Conclusie van de advocaat generaal
I Voorwerp van het geding
1. In de onderhavige niet-nakomingsprocedure verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk België de krachtens artikel 13, lid 2, sub f, van verordening EEG nr. 1408/71 van de Raad op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door een persoonlijke bijdrage te heffen over de Belgische beroepsziektepensioenen waarvan de ontvangers niet in België wonen en geen andere Belgische sociale uitkeringen ontvangen dan de aan de orde zijnde pensioenen of niet meer onder het Belgische socialezekerheidsstelsel vallen.
2. In deze gevallen mag België volgens haar geen bijdragen heffen, aangezien de betrokkenen uitsluitend vallen onder de wetgeving van het andere land, dat wil zeggen van het woonland, en de Belgische regeling met inbegrip van de bijdrageplicht dus niet geldt of kan gelden.
3. Volgens de Commissie is artikel 46 van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten (hierna: artikel 46 van de wet") in strijd met artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71.
4. Artikel 46 van deze wet luidt:
De door een beroepsziekte getroffene die een vergoeding of uitkering ingevolge deze wetten geniet, blijft verplicht de in toepassing van de socialezekerheidswetgeving verschuldigde bijdragen te betalen."
5. Blijkens de aanmaningsbrief waarmee de Commissie de niet-nakomingsprocedure heeft ingeleid, heeft zij geen kritiek op de aldus geformuleerde bijdrageplicht op zich, maar enkel op de heffing van socialezekerheidsbijdragen over bepaalde pensioenen waarvan de ontvanger in een andere lidstaat woont, waar hij eveneens een pensioen ontvangt.
II Procesverloop
6. Na de inleiding van de niet-nakomingsprocedure bij aanmaningsbrief van 24 september 1996 verzocht de Belgische regering om verlenging van de antwoordtermijn, hetgeen haar werd toegestaan. Aangezien de Commissie tevergeefs om een antwoord verzocht, deelde zij op 6 november 1997 een met redenen omkleed advies mee, waarin zij in wezen kritiek uitoefende op de heffing van een persoonlijke bijdrage van 13,07 % over de Belgische beroepsziektepensioenen waarvan de ontvangers niet meer genieten van andere sociale uitkeringen dan de aan de orde zijnde pensioenen en niet in België wonen. De Belgische regering antwoordde daarop bij brief van 12 mei 1998, dat het gelaakte artikel 46 van de wet niet in strijd was met verordening nr. 1408/71. Daarop stelde de Commissie beroep wegens niet-nakoming in bij het Hof; het beroep is op 22 september 1998 ter griffie ingeschreven. De Commissie concludeert dat het het Hof behage,
1) vast te stellen dat het Koninkrijk België, door een persoonlijke bijdrage van 13,07 % te heffen over de Belgische beroepsziektepensioenen waarvan de ontvangers niet in België wonen en niet meer onder het Belgische socialezekerheidsstelsel vallen, de krachtens artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 van de Raad op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.
7. Het Koninkrijk België verzoekt het Hof, het beroep te verwerpen en over de kosten te beslissen naar recht.
8. Bij beschikking van 1 maart 1999 werd het Koninkrijk der Nederlanden als interveniënt aan de zijde van de verwerende lidstaat toegelaten.
9. Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
III Toepasselijke regeling
A Gemeenschapsrecht
1) Verordening (EEG) nr. 1408/71
10. Artikel 13, leden 1 en 2, sub a en f, bepaalt:
1. Onder voorbehoud van artikel 14 quater zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.
2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:
a) is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont [...];
b) e) [...]
f) is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van een van de in de voorgaande punten genoemde regels of van een van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen."
11. Artikel 17 luidt als volgt:
Twee of meer lidstaten, de bevoegde autoriteiten van deze staten of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen kunnen in onderlinge overeenstemming, in het belang van bepaalde personen of groepen personen, uitzonderingen op de artikelen 13 tot en met 16 vaststellen."
12. Artikel 27 bepaalt:
De rechthebbende op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, waaronder de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woonachtig is, die recht heeft op prestaties op grond van de wettelijke regeling van laatstbedoelde lidstaat [...], krijgt, evenals zijn gezinsleden, prestaties van het orgaan van de woonplaats en voor rekening van dit orgaan, alsof de betrokkene uitsluitend recht had op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van deze lidstaat."
13. Artikel 33 bepaalt:
1. Het orgaan van een lidstaat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen- of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voorzover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde lidstaat komen.
2. Wanneer de pensioen- of rentetrekker in de in artikel 28 bis bedoelde gevallen krachtens de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, uit hoofde van zijn woonplaats aldaar, premies of soortgelijke inhoudingen verschuldigd is voor de dekking van de kosten van prestaties wegens ziekte of moederschap, zijn deze niet invorderbaar."
14. Artikel 52 bepaalt:
De werknemer of zelfstandige die op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat woont en door een arbeidsongeval of een beroepsziekte wordt getroffen, heeft in de staat op het grondgebied waarvan hij woont, recht op:
a) verstrekkingen welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend volgens de door laatstbedoeld orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof hij bij dat orgaan was aangesloten;
b) uitkeringen welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats kunnen deze uitkeringen evenwel door laatstbedoeld orgaan, voor rekening van eerstbedoeld orgaan, volgens de wettelijke regeling van de bevoegde staat worden verleend."
15. Artikel 77 luidt als volgt:
1. Voor de toepassing van dit artikel worden onder ,bijslagen verstaan zowel kinderbijslag voor rechthebbenden op pensioen of rente wegens ouderdom, invaliditeit, arbeidsongeval of beroepsziekte, als verhogingen of aanvullingen van deze pensioenen of renten voor kinderen van deze rechthebbenden, met uitzondering evenwel van de aanvullingen welke ingevolge de verzekering tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten worden toegekend.
2. Ongeacht op het grondgebied van welke lidstaat de rechthebbende op een pensioen of rente dan wel de kinderen wonen, worden de bijslagen toegekend volgens onderstaande regels:
a) aan de rechthebbende op pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van één enkele lidstaat, overeenkomstig de wettelijke regeling van de lidstaat welke inzake het pensioen of de rente bevoegd is;
b) aan de rechthebbende op pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van meer dan één lidstaat:
i) overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze staten, op het grondgebied waarvan hij woont, indien het recht op een van de in lid 1 bedoelde bijslagen aldaar wordt ontleend aan de wettelijke regeling van deze staat [...] of
ii) in de overige gevallen, overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze lidstaten waaraan de betrokkene het langst onderworpen is geweest, indien het recht op een der in lid 1 bedoelde bijslagen wordt ontleend aan de wettelijke regeling van deze lidstaat [...]; indien aan genoemde wettelijke regeling geen enkel recht wordt ontleend, wordt het recht op bijslagen achtereenvolgens aan de in de wettelijke regelingen der overige betrokken lidstaten gestelde voorwaarden getoetst en wel in afdalende volgorde naar de duur van de krachtens de wettelijke regelingen van deze lidstaten vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen."
2) Verordening (EEG) nr. 574/72
16. Artikel 10 ter van deze verordening bepaalt:
De datum en de voorwaarden waarop een persoon als bedoeld in artikel 13, lid 2, onder f, van de verordening ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat, worden overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling vastgesteld. Het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de wettelijke regeling op deze persoon van toepassing wordt, richt zich voor het vernemen van deze datum tot het door de bevoegde autoriteit van de eerste lidstaat aangewezen orgaan."
B Nationaal recht
17. Het omstreden artikel 46 van de gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten is reeds aangehaald in punt 3.
IV Argumenten van partijen
1) De Commissie
18. De Commissie verwijt de verwerende lidstaat socialezekerheidsbijdragen te heffen over beroepsziektepensioenen waarvan de rechthebbenden in een andere lidstaat wonen, waar zij eveneens een pensioen ontvangen. Dit is volgens haar in strijd met artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71. In deze bepaling komt het in artikel 13, lid 1, van de verordening verwoorde beginsel tot uitdrukking, dat slechts de wetgeving van één lidstaat kan worden toegepast. Deze bepaling is na het arrest Ten Holder ingevoegd om de bevoegde staat aan te wijzen voor personen die elke beroepswerkzaamheid onder het recht van een lidstaat hebben stopgezet en op het grondgebied van een andere lidstaat wonen. Daaruit volgt dat, wanneer de socialezekerheidswetgeving van een lidstaat niet langer van toepassing is, de wetgeving van het woonland ingevolge artikel 13, lid 2, sub f, toepasselijk wordt.
19. De Commissie komt op basis van de arresten Perenboom, Commissie/België en Kuusijärvi tot de conclusie dat personen die in België geen beroepswerkzaamheid meer uitoefenen en hun woonplaats naar een andere lidstaat hebben overgebracht, uitsluitend onder de wetgeving van laatstgenoemde lidstaat vallen. Bijgevolg zijn de Belgische autoriteiten niet meer bevoegd om bijdragen te
heffen over beroepsziektepensioenen van personen die zich in een dergelijke situatie bevinden.
20. Op het verweer van de Belgische regering, dat artikel 13, lid 2, sub f, in casu niet van toepassing is aangezien rechthebbenden op een beroepsziektepensioen zowel voor ziektekosten als voor gezinsbijslagen aan de Belgische socialezekerheidsregeling onderworpen blijven, antwoordt de Commissie dat het woonland ingevolge artikel 27 van verordening nr. 1408/71 bevoegd is voor ziektekosten. Volgens artikel 33 van verordening nr. 1408/71 kunnen bijdragen enkel worden geheven door de staat die ook de lasten draagt. Volgens hoofdstuk 8 van verordening nr. 1408/71 is het woonland ook bevoegd voor gezinsbijslagen.
21. Tegen het beroep van de Belgische regering op artikel 52 van verordening nr. 1408/71, volgens hetwelk de persoon die door een arbeidsongeval of een beroepsziekte wordt getroffen, recht heeft op verstrekkingen welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend en op uitkeringen welke door het bevoegde orgaan worden verleend, brengt de Commissie in, dat deze regeling geen betrekking heeft op de klassieke ziektekosten in de zin van hoofdstuk 1 van verordening nr. 1408/71, maar op specifieke prestaties bij arbeidsongeval of beroepsziekte. Op het argument van de Belgische regering dat de bijdragen de tegenprestatie zijn voor de toepassing van de Belgische socialezekerheidsregeling, antwoordt de Commissie ten slotte, dat de Belgische Staat ingevolge artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 hoe dan ook niet meer bevoegd is, maar enkel nog de woonstaat.
2) De Belgische regering
22. De Belgische regering betoogt in de eerste plaats, dat artikel 13, lid 2, sub f, niet op het door de Commissie bedoelde geval van toepassing is. Subsidiair stelt zij, dat zelfs indien dit artikel toch van toepassing zou zijn, de heffing van de omstreden socialezekerheidsbijdragen niet in strijd is met deze bepaling.
23. Zij gaat ervan uit, dat in artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 het beginsel van de lex loci laboris" vervat is, dat inhoudt dat het recht van het werkland in beginsel van toepassing is, zelfs wanneer de betrokkene in een andere lidstaat woont. Artikel 13, lid 2, sub f, voorziet in een uitzondering op dit beginsel. Deze bepaling moet derhalve strikt worden uitgelegd, en enkel wanneer aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kan het toepasselijke recht overgaan van het werkland naar het woonland. Een van de voorwaarden is, dat een persoon ophoudt aan de wettelijke regeling van een lidstaat onderworpen te zijn, zonder dat de wetgeving van een andere lidstaat toepasselijk wordt. De vraag is dan ook, onder welke voorwaarden een wettelijke regeling in casu de Belgische socialezekerheidswetgeving ophoudt van toepassing te zijn op de ontvangers van een beroepsziektepensioen die in een andere lidstaat wonen, waar zij eveneens een pensioen ontvangen.
24. Titel II van verordening nr. 1408/71 stelt het gemeenschapsrecht niet in de plaats van het recht van de verschillende lidstaten, maar bevat blijkens het arrest Kitz van Heijningen regels om de toepasselijke wetgeving aan te wijzen, om de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wettelijke regelingen te voorkomen en om te beletten, dat de binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallende personen wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling hun socialezekerheidsbescherming kwijtraken.
25. In casu blijft de Belgische socialezekerheidswetgeving effectief van toepassing. Dat blijkt in de eerste plaats uit de toekenning van uitkeringen volgens het Belgische beroepsziektestelsel alsook in andere takken van de sociale zekerheid, zoals de uitkering van gezinsbijslagen, de vergoeding van ziektekosten en het in aanmerking nemen van tijdvakken voor de berekening van het ouderdomspensioen in alle gevallen waarin de graad van arbeidsongeschiktheid meer dan 66 % bedraagt. Deze personen behouden dus de hoedanigheid van sociaal verzekerde.
26. Verder hangt het antwoord op de vraag, of de wettelijke regeling van een lidstaat ophoudt van toepassing te zijn, volgens artikel 10 ter van verordening nr. 574/72 van de wetgeving van de betrokken lidstaat af. Het gemeenschapsrecht verwijst dus uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten. Met betrekking tot de bevoegdheid van een lidstaat, de grenzen vast te stellen waarbinnen zijn recht van toepassing is, verwijst de Belgische regering naar de arresten Coppola en Ten Holder.
27. Voorts is het in strijd met het beginsel van de verworven rechten om de Belgische wetgeving niet meer toe te passen en aldus de aan de orde zijnde prestaties niet langer te verlenen. De verandering van woonplaats kan op zich niet tot gevolg hebben, dat een persoon onder het socialezekerheidsstelsel van het woonland valt.
28. Dat de verdere toepassing van de Belgische wetgeving verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, wordt ook bevestigd door artikel 52 van verordening nr. 1408/71, waarin sprake is van het bevoegde orgaan" voor rekening waarvan zowel de verstrekkingen als de uitkeringen aan een in een andere lidstaat wonende persoon worden verleend. In de praktijk ontvangt een in een andere lidstaat wonende ontvanger van een beroepsziektepensioen een formulier E 123 van het Fonds voor de Beroepsziekten" (hierna: FBZ"). Op basis van dit formulier wordt hem in het woonland ziektezorg verleend, die door het FBZ wordt terugbetaald.
29. Alles bij elkaar genomen moet er dus van worden uitgegaan, dat artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 niet toepasselijk is, dat het Belgische recht dus toepasselijk blijft, zowel op grond van de aan de lidstaten verleende bevoegdheid als van het feit dat de slachtoffers van een beroepsziekte aan de socialezekerheidsregeling onderworpen blijven, zelfs wanneer zij in een andere lidstaat wonen, en ten slotte, dat daaruit geen onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht voortvloeit.
30. De Belgische regering stelt verder enkel subsidiair, dat de heffing van een bijdrage in elk geval in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht. Deze heffing geschiedt zonder enige vorm van discriminatie, ongeacht of de begunstigde op Belgisch grondgebied dan wel in een andere lidstaat woont. De rechthebbenden behouden de hoedanigheid van sociaal verzekerde, hetzij volledig, hetzij gedeeltelijk, naargelang de arbeidsongeschiktheid meer of minder dan 66 % bedraagt. De bijdragebetaling is de tegenprestatie voor de prestaties waarop de betrokkenen recht hebben.
31. Enkel voor het geval dat het Hof het beroep toch gegrond zou achten, merkt de Belgische regering op, dat eventuele terugbetalingen van de bijdragen niet kunnen worden gelast voor de periode vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 2195/91, dat wil zeggen vóór 29 juli 1991.
3) De Nederlandse regering
32. De Nederlandse regering, interveniënte aan de zijde van de Belgische regering, is van mening, dat de conflictregels van verordening nr. 1408/71, in het bijzonder artikel 13, lid 2, sub f, niet tot gevolg hebben dat iemand die zijn werkzaamheden in een lidstaat beëindigt, niet langer aan de socialezekerheidswetgeving van die lidstaat onderworpen is wanneer hij woonachtig is in een andere lidstaat of zijn woonplaats naar een andere lidstaat overbrengt. Volgens haar staat artikel 13, lid 2, sub f, er niet aan in de weg, dat de wettelijke regeling van het laatste werkland van toepassing blijft, wanneer deze wettelijke regeling daarin voorziet.
33. Aanleiding tot haar interventie is volgens de Nederlandse regering de houding van de Commissie tegenover het Nederlandse stelsel van verplichte verzekering. Het Nederlandse recht voorziet in een verplichte verzekering voor personen die een uitkering van lange duur wegens arbeidsongeschiktheid, ouderdom of overlijden ontvangen, ook wanneer zij buiten Nederland wonen. Deze verzekering brengt mee, dat de verzekerden aanspraak kunnen maken op uitkeringen wegens ouderdom en overlijden, alsook op gezinsbijslagen en bepaalde ziektekosten. Deze verzekerden moeten, evenals de verzekerden die in Nederland wonen, bijdragen betalen. De Commissie heeft schriftelijk geïnformeerd naar de beëindiging van het systeem van verplichte sociale verzekering voor in een andere lidstaat wonende pensioen- of rentetrekkers. De Nederlandse regering heeft daaruit afgeleid dat Nederland bevoegd was de verplichte verzekering te handhaven voor langdurig arbeidsongeschikten die in een andere lidstaat dan Nederland wonen. Uit het verzoekschrift in het onderhavige geding leidt de Nederlandse regering af, dat de Commissie mogelijk haar houding tegenover de Nederlandse wetgeving heeft gewijzigd.
34. Op basis van een analyse van het arrest Kuusijärvi en de ontstaansgeschiedenis van verordening nr. 2195/91 betoogt de Nederlandse regering, dat de wettelijke regeling van een lidstaat enkel ophoudt van toepassing te zijn in de zin van artikel 13, lid 2, sub f, van de verordening, wanneer de wetgeving van die lidstaat dat zelf bepaalt. De mogelijkheid voor een lidstaat om zijn wetgeving verder toe te passen waarvoor artikel 10 ter van verordening nr. 574/72 pleit heeft tot gevolg dat de betrokkenen hun recht op uitkeringen kunnen behouden en dat het woonland niet met onevenredige lasten wordt geconfronteerd. Het maakt daarbij geen wezenlijk verschil, of de wetgeving van toepassing blijft voor alle dan wel slechts voor enkele takken van de sociale zekerheid. Tot slot is bij verordening nr. 2195/91 tevens artikel 17 van verordening nr. 1408/71 aldus gewijzigd, dat voortaan ook voor groepen personen die geen werkzaamheid uitoefenen, uitzonderingen kunnen worden overeengekomen. Volgens de Nederlandse regering dienen de conflictregels van verordening nr. 1408/71 als volgt te worden begrepen:
Zolang de werknemer werkzaamheden verricht op het grondgebied van een lidstaat, mogen voor de aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel van die lidstaat geen woonplaatsvoorwaarden worden tegengeworpen.
Zodra de werknemer iedere werkzaamheid heeft stopgezet en niet in een andere lidstaat zijn werkzaamheden hervat, mogen wél woonplaatsvoorwaarden worden gesteld.
Wanneer evenwel de wetgeving van eerstgenoemde lidstaat geen woonplaatsvoorwaarden bevat voor de aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel, blijft die wetgeving op de voormalige werknemer van toepassing, ook al woont hij in een andere lidstaat.
Wanneer de werknemer op een later tijdstip niet langer voldoet aan de aansluitingsvoorwaarden in eerstgenoemde lidstaat, zal op dat moment de wetgeving van zijn woonland op hem van toepassing worden.
In het belang van de betrokkene kan in onderlinge overeenstemming tussen het laatste werkland en het woonland een uitzondering op deze regels worden overeengekomen.
35. Na de conflictregels inzake prestaties bij ziekte en gezinsbijslagen nader te hebben onderzocht, komt de Nederlandse regering tot de slotsom dat, anders dan de Commissie stelt, de wetgeving van het woonland niet steeds dient te worden toegepast, maar enkel dan wanneer dit uit de toepasselijke wetgeving van de lidstaat blijkt (vgl. artikelen 27, 28 en 77 van verordening nr. 1408/71). Een en ander hangt dus steeds af van de concrete omstandigheden van het geval.
36. De toepasselijkheid van de wetgeving van het laatste werkland brengt de bevoegdheid van die lidstaat mee om socialezekerheidsbijdragen te heffen. De Nederlandse regering verwijst dienaangaande naar de arresten Perenboom, De Jaeck en Molenaar.
37. De Nederlandse regering neemt tevens een standpunt in omtrent een mogelijk conflict tussen de artikelen 33 en 52 van verordening nr. 1408/71. Na deze bepalingen en de toepassingsgevallen ervan uitvoerig te hebben onderzocht, komt zij tot de conclusie dat verordening nr. 1408/78 geen voorrang verleent aan de ene regel boven de andere.
38. Ten slotte neemt de Nederlandse regering ook een standpunt in met betrekking tot de werking in de tijd van een arrest waarbij een verdragsschending zou worden vastgesteld. Dienaangaande stelt zij voor, de eventuele gevolgen van het arrest te beperken tot de periode na de datum van uitspraak.
39. In haar schriftelijke opmerkingen op de memorie in interventie sluit de Belgische regering zich uitdrukkelijk aan bij dit verzoek om de werking van het arrest in de tijd te beperken.
V Beoordeling
40. De Commissie gaat er met haar beroep kennelijk van uit, dat de ontvanger van een beroepsziektepensioen na de beëindiging van zijn werkzaamheid in België om welke reden ook niet langer onderworpen is aan de Belgische wettelijke regeling zodra hij zijn woonplaats naar een andere lidstaat heeft overgebracht. Wanneer de betrokkene reeds tijdens zijn werkzaamheid in een andere lidstaat woont, zoals bij grensarbeiders het geval is, heeft zelfs de stopzetting van de werkzaamheid op zich de niet-toepasselijkheid van de Belgische wetgeving tot gevolg. Ingevolge artikel 13, lid 2, sub f, is in dat geval de wetgeving van het woonland van toepassing. De niet-toepasselijkheid van de Belgische wetgeving heeft tot gevolg, dat geen socialezekerheidsbijdragen over de door België uitgekeerde beroepsziektepensioenen mogen worden geheven.
41. De Belgische regering gaat er daarentegen van uit, dat de Belgische wetgeving toepasselijk blijft, hetgeen in de eerste plaats blijkt uit de uitkering van een beroepsziektepensioen en desgevallend ook uit de verlening van andere sociale prestaties, zoals de vergoeding van ziektekosten of de toekenning van kinderbijslag. De heffing van socialezekerheidsbijdragen is volgens haar de tegenprestatie voor het behoud van de hoedanigheid van sociaal verzekerde, die bijvoorbeeld ook tot gevolg heeft dat tijdvakken van verzekering voor de pensioenberekening in aanmerking worden genomen.
42. De vraag is dus, of in de gegeven omstandigheden de overbrenging van de woonplaats op zich de toepassing meebrengt van artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71, volgens hetwelk de wetgeving van het woonland van toepassing is, dan wel of het aan het laatste werkland staat om uit te maken, of en onder welke voorwaarden zijn wettelijke regeling van toepassing blijft.
43. Het antwoord op deze vraag hangt af van de uitlegging van artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71, in het bijzonder van de zinsnede degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat". Volgens de Commissie is deze bepaling automatisch van toepassing zodra een einde komt aan de bevoegdheid ex artikel 13, lid 2, sub a, dat wil zeggen zodra de werkzaamheid als aanknopingspunt wegvalt. Volgens de Belgische regering gaat het om een essentiële feitelijke omstandigheid, die niet uitsluitend in het kader van verordening nr. 1408/71, zonder onderzoek van de nationale bepalingen, kan worden getoetst.
44. Artikel 10 ter van verordening nr. 574/72, dat uitdrukkelijk naar artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 verwijst, werkt dienaangaande verhelderend. Beide bepalingen zijn achteraf bij verordening nr. 2195/91 in de verordeningen nr. 1408/71 respectievelijk nr. 574/72 ingevoegd. Artikel 10 ter van verordening nr. 574/72 verwijst uitdrukkelijk naar de wetgeving van de lidstaten voor de vaststelling van de datum en de voorwaarden waarop een persoon als bedoeld in artikel 13, lid 2, onder f, van de verordening ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat". Bijgevolg is de wettelijke regeling van een lidstaat bepalend voor de vraag, of een persoon nog onder de bescherming van deze regeling valt. In zoverre is het argument van de Belgische regering, dat de ontvangers van een beroepsziektepensioen ongeacht hun woonplaats aan de Belgische socialezekerheidsregeling onderworpen blijven, volstrekt juist.
45. Uit het onderling verband en de ontstaansgeschiedenis van de bepalingen blijkt, dat de bevoegdheidstoewijzing die artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 als oplossing aanreikt, slechts geldt voorzover geen andere bevoegdheid uit het recht van een lidstaat of uit verordening nr. 1408/71 kan worden afgeleid. Pas door het arrest Ten Holder waar in de considerans van verordening nr. 2195/91 uitdrukkelijk naar wordt verwezen en ten vervolge waarop artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 en artikel 10 ter van verordening nr. 574/72 zijn vastgesteld is een lacune" in titel II van verordening nr. 1408/71 aan het licht gebracht, waarin juist met de genoemde bepalingen is voorzien.
46. Artikel 13, lid 2, sub f, betreft dus geen oorspronkelijke bevoegdheidstoewijzing, maar een vervangende" bevoegdheid ingeval er geen andere in titel II van de verordening besloten bevoegdheid vaststaat en de aanvankelijk toepasselijke wettelijke regeling van een lidstaat volgens de bepalingen ervan wegens een door de betrokkene veroorzaakte wijziging van de omstandigheden niet meer van toepassing is.
47. Dienaangaande heeft het Hof in het arrest Kuusijärvi geoordeeld:
[...] de bepalingen van titel II van verordening nr. 1408/71, waartoe artikel 13 behoort, [vormen] een volledig en eenvormig stelsel van conflictregels [...]. Deze bepalingen hebben niet alleen tot doel, de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wettelijke regelingen en de mogelijke complicaties daarvan te voorkomen, maar ook te beletten dat binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallende personen wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele socialezekerheidsbescherming genieten [...]."
48. Er kan dus van worden uitgegaan, dat voor de beantwoording van de vraag of artikel 13, lid 2, sub f, van toepassing is, eerst naar nationaal recht dient te worden nagegaan, of de toepasselijke nationale wetgeving al dan niet blijft gelden. De zinsnede degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat" is dus een feitelijke toepassingsvoorwaarde van deze bepaling.
49. De Commissie heeft het in haar verzoekschrift, voor het eerst ten opzichte van de precontentieuze procedure, over de ontvangers van een beroepsziektepensioen die niet meer onder het Belgische socialezekerheidsstelsel vallen". Daarbij is zij in abstracto voorbijgegaan aan de volgens nationaal recht te beoordelen voorafgaande vraag, of de aanvankelijk geldende wettelijke regeling van toepassing blijft. In haar met redenen omklede advies had zij haar verzoek nog aldus geformuleerd, dat dit betrekking had op de ontvangers van een beroepsziektepensioen die geen andere socialezekerheidsuitkeringen ontvangen dan de aan de orde zijnde pensioenen.
50. Uit de formulering van het verzoekschrift blijkt niet duidelijk, onder welke voorwaarden de betrokken personen niet langer aan de Belgische socialezekerheidswetgeving onderworpen zijn. In de veronderstelling dat aan deze voorwaarde is voldaan, kan in ieder geval artikel 13, lid 2, sub f en daarmee ook de wettelijke regeling van het woonland worden toegepast. De Belgische regering heeft dit betoog evenwel ondergraven met de stelling dat de ontvangers van een beroepsziektepensioen steeds onder het Belgische socialezekerheidsstelsel vallen.
51. In die context is het relevant dat de Commissie in de precontentieuze procedure ervoor heeft geopteerd, zich te richten op personen die naar Belgisch recht geen andere prestaties dan het beroepsziektepensioen ontvangen.
52. Het argument van de Belgische regering, dat de toepasselijkheid van de Belgische socialezekerheidsregeling haar uitsluitende oorzaak vindt in de toekenning van een beroepsziektepensioen en aan die toepasselijkheid enkel een einde kan komen wanneer ook geen pensioen of rente meer wordt betaald, is in ieder geval twijfelachtig; het beroepsziektepensioen is immers een prestatie die door vroegere bijdragebetalingen is verdiend en waarvoor ingevolge artikel 10 van verordening nr. 1408/71 het woonplaatsvereiste is afgeschaft. Wanneer een rechthebbende op een beroepsziektepensioen zijn woonplaats naar een andere lidstaat overbrengt, geeft dit de uitkerende lidstaat nog niet het recht om de betaling te staken.
53. Dit zou, zoals de Belgische regering zelf verklaart, onverenigbaar zijn met het beginsel van de verworven rechten. Een dergelijke handelwijze zou ook indruisen tegen de beginselen van de op gemeenschapsniveau gecoördineerde bepalingen inzake sociale zekerheid, die ingevolge artikel 42 EG de migrerende werknemers garanderen:
a) dat met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen;
b) dat de uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de lidstaten verblijven, zullen worden betaald."
54. Het behoud van het Belgische recht op bijdragen vindt evenmin steun in het argument van de Belgische regering, dat de bijdragen de tegenprestatie zijn voor het uitgekeerde pensioen. De bijdragen voor een arbeidsongevallen- of beroepsziekteverzekering worden op gezette tijdstippen gedurende de beroepsloopbaan, hetzij door de werkgever, hetzij door de werkgever en de werknemer betaald. Wanneer het verzekerde risico zich voordoet, geldt daarentegen de solidariteit onder de verzekerden.
55. De Belgische regering heeft evenwel ook verwezen naar andere socialezekerheidsuitkeringen die aan de rechthebbenden op een beroepsziektepensioen worden toegekend. Daarbij heeft zij uitdrukkelijk de ziektekosten en de gezinsbijslagen vermeld. Zij heeft verder opgemerkt, dat de hoedanigheid van sociaal verzekerde behouden blijft, zodat tijdvakken waarin een beroepsziektepensioen wordt toegekend in het kader van het ouderdomspensioenstelsel in aanmerking kunnen worden genomen. Vooral dit laatste aspect wijst, evenals het recht op prestaties bij ziekte, duidelijk op de aansluiting bij een socialezekerheidsstelsel. De Belgische regering heeft weliswaar gewezen op een onderscheid in de intensiteit van de socialezekerheidsbescherming, naargelang de arbeidsongeschiktheid van de ontvanger van een beroepsziektepensioen meer of minder dan 66 % bedraagt, doch uit haar betoog kan niet met zekerheid worden opgemaakt, of en hoe de pensioentrekker met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 66 % onder het Belgische socialezekerheidsstelsel valt.
56. De Commissie van haar kant heeft niet uitgelegd, onder welke omstandigheden de Belgische wettelijke regeling ophoudt van toepassing te zijn op een in een andere lidstaat wonende ontvanger van een beroepsziektepensioen. Zij heeft met name niet gepoogd de stelling van de Belgische regering, dat de socialezekerheidsregeling volledig op deze personen van toepassing blijft, te weerleggen.
57. Gesteld dat het vereiste dat een persoon ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat, een feitelijke toepassingsvoorwaarde is van artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71, is het betoog van de Commissie niet sluitend of door de tegenargumenten van de Belgische regering weerlegd.
58. Het uitgangspunt van de Commissie, dat bij de overbrenging van de woonplaats van een onder de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallende persoon naar een andere lidstaat, de wettelijke regeling van het woonland ingevolge de communautaire regeling van artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 van toepassing wordt, vloeit niet noodzakelijk voort uit dit artikel 13, lid 2, sub f, en evenmin uit 's Hofs rechtspraak. Het is veelbetekenend, dat partijen ter ondersteuning van hun verschillende argumenten dezelfde arresten aanhalen. Artikel 13, lid 2, sub f, bepaalt evenwel uitdrukkelijk, dat op [een persoon] [...] de wettelijke regeling van toepassing [is] van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen", dat wil dus zeggen overeenkomstig de wetgeving van het woonland.
59. Deze formulering verwijst dus naar de regeling van het woonland, dat ingevolge artikel 13, lid 2, sub f, bevoegd wordt wanneer voor het overige aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan. De vraag, voor welke takken van de sociale zekerheid het woonland bevoegd wordt, is door deze verwijzing op zich evenwel nog niet beantwoord. Dat hangt veeleer af van de formulering van de nationale wettelijke regeling. Het standpunt van de Belgische regering, dat het feit dat iemand ergens gaat wonen, nog niet betekent dat hij onder het socialezekerheidsstelsel van die plaats valt, is in zoverre juist. In die richting wijst ook het door de Nederlandse regering genoemde streven van de communautaire wetgever bij de vaststelling van verordening nr. 2195/91, om de lidstaat die volgens artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 bevoegd wordt, onevenredige lasten te besparen.
60. Thans dient te worden nagegaan, in hoeverre de relevante bepalingen van titel III van verordening nr. 1408/71 dat de bijzondere bepalingen met betrekking tot de verschillende soorten prestaties" opsomt in overeenstemming zijn met artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71, in de zin die zojuist daaraan is gegeven, dan wel of uit die bepalingen kan worden afgeleid dat de Belgische wettelijke regeling niet langer van toepassing is.
61. Artikel 27 van de verordening, dat behoort tot afdeling 5 Pensioen- of rentetrekkers en hun gezinsleden" van hoofdstuk 1 Ziekte en moederschap" , regelt de bevoegdheid voor prestaties bij ziekte of moederschap" ten gunste van rechthebbenden op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten. Wanneer de betrokkene recht heeft op een pensioen of rente op grond van de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, en tegelijkertijd op grond van deze regeling ook recht heeft op de genoemde prestaties, ontvangt hij op grond van deze regeling prestaties van het orgaan van de woonplaats en voor rekening van dit orgaan. Bestaat in het woonland geen recht op dergelijke prestaties, dan is artikel 28 van verordening nr. 1408/71 van toepassing. Het bijzondere geval dat in het woonland wel een recht op verstrekkingen, maar geen recht op pensioenen of renten bestaat, wordt geregeld door artikel 28 bis van verordening nr. 1408/71. Bepalend in deze gevallen is eens te meer de wettelijke regeling van de lidstaten, op grond waarvan in beginsel een recht op prestaties moet bestaan. Daarop aansluitend volgt dan pas de gemeenschapsrechtelijke lastenverdeling volgens de artikelen 27, 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71.
62. Deze bepalingen sluiten geenszins de theoretische mogelijkheid uit, dat de sociaalrechtelijke regeling van een lidstaat die een pensioen of rente toekent, toepasselijk blijft. Integendeel, het orgaan van deze lidstaat kan potentieel tot prestaties gehouden zijn en blijven. Daarom wordt op meerdere plaatsen in artikel 28 gesproken van het bevoegde orgaan" en in artikel 28 bis van het orgaan van een van de ter zake van pensioenen bevoegde lidstaten".
63. De regeling van artikel 33 van verordening nr. 1408/71 is slechts een voortvloeisel van de voorafgaande lastenverdeling. Deze bepaling regelt de bevoegdheid om bijdragen te heffen of in te houden om de kosten van de prestaties bij ziekte te dekken. Het bevoegde orgaan" is aldus gemachtigd bij wijze van spreken als tegenprestatie voor zijn prestatieplicht, die verder gaat dan de uitkering van een beroepsziektepensioen bijdragen in te houden voorzover de toepasselijke wettelijke regeling daarin voorziet. Het is dus geen toeval dat de Belgische regering artikel 33 aanvoert ter rechtvaardiging van de heffing van sociale bijdragen over de aan pensioen- of rentetrekkers in een andere lidstaat uitgekeerde beroepsziektepensioenen. Zij vergeet daarbij niet op te merken, dat de prestaties bij ziekte in deze gevallen in beginsel ten laste van het Belgische orgaan vallen. Deze bijdrageheffing is in ieder geval in overeenstemming met artikel 33, lid 1. Ook artikel 33, lid 2, van verordening nr. 1408/71 staat deze heffing niet in de weg. Deze bepaling heeft betrekking op het in artikel 28 bis van de verordening geregelde bijzondere geval, dat in het woonland een recht op verstrekkingen bestaat, zonder dat dit land een pensioen of rente verschuldigd is. Enkel wanneer de rechthebbende in de gegeven omstandigheden bijdragen of soortgelijke inhoudingen in het woonland verschuldigd is, zijn deze bijdragen volgens artikel 33, lid 2, niet invorderbaar voor de staat die het pensioen of de rente toekent. Zonder als zodanig in het ontstaan van de bijdrageplicht tussenbeide te komen, regelt de gemeenschapswetgever alles bij elkaar genomen een en ander zo, dat de bevoegdheid om bijdragen te heffen uiteindelijk met de prestatieplicht samenhangt. Deze beoordeling vindt overigens bevestiging in het arrest Noij van het Hof.
64. Artikel 52 van verordening nr. 1408/71 bevat een bijzondere regeling voor rechthebbenden op prestaties bij arbeidsongeval of beroepsziekte. Deze groep personen ontvangt volgens artikel 52, sub a, van de verordening verstrekkingen in het woonland, maar voor rekening van het bevoegde orgaan". Volgens artikel 52, sub b, van de verordening kunnen onder omstandigheden zelfs uitkeringen door het orgaan van het woonland worden verleend, maar ook voor rekening van het bevoegde orgaan. Hoofdstuk 4 Arbeidsongevallen en beroepsziekten" bevat weliswaar geen zelfstandige regeling van de bijdrageplicht, doch dit is in overeenstemming met de algemene beginselen volgens welke de bijdrageplicht voor de arbeidsongevallen- of beroepsziekteverzekering reeds vóór het intreden van het verzekerde risico bestaat.
65. Artikel 52 van verordening nr. 1408/71 verzet zich in ieder geval niet tegen de zienswijze, dat het Belgische orgaan dat een beroepsziektepensioen verschuldigd is, in beginsel ook het bevoegde orgaan" is dat uiteindelijk voor de verlening van de prestaties moet instaan. Van een conflict tussen de bepalingen van hoofdstuk 1 Ziekte en moederschap" en hoofdstuk 4 Arbeidsongevallen en beroepsziekten" is dan ook geen sprake.
66. Ten slotte stelt de Belgische regering met een beroep op artikel 77 van verordening nr. 1408/71, dat de Belgische Staat overeenkomstig het gemeenschapsrecht bevoegd is inzake gezinsbijslagen voor ontvangers van een beroepsziektepensioen. Voorzover de Belgische Staat als enige lidstaat een pensioen of rente toekent, volgt deze bevoegdheid ook uit artikel 77, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71. De Commissie viseert daarentegen ook gevallen waarin het woonland eveneens een pensioen of rente verschuldigd is dit is een toepassingsgeval van artikel 77, lid 2, sub b, van verordening nr. 1408/71. Ingevolge het sub b-i bepaalde bestaat er recht op gezinsbijslagen in het woonland, indien het recht op de bijslagen wordt ontleend aan de wettelijke regeling van deze lidstaat. Ook hier is het recht van de lidstaat bepalend. Wanneer de wetgeving van het woonland niet in een dergelijk recht voorziet, is artikel 77, lid 2, sub b-ii, van toepassing. Deze bepaling voorziet in de subsidiaire bevoegdheid van de lidstaat die een pensioen of rente toekent, naargelang van de geldingsduur van de wettelijke regelingen waaraan de rechthebbenden onderworpen zijn geweest of de in de wettelijke regelingen van de respectieve lidstaten vastgestelde toekenningsvoorwaarden.
67. Ook bij toepassing van deze bepaling blijft de Belgische Staat dus hoe dan ook in beginsel subsidiair bevoegd voor de toekenning van gezinsbijslagen. Bijgevolg kan ook deze bepaling dienen ter ondersteuning van het betoog van de Belgische regering.
68. Tot slot moet nog worden verwezen naar artikel 17 van verordening nr. 1408/71, dat bij verordening nr. 2195/91 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 is gewijzigd. Deze bepaling bood ook voordien reeds de mogelijkheid om in het belang van personen die een beroepsactiviteit uitoefenen, uitzonderingen op de artikelen 13 tot en met 16 van de verordening vast te stellen. Deze mogelijkheid is bij de genoemde wijzigingsverordening uitgebreid tot bepaalde personen of groepen personen". Artikel 17 biedt aldus ruimte voor een relatieve flexibiliteit om desnoods passend op bepaalde situaties te reageren. Deze uitzonderingsregeling heeft dus ook betrekking op artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71, maar zet deze daardoor niet op de helling. Artikel 17 is dus irrelevant voor de afbakening van het toepassingsgebied van artikel 13, lid 2, sub f.
69. Geconcludeerd moet worden, dat de Commissie niet heeft gepreciseerd, wanneer en onder welke voorwaarden de Belgische wettelijke regeling ophoudt van toepassing te zijn op rechthebbenden op een beroepsziektepensioen naar Belgisch recht. Dit is een essentiële feitelijke voorwaarde van artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71, dat volgens de Commissie is geschonden. Het beroep zou slechts gegrond zijn wanneer de rechthebbenden op een beroepsziektepensioen naar Belgisch recht geen aanspraak zouden kunnen maken op een andere prestatie van de Belgische sociale zekerheid en ook voor het overige niet meer de hoedanigheid van sociaal verzekerde naar Belgisch recht zouden hebben, met als gevolg dat tijdvakken waarin een beroepsziektepensioen is uitgekeerd, in het Belgische socialezekerheidsstelsel niet in aanmerking zouden worden genomen. Enkel onder deze voorwaarden zou moeten worden aangenomen, dat de Belgische wettelijke regeling niet meer op ontvangers van een beroepsziekteverzekering van toepassing is. Met het oog op de rechtszekerheid staat het aan de lidstaat, het tijdstip te bepalen waarop zijn wettelijke regeling ophoudt van toepassing te zijn op de betrokken personen, en de voorwaarden hiervoor overeenkomstig artikel 10 ter van verordening nr. 574/72 vast te stellen. De Commissie heeft niet aangevoerd, dat de Belgische autoriteiten nog na een aldus vastgesteld tijdstip sociale bijdragen over de betrokken beroepsziektepensioenen hebben geheven. Derhalve dient het beroep te worden verworpen.
VI Kosten
70. Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen. Ingevolge artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. Het Koninkrijk der Nederlanden dient dus zijn eigen kosten te dragen.
VII Conclusie
71. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging uitspraak te doen als volgt:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) De Commissie draagt haar eigen kosten en de kosten van het Koninkrijk België.
3) Het Koninkrijk der Nederlanden wordt verwezen in zijn eigen kosten."
Full & Egal Universal Law Academy