Conclusie van de advocaat generaal
1. Met de prejudiciële vraag die de Cour d'appel de Lyon (Frankrijk) heeft gesteld krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG), wordt het Hof gevraagd om uitlegging van artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG), dat kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten verbiedt, in samenhang met artikel 14 van richtlijn 79/112/EG (hierna: richtlijn 79/112") inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame.
I - De feiten van het hoofdgeding
2. De Cour d'appel geeft in zijn arrest aan, dat bij een controle in juni 1996 in de hypermarché Géant (Établissements Casino) te Clermont-Ferrand ambtenaren van de Direction de la concurrence, de la consommation et de la répression des fraudes hebben vastgesteld dat:
- bepaalde dranken, te weten 432 flessen Coca-Cola, 47 flessen cider Merry Down en 22 flessen gemberbier Red Raw niet waren voorzien van Franstalige etiketten, behoudens wat de inhoud en het alcoholvolumegehalte betreft;
- in de reclame flessen van de merken OD (Old Deadly) Pirat en Shock als cider waren gepresenteerd, hoewel zij niet in aanmerking kwamen voor deze benaming, die alleen mag worden gebruikt voor alcoholhoudende dranken op basis van appelen;
- ook op de etiketten op de rekken werden de producten OD Pirat, Snake Bite en Blackadder voorgesteld als cider.
De inspecteurs hebben van hun vaststellingen proces-verbaal opgemaakt.
3. Tijdens zijn verhoor heeft Geffroy, tegen wie een strafrechtelijke procedure is ingesteld, wat betreft het ontbreken van een Franstalige etikettering te zijner verdediging aangevoerd, dat de dranken van het merk Coca-Cola waren gekocht in Groot-Brittannië; dat het om een algemeen bekend product gaat; dat de consument geen hinder kan ondervinden van Engelstalige etiketten, die eenieder gemakkelijk begrijpt; dat er bovendien een bordje stond met de vertaling van deze etiketten, dat één van de klanten waarschijnlijk van het rek heeft geduwd; en dat de leveranciers van cider van het merk Merry Down en van bier van het merk Red Raw bij vergissing niet de Franstalige stickers hadden meegeleverd die waren bestemd om op de dranken te worden aangebracht, hoewel hierom was verzocht.
Over de benaming cider betoogde hij, dat drie producten weliswaar waren voorzien van etiketten waarop zij werden voorgesteld als cider, maar niettemin in de rekken tussen het bier waren terechtgekomen.
4. Bij vonnis van 18 november 1997 heeft het Tribunal de police de Saint-Étienne Geffroy ter zake van het 506 maal plegen van dezelfde overtreding, te weten het bezit voor de verkoop, het verkopen of ten verkoop aanbieden van levensmiddelen voorzien van misleidende etikettering, veroordeeld tot betaling van 501 maal een geldboete van 50 FRF en 5 maal een geldboete van 2 000 FRF, en heeft het de SNC Casino France burgerlijk aansprakelijk verklaard.
Geffroy, de vennootschap Casino en het Openbaar Ministerie zijn tegen dit vonnis in beroep gegaan bij de Cour d'appel de Lyon.
II - De prejudiciële vraag
5. Teneinde tot een oplossing in het onderhavige geschil te komen, heeft de Cour d'appel de Lyon de procedure geschorst en het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag verzocht:
om uitlegging van het Verdrag, meer bepaald over de vraag of de bepalingen van artikel 30 van het Verdrag in samenhang met die van artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als die van decreet nr. 84-1147 van 7 december 1984 ter uitvoering van de destijds geldende wet van 1 augustus 1905, zoals gewijzigd bij de artikelen L. 213-1 en volgende van de Code de la consommation".
III - Het gemeenschapsrecht
6. De verwijzende rechter verzoekt het Hof om uitlegging van artikel 30 van het Verdrag, dat het volgende bepaalt:
Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn, onverminderd de volgende bepalingen, tussen de lidstaten verboden."
7. Tevens wordt verzocht om uitlegging van artikel 14 van richtlijn 79/112:
De lidstaten onthouden zich ervan om op andere dan de in de artikelen 3 tot en met 11 bepaalde wijze vast te stellen hoe de in artikel 3 en in artikel 4, lid 2, bedoelde vermeldingen moeten worden aangebracht.
De lidstaten dragen er echter zorg voor, op hun grondgebied de handel te verbieden in levensmiddelen indien de in artikel 3 en in artikel 4, lid 2, bedoelde vermeldingen er niet op voorkomen in een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, tenzij de koper door andere maatregelen wordt ingelicht. Deze bepaling staat het voorkomen van genoemde vermeldingen in meer dan één taal niet in de weg."
8. Bij de uitlegging van deze twee bepalingen dient het Hof eveneens rekening te houden met de volgende artikelen van voornoemde richtlijn:
Artikel 2
1. De etikettering en de wijze waarop deze is uitgevoerd:
a) mogen de koper niet kunnen misleiden, onder meer:
i) ten aanzien van de kenmerken van het levensmiddel, en met name van de aard, identiteit, hoedanigheden, samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid, oorsprong of herkomst, wijze van vervaardiging of verkrijging,
(...)"
Artikel 3
1. Op de etikettering van levensmiddelen moeten, onder de voorwaarden en onder voorbehoud van de afwijkende bepalingen als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 14, uitsluitend de volgende gegevens worden vermeld:
1) de benaming waaronder het product wordt verkocht;
2) de lijst van ingrediënten;
3) bij voorverpakte levensmiddelen: de nettohoeveelheid;
4) de datum van minimale houdbaarheid, of, bij uit microbiologisch oogpunt zeer bederfelijke levensmiddelen, de uiterste consumptiedatum;
5) de bijzondere bewaarvoorschriften en gebruiksvoorwaarden;
6) de naam of de handelsnaam en het adres van de fabrikant of van de verpakker of van een in de Gemeenschap gevestigde verkoper;
(...)
7) de plaats van oorsprong of herkomst indien het weglaten daarvan de consument zou kunnen misleiden in verband met de werkelijke oorsprong of herkomst van het levensmiddel;
8) een gebruiksaanwijzing, indien het levensmiddel zonder gebruiksaanwijzing niet behoorlijk kan worden gebruikt;
9) voor dranken met een alcohol-volumegehalte van meer dan 1,2 %: het effectieve alcohol-volumegehalte.
(...)"
IV - De Franse wetgeving
9. Artikel R. 112-7 van de Code de la consommation bepaalt, voor zover hier van belang, dat de etikettering en de wijze waarop deze is uitgevoerd, de koper of de verbruiker niet mogen kunnen misleiden onder meer ten aanzien van de kenmerken van het levensmiddel en in het bijzonder de aard, identiteit, hoedanigheden, samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid, conservering, oorsprong of herkomst, wijze van vervaardiging of verkrijging. Dit artikel van de Code de la consommation correspondeert met artikel 3 van decreet nr. 84-1147 van 7 december 1984 houdende toepassing van de wet van 1 augustus 1905 inzake fraude en vervalsing op het gebied van producten of diensten wat de etikettering en presentatie van levensmiddelen betreft, dat in voormelde Code is opgenomen.
10. Overeenkomstig artikel R. 112-8 van de Code de la consommation (overeenkomend met artikel 4 van decreet nr. 84-1147) dienen alle vermeldingen op de etikettering gemakkelijk te begrijpen te zijn en te worden gesteld in de Franse taal, zonder andere afkortingen dan die welke zijn voorgeschreven door de internationale reglementering of overeenkomsten. De vermeldingen moeten op een duidelijk zichtbare plaats en in duidelijk leesbare en onuitwisbare letters zijn aangebracht. Zij mogen in geen geval verborgen, bedekt of gescheiden zijn door andere aanduidingen of afbeeldingen.
V - De procedure voor het Hof
11. Door de verdachte in de nationale strafrechtelijke procedure, de Franse en de Oostenrijkse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk, alsmede de Commissie zijn schriftelijke opmerkingen ingediend binnen de termijn bepaald in artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG.
Ter terechtzitting van 20 oktober 1999 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door Geffroy en Casino, de Franse regering alsmede de Commissie.
VI - Onderzoek van de gestelde vragen
12. De formulering van de vraag van de nationale rechter over de uitlegging van artikel 30 van het Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112 blinkt niet uit in duidelijkheid.
13. Desalniettemin kan uit het dossier worden afgeleid, dat Geffroy in de strafrechtelijke procedure in Frankrijk wordt vervolgd wegens overtreding van de artikelen 3 en 4 van decreet nr. 84-1147 van 7 december 1984, die deel uitmaken van de Code de la consommation. Eerstgenoemd artikel bepaalt, dat de etikettering de consument niet mag misleiden omtrent, onder meer, de kenmerken en de aard van het product; het tweede artikel bepaalt dat alle vermeldingen op de etikettering gemakkelijk te begrijpen moeten zijn en in de Franse taal moeten zijn gesteld.
14. Ik leid hieruit af, dat de twee bepalingen van gemeenschapsrecht waarvan de uitlegging is gevraagd, toegepast moeten worden op een geval dat ten behoeve van onze beoordeling in twee afzonderlijke delen dient te worden gesplitst: de taalvereisten die de lidstaten mogen stellen met betrekking tot de etikettering van levensmiddelen afkomstig uit andere lidstaten en bestemd voor verhandeling op hun grondgebied, en het voorschrift dat de etikettering de koper niet mag misleiden.
Ik zal hierna beide onderdelen in deze volgorde bespreken.
A - De taalvereisten
15. Zowel de verdachte in de strafrechtelijke procedure als de Oostenrijkse regering en de Commissie menen dat de Franse wetgeving verder gaat dan hetgeen artikel 14 van richtlijn 79/112 toestaat, door te verlangen dat de etikettering van levensmiddelen is gesteld in het Frans, zonder een alternatief open te laten. De Franse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk stellen daarentegen, dat de communautaire voorschriften zich niet ertegen verzetten dat de lidstaten verlangen dat de vermeldingen op de etikettering worden gesteld in de taal van het land waarin het product wordt verhandeld, aangezien de taal die voor de koper het gemakkelijkst te begrijpen is, de taal is van het land waarin het product wordt verkocht.
16. Wegens de verschillen die bestonden tussen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de etikettering van levensmiddelen, die het vrije verkeer van die producten belemmerden en konden leiden tot ongelijke concurrentievoorwaarden, stelde de Raad eind 1978 richtlijn 79/112 vast om te komen tot een onderlinge aanpassing van de wetgevingen ter bevordering van een goede werking van de gemeenschappelijke markt. De communautaire wetgever stelde in de considerans, dat bij iedere vorm van reglementering op het gebied van de etikettering van levensmiddelen in de eerste plaats dient te worden uitgegaan van de noodzaak de consumenten voor te lichten en te beschermen.
17. Daartoe bepaalt artikel 14, tweede alinea, van richtlijn 79/112: De lidstaten dragen er echter zorg voor, op hun grondgebied de handel te verbieden in levensmiddelen indien de in artikel 3 en in artikel 4, lid 2, bedoelde vermeldingen er niet op voorkomen in een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, tenzij de koper door andere maatregelen wordt ingelicht. Deze bepaling staat het voorkomen van genoemde vermeldingen in meer dan één taal niet in de weg."
18. Op de lidstaten rust derhalve de verplichting om die producten uit de handel te weren, waarvan de etikettering niet gemakkelijk te begrijpen is voor de koper, zonder dat echter het gebruik van een bepaalde taal wordt voorgeschreven.
Om de betekenis van deze bepaling te doorgronden, moeten wij kijken naar de uitlegging die het Hof daaraan heeft gegeven in zijn rechtspraak. Het is niet voor het eerst dat een nationale rechter het Hof om uitlegging verzoekt van artikel 14 van richtlijn 79/112. Er bestaat zelfs een duidelijke rechtspraak met betrekking tot de grenzen die het gemeenschapsrecht de lidstaten stelt bij de regeling van de taalvereisten voor de handel op hun grondgebied van levensmiddelen die afkomstig zijn uit andere lidstaten.
19. In 1991 sprak het Hof zich uit over artikel 14 van richtlijn 79/112 op verzoek van een Belgische rechter die de nationale uitvoeringsregeling van de richtlijn moest toepassen. Volgens die regeling moesten de voorgeschreven vermeldingen op de etiketten ten minste gesteld zijn in de taal of talen van het taalgebied waarin de levensmiddelen werden verkocht. De prejudiciële vraag was gerezen in een geding tussen verschillende ondernemingen die mineraalwater in België invoerden en distribueerden, en de vennootschap Peeters. Deze ondernemingen achtten zich benadeeld door de handelwijze van de in het Vlaamse taalgebied gevestigde Peeters en klaagden in de procedure voor de nationale rechter, dat de etikettering van de ten verkoop aangeboden flessen mineraalwater slechts in de Franse en Duitse taal was gesteld, hoewel de vermeldingen in dat gebied volgens de Belgische regeling in het Nederlands gesteld moesten worden.
20. In zijn arrest heeft het Hof uitgemaakt, dat artikel 14 bij een letterlijke uitlegging zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling die ter informatie van de verbruiker enkel het gebruik toelaat van de taal of de talen van het taalgebied waar de producten worden verkocht, aangezien een dergelijke regel de koper in staat stelt de vermeldingen op het product gemakkelijk te begrijpen. De taal van het taalgebied is immers die welke daar het gemakkelijkst zal worden begrepen. Deze uitlegging van artikel 14, aldus het Hof verder, heeft echter geen oog voor het doel van de richtlijn die immers met name is gericht op het opheffen van de verschillen die tussen de nationale bepalingen bestaan en die het vrije verkeer van producten belemmeren. Met het oog daarop verlangt artikel 14 enkel een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal. Volgens dit artikel kan, wanneer de relevante vermeldingen niet in een gemakkelijk te begrijpen taal zijn aangebracht, de binnenkomst van levensmiddelen op het grondgebied van een lidstaat voorts worden toegestaan indien de koper door andere maatregelen wordt ingelicht".
Het Hof oordeelde dat de verplichting om uitsluitend de taal van het taalgebied te gebruiken, een bij artikel 30 van het Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormde. Derhalve luidde het stellige antwoord, dat artikel 30 van het Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112 eraan in de weg staan, dat een nationale regeling het uitsluitend gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen voorschrijft, zonder de mogelijkheid open te laten dat een andere voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal wordt gebruikt of dat de koper door andere maatregelen wordt ingelicht.
21. Dit antwoord was echter niet duidelijk genoeg voor de Belgische rechter bij wie verzoeksters in het hoofdgeding hoger beroep instelden, zodat het Hof drie nieuwe prejudiciële vragen kreeg voorgelegd waarmee in wezen werd verzocht om verduidelijking van het arrest van 1991. In het verwijzigingsarrest benadrukte de Belgische rechter, dat de nationale wetgeving niet het gebruik van een andere gemakkelijk te begrijpen taal verbiedt, maar enkel voorschrijft dat de verplichte vermeldingen ten minste gesteld zijn in de taal of talen van het taalgebied waar de levensmiddelen worden verhandeld. Bijgevolg is, naast het verplichte gebruik van de taal van het taalgebied, tevens het gelijktijdige gebruik van andere talen toegestaan.
22. In zijn tweede arrest Piageme preciseerde het Hof dat de in artikel 14 van de richtlijn gebezigde uitdrukking gemakkelijk te begrijpen taal" niet hetzelfde betekent als officiële taal van de lidstaat", of taal van het taalgebied". Er wordt veeleer mee gedoeld op de informatievoorziening van de consument dan op het voorschrijven van een bepaalde taal. Vervolgens heeft het het gebruik van een gemakkelijk te begrijpen taal" als voorgeschreven in richtlijn 79/112 inzake de etikettering van levensmiddelen, vergeleken met de strengere eis van andere communautaire regels als richtlijn 92/27/EEG betreffende de etikettering en de bijsluiter van geneesmiddelen voor menselijk gebruik, die in artikel 8 uitdrukkelijk het gebruik voorschrijft van de officiële taal of talen van de lidstaat op wiens grondgebied de producten in de handel worden gebracht.
23. Ter verduidelijking van zijn eerdere arrest heeft het Hof erop gewezen dat de eis om een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen te gebruiken, strenger is dan de verplichting om een gemakkelijk te begrijpen taal te gebruiken, ook wanneer het gelijktijdige gebruik van een andere taal niet wordt uitgesloten, en dat noch artikel 128 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 151 EG) betreffende cultuur, noch artikel 129 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 153 EG) aangaande de bescherming van consumenten, een lidstaat toestaat een strengere regeling in te voeren dan die voorzien in de richtlijn.
Het concrete antwoord, voor zover hier van belang, luidde dat artikel 14 van richtlijn 79/112 eraan in de weg staat dat een lidstaat, gelet op het vereiste van een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, het gebruik van de taal verplicht stelt die overwegend wordt gesproken in het gebied waar het product te koop wordt aangeboden, ook al wordt het gelijktijdig gebruik van een andere taal niet uitgesloten.
24. Meer recent oordeelde het Hof in een arrest van 1998, dat artikel 14 van richtlijn 79/112 zich niet verzet tegen een nationale regeling die, wat de taalvereisten betreft, het gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen voorschrijft, maar tevens als alternatief het gebruik van een andere voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal toestaat. In tegenstelling tot de nationale regelingen die in de twee voorgaande zaken van toepassing waren, voorzag de Duitse wet, die weliswaar een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen verplicht stelde, tevens in de mogelijkheid van het gebruik van een andere voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, en stelde dus geen strengere eis dan het gebruik van een gemakkelijk te begrijpen taal.
25. In alle zaken die in dit verband aan het Hof zijn voorgelegd, luidde de conclusie dat artikel 14 van richtlijn 79/112 zich verzet tegen een nationale regeling die het gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen verplicht stelt, ook wanneer in voorkomend geval het aanvullend gebruik van een andere taal wordt toegestaan. Ik meen dat dit artikel zich a fortiori verzet tegen een regeling als de Franse, die verder gaat dan de voorschriften van de richtlijn door te bepalen dat alle vermeldingen op de etikettering in de Franse taal gesteld dienen te zijn, zonder de mogelijkheid open te laten dat een andere voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal wordt gebruikt of dat de koper via andere maatregelen wordt ingelicht.
Bovendien heeft het Hof in het arrest Piageme I uitgemaakt dat de verplichting om uitsluitend de taal van een taalgebied te gebruiken, dat in het concrete geval samenviel met het grondgebied van de betrokken lidstaat, een bij artikel 30 van het Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormt.
26. Tot slot noem ik richtlijn 97/4/EG waarbij verschillende bepalingen van richtlijn 79/112, ook artikel 14, zijn gewijzigd en die is aangehaald door de meesten van degenen die in deze procedure opmerkingen hebben ingediend; uitlegging van die richtlijn is echter niet aan de orde, daar zij niet van toepassing is op het hoofdgeding. Blijkens het dossier hebben de ten laste gelegde feiten plaatsgevonden in juni 1996 en op dat moment was die richtlijn zelfs nog niet vastgesteld.
27. Mijns inziens moet het antwoord op dit onderdeel van de prejudiciële vraag dan ook zijn, dat artikel 30 van het Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112 zich verzetten tegen een nationale regeling die het uitsluitende gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen voorschrijft, zonder de mogelijkheid open te laten dat een andere voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal wordt gebruikt of dat de koper via andere maatregelen wordt ingelicht.
B - De eis dat de etikettering de koper niet mag misleiden
28. Ook ten aanzien van dit vereiste zijn de meningen blijkens de ingediende opmerkingen verdeeld.
29. De verdachte, de Oostenrijkse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk, die aangeeft dat ten minste één van de dranken die in het verwijzingsarrest worden genoemd (Shock" genaamd) op haar grondgebied rechtmatig als cider wordt vervaardigd en verhandeld, betogen dat zowel artikel 30 van het Verdrag als artikel 14 van richtlijn 79/112 zich ertegen verzetten dat een lidstaat op zijn grondgebied de verkoop van cider die in een andere lidstaat rechtmatig is geproduceerd en verhandeld, beperkt of verbiedt op grond van het feit dat deze niet voldoet aan de omschrijving van het product in de nationale wetgeving.
30. De Commissie stelt zich daarentegen op het standpunt, dat artikel 30 van het Verdrag zich niet verzet tegen een nationale regeling die in algemene zin bepaalt dat de etikettering en de wijze waarop deze is uitgevoerd, de koper of consument niet mogen kunnen misleiden, met name ten aanzien van de kenmerken van het levensmiddel.
31. De Franse regering voert aan, dat de overtreding die de verdachte ten laste wordt gelegd, bestaat uit het verspreiden van misleidende reclame, daar de etikettering van de Britse ciders niet overeenkwam met de presentatie van deze producten in de door Casino verspreide reclamefolders. De inspecteurs hebben nimmer geëist dat de aanduiding op de etiketten van de Britse ciders werd aangepast omdat de samenstelling niet zou overeenkomen met de omschrijving van het product in de Franse regeling ter zake.
Zij voegt daaraan toe, dat met de verschillen tussen de Franse en de Britse regeling aangaande de vervaardiging van cider reeds rekening is gehouden in een overeenkomst die in 1993 tussen de voornaamste vertegenwoordigers van de Britse en Franse ciderproducenten is gesloten met betrekking tot de etikettering van Britse ciders. Deze overeenkomst die, zo bevestigde de vertegenwoordigster van de Franse regering ter terechtzitting, door een ruime meerderheid van de ciderproducenten in het Verenigd Koninkrijk wordt nageleefd, bepaalt dat Britse ciders worden aangeduid als cider(s)" met daarnaast de vermelding boisson alcoolisée à base de pommes" (alcoholhoudende drank op basis van appels).
Zij geeft verder aan, dat de meerderheid van de dranken in het onderhavige geval van deze aanduidingen was voorzien en dat het door de inspectie opgemaakte proces-verbaal geen verplichting inhield om de benaming van de producten te wijzigen.
32. Uit het verwijzingsarrest kan niet eenvoudig worden afgeleid, wat Geffroy precies wordt verweten en wat het feitelijk en juridisch kader is waarop het gemeenschapsrecht moet worden toegepast.
33. Dat dit de zaak heeft gecompliceerd, blijkt wel uit het volgende. De Franse regering stelt, dat de verdachte bedrieglijke reclame heeft verspreid die de koper kon misleiden. De Oostenrijkse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk menen dat hem wordt verweten, onder de naam cidre" dranken op basis van appels ten verkoop te hebben aangeboden, die in een andere lidstaat rechtmatig zijn vervaardigd en als cider" in de handel zijn gebracht, maar waarvan de samenstelling niet voldoet aan de eisen die daaraan door de Franse wetgeving betreffende de vervaardiging van cider worden gesteld. De Commissie, ten slotte, is zich bewust van de onnauwkeurigheid van het verwijzingsarrest en geeft in zijn schriftelijke opmerkingen in overweging om ter vereenvoudiging van de taak van de nationale rechter een zo ruim mogelijk antwoord te formuleren, dat hem de noodzakelijke elementen verschaft om zich te kunnen uitspreken over de beperkingen met betrekking tot het gebruik van de aanduiding cidre" volgens de Franse regeling, een standpunt waarvan zij overigens ter terechtzitting is teruggekomen.
34. Dat de verwarring in feite nog groter was, is in de loop van de zitting gebleken. De vertegenwoordiger van Geffroy en Casino, heeft onder verwijzing naar stukken als de verspreide folders en het vonnis van het Tribunal de Police de Saint-Étienne, die als bijlage waren opgenomen bij zijn schriftelijke opmerkingen, maar waarvan de inhoud de Franse regering en de Commissie niet bekend was, betoogd dat zijn opdrachtgever worden vervolgd voor het in Frankrijk in de handel brengen van uit een andere lidstaat ingevoerde en aldaar rechtmatig geproduceerde en verhandelde cider, omdat deze niet voldoet aan de Franse regeling betreffende de productie en samenstelling van cider.
Anderzijds vermeldt de verwijzende rechter dat de verdachte met betrekking tot de benaming cider als verweer aanvoert, dat, ofschoon drie producten op de etiketten als cider waren aangeduid, deze in het voor bier bestemde rek te koop werden aangeboden.
35. Op de fotokopie van de reclamefolder die is gevoegd bij de opmerkingen van Geffroy, is te zien dat de dranken genaamd Blackadder, OD Pirat, Snake Bite, Strongbow Ice, Merry Down en Shock gezamenlijk worden aangeduid als Les Ciders", met daarachter een sterretje dat verwijst naar een toelichting onderaan de bladzijde, namelijk Boissons alcoolisées à base de pomme". Sommige van deze dranken worden in de folder omschreven als Britse cider (OD Pirat, Merry Down en Shock), terwijl andere worden aangeduid als mengdranken van bier, cider en zwarte bessensiroop (Blackadder) of van bier en cider (zoals, bijvoorbeeld, Snake Bite).
Ik wil hieraan toevoegen dat geen van de ter zitting aanwezige raadslieden mij, zelfs niet bij benadering, kon vertellen wat de verhouding was van de producten in de mixdranken. Het verbaast mij dat, zoals ter terechtzitting is gebleken, dit aspect evenmin aan de orde is gesteld door het Tribunal de police de Saint-Étienne, dat Geffroy een geldboete heeft opgelegd.
36. Volgens vaste rechtspraak dienen de in een verwijzingsbeslissing verstrekte gegevens niet enkel om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, doch ook om de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden, overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG opmerkingen te maken. Het Hof dient erop toe te zien, dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat ingevolge genoemde bepaling alleen de verwijzingsbeslissingen ter kennis van de belanghebbende partijen worden gebracht.
37. Het staat vast dat het Hof in het geval van verzoeken die onnauwkeurig zijn geformuleerd, bevoegd is om uit alle door de verwijzende rechter verstrekte gegevens en de stukken van het hoofdgeding die elementen van gemeenschapsrecht af te leiden, die uitlegging behoeven gezien het voorwerp van het geschil.
38. Naar mijn mening heeft de verwijzende rechter in casu echter niet het juridisch kader aangegeven waarbinnen de gevraagde uitlegging moet worden toegepast - hij verwijst enkel naar de nationale regeling inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen, en onduidelijk is of die regeling het in de handel brengen van in een andere lidstaat rechtmatig geproduceerde en verhandelde dranken op basis van appels in Frankrijk onder de benaming cider al dan niet verbiedt.
39. Daarom acht ik het niet wenselijk de vraag te herformuleren teneinde de nationale rechter een vollediger antwoord te geven. Ik zal derhalve, in tegenstelling tot hetgeen ik vóór de terechtzitting had besloten, niet ingaan op de beperkingen die voor het gebruik van de benaming cidre" kunnen voortvloeien uit decreet nr. 53-978 van 30 september 1953 betreffende de productie en de verhandeling van cider-, peren- en soortgelijke dranken, om de eenvoudige reden dat mij niet bekend is of er een verband is met de gedraging die de verdachte in het hoofdgeding wordt verweten. Ik geef het Hof bijgevolg in overweging, zijn antwoord te beperken tot de prejudiciële vraag zoals die is gesteld.
40. Blijkens het verwijzingsarrest betreft de nationale bepaling die de verdachte geschonden zou hebben, artikel 3 van decreet nr. 84-1147, waarvan de eerste alinea bijna letterlijk overeenkomt met artikel 2, lid 1, van richtlijn 79/112. Volgens de Franse regeling mag de etikettering en de wijze waarop deze is uitgevoerd niet van dien aard zijn, dat zij de koper of verbruiker kan misleiden ten aanzien van onder meer de kenmerken van het levensmiddel en met name de aard, identiteit, hoedanigheden, samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid, conservering, oorsprong of herkomst, en wijze van vervaardiging of verkrijging.
41. Met de Commissie ben ik van mening dat een dergelijke bepaling, aangenomen dat daardoor het vrije verkeer van goederen zou kunnen worden belemmerd, slechts de noodzaak weerspiegelt om de consument en de eerlijkheid van de handelstransacties te beschermen, en op grond van die dwingende eisen gerechtvaardigd zou zijn.
Het Hof heeft eerder uitgemaakt, dat het bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling voor de productie en de verhandeling van een product, aan de lidstaten is om, ieder op zijn grondgebied, een regeling te treffen voor al hetgeen de productie, distributie en de consumptie daarvan raakt, met dien verstande evenwel dat deze regeling de intracommunautaire handel niet al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, mag belemmeren. Belemmeringen van het intracommunautaire verkeer als gevolg van dispariteiten tussen de nationale wettelijke regelingen moeten worden aanvaard, voor zover een dergelijke regeling zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde producten en haar rechtvaardiging vindt in dwingende eisen verband houdende met onder meer de bescherming van de volksgezondheid, de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consumenten.
42. Het gemeenschapsrecht kent geen gemeenschappelijke regeling op het gebied van de productie en verhandeling van de verschillende soorten cider, en artikel 3 van decreet nr. 84-1147 is niets anders dan een herhaling van één van de bepalingen van richtlijn 79/112, die juist de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten beoogt inzake de etikettering van levensmiddelen ter bevordering van de interne markt, daarbij vooral rekening houdend met de eis van bescherming en voorlichting van de consumenten.
43. Om de genoemde redenen stel ik het Hof voor, de verwijzende rechter te antwoorden dat artikel 30 van het Verdrag zich niet verzet tegen een nationale regeling als artikel 3 van decreet nr. 84-1147, dat voorschrijft dat de etikettering en de wijze waarop deze is uitgevoerd de koper of verbruiker niet mogen misleiden ten aanzien van onder meer de kenmerken van het levensmiddel.
VII - Conclusie
44. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging op de prejudiciële vragen van de Cour d'appel de Lyon te antwoorden als volgt:
1) Artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) en artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, verzetten zich tegen een nationale wettelijke regeling die het uitsluitende gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen verplicht stelt, zonder de mogelijkheid open te laten dat een andere voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal wordt gebruikt of dat de koper op andere wijze wordt geïnformeerd.
2) Artikel 30 van het Verdrag verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling als artikel 3 van decreet nr. 84-1147, volgens hetwelk de etiketten en de wijze waarop zij worden aangebracht, de koper of de consumenten niet mogen misleiden ten aanzien van onder meer de kenmerken van het levensmiddel."
Full & Egal Universal Law Academy