgenoemde gebieden worden afgeleide interventieprijzen vastgesteld voor witte suiker, en verhoogde minimumprijzen voor de suikerbieten (artikelen 3, lid 1, en 5, lid 3, van de basisverordening).
8.
In verordening nr. 1361/98, is, anders dan in de verordeningen voor de eerdere verkoopseizoenen, geen afgeleide interventieprijs vastgesteld voor Italië, zodat de bij verordening nr. 1360/98 vastgestelde interventieprijs is blijven gelden.
9.
De Italiaanse regering voert drie middelen aan:
—
schending van artikel 3, leden 4 en 5, van de basisverordening doordat de prijzen voor het verkoopseizoen 1998/1999 pas op 26 juni 1998 zijn vastgesteld, en schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen door deze te late vaststelling;
—
schending van artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG) doordat de motivering in de bestreden verordeningen voor het niet vaststellen van een afgeleide interventieprijs voor witte suiker in Italië niet voldoet aan de eisen van dit artikel;
—
schending van het gelijkheidsbeginsel doordat niet dezelfde criteria werden gehanteerd toen de Italiaanse Republiek als een lidstaat met een overschot werd aangemerkt en andere lidstaten als gebieden met een tekort.
Ik zal deze middelen achtereenvolgens in de bovenstaande volgorde onderzoeken.
Het middel inzake te late vaststelling van de verordeningen nrs. 1360/98 en 1361/98
Schending van artikel 3, leden 4 en 5, van de basisverordening
10.
De Italiaanse regering merkt op dat zowel de interventieprijs als de afgeleide interventieprijzen voor het seizoen 1998/1999 pas op 26 juni 1998 zijn vastgesteld. De Raad heeft aldus de bepalingen van artikel 3, leden 4 en 5, van de genoemde verordening geschonden, daar hij deze prijzen vóór 1 augustus 1997 had moeten vaststellen.
11.
Voor haar stelling dat laatstgenoemde datum door de Raad dwingend in acht had moeten worden genomen, voert de Italiaanse regering geen argument aan dat niet al is verworpen in het reeds aangehaalde arrest van 6 juli 2000, Eridania; naar mijn mening bestaat er geen enkele reden om dat arrest in twijfel te trekken.
12.
Ik breng in herinnering dat het Hof in dat arrest de doelstellingen van de bij de basisverordening ingevoerde prijsregeling heeft onderzocht. Het Hof heeft geconstateerd dat „[i]n het belang van een goede werking van het stelsel van de interventieprijzen in overeenstemming met deze doelstellingen [...] de datum waarop deze prijzen worden vastgesteld, zoals de Raad terecht heeft opgemerkt, evenwel zo dicht mogelijk bij die van de aanvang van het desbetreffende seizoen [dient] te liggen. Deze prijzen worden namelijk bepaald op basis van de verhouding tussen het volume van de beschikbare productie voor het komende seizoen en het volume van het voorzienbare verbruik in dat seizoen. Naarmate de prijzen dichter bij 1 juli worden vastgesteld, kunnen de gegevens op basis waarvan de volumes worden geraamd, dus als meer betrouwbaar worden beschouwd” (punt 30 van het arrest).
13.
Het Hof is tot de conclusie gekomen dat „de datum van 1 augustus in artikel 3, leden 4 en 5, van verordening nr. 1785/81 geen peremptoire datum is, zodat de nietinachtneming van deze datum niet de ongeldigheid van de [jaarlijkse] verordening [...] tot gevolg kan hebben, voorzover daarin de interventieprijzen na 1 augustus zijn vastgesteld” (punt 34 van hetzelfde arrest).
Schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen
14.
Wat de tweede grief betreft die de Italiaanse regering in het kader van haar eerste middel heeft geformuleerd, namelijk schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, wijs ik er om te beginnen op dat voorzover deze berust op het uitgangspunt dat de vaststelling van de prijzen vóór 1 augustus beoogt de marktdeelnemers, te weten de suikerfabrikanten en de bietentelers, in staat te stellen hun activiteit met volledige kennis van zaken te plannen, ook deze grief afstuit op het arrest van 6 juli 2000, Eridania.
15.
Het Hof heeft namelijk in dat arrest geoordeeld dat „dit stelsel van prijsvaststelling [...] niet [kan] dienen om regels op te stellen opdat de marktdeelnemers in de suikersector hun activiteiten vóór de sluiting van de overeenkomsten tussen de suikerfabrikanten en de bietentelers en vóór het inzaaien van de akkers door de telers kunnen plannen. De betrokken prijzen beogen namelijk niet het economisch gedrag van de marktdeelnemers in de suikersector te sturen, doch daarmee wordt geprobeerd in hun belang op de waarschijnlijke ontwikkeling van de productie- en de consumptie te anticiperen om de gemeenschapsmarkt te stabiliseren” (punten 31 en 32).
16.
Ook heeft het Hof, wat de prijsvorming betreft, elke relevantie afgewezen van het arrest van 11 augustus 1995 ( 6 ), waarop de Italiaanse regering een beroep doet.
17.
Kan men, los van dit onjuiste uitgangspunt, toch stellen, zoals de Italiaanse regering, dat het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen niet in acht is genomen omdat in het verleden altijd een afgeleide interventieprijs voor Italië was vastgesteld en de Raad enkele dagen vóór het begin van een nieuw verkoopseizoen een verordening heeft vastgesteld waarin niet is voorzien in een dergelijke prijs?
18.
Ik meen van niet, en wel om twee redenen, een juridische en een feitelijke. Vanuit juridisch oogpunt volgt zeer duidelijk uit het arrest van 17 september 1998 ( 7 ) dat wanneer een gemeenschappelijke marktordening voorziet in een jaarlijkse vaststelling van de prijzen voor het verkoopseizoen op basis van de marktontwikkeling, de marktdeelnemers geen gewettigd vertrouwen kunnen hebben in de handhaving van de voor het vorige seizoen vastgestelde prijs.
19.
Zoals in dit arrest wordt onderstreept, houdt jaarlijkse vaststelling van de prijzen per definitie in dat de prijzen van het ene jaar op het andere kunnen veranderen, en, zoals reeds in het arrest van 5 oktober 1994 ( 8 ) in herinnering is gebracht „[...] ook al is het vertrouwensbeginsel één van de fundamentele beginselen van de Gemeenschap, de marktdeelnemers [mogen] niet [...] vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen, handelend krachtens hun discretionaire bevoegdheid, kan worden gewijzigd. Dit is met name het geval op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, die juist een voortdurende aanpassing mogelijk moeten maken, afhankelijk van de wijzigingen van de economische situatie [...]” (punt 57).
20.
Vanuit feitelijk oogpunt kan ik me niet vinden in de bewering van de Italiaanse regering dat het uitblijven van een afgeleide interventieprijs volkomen onverwacht was en alle marktdeelnemers heeft verrast.
21.
Integendeel, de marktdeelnemers wisten allemaal reeds vóór de bekendmaking op 13 maart 1998 van de voorstellen van de Commissie op het gebied van de prijzen dat Italië waarschijnlijk geen tekort meer zou hebben, zoals in het verleden altijd het geval was. Hun vertegenwoordigers nebben namelijk zitting in diverse raadgevende instanties die bij het beheer van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker betrokken zijn.
22.
Voor de seizoenen 1996/1997 en 1997/1998 was Italië, op het tijdstip van de vaststelling van de verordeningen inzake de prijzen, inderdaad nog als een gebied met een tekort gekwalificeerd, maar deze verwachtingen zijn door de feiten gelogenstraft. Achteraf is namelijk gebleken dat de Italiaanse suikerproductie in die verkoopseizoenen hoger was dan het verbruik. Daarom moest rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat voor het verkoopseizoen 1998/1999 geen afgeleide interventieprijs zou worden vastgesteld.
23.
Naar mijn mening moet het eerste middel derhalve in zijn geheel worden afgewezen.
De ontbrekende of ontoereikende motivering
24.
Het tweede middel bestaat uit twee afzonderlijke argumenten. Volgens het eerste argument is het ontoelaatbaar dat de verordeningen nr. 1360/98 en 1361/98, ook in combinatie gelezen, geen enkele aanwijzing bevatten over de redenen waarom, anders dan voor alle vorige verkoopseizoenen, geen afgeleide interventieprijs voor witte suiker is vastgesteld voor Italië.
25.
Volgens het tweede argument kan het feit dat Italië niet is ingedeeld bij de gebieden met een tekort enkel worden verklaard door een wijziging van de methode voor de identificatie van de lidstaten die in aanmerking komen voor vaststelling van een afgeleide interventieprijs voor witte suiker, en zou deze wijziging op zichzelf een bijzondere motivering noodzakelijk hebben gemaakt, die volledig ontbreekt.
26.
Om te beginnen stel ik vast dat verordening nr. 1360/98 inderdaad, zoals de Italiaanse regering betoogt, niet specifiek aangeeft waarom de interventieprijs voor witte suiker die daarin wordt vastgesteld, voor Italië moet gelden, en dat verordening nr. 1361/98 niet specifiek aangeeft waarom daarin geen afgeleide interventieprijs voor witte suiker voor Italië wordt vastgesteld. Moet daaruit worden geconcludeerd dat een motivering voor de situatie van Italië geheel ontbreekt? Absoluut niet, want leest men de twee verordeningen in onderling verband dan blijkt er een duidelijke reden te zijn voor het feit dat voor de Italiaanse Republiek geen afgeleide interventieprijs voor witte suiker is vastgesteld, namelijk dat zij niet kan worden gerekend tot de gebieden met een tekort, de enige gebieden waarvoor krachtens de basisverordening een dergelijke prijs moet worden vastgesteld.
27.
Maar is een dergelijke motivering toereikend om te kunnen concluderen dat artikel 190 van het Verdrag niet is geschonden? Op basis van, wederom, het arrest van 6 juli 2000, Eridania, is dat mijns inziens het geval, ook al is de betrokken motivering zeer beknopt. In dat arrest wordt namelijk in herinnering gebracht dat:
„[d]e motivering [...] [moet] beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling. De redenering van de communautaire instantie die de betwiste handeling heeft vastgesteld, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen [...]” (punt 38).
28.
In hetzelfde arrest wordt vervolgens gesteld dat „[...] volgens vaste rechtspraak bij verordeningen geen specifieke motivering kan worden verlangd van de verschillende — soms zeer talrijke en ingewikkelde — onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen, zodra deze binnen de systematiek van het geheel vallen [...]” (punt 40).
29.
Tenslotte heeft het Hof opgemerkt dat „[...] bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen [...]” (punt 41).
30.
De motivering in kwestie is echter ondubbelzinnig, want daarin komt duidelijk tot uiting dat voor de Italiaanse Republiek geen afgeleide interventieprijs voor witte suiker is vastgesteld omdat zij niet als gebied met een tekort kan worden aangemerkt. Deze indeling als gebied met een tekort hoefde niet per se vergezeld te gaan van een presentatie van de ingewikkelde factoren die daarbij in aanmerking waren genomen, temeer niet daar die volledig bekend waren aan de Italiaanse regering, die zitting heeft in alle instanties van de Raad en lid is van de comités die de Commissie bijstaan bij het beheer van de gemeenschappelijke ordening.
31.
Overigens moet men niet uit het oog verliezen dat de kwalificatie als gebied zonder tekort niet het gevolg is van een keuze van de Raad op basis van een discretionaire bevoegdheid waarvan hij het door hem daarvan gemaakte gebruik had moeten uitleggen. Deze kwalificatie is het objectieve resultaat van de toepassing van een, eveneens objectieve, methode voor de vaststelling van een situatie van een voorzienbaar tekort.
32.
Vereiste het feit dat de toepassing van deze methode voor het verkoopseizoen 1998/1999 voor het eerst ertoe leidde dat Italië als gebied zonder voorzienbaar tekort werd beschouwd, niettemin een bijzondere verklaring?
33.
Ik meen van niet. Er is immers op zichzelf niets buitengewoons aan dat een en dezelfde methode van jaar tot jaar tot uiteenlopende resultaten kan leiden. De Italiaanse Republiek is nooit erkend als gebied met een permanent tekort, en de verbetering van haar situatie wat de bevoorrading met suiker betreft is niet abnormaal, maar kan juist worden gezien als het gunstige resultaat van het stimuleringsbeleid voor de productie van suikerbieten, dat uit de jarenlange vaststelling van een afgeleide interventieprijs voor witte suiker bestond. Dat, nu dit resultaat is bereikt, de daartoe aangewende middelen niet meer hoeven te worden gebruikt, is mijns inziens in de logica van de basisverordening zelf gelegen en hoeft daarom niet te worden gemotiveerd.
34.
Tenslotte is het naar mijn mening op zijn minst paradoxaal als men, terwijl volgens het arrest van 6 juli 2000, Eridania (punt 39) voor de vaststelling van een afgeleide interventieprijs geen ander motivering is vereist dan de constatering dat er een voorzienbaar tekort is, het feit dat er geen tekort is, onvoldoende grond voor het niet vaststellen van een afgeleide interventieprijs zou beschouwen.
35.
Zoals het genoemde arrest aangeeft, verhouden de toepassing van een interventieprijs en die van een afgeleide interventieprijs zich niet tot elkaar als regel en uitzondering. Zij komen elk overeen met een bepaalde in de basisverordening omschreven situatie, met het gevolg dat, aangezien er bij lezing van de verordeningen geen twijfel mogelijk is wat de situatie betreft waarin een bepaald gebied zich bevindt, de toepassing van de interventieprijs op die situatie niet speciaal hoeft te worden gemotiveerd.
36.
Nu het eerste argument van de Italiaanse regering dus alleen maar kan worden afgewezen, zal ik het tweede bezien.
37.
Indien de Raad werkelijk, zoals de Italiaanse regering aanvoert, van het ene jaar op het andere de methode voor de beoordeling of in een bepaalde lidstaat een situatie van een tekort is te voorzien voor het komende verkoopseizoen, zou hebben gewijzigd, dan zou de motivering in de consideransen van de verordeningen nrs. 1360/98 en 1361/98 als ontoereikend moeten worden beschouwd.
38.
Het is namelijk iets anders of men, zonder wijziging van de methode, op grond van de ontwikkeling van de productie en het verbruik tot verschillende bevindingen over de bevoorradingssituatie komt of dat men de meetinstrumenten wijzigt om tot verschillende bevindingen te komen.
39.
Een nieuwe methode toepassen zonder de marktdeelnemers daarover te informeren, betekent hun de mogelijkheid ontnemen om door de rechter doeltreffend te laten toetsen dat zij niet willekeurig zijn behandeld.
40.
Hebben de Raad en de Commissie voor het verkoopseizoen 1998/1999 ter beoordeling van de bevoorradingssituatie in de diverse lidstaten een methode gebruikt die afwijkt van die welke zij in het jaar daarvoor hadden toegepast?
41.
De Italiaanse regering, die als verzoekster de bewijslast draagt, heeft daarvoor naar mijn mening geen overtuigende elementen geleverd. Als we haar moeten geloven, is de voor het seizoen 1998/1999 gebruikte methode, die erin bestaat de beschikbare productie — te weten de verwachte hoeveelheden A-suiker en B-suiker, eventueel verhoogd met de conform de communautaire regels overgedragen C-suiker — te vergelijken met het verwachte verbruik, niet gebruikt in de eerdere verkoopseizoenen.
42.
Volgens de Italiaanse regering is de situatie van een verwacht tekort vroeger, tot het seizoen 1997/1998, vastgesteld op basis van de hoeveelheid onverwerkte suiker die in Italië werd ingevoerd, na aftrek van de uitvoer. Tot staving van haar stelling verwijst zij naar de motivering van de verordeningen tot vaststelling van de afgeleide interventieprijs voor witte suiker voor Italië tot 1980. ( 9 ) In deze motivering wordt gesteld dat:
„[...] de suikerproductie in Italië, als gevolg van de relatief hoge productiekosten, waarschijnlijk het vastgestelde basisquotum niet veel zal overschrijden, dat derhalve rekening moet worden gehouden met een tekort van meer dan 200000 ton ( 10 ), en dat hierin zal moeten worden voorzien door de overschotgebieden van de Gemeenschap”,
en dat
„derhalve het marktprijsniveau in Italië zal worden bepaald door de aanbiedingsprijzen van suiker uit Noord-Frankrijk; dat rekening houdend enerzijds met de interventieprijs welke van toepassing is in Noord-Frankrijk, verhoogd met de afzetkosten voor levering in Noord-Italië, anderzijds met de afzetkosten van de Italiaanse suikerindustrie, de afgeleide interventieprijs voor Italië kan worden vastgesteld op [...]”.
43.
Uit deze overwegingen blijkt echter geenszins dat het tekort waarvan zij spreken, aan het licht is gekomen door toepassing van de methode waarnaar de Italiaanse regering verwijst.
44.
In de tweede plaats heeft de Italiaanse regering nagelaten te signaleren dat de voorwaarden die de basisverordeningen destijds voor de vaststelling van de afgeleide interventieprijs voor witte suiker stelden, niet dezelfde waren als die welke de huidige basisverordening stelt. In verordening (EEG) nr. 3330/74 van de Raad van 19 december 1974 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker ( 11 ) bepaalt bijvoorbeeld artikel 3:
„1—
Voor het gebied van de Gemeenschap met bet grootste overschot ( 12 ) wordt jaarlijks een interventieprijs vastgesteld voor witte suiker.
2.
Voor andere gebieden worden afgeleide interventieprijzen vastgesteld, rekening houdend met de regionale prijsverschillen voor suiker die verwacht kunnen worden bij een normale oogst en bij een vrij verkeer van suiker op basis van de natuurlijke voorwaarden voor de prijsvorming op de markt.”
45.
Hieruit blijkt dus duidelijk dat de regels die onder deze verordening voor de vaststelling van een afgeleide interventieprijs golden, niet dezelfde zijn als die welke momenteel gelden. Ik breng in dit verband slechts in herinnering dat in artikel 3 van de basisverordening, die door de bestreden verordening wordt toegepast, wordt bepaald:
„1.
Voor witte suiker wordt jaarlijks vastgesteld:
a)
een interventieprijs voor de gebieden zonder tekort;
b)
een afgeleide interventieprijs voor ieder\ gebied met een tekort.
[...]”
46.
Om haar bewering geloofwaardig te maken had de Italiaanse regering moeten aantonen dat onder de huidige basisverordening, dat wil zeggen vanaf 1981, voor Italië regelmatig een afgeleide interventieprijs is vastgesteld volgens een andere methode dan die welke voor het seizoen 1998/1999 is gebruikt. Welnu, dat heeft zij niet gedaan. Zij probeert wel aan te tonen dat de methode die, naar zij beweert, daadwerkelijk is toegepast, zonder meer op een tekort uitkwam. Dat bewijst echter nog niet dat de Commissie en de Raad die methode daadwerkelijk hebben toegepast.
47.
Daar komt nog het, mijns inziens niet onbelangrijke, feit bij dat de Italiaanse regering, die toch altijd, alleen al in het comité van beheer voor suiker, nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding van de besluiten op het gebied van de prijzen, geen enkel document overlegt waaruit voortvloeit dat zij weliswaar had ingestemd met de constatering van een tekort en de vaststelling van een afgeleide interventieprijs, maar geprotesteerd had of althans een voorbehoud had gemaakt ten aanzien van de gebruikte methode. Opmerkelijk genoeg betwist zij evenmin de juistheid van de cijfers waarop de door haar bekritiseerde methode is toegepast, waarschijnlijk omdat dat de cijfers zijn die zij zelf aan de Commissie heeft doorgegeven krachtens verordening (EG) nr. 779/96 van de Commissie van 29 april 1996 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad betreffende mededelingen in de sector suiker. ( 13 )
48.
De Commissie en de Raad hebben verwezen naar de documenten die aan het Hof zijn overgelegd in zaak C-289/97, reeds aangehaald, en ter kennis zijn gebracht van de Italiaanse regering, die de waarheidsgetrouwheid daarvan niet heeft betwist. Op basis van deze documenten valt niet af te leiden dat er voor het seizoen 1998/1999 een verandering in de ramingsmethode is gekomen.
49.
Gezien het bovenstaande kan ik slechts tot de conclusie komen dat het tweede middel van de Italiaanse regering niet kan worden aanvaard.
Schending van het gelijkheidsbeginsel
50.
Rest het derde middel van de Italiaanse regering, waarmee zij stelt dat het ontbreken van de Italiaanse Republiek op de lijst van lidstaten waarvoor een afgeleide interventieprijs is vastgesteld, slechts kan worden verklaard doordat voor de diverse lidstaten uiteenlopende criteria zijn gehanteerd. Volgens de Italiaanse regering is deze discriminatie zeer duidelijk in het geval van Ierland; zij stelt dat Ierland alleen als een gebied met een tekort kan worden beschouwd omdat voor dat land niet dezelfde methode is gebruikt als voor de Italiaanse Republiek.
51.
De Raad en de Commissie betwisten niet alleen elke discriminatie, maar stellen ook dat de Italiaanse regering, door niet om nietigverklaring van de vaststelling van een afgeleide interventieprijs voor andere lidstaten te hebben gevraagd, de thans verzochte nietigverklaring niet kan baseren op de situatie in andere lidstaten. Deze laatste bewering wijs ik meteen van de hand.
52.
Mocht na onderzoek blijken dat de voor andere lidstaten vastgestelde maatregelen slechts verklaard kunnen worden doordat, wat de raming van een tekort betreft, een andere methode is gebruikt dan voor Italië, zou het beroep moet worden toegewezen. De Raad zou zich vervolgens op grond van artikel 176 EG-Verdrag (thans artikel 233 EG) moeten beraden op het beste middel om de discriminatie op te heffen: de voor andere lidstaten gebruikte methode op Italië toepassen of de afwijkende, voor Italië gebruikte methode op de andere lidstaten toepassen.
53.
Heeft de Italiaanse regering, dit vooropgesteld, het bewijs van discriminatie geleverd? Ik meen van niet. Zoals de Raad en de Commissie opmerken, hebben de documenten waarop zij zich baseert geen enkele bewijskracht, aangezien daaruit niet blijkt dat op het tijdstip waarop de Commissie haar voorstel heeft gedaan en de Raad zijn besluit heeft genomen de methode op basis waarvan is geconstateerd dat voor Italië geen tekort voor het komende verkoopseizoen was te verwachten, bij strikte toepassing op de beschikbare gegevens van de andere lidstaten waarvoor uiteindelijk een afgeleide interventieprijs is vastgesteld, tot de constatering zou hebben geleid dat deze lidstaten waarschijnlijk geen tekort zouden hebben.
54.
Uitsluitend bij dit bewijs zou een schending van het beginsel van gelijke behandeling kunnen worden aangenomen. Het is namelijk niet relevant of voor de voorafgaande verkoopseizoenen de raming van een tekort voor een bepaalde lidstaat achteraf onjuist blijkt te zijn geweest, hetgeen, terloops opgemerkt, met name het geval is geweest ten aanzien van Italië. Van belang is dat op het tijdstip waarop het besluit door de Raad wordt genomen, de raming wordt verricht volgens één en dezelfde methode, die wordt toegepast op gegevens van gelijke betrouwbaarheid.
55.
Ik ben mij ervan bewust dat de bewijsvoering inzake discriminatie wat de verordeningen nr. 1360/98 en 1361/98 betreft niet eenvoudig is, gezien de beknopte motivering daarvan. Daar de Italiaanse regering nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding en de vaststelling van het besluit, kan zij echter niet stellen dat zij geen toegang heeft gehad tot de documenten waarmee zij haar beweringen had kunnen bewijzen.
56.
Ik ben derhalve van mening dat de Italiaanse Republiek niet erin is geslaagd de beweringen waarop haar derde middel berust, met bewijskrachtige elementen te staven.
Conclusie
57.
Daar ik geen van de door de Italiaanse regering aangevoerde middelen gegrond acht, kan ik het Hof slechts in overweging geven:
—
het beroep te verwerpen;
—
de Italiaanse regering in haar eigen kosten en in die van de Raad te verwijzen;
—
de Commissie in haar eigen kosten te verwijzen.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans,
( 2 ) Arrest van 6 juli 2000, Eridania (C-289/97, Jurispr. blz. I-5409); aanhangige zaken Eridania e.a./Raad, T-178/96 (beschikking van 11 mei 2001, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), Eridania, C-160/98 (arrest van 12 maart 2002, Jurispr. blz. I-2533), en Eridania e.a./Raad, T-258/97 (beschikking van 12 juni 2002, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
( 3 ) PB L 185, blz. 3.
( 4 ) Verordening van de Raad van 26 juni 1998 tot vaststelling voor het verkoopseizoen 1998/1999 van bepaalde prijzen in de sector suiker en van de standaardkwaliteit voor suikerbieten (PB L 185, blz. 1).
( 5 ) PB L 177, blz. 4.
( 6 ) Cavarzere Produzioni Industriali e.n. (C-1/94, Jurispr. blz. I-2363).
( 7 ) Pontillo (C-372/96, Jurispr. blz. I-5091).
( 8 ) Crispoltoni e.a. (C-133/93, C-300/93 en C-362/93, Jurispr. blz. I-4863).
( 9 ) Zie bijvoorbeeld verordening (EEG) nr. 432/68 van de Raad van 9 april 1968 houdende vaststelling voor het verkoopseizoen voor suiker 1968/1969 van de afgeleide interventieprijzen, de minimumprijzen voor suikerbieten, de drempelprijzen, de gegarandeerde hoeveelheid en de productieheffing (PB L 89, blz. 4).
( 10 ) In de loop van deze periode schommelde het tekort volgens Italië tussen de 200000 en 500000 ton.
( 11 ) PB L 359, blz. 1.
( 12 ) Cursivering van mij.
( 13 ) PD L 106, biz. 9.
Full & Egal Universal Law Academy