Conclusie van de advocaat generaal
1. Bij verzoekschrift, op 21 oktober 1998 ingediend krachtens artikel 93, lid 2, tweede alinea, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, tweede alinea, EG), heeft de Commissie het Hof verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten ingevolge beschikking 97/239/EG van de Commissie van 4 december 1996 betreffende steunmaatregelen van de Belgische regering in het kader van de Maribel bis/ter-regeling (hierna: beschikking").
2. Meer in het bijzonder verwijt de Commissie het Koninkrijk België, dat dit niet binnen de gestelde termijn de maatregelen heeft getroffen die noodzakelijk zijn om de in het kader van bedoelde regeling onwettig verleende steun van de ontvangende ondernemingen terug te vorderen. Daardoor heeft België niet voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten ingevolge artikel 189, vierde alinea, EG-Verdrag (thans artikel 249, vierde alinea, EG) en de artikelen 2 en 3 van de beschikking.
Feiten en procesverloop
3. Luidens de beschikking had de Belgische overheid in 1981 een wettelijke regeling houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers" ingevoerd, ingevolge welke werkgevers die handarbeiders [zouden] tewerkstellen voor elk van deze werknemers een vermindering van de socialezekerheidsbijdragen [zouden] genieten" (zogenaamde Maribel-regeling). Vermeld wordt, dat gelet op de algemene strekking en automatische toepassing ervan [...] deze regeling niet (werd) beschouwd als een onder artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag vallende steunmaatregel". Tussen 1993 en 1994 onderging de maatregel een aantal wijzigingen teneinde de verminderingen van de bijdragen voor de ondernemingen die het meest aan de internationale concurrentie waren blootgesteld, te verhogen (Maribel bis/ter").
4. Van de invoering van deze verhoogde verminderingen werd de Commissie in kennis gesteld door enkele ondernemingen, die meenden dat sprake was van met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun. Na een eerste beoordeling leidde de Commissie daarop, na de belanghebbenden te hebben gehoord, de procedure van artikel 93, lid 2, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, EG) in teneinde de omstreden maatregelen diepgaander te onderzoeken.
5. Die procedure mondde uit in de vaststelling van de beschikking van 4 december 1996. Daarin verklaarde de Commissie, dat de betrokken maatregelen een onrechtmatige vorm van staatssteun vormden, daar zij waren ingevoerd zonder voorafgaande mededeling aan de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG). De Commissie achtte de maatregelen bovendien onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt ingevolge artikel 92, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 87, lid 1, EG), daar de uitzonderingsbepalingen van artikel 92, leden 2 en 3, niet van toepassing waren (artikel 1 van de beschikking). Derhalve werd het Koninkrijk België gelast, passende maatregelen te nemen om de verhoogde verminderingen van de sociale bijdragen [...] zoals bedoeld in artikel 1, ongedaan te maken" en de illegaal verleende steun van de ontvangende ondernemingen terug te vorderen". De terugvordering diende volgens de procedures en bepalingen van de Belgische wet te geschieden, met inbegrip van rente tot aan de datum van daadwerkelijke terugbetaling, te rekenen vanaf de datum van steunverlening, tegen een rentevoet gelijk aan de procentwaarde op die datum van de referentievoet voor de berekening van het nettosubsidie-equivalent van de regionale steun in België (artikel 2). Ingevolge artikel 3 diende België de Commissie uiterlijk twee maanden na de datum van kennisgeving van deze beschikking op de hoogte te stellen van de maatregelen die het had getroffen om hieraan te voldoen (artikel 3).
6. De beschikking werd op 20 december 1996 aan de Belgische autoriteiten betekend. Zij werd door het Koninkrijk België tijdig aangevochten bij beroep van 19 februari 1997 (zaak C-75/97), maar de tenuitvoerlegging ervan werd niet krachtens artikel 185 EG-Verdrag (thans artikel 242 EG) opgeschort. Voorzover hier van belang, zij opgemerkt dat één van de in het beroep aangevoerde middelen was ontleend aan de absolute onmogelijkheid om de Maribel bis/ter-steun terug te vorderen.
7. Terwijl het beroep voor het Hof aanhangig was, deelde de Belgische regering de Commissie op 5 maart 1997 mee, dat zij de regeling van verminderde bijdragen Maribel bis/ter zou wijzigen door de invoering van een nieuw systeem (Maribel quater") teneinde aan de selectieve aard van de door de Commissie bestreden regeling een einde te maken. Bij brief van 15 april 1997 keurde de Commissie deze regeling uitdrukkelijk goed door haar aan te merken als een algemene maatregel die als zodanig buiten het toepassingsgebied van artikel 92, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 87, lid 1, EG) valt. De Commissie sloot zich daarmee aan bij het standpunt van de Belgische autoriteiten, dat de invoering van de Maribel quater-regeling een einde maakte aan de in de beschikking veroordeelde steunregeling.
8. Daarentegen werd niets overeengekomen omtrent de terugvordering van de inmiddels in het kader van Maribel bis/ter toegekende steun. Deze niet-terugvordering vormde de aanleiding tot het onderhavige geschil. De standpunten van partijen, uiteengezet in het kader van een reeks bijeenkomsten van de Belgische autoriteiten en de diensten van de Commissie alsook in een uitvoerige briefwisseling, kunnen kort worden samengevat als volgt.
9. De Belgische autoriteiten voerden aan, dat de precieze berekening van het van iedere onderneming terug te vorderen bedrag ten gevolge van een aantal omstandigheden uiterst moeilijk was. Daartoe wezen zij onder meer op de opheffing of het faillissement van sommige ondernemingen; de verwarring tussen de Maribel bis en ter-verlagingen; de inaanmerkingneming van de diverse vormen van financiering waarop de ondernemingen recht zouden hebben gehad indien zij niet voor de bestreden verminderingen in aanmerking waren gekomen; de boekhoudkundige problemen in verband met de eventuele aftrek van het terug te betalen bedrag van de nieuwe Maribel quater-verminderingen; het grote aantal begunstigde ondernemingen, waarvoor de verminderingen van kwartaal tot kwartaal aan de hand van het aantal tewerkgestelde arbeiders zouden moeten worden berekend; en ten slotte de hoge kosten en de ondraaglijke werklast die een dergelijke operatie zou meebrengen voor de bevoegde instanties. Om die moeilijkheden te overwinnen, meenden de Belgische autoriteiten te moeten overgaan tot een forfaitaire berekening van het bedrag van de terug te vorderen steun, zonder dat zij dienaangaande evenwel concrete aanwijzingen verschaften. Zij gaven wel te kennen, dat ondernemingen met minder dan vijftig werknemers ingevolge de de-minimisregel niet tot terugbetaling verplicht zouden zijn.
10. De Commissie was in beginsel niet gekant tegen toepassing van de de minimis-regel en eventuele verrekening van terug te betalen bedragen met de nieuwe Maribel quater-verminderingen. Zij verzocht de Belgische autoriteiten evenwel diverse malen, een concreet voorstel betreffende de terugvordering van de betrokken steun te doen. Inzonderheid voerde zij aan, dat de voorgestelde forfaitaire berekening van de terug te vorderen bedragen uiterst vaag was, en sloot zij iedere berekening uit waarbij het bedrag van de bijdrageverminderingen waarvoor de diverse ondernemingen daadwerkelijk in aanmerking waren gekomen, buiten beschouwing zou worden gelaten.
11. Vermeld moet worden, dat de onderhandelingen over de uitvoering van de beschikking maanden duurden, en dat de Belgische autoriteiten al die tijd geen enkele poging deden de omstreden steun terug te vorderen en geen concreet voorstel deden om de moeilijkheden die zij bij de berekening van de steun beweerden te ondervinden, te overwinnen. Zij gaven juist meerdere keren hun onzekerheid te kennen, door bijvoorbeeld in een brief van 10 april 1998 bepaalde door de Commissie voorheen voorgestelde en aanvaarde berekeningsmodellen als zuiver theoretisch en onbruikbaar aan te merken.
12. Teneinde deze situatie te deblokkeren, verzocht de Commissie de Belgische autoriteiten in twee brieven van respectievelijk 10 maart en 4 mei 1998, op korte termijn (respectievelijk binnen 20 en 15 werkdagen) concrete voorstellen te doen over de terugvordering van de steun. In beide brieven werd erop gewezen, dat indien de Commissie niet binnen de gestelde termijnen dergelijke voorstellen had ontvangen, zij gedwongen zou zijn de niet-uitvoering van de beschikking aanhangig te maken bij het Hof.
13. Daar zij geen genoegen kon nemen met de antwoorden van de Belgische regering op haar verzoeken, heeft de Commissie besloten het onderhavige beroep in te stellen. Daarin verwijt zij het Koninkrijk België: (a) niet volledig te hebben voldaan aan de verplichting tot loyale samenwerking bedoeld in artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) teneinde, in overleg met de Commissie, een bevredigende oplossing te vinden voor de terugvordering van de Maribel bis/ter-steun; (b) geen stappen te hebben ondernomen om te trachten die steun van de begunstigde ondernemingen terug te vorderen; en (c) geen alternatieve oplossingen ter uitvoering van de beschikking te hebben voorgesteld teneinde de moeilijkheden in verband met de terugvordering van de steun te overwinnen.
14. Het Koninkrijk België heeft geantwoord bij verweerschrift van 4 februari 1999, waarin het betoogt de nodige stappen te hebben ondernomen om de betrokken steun terug te vorderen, maar onoverkomelijke moeilijkheden te hebben ondervonden bij de precieze berekening - per trimester - van de bijdrageverminderingen waarvoor de diverse ondernemingen in aanmerking waren gekomen. Volgens de Belgische autoriteiten zouden die moeilijkheden enkel door een forfaitaire berekening van de terug te vorderen bedragen kunnen worden overwonnen, welke oplossing door de Commissie evenwel van de hand was gewezen. In haar verweerschrift betwist de Belgische regering bovendien, niet constructief te hebben samengewerkt teneinde een passende oplossing voor het probleem van de terugvordering te vinden, en beklemtoont zij dat de verplichting tot loyale samenwerking de communautaire instellingen evenzeer bindt als de lidstaten. Ten slotte betoogt de Belgische regering, dat zij bij gebreke van een algemene oplossing van het onderhavige probleem niet jegens slechts sommige begunstigde ondernemingen kan optreden zonder het beginsel van gelijke behandeling te schenden.
15. Deze vragen vormen het voorwerp van het onderhavige geschil en zullen hierna aan een juridische analyse worden onderworpen. Volledigheidshalve wil ik er echter op wijzen, dat partijen na de aanhangigmaking van het geding zijn blijven onderhandelen over de uitvoering van de beschikking. Zo is in antwoord op een vraag van het Hof te kennen gegeven, dat de Belgische autoriteiten tussen februari en mei 1999 met de Commissie een aantal versies hebben onderzocht en besproken van een ontwerpprotocol" dat die autoriteiten hebben opgesteld om het probleem van de terugvordering van de Maribel bis/ter-steun terug te vorderen.
16. Dat document (in de laatste versie van 19 mei 1999) bevatte in hoofdzaak de volgende maatregelen: (a) de terugvordering zou worden gespreid over drie jaren (van 1 april 2000 tot 1 april 2003), maar zou achterwege blijven in geval van bijdrageverminderingen beneden de de-minimisdrempel; (b) bij de berekening van het terug te vorderen bedrag zou ervan worden uitgegaan, dat de als gevolg van de Maribel bis/ter-verminderingen niet betaalde bijdragen fiscaal aftrekbaar waren: bedoeld bedrag zou derhalve dienovereenkomstig worden verminderd; (c) de vanaf de datum van toekenning van de steun verschuldigde interessen zouden worden berekend op basis van de gemiddelde referentievoet van 6,36 %; (d) de situatie van ondernemingen in moeilijkheden of onderworpen aan een herstructureringsproces zou aan een specifiek onderzoek worden onderworpen; (e) een groot deel van het terug te vorderen bedrag zou opnieuw worden gedistribueerd via een algemene vermindering van de sociale bijdragen en een ander deel zou worden gebruikt binnen de volgens de de-minimisdrempels toelaatbare grenzen.
17. De in dat document voorgestelde methode is in grote lijnen aanvaard door de Commissie, die de Belgische autoriteiten enkel om een aantal preciseringen heeft verzocht. Voorzover hier van belang, zij enkel opgemerkt dat de Belgische regering per brief van 1 juli 1999 te kennen heeft gegeven dat het terug te vorderen bedrag voor iedere onderneming afzonderlijk zou worden vastgesteld afhankelijk van het op het moment van toekenning van de steun daadwerkelijke aantal tewerkgestelde arbeiders.
18. De terugvordering van de Maribel bis/ter-steun is vervolgens geregeld bij wet van 24 december 1999 en is kennelijk in gang gezet; volgens de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens was die steun op 3 november 2000 reeds van drie vierde van de betrokken ondernemingen teruggevorderd. Sommige modaliteiten van die terugvordering zijn evenwel betwist door de Commissie, die de Belgische autoriteiten heeft gewezen op de noodzaak enkele wijzigingen in voornoemde wet aan te brengen. Op dit punt zijn partijen het kennelijk nog niet eens over twee bijzondere aspecten van de wet: de mogelijkheid de de-minimisregel toe te passen door een automatische, algemene aftrek van 100 000 euro van het door iedere onderneming terug te betalen bedrag, alsmede een dubbelzinnigheid voorzover de wet de betrokken ondernemingen een dubbele fiscale aftrek van het terug te betalen bedrag zou toestaan.
19. Tot slot zij eraan herinnerd, dat terwijl de schriftelijke behandeling in de onderhavige zaak nog aan de gang was, het Hof zich heeft uitgesproken over het door de Belgische regering ingestelde beroep tot nietigverklaring van de beschikking (zaak C-75/97). Bij arrest van 17 juni 1999 heeft het Hof dit beroep verworpen en onder meer het middel inzake onwettigheid van een verplichting tot terugvordering waarvan de uitvoering van meet af aan objectief en absoluut onmogelijk is", ongegrond verklaard. Het overweegt daartoe inzonderheid, dat de administratieve en praktische moeilijkheden die het grote aantal betrokken ondernemingen ongetwijfeld zal meebrengen", niet van dien aard zijn, dat de invordering op grond van die moeilijkheden als technisch niet-uitvoerbaar kan worden aangemerkt. Dat de moeilijkheden waarop de Belgische regering heeft gewezen op het ogenblik waarop het bestreden gebod is gegeven, zich ontegenzeglijk zullen voordoen, bewijst immers nog niet dat invordering absoluut onmogelijk is en dat deze absolute onmogelijkheid reeds bestond op het ogenblik waarop de Commissie de bestreden beschikking gaf."
Juridische analyse
Voorwerp van het geding
20. Bij het onderzoek van het onderhavige geschil moet om te beginnen de precieze draagwijdte ervan worden afgebakend en moet de relevantie van de diverse gebeurtenissen na de aanhangigmaking bij het Hof worden beoordeeld. Het is immers vaste rechtspraak van het Hof, dat de vraag of verplichtingen niet zijn nagekomen, [moet] worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn en [dat] het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening [kan] houden [...] Bijgevolg kunnen de na het verstrijken van die termijn vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen niet in aanmerking worden genomen".
21. Deze vaste rechtspraak moet mijns inziens ook toepassing vinden in het kader van een beroep krachtens artikel 93, lid 2, tweede alinea, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, tweede alinea, EG), dat door het Hof is gedefinieerd als een variant van het beroep wegens niet-nakoming, specifiek aangepast aan de bijzondere problemen die steunmaatregelen van staten meebrengen voor de mededinging in de gemeenschappelijke markt". Het door het Verdrag tussen beide procedures ingestelde parallellisme kan immers slechts zin hebben, indien het beginsel volgens hetwelk het Hof bij zijn beoordeling moet uitgaan van de situatie op het moment waarop de verhoring gestelde termijn is verstreken, ook geldt voor beroepen krachtens artikel 93, lid 2, tweede alinea. Daarbij ligt het voor de hand, dat, aangezien in het kader van laatstgenoemde beroepen, anders dan bij beroepen wegens niet-nakoming, geen precontentieuze procedure plaatsvindt en derhalve geen met redenen omkleed advies wordt uitgebracht waarin de lidstaten een termijn voor nakoming wordt gesteld, in die gevallen de termijn in aanmerking moet worden genomen die is voorzien in de beschikking waarvan de niet-uitvoering wordt bestreden of, in voorkomend geval, de vervolgens door de Commissie gestelde termijn.
22. Wanneer thans voor het onderzoek van de onderhavige zaak wordt aangenomen, dat de niet-uitvoering ten tijde van de instelling van het beroep door de Commissie nog bestond, was de Belgische regering luidens artikel 2 van de beschikking gehouden, de toekenning van de steun ongedaan" te maken en tot terugvordering over te gaan. Ingevolge artikel 3 diende zij vervolgens de Commissie binnen twee maanden na de datum van kennisgeving van de beschikking in kennis te stellen van de ter uitvoering van deze laatste getroffen maatregelen. Zoals gezegd, heeft de Commissie de Belgische autoriteiten twee keer (op 10 maart 1998 en op 14 mei daaraanvolgend) een termijn (van respectievelijk 20 en 15 werkdagen) gegund om een concreet voorstel te doen omtrent de terugvordering van de steun, met de opmerking dat zij anders het Hof zou aanzoeken. Het komt mij dan ook voor, dat de in casu bestreden niet-uitvoering uiterlijk moet worden beoordeeld bij het verstrijken van de door de Commissie in de brief van 4 mei 1998 gestelde termijn. De initiatieven die de Belgische autoriteiten na die datum (om niet te zeggen enkele maanden na de instelling van het beroep) hebben genomen, waaronder inzonderheid het ontwerpprotocol" over de terugvordering van de steun en de wet van 24 december 1999, moeten daarbij dus buiten beschouwing worden gelaten. Die initiatieven kunnen hooguit in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de vraag of bij het verstrijken van de door de Commissie gestelde termijn terugvordering van de Maribel bis/ter-steun nog steeds onmogelijk was.
Absolute onmogelijkheid van terugvordering
23. Zoals hiervoor is gebleken, zijn partijen het erover eens dat de Belgische autoriteiten de Maribel bis/ter-steun niet binnen de door de Commissie gestelde termijn hebben teruggevorderd. Onenigheid bestaat daarentegen over de door die autoriteiten voor dat verzuim aangevoerde rechtvaardigingsgronden.
24. Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak het enige verweer dat een lidstaat tegen een door de Commissie krachtens artikel 93, lid 2, van het Verdrag ingesteld beroep wegens niet-nakoming kan aanvoeren, de volstrekte onmogelijkheid [is] om de beschikking correct uit te voeren [...]. Aan deze voorwaarde wordt evenwel niet voldaan, wanneer de verwerende regering zich ertoe beperkt, de Commissie in kennis te stellen van de juridische, politieke of praktische problemen die de uitvoering van de beschikking meebrengt, zonder tegen de betrokken ondernemingen tot enigerlei actie over te gaan om de steun terug te krijgen en zonder de Commissie alternatieven voor de uitvoering van de beschikking voor te stellen, waardoor de moeilijkheden hadden kunnen worden overwonnen". Volstrekte onmogelijkheid kan derhalve niet alleen worden vermoed, doch moet blijken uit het falen van de oprechte pogingen tot terugvordering van de onwettige steun en tevens moet overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag samenwerking met de Commissie hebben plaatsgevonden om de ondervonden moeilijkheden te overwinnen."
25. In het onderhavige geval ben ik van oordeel, dat de Belgische autoriteiten niet overtuigend hebben bewezen dat terugvordering van de Maribel bis/ter-steun absoluut onmogelijk was. Zij hebben evenwel gewezen op technische en administratieve moeilijkheden in verband met die terugvordering, voornamelijk wegens het grote aantal betrokken ondernemingen (circa 1 200) en de noodzaak het bedrag van de steun - per trimester - vast te stellen aan de hand van het daadwerkelijke aantal per onderneming tewerkgestelde arbeiders. Daarentegen blijkt niet, dat zij jegens de betrokken ondernemingen tot enigerlei actie zijn overgegaan om de steun terug te vorderen", noch dat oprechte pogingen tot terugvordering van de onwettige steun" zijn gedaan.
26. Voor het overige heeft het Hof reeds eerder verklaard, dat technische en administratieve moeilijkheden zoals die in casu door de Belgische autoriteiten worden aangevoerd, op zich de terugvordering van de steun niet absoluut onmogelijk maken. Ik verwijs inzonderheid naar voormelde zaak Commissie/Italië (C-280/95), waarin de verwerende lidstaat had aangevoerd dat terugvordering van in de vorm van belastingverminderingen toegekende steun onmogelijk was, met het betoog dat die terugvordering de vaststelling van de ontvangers in abstracto zou vergen (ongeveer 100 000), onderzoek van elke individuele situatie in een of meer jaren (de jaren 1992 e.v.), verificatie van het daadwerkelijk gebruikte belastingkrediet, uitsplitsing van het door een ieder gebruikte totale belastingkrediet over de verschillende belastingposten, voorbereiding van de bewijsstukken bij elk verzoek om terugbetaling en van het verzoek om terugbetaling zelf, waarbij in aanmerking [zou moeten] worden genomen dat de terugvordering [zou plaatsvinden] door de dienst die territoriaal en voor de betrokken belastingsoort bevoegd is". Het Hof heeft deze argumenten evenwel verworpen met de overweging, dat ook al zou de terugvordering van het betrokken belastingkrediet op administratief vlak problemen opleveren, op grond van deze omstandigheid de terugvordering niet als technisch niet-uitvoerbaar kan worden beschouwd". Nakoming van de verplichting tot terugvordering van onwettig toegekende steun kan niet achterwege blijven enkel op grond van praktische moeilijkheden, maar is noodzakelijk zolang die nakoming niet objectief absoluut onmogelijk is.
27. In casu hadden de Belgische autoriteiten derhalve, ook indien zij - tijdens vruchteloze pogingen - ernstige problemen hadden ondervonden bij de terugvordering van de Maribel bis/ter-steun, de Commissie alternatieven voor de uitvoering van de beschikking [moeten voorstellen] waardoor de moeilijkheden hadden kunnen worden overwonnen". Mijns inziens is een dergelijk voorstel in casu evenwel niet gedaan. Als zodanig kan niet worden aangemerkt de door de Belgische regering in uiterst vage bewoordingen voorgestelde forfaitaire berekening van de terug te vorderen steun. Zo heeft de Belgische regering de Commissie geen aanwijzingen verschaft, wat dat criterium inhield, inzonderheid niet welke elementen forfaitair" in aanmerking moesten worden genomen. Zij heeft niet aangegeven, of de forfaitaire berekening betrekking zou hebben op het bedrag van de door iedere onderneming ontvangen steun (ongeacht het aantal daadwerkelijk tewerkgestelde arbeiders), dan wel op andere elementen, zoals de voor de berekening van de interessen over dat bedrag toepasselijke rentevoet (welke rentevoet in het ontwerpprotocol" en vervolgens in de wet van 24 december 1999 is berekend op basis van de gemiddelde rentevoet in de referentieperiode). Bij gebreke van nadere aanwijzingen had de Commissie mijns inziens geen andere keus dan een eventuele forfaitaire berekening, die geen rekening zou houden met het bedrag van de bijdrageverminderingen waarvoor de diverse ondernemingen daadwerkelijk in aanmerking waren gekomen, als onaanvaardbaar aan te merken.
28. In casu is echter vooral van belang, dat de beweerde onmogelijkheid om het bedrag van de Maribel bis/ter-steun nauwkeurig te berekenen, in werkelijkheid wordt weersproken door de feiten. Dit blijkt inzonderheid uit de omstandigheid dat de Belgische autoriteiten in de brief van 1 juli 1999 (in antwoord op de preciseringen van de Commissie betreffende het ontwerpprotocol") de verbintenis op zich hadden genomen, het terug te vorderen bedrag te berekenen op basis van het aantal arbeiders dat de betrokken ondernemingen daadwerkelijk in dienst hadden op het moment van toekenning van de bijdrageverminderingen. Het blijkt nog duidelijker uit de verklaring van de Belgische regering, dat zij na de vaststelling van de wet van 24 december 1999 in enkele maanden van drie vierde van de betrokken ondernemingen de steun had teruggevorderd. Indien het juist is dat in zo'n korte tijd een groot deel van de steun kon worden teruggevorderd, zie ik niet in hoe tot kort daarvoor op gegronde redenen kon worden betoogd dat die terugvordering absoluut onmogelijk was.
29. Concluderend ben ik op dit punt derhalve van oordeel, dat het Koninkrijk België zich ter rechtvaardiging van de niet-uitvoering van de beschikking binnen de gestelde termijn niet kan beroepen op de beweerde onmogelijkheid om de Maribel bis/ter-steun terug te vorderen.
De verplichting tot loyale samenwerking
30. Uit het voorgaande blijkt mijns inziens ook, dat de Belgische regering niet heeft voldaan aan haar verplichting tot loyale samenwerking met de Commissie teneinde binnen de gestelde termijn een aanvaardbare oplossing voor het probleem van de terugvordering te vinden.
31. Volgens de Belgische regering heeft in casu niet zij, maar de Commissie niet voldaan aan de uit artikel 5, EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) voortvloeiende verplichting tot loyale samenwerking. Ik wijs hier op de rechtspraak van het Hof, volgens welke de betrekkingen tussen de lidstaten en de gemeenschapsinstellingen ingevolge artikel 5 EEG-Verdrag [worden] beheerst door het beginsel van loyale samenwerking. Dit beginsel verplicht niet enkel de lidstaten alle dienstige maatregelen te nemen om de draagwijdte en de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht te waarborgen [...], maar het verlangt ook, dat de gemeenschapsinstellingen en de lidstaten over en weer loyaal samenwerken". Het is evenwel duidelijk, dat in het onderhavige geval de standpunten van het Koninkrijk België en van de Commissie duidelijk verschillen en dat de wederzijdse verplichtingen tot samenwerking een tamelijk verschillende vorm aannemen.
32. In de eerste plaats omdat de problemen in verband met de terugvordering van de onwettig toegekende steun zich niet eens zouden hebben voorgedaan indien de Belgische regering had voldaan aan haar verplichting tot voorafgaande kennisgeving ex artikel 93, lid 3, EG-Verdrag. Blijkens voormeld arrest België/Commissie (zaak C-75/97) had de Commissie de Belgische autoriteiten overigens kort na de vaststelling van de Maribel bis/ter-regeling om verduidelijkingen rond die regeling verzocht met de waarschuwing dat elke onrechtmatig verleende steun kan worden teruggevorderd": derhalve kon de mogelijkheid dat de onwettige steun zou moeten worden ingevorderd, [...] de Belgische regering [...] niet zijn ontgaan" (punten 77 en 79). In die omstandigheden ligt het mijns inziens voor de hand, dat op het Koninkrijk België een bijzondere verantwoordelijkheid rustte om de verstorende gevolgen van de onwettig toegekende steun op te heffen door alle maatregelen te treffen waardoor de desbetreffende moeilijkheden konden worden overwonnen.
33. Zoals bekend is het voorts vaste rechtspraak, dat bij gebreke van communautaire bepalingen betreffende de procedure voor terugvordering van onverschuldigd betaalde steun moet worden teruggevorderd op de in het nationale recht bepaalde wijze". Bijgevolg staat het aan de nationale autoriteiten - zij het onder toezicht van de Commissie - de passende wijze van die terugvordering te bepalen.
34. Om bovenstaande redenen is zoals gezegd in de communautaire rechtspraak bepaald, dat indien zich ernstige moeilijkheden voordoen bij de terugvordering van onrechtmatig toegekende steun overeenkomstig een beschikking van de Commissie, de nationale autoriteiten alternatieve mogelijkheden voor de uitvoering van die beschikking dienen voor te stellen waarmee die moeilijkheden kunnen worden overwonnen. Zij kunnen zich aan deze verplichting niet onttrekken door de Commissie te verzoeken, zelfstandig een oplossing voor de problemen in verband met de terugvordering voor te stellen. Het is immers duidelijk, dat de Commissie enkel op basis van een concreet voorstel van de nationale autoriteiten in staat is, constructief samen te werken bij het zoeken naar een oplossing die de terugvordering waarborgt met volledige inachtneming van de verdragsbepalingen, inzonderheid die betreffende de steunmaatregelen".
35. Nu de Belgische regering derhalve heeft verzuimd, binnen de gestelde termijn enig concreet voorstel te doen om de moeilijkheden in verband met de terugvordering van de Maribel bis/ter-steun te overwinnen, kan zij de Commissie stellig geen gebrek aan samenwerking bij het vinden van een oplossing verwijten. Uit het dossier blijkt voor het overige, dat de Commissie de door de Belgische autoriteiten aangevoerde problematiek aandachtig heeft gevolgd en steeds haar oordeel ter zake te kennen heeft gegeven. Bovendien blijkt uit het dossier, dat de Commissie die autoriteiten herhaaldelijk heeft verzocht concrete voorstellen te doen, bij gebreke waarvan haar bijdrage slechts marginaal kon zijn.
36. Ik ben dan ook van oordeel, dat de argumenten van de Belgische regering ook vanuit dit oogpunt moeten worden verworpen en dat het beroep van de Commissie derhalve gegrond moet worden verklaard.
Kosten
37. Ingevolge artikel 69 van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd in de kosten worden verwezen. Gelet op hetgeen ik zojuist heb opgemerkt over de gegrondheid van het beroep, moet het Koninkrijk België overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1) Te verstaan dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn uitvoering te geven aan beschikking 97/239/EG van de Commissie van 4 december 1996 betreffende steunmaatregelen van België in het kader van de Maribel bis/ter-regeling, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 189, vierde alinea, EG-Verdrag (thans artikel 249, vierde alinea, EG) op hem rustende verplichtingen.
2) Het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy