Conclusie van de advocaat generaal
1. Sedert 1989 fungeerde de vennootschap naar Engels recht Ingmar GB Ltd (hierna: Ingmar") als handelsagent van Eaton Leonard Technologies Inc., een vennootschap naar Californisch recht (hierna: Eaton"), voor het Verenigd Koninkrijk en Ierland.
2. Na de beëindiging van de agentuurovereenkomst in 1996 maakte Ingmar een rechtsgeding aanhangig waarin zij betaling van provisie vorderde alsmede herstel van het haar door de beëindiging van de betrekkingen tussen de beide vennootschappen berokkende nadeel.
3. In antwoord op Ingmars vorderingen, die waren gebaseerd op de wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk waarmee richtlijn 86/653/EEG was omgezet, voert Eaton aan dat het toepasselijke recht niet het door verzoekster ingeroepen recht kan zijn, omdat de overeenkomst tussen de beide vennootschappen een rechtskeuze voor het recht van de staat Californië (Verenigde Staten) bevat.
4. De Court of Appeal (England & Wales) (Verenigd Koninkrijk), waar het hoofdgeding aanhangig is, acht het noodzakelijk het Hof de vraag voor te leggen of in de omstandigheden van het onderhavige geval, waarin partijen uitdrukkelijk ervoor hadden geopteerd die overeenkomst te onderwerpen aan het recht van een derde land en niet aan de nationale wettelijke regeling waarmee de relevante communautaire wetgeving was omgezet, de richtlijn op de litigieuze overeenkomst van toepassing is.
I - De toepasselijke regeling
De richtlijn
5. De richtlijn, die de coördinatie beoogt van de wetgevingen van de lidstaten inzake handelsagenten, wordt gerechtvaardigd door het feit dat de verschillen tussen de nationale wetgevingen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging binnen de Gemeenschap de concurrentieverhoudingen en de uitoefening van het beroep aanzienlijk beïnvloeden en de mate waarin de handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen worden beschermd, evenals de zekerheid in het handelsverkeer, aantasten".
6. In diezelfde overweging valt te lezen dat deze verschillen de totstandkoming en de werking van handelsagentuurovereenkomsten tussen een principaal en een handelsagent die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, ernstig kunnen belemmeren".
7. Artikel 1, lid 1, van de richtlijn bepaalt: De in deze richtlijn voorgeschreven harmonisatiemaatregelen zijn van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de betrekkingen tussen handelsagenten en hun principalen."
8. Artikel 17, lid 1, van de richtlijn luidt: De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, vergoeding volgens lid 2 of herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt." In de leden 2 tot en met 5 is geregeld onder welke voorwaarden de vergoeding en het herstel van het nadeel moeten worden betaald en op welke wijze zij moeten worden vastgesteld.
9. Artikel 18 somt enige gevallen op waarin de vergoeding of het herstel niet is verschuldigd: beëindiging van de overeenkomst door de principaal vanwege een aan de handelsagent te wijten omstandigheid, beëindiging door de handelsagent, tenzij deze beëindiging door specifieke omstandigheden wordt gerechtvaardigd, of indien de handelsagent overeenkomstig een afspraak met de principaal zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde overdraagt.
10. Artikel 19 van de richtlijn luidt: Voordat de overeenkomst is beëindigd, mogen de partijen niet ten nadele van de handelsagent van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 afwijken."
De nationale wettelijke regeling
11. In het Verenigd Koninkrijk is de richtlijn uitgevoerd bij de Commercial Agents (Council Directive) Regulations 1993 (regeling tot uitvoering van de richtlijn van de Raad betreffende de handelsagenten), die volgens Regulation 1, lid 1, op 1 januari 1994 in werking zijn getreden.
12. Regulation 1, lid 2, bepaalt dat deze Regulations de betrekkingen regelen tussen handelsagenten en hun principalen. Behoudens het bepaalde in lid 3 zijn zij van toepassing op de werkzaamheden van handelsagenten in Groot-Brittannië."
13. Regulation 1, lid 3, luidt: De Regulations 3 tot en met 22 zijn niet van toepassing wanneer de partijen zijn overeengekomen, dat de agentuurovereenkomst door het recht van een andere lidstaat wordt beheerst."
II - Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
14. De High Court of Justice (Verenigd Koninkrijk), waarbij Ingmar het hoofdgeding aanhangig had gemaakt, oordeelde bij vonnis van 23 oktober 1997 dat de Regulations niet van toepassing waren, daar de overeenkomst door het recht van de staat Californië werd beheerst.
15. Tegen dat vonnis stelde Ingmar beroep in bij de Court of Appeal. Van oordeel dat de beslechting van het geschil in het hoofdgeding afhangt van de uitlegging van de richtlijn, heeft deze besloten de behandeling van de zaak te schorsen en de volgende vraag aan het Hof voor te leggen:
Naar Engels recht wordt het door de partijen gekozen recht als het toepasselijke recht toegepast, voor zover geen reden van openbare orde, zoals een dwingendrechtelijke bepaling, zich daartegen verzet. Zijn in dergelijke omstandigheden de bepalingen van richtlijn 86/653/EEG van de Raad zoals die in het recht van de lidstaten zijn omgezet, in het bijzonder de bepalingen betreffende de betaling van een vergoeding aan een agent bij beëindiging van de overeenkomst met zijn principaal, van toepassing wanneer:
i) een principaal in het Verenigd Koninkrijk en in Ierland een exclusieve agent aanwijst voor de verkoop van zijn producten aldaar, en
ii) de agent, wat de verkoop van de producten in het Verenigd Koninkrijk betreft, zijn werkzaamheden in het Verenigd Koninkrijk verricht, en
iii) de principaal een onderneming is, die in een derde land - met name de staat Californië (Verenigde Staten van Amerika) - is opgericht en gevestigd, en
iv) partijen uitdrukkelijk het recht van de staat Californië (Verenigde Staten van Amerika) op de overeenkomst van toepassing hebben verklaard?"
III - De prejudiciële vraag
16. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen van de richtlijn, die bepalen dat de principaal, na de beëindiging van een agentuurovereenkomst, aan zijn agent een vergoeding moet betalen of herstel van het nadeel dat aan deze laatste is berokkend, van toepassing zijn op een overeenkomst waarbij de principaal een op het grondgebied van een lidstaat van de Gemeenschap gevestigde agent heeft belast met de exclusieve verkoop van zijn producten in de Gemeenschap, terwijl de principaal een op het grondgebied van een derde land gevestigde entiteit is en de contracterende partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat het recht van dit derde land op de overeenkomst van toepassing is.
17. Zoals blijkt uit de bewoordingen ervan, bevat de door de Court of Appeal geformuleerde vraag in feite twee vraagstellingen.
18. In de eerste plaats hebben partijen gedebatteerd over de vraag of de richtlijn van toepassing kan zijn op een overeenkomst waarbij een van de partijen is gevestigd in een derde land. Bij die gelegenheid betoogde Eaton met name dat de comitas gentium zich verzet tegen de extraterritoriale toepassing van materiële bepalingen van nationaal recht.
Dit argument lijkt geen verband te houden met de rechtskeuze van de partijen bij de overeenkomst. Los daarvan dient het nochtans te worden onderzocht teneinde vast te stellen welke invloed de omstandigheid dat niet beide contractanten op het grondgebied van de Gemeenschap zijn gevestigd, kan hebben op het toepasselijke recht. Derhalve dient de territoriale werkingssfeer van de richtlijn te worden vastgesteld, omdat dit tenslotte het probleem is dat dienaangaande aan de orde is gesteld.
19. Ingeval de richtlijn territoriaal van toepassing is, dient in de tweede plaats te worden nagegaan of de bepalingen ervan inzake de door de principaal aan de agent verschuldigde bedragen als gevolg van de beëindiging van de agentuurovereenkomst materieel van toepassing zijn, ofschoon de overeenkomst krachtens partijwil uitdrukkelijk is onderworpen aan het recht van een derde land.
De territoriale werkingssfeer van de richtlijn
20. Om te beginnen herinner ik eraan dat niet is betwist dat het geschil in het hoofdgeding binnen de materiële en temporele werkingssfeer van de richtlijn valt.
Zoals bekend, zijn de partijen bij het geschil een handelsagent en zijn principaal. Zoals blijkt uit artikel 1, lid 1, van de richtlijn, beoogt deze het recht van de lidstaten betreffende de rechtsbetrekkingen tussen dergelijke marktdeelnemers te harmoniseren.
Bovendien blijkt uit artikel 22, lid 1, juncto lid 3, van de richtlijn dat, anders dan de andere lidstaten die de richtlijn vóór 1 januari 1990 moesten omzetten, Ierland en het Verenigd Koninkrijk de omzettingsmaatregelen vóór 1 januari 1994 moesten vaststellen. Daarentegen werden die maatregelen, evenals voor de andere lidstaten, uiterlijk op laatstgenoemde datum van toepassing op de lopende overeenkomsten, waaronder de litigieuze overeenkomst, die in 1989 gesloten en in 1996 beëindigd werd.
21. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat de High Court of Justice, die in eerste aanleg van het geschil kennis nam, van mening was dat de Regulations enkel van toepassing waren wanneer beide partijen bij de overeenkomst onderdanen van lidstaten waren, hetgeen in casu niet het geval is. Zij meende dat niets in de Regulations of de richtlijn erop wijst dat deze extraterritoriale werking moeten hebben.
22. Anders gezegd, de toepassing van een gemeenschapsrechtelijke norm op een in een derde land gevestigde marktdeelnemer zou, bij gebreke van een andersluidende wettelijke bepaling, een ontoelaatbare uitbreiding van dit recht vormen tot rechtssubjecten die, in beginsel, wegens hun geografische locatie niet daaronder ressorteren.
23. Bij het onderzoek van die bepalingen van de richtlijn aan de hand waarvan de territoriale werkingssfeer ervan kan worden afgebakend in geval van een overeenkomst waarbij één van de partijen is gevestigd op het grondgebied van een lidstaat en de andere in een derde land, dienen enige feitelijkheden betreffende het ruimtelijke toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht in het algemeen voor ogen te worden gehouden.
24. Krachtens artikel 227 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 299 EG) is het Verdrag van toepassing op de lidstaten van de Gemeenschap, hetgeen in wezen betekent dat de geografische grondslag ervan wordt bepaald door het grondgebied van die staten. Deze bepaling bevat het beginsel dat de ruimtelijke werkingssfeer van het gemeenschapsrecht dezelfde is als die van het nationale recht van de lidstaten.
25. Meer bepaald hangt de toepassing van het gemeenschapsrecht ervan af of bepaalde elementen geografisch binnen het grondgebied van de lidstaten zijn gelokaliseerd.
26. De idee van lokalisatie van de marktdeelnemers of van hun gedragingen binnen het grondgebied van de Gemeenschap neemt in verscheidene verdragsartikelen een plaats in waaraan met het oog op de uitlegging en toepassing ervan niet kan worden voorbijgegaan.
27. Artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) heeft bijvoorbeeld betrekking op overeenkomsten die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en die de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt" beperken. In het arrest Ahlström e.a./Commissie achtte het Hof het nodig de territoriale werkingssfeer van dat artikel nader vast te stellen.
28. In deze zaak had de Commissie vastgesteld dat sprake was van onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen producenten van houtslijp inzake de periodiek aan de in de Gemeenschap gevestigde klanten opgegeven prijzen alsmede inzake de aan deze klanten daadwerkelijk in rekening gebrachte transactieprijzen. Bij haar beschikking had de Commissie aan de betrokken ondernemingen boetes opgelegd op grond dat de geconstateerde handelwijzen schending opleverden van artikel 85 van het Verdrag.
29. De producenten stelden bij het Hof beroep tot nietigverklaring in van de beschikking van de Commissie en betoogden dat de Gemeenschap niet bevoegd was haar mededingingsregels te hunnen aanzien toe te passen, omdat zij alle hun zetel buiten de grenzen van haar grondgebied hadden.
Naast het middel gebaseerd op schending van het territoriale toepassingsgebied van artikel 85, beriepen verzoeksters zich erop dat de litigieuze beschikking in tegenspraak was met het internationaal publiekrecht. Zij betoogden dat dit recht eraan in de weg staat dat de Gemeenschap zich bevoegdheid aanmatigt ten aanzien van concurrentiebeperkende gedragingen buiten haar grondgebied, alleen vanwege de economische weerslag die deze binnen de Gemeenschap hebben.
30. Het Hof heeft deze argumenten afgewezen. De onderlinge afstemming van de prijzen waarvan verzoeksters, die rechtstreeks hun producten verkochten aan in de Gemeenschap gevestigde kopers, werden beticht, had immers onbetwistbaar de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt beperkt. Het Hof wees erop dat het er om ging waar aan de gelaakte overeenkomst uitvoering werd gegeven en niet om de plaats waar het kartel was gevormd. Het bracht de rechtsgrondslag en daarmee het referentiecriterium waarop het arrest berustte, als volgt duidelijk tot uitdrukking: Onder die omstandigheden is de bevoegdheid van de Gemeenschap om haar mededingingsregels ten aanzien van dergelijke gedragingen toe te passen, gedekt door het in het internationaal publiekrecht algemeen aanvaarde territorialiteitsbeginsel."
31. Aangaande een ander argument van partijen, dat was gebaseerd op de veronachtzaming van de comitas gentium, volstond het Hof met de opmerking dat met deze grief de bevoegdheid van de Gemeenschap in het geding werd gebracht om haar mededingingsregels toe te passen op gedragingen als die welke in dat geval waren vastgesteld en dat die grief als zodanig reeds was verworpen.
32. Met het arrest Ahlström e.a./Commissie erkent het Hof het territorialiteitsbeginsel als grondslag voor enige wezenlijke mededingingsregels van het Verdrag. Maar het voornaamste belang van dat arrest voor de onderhavige zaak is gelegen in het feit dat dat beginsel kennelijk de bevoegdheid van de Gemeenschap kan wettigen in gevallen waarin de marktdeelnemers een zodanige band met het communautaire grondgebied hebben dat hun gedrag de belangen van de Gemeenschap kan beïnvloeden. In dat geval was het communautaire grondgebied de plaats waar aan het kartel uitvoering was gegeven en het gevolgen had gehad.
33. Ik wijs erop dat in casu een van de doelstellingen van de richtlijn is te verzekeren dat de concurrentieverhoudingen tussen marktdeelnemers die gebonden zijn door een agentuurovereenkomst, binnen de Gemeenschap" worden geharmoniseerd.
Ofschoon de rechtsgrondslag van de norm die in deze zaak moet worden uitgelegd formeel niet dezelfde is als die in het arrest Ahlström e.a./Commissie, omdat de richtlijn niet rechtstreeks is gebaseerd op de verdragsbepalingen inzake de mededinging, is het betrokken communautaire belang, dat is gebaseerd op de uitoefening van eerlijke mededinging (artikel 3, sub g, EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 3, sub g, EG), wel hetzelfde.
34. Aangezien het gaat om de bescherming van dit beginsel op het communautaire grondgebied, kan de aanwezigheid van een marktdeelnemer of de uitoefening van zijn beroepsactiviteit op het grondgebied van een lidstaat niet zonder gevolgen voor de beslechting van het geschil blijven.
35. De beginselen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, die zijn verankerd in de artikelen 52 en volgende EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 43 en volgende EG), alsmede in de artikelen 59 en volgende EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 49 en volgende EG), behoren eveneens tot de verdragsregels die verwijzen naar het begrip territorialiteit.
36. De in die bepalingen vervatte verwijzing naar het grondgebied van een lidstaat van de Gemeenschap weerspiegelt in beide regelingen de wil van de communautaire wetgever om de betrokken vrijheden voor te behouden aan de marktdeelnemers die al op dat grondgebied zijn gevestigd en daardoor hun mobiliteit en die van hun dienstverleningen op de gehele gemeenschappelijke markt te bevorderen. De territorialiteit van het gemeenschapsrecht vormt op dit gebied een objectieve aanknopingsmethode waardoor rechtssubjecten het recht wordt verleend op uitoefening van hun economische activiteit vrij van iedere ongerechtvaardigde beperking.
37. Uit het bestaan van een territoriale samenhang - hetzij door de daadwerkelijke aanwezigheid van een van de marktdeelnemers op het grondgebied van een lidstaat, hetzij door de uitoefening van een economische activiteit op dat grondgebied - volgt derhalve dat de Gemeenschap bevoegd is ter zake van de betrokken rechtsverhouding. In dat geval moet de betrokken marktdeelnemer namelijk de mogelijkheid hebben om zich, ongeacht zijn betrekkingen buiten de Gemeenschap, te beroepen op de in het stelsel van de fundamentele communautaire vrijheden gepostuleerde afschaffing van beperkingen voor de uitoefening van economische activiteiten tussen de lidstaten.
38. In het hoofdgeding is Ingmar juist niet alleen gevestigd op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk, maar oefent zij daar, evenals op het Ierse grondgebied, haar werkzaamheden uit als handelsagent van Eaton, die zelf buiten de Gemeenschap is gevestigd.
Zoals bekend, vallen Ingmars werkzaamheden onder de definitie van handelsagenten in de richtlijn. Deze richtlijn coördineert de nationale bepalingen die het beroep van handelsagent in de Gemeenschap regelen. De richtlijn is echter vastgesteld op de grondslag van artikel 57, lid 2, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 47, lid 2, EG), dat krachtens artikel 66 EG-Verdrag (thans artikel 55 EG), zowel ter zake van vestiging als ter zake van dienstverlening van toepassing is.
39. Wegens de geografische grondslag, die volgens het Verdrag zelf kenmerkend is voor het gemeenschapsrecht, ben ik van mening dat wanneer een rechtsbetrekking een aanknopingselement met het communautaire grondgebied vertoont, ook al is dat van contractuele aard, de toepassing van de betrokken norm van gemeenschapsrecht gerechtvaardigd kan zijn.
40. Anders dan Eaton betoogt, komt deze opvatting er geenszins op neer dat aan de bepalingen van de richtlijn een extraterritoriale werking wordt toegekend.
41. Mijns inziens zou een rechtsnorm een dergelijk effect hebben wanneer zij de rechtspositie van een marktdeelnemer wijzigde op grond van feiten die niet rechtstreeks verband houden met het grondgebied van de autoriteiten die die norm hebben vastgesteld.
42. Zoals reeds gezegd, wanneer de mededinging in de Gemeenschap ongunstig wordt beïnvloed door ondernemingen die daar niet zijn gevestigd, mogen tegen deze sancties worden toegepast, juist op grond van de territoriale lokalisatie van de verweten gedraging. Niets verzet zich daarom ertegen dat de daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit, wanneer deze op dit grondgebied plaatsvindt, onder het materieel toepasselijke gemeenschapsrecht valt.
43. Eaton heeft eveneens opgemerkt dat de uitdrukkelijke verwijzing in de tweede overweging van de considerans van de richtlijn naar de vestiging van de principaal en van de handelsagent in verschillende lidstaten" pleit tegen de dwingende toepassing van de richtlijn op de rechtsbetrekkingen met een buiten de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemer.
44. Verweerster in het hoofdgeding betoogt in wezen dat de door de richtlijn beoogde coördinatie van de nationale wetgevingen de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten tussen lidstaten van de Gemeenschap moet bevorderen. Zijn beide partijen, die geïnteresseerd zijn in het sluiten van een agentuurovereenkomst, gevestigd in verschillende lidstaten, dan zouden zij daarvan weerhouden kunnen worden op grond van de verschillen die tussen de van toepassing zijnde regelingen bestaan. Wanneer echter de principaal niet op het grondgebied van de Gemeenschap is gevestigd, kunnen zijn betrekkingen met zijn handelsagent niet worden behandeld volgens de beginselen van het vrij verkeer van personen en van diensten.
45. De gedachte die in de tweede overweging van de considerans van de richtlijn tot uitdrukking komt, impliceert in feite dat principalen en handelsagenten die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, gemakkelijker een overeenkomst kunnen sluiten dankzij de onderlinge aanpassing van de in de verschillende lidstaten geldende wettelijke regelingen.
46. Nochtans volgt hieruit niet noodzakelijkerwijs dat de territoriale werkingssfeer van de richtlijn niet een overeenkomst bestrijkt waarbij een van de partijen niet op het communautaire grondgebied is gevestigd.
47. De harmonisatie heeft tot doel de vrijheid van vestiging van op het communautaire grondgebied gevestigde handelsagenten in andere lidstaten van de Gemeenschap, ook wanneer zij al verbonden zijn aan in een derde land gevestigde principalen, of hun vrijheid om diensten te verrichten ten behoeve van andere principalen in de Gemeenschap, te bevorderen.
48. Zolang een van de contractpartijen op het grondgebied van de Gemeenschap is gevestigd, kan zij derhalve profiteren van de harmoniserende werking van de richtlijn, wanneer zij een beroep wil doen op de bepalingen daarvan om haar werkzaamheden in de Gemeenschap uit te breiden. Voor de territoriale toepassing van de richtlijn is niet de aanwezigheid van alle contractpartijen in de Gemeenschap vereist. De verwijzing in de tweede overweging van de considerans naar de vestiging van de principaal op het grondgebied van een lidstaat kan derhalve niet geacht worden een algemene voorwaarde voor die toepassing te vormen.
49. Er zij eveneens aan herinnerd dat de groei van de zakelijke betrekkingen tussen in verschillende lidstaten gevestigde principalen en handelsagenten slechts een van de doelstellingen van de richtlijn vormt.
50. De harmonisatie beoogt eveneens de verschillen te verminderen die, zoals bekend, de concurrentieverhoudingen beïnvloeden, alsmede de handelsagenten een minimum aan sociale bescherming te verzekeren.
51. Ook op deze gebieden kan de coördinatie van de nationale wetgevingen uiteraard de mobiliteit van deze marktdeelnemers of van de door hen verrichte diensten bevorderen. De onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen heeft tot doel de hindernissen uit de weg te ruimen die hen ervan zouden kunnen weerhouden hun werkzaamheden in andere lidstaten of voor aldaar gevestigde principalen uit te oefenen, op grond dat de sociale voordelen onvoldoende bescherming zouden bieden of die ongerechtvaardigde belemmeringen in de uitoefening van hun werkzaamheden hen ten opzichte van hun concurrenten ten achter zouden stellen.
52. Maar het voeren van eerlijke mededinging en de noodzaak van een minimale sociale bescherming vormen niet slechts middelen ten dienste van de communautaire vrijheden. Zij vormen volwaardige doeleinden, die rechtvaardigen dat de richtlijn van toepassing is op situaties waarin het verkeer van marktdeelnemers binnen de Gemeenschap niet rechtstreeks en onmiddellijk aan de orde is.
53. Zoals reeds gezegd, kan het beginsel van de inachtneming van gelijke mededingingsvoorwaarden, waarnaar de richtlijn uitdrukkelijk verwijst, niet uitsluitend worden beperkt tot de betrekkingen tussen marktdeelnemers die op het communautaire grondgebied zijn gevestigd. Wat de bescherming van handelsagenten betreft, volgt dit eveneens uit de vijfde overweging van de considerans van de richtlijn, waarin valt te lezen dat bij een harmonisatie op de weg van de vooruitgang van de wetgevingen van de lidstaten ten aanzien van de handelsagenten dient te worden uitgegaan van de beginselen van artikel 117 van het Verdrag".
54. De tweede overweging van de considerans van de richtlijn bevestigt deze uitlegging. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen twee categorieën van betrokken belangen. Door de uitdrukkelijke verwijzing naar de plaats van vestiging van de contractanten en de daaruit voortvloeiende moeilijkheden voor de uitoefening van de werkzaamheden van de handelsagent, houdt het tweede gedeelte van de overweging duidelijk verband met de gedachte van vrij verkeer die aan de richtlijn ten grondslag ligt. Het eerste gedeelte daarentegen, dat betrekking heeft op de verschillen tussen de nationale wetgevingen, gaat over de concurrentieverhoudingen en het niveau van bescherming van de handelsagenten. Het verwijst geenszins naar de plaats van vestiging van de contractanten, hetgeen de opvatting steunt dat met deze kwesties niet strikt op de grondslag van de beginselen van de vrijheid van vestiging en van dienstverrichting rekening moet worden gehouden. Overigens onderscheidt het tweede gedeelte zich niet alleen door zijn inhoud van het eerste, maar ook door de manier waarop het is geformuleerd, zoals blijkt uit het gebruik van het woord voorts".
55. Op grond van het bovenstaande kom ik tot de conclusie dat de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij in beginsel territoriaal van toepassing is op een handelsagentuurovereenkomst wanneer, zoals het geval is in het hoofdgeding, de handelsagent is gevestigd op het grondgebied van een lidstaat en zijn werkzaamheden uitoefent op het grondgebied van een of meer lidstaten.
56. Daarmee wil ik echter niet een absoluut karakter aan het territorialiteitsbeginsel van de richtlijn toekennen. Onderzocht moet worden welk gevolg dient te worden verbonden aan een clausule in een overeenkomst door middel waarvan de contractanten, zoals in het hoofdgeding, blijk hebben gegeven van hun beider bedoeling de toepassing van de voor de uitvoering van de richtlijn vastgestelde nationale voorschriften uit te sluiten.
Het gevolg van de aanwijzing van het recht van een derde land voor de bij de beëindiging van de overeenkomst toepasselijke wettelijke regeling
57. Evenals alle partijen die opmerkingen hebben ingediend, ben ik van mening dat rekening moet worden gehouden met het beginsel van contractvrijheid en met de daaruit voortvloeiende mogelijkheid voor partijen om zich aan de toepasselijke wettelijke regeling te onttrekken.
58. Door in de overeenkomst een clausule op te nemen waarin het recht van de staat Californië van toepassing wordt verklaard, hebben partijen duidelijk te kennen gegeven dat zij hun contractuele verhouding niet aan de regeling van de richtlijn wensen te onderwerpen.
59. Door middel van de gestelde vraag beoogt de Court of Appeal de precieze draagwijdte van deze afspraak te vernemen met het oog op de vereisten van de relevante communautaire wetgeving.
60. In zijn vraag verwijst de nationale rechter naar het Engelse recht, volgens hetwelk het door de partijen gekozen recht als het toepasselijke recht moet worden toegepast, voorzover geen reden van openbare orde zich daartegen verzet.
61. Voor de uitlegging van de richtlijn zal ik een vergelijkbare methode volgen. Daarvoor moet worden vastgesteld in hoeverre de nationale omzettingsbepalingen krachtens de richtlijn voor de contractanten verbindend dienen te zijn. Derhalve dient te worden nagegaan van welke bepalingen van de richtlijn in voorkomend geval niet mag worden afgeweken.
62. Alvorens de richtlijn uit te leggen aan de hand van de traditionele criteria, dient te worden verduidelijkt waarom mijns inziens een regeling als het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, waarop op diverse gronden een beroep is gedaan door de partijen die opmerkingen hebben ingediend, niet van doorslaggevende betekenis is.
63. Het Verdrag van Rome is van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen. Het is, ook voor het Verenigd Koninkrijk, op 1 april 1991 in werking getreden. Zoals bepaald in artikel 17, is het Verdrag van Rome evenwel van toepassing op overeenkomsten die na zijn inwerkingtreding zijn gesloten, zodat de in 1989 tussen Ingmar en Eaton gesloten overeenkomst niet onder de regeling van dit Verdrag valt.
64. Derhalve kan op dit Verdrag geen beroep worden gedaan als bron van positief recht. Ik zal er echter louter indicatief naar verwijzen, voor zover het op nuttige wijze de op de eigen bepalingen gebaseerde uitlegging van de richtlijn kan aanvullen.
65. Ik kom thans terug op de door de wetgever door middel van de richtlijn nagestreefde doeleinden. Met de harmonisatie van de nationale regelingen inzake de betrekkingen tussen handelsagenten en hun principalen beoogde de wetgever gelijkwaardige voorwaarden voor de uitoefening van het beroep van zelfstandig handelsagent te scheppen voor allen die dit beroep in de Gemeenschap uitoefenen. Evenzeer beoogt de harmonisatie van de diverse nationale rechtskaders de handelsagenten een minimaal beschermingsniveau te verzekeren, hetgeen, zoals reeds gezegd, eveneens resulteert in de bevordering van de mededinging en van het vrij verkeer van personen en diensten, aangezien op de marktdeelnemers alsdan dezelfde sociale verplichtingen rusten.
66. Deze aan de richtlijn toegekende doeleinden komen tot uitdrukking in de harmonisatie van de nationale wettelijke regelingen inzake de voorwaarden voor de uitoefening van de werkzaamheden van handelsagenten. Inzonderheid zijn de lidstaten krachtens artikel 17 van de richtlijn gehouden een regeling voor schadeloosstelling van de handelsagent in te voeren voor het geval van beëindiging van de overeenkomst. Deze bepaling vormt zowel een garantie voor de agent als een belasting voor zijn principaal.
67. Het moge duidelijk zijn dat een contractuele clausule waarmee partijen hun betrekkingen beogen te onttrekken aan de werkingssfeer van een regeling die een uniform rechtskader tot stand wil brengen voor hetzelfde type overeenkomst als zij hebben gesloten, afbreuk doet aan de beoogde harmonisatie. In beginsel komt de idee van een algemene keuzevrijheid inzake het toepasselijke recht frontaal in botsing met elk proces van normatieve coördinatie.
68. De keuze door partijen van een recht dat geen verplichting tot vergoeding kent of daaraan afbreuk doet door het invoeren van een minder gunstige regeling, zou de bescherming van de agent verminderen. Aldus zou hij door dit recht worden benadeeld ten opzichte van zijn concurrenten en zou tegelijkertijd zijn principaal worden bevoordeeld ten opzichte van andere principalen. De verstoring van de voorwaarden voor de harmonisatie van de toepasselijke regeling zou ipso facto leiden tot een verstoord evenwicht in de mededinging tussen de marktdeelnemers die hun werkzaamheden op het grondgebied van de Gemeenschap uitoefenen, hetgeen in strijd zou zijn met de doelstellingen van de richtlijn.
69. In het arrest Ahlström e.a./Commissie liet het Hof zich in de volgende bewoordingen uit over de werkingssfeer van artikel 85 van het Verdrag: Door de toepasselijkheid van de mededingingsrechtelijke verbodsbepalingen afhankelijk te stellen van de plaats waar het kartel is gevormd, zou het de ondernemingen natuurlijk wel erg gemakkelijk worden gemaakt om die verbodsbepalingen te omzeilen." De door het Hof gevolgde gedachtegang kan, mutatis mutandis, worden overgebracht op de onderhavige zaak.
In deze zaak gaat het niet om een verbodsregeling doch om een regeling inzake contractuele vergoeding. Evenwel moet in beide gevallen de relevante wettelijke regeling worden vastgesteld, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de doelstelling van de territoriaal van toepassing zijnde wettelijke regeling niet wordt doorkruist. De aan de contractanten verleende bevoegdheid te opteren voor een recht dat de belangen van de handelsagent minder beschermt, zou echter neerkomen op een miskenning van de beweegredenen die aan de communautaire regeling ten grondslag liggen.
70. Het mededingingsvoordeel dat het gevolg is van de keuze van een ander recht, zou namelijk iedere principaal ertoe aanzetten om, voor zover hij een economisch sterkere positie bekleedt ten opzichte van zijn toekomstige mede-contractant, een clausule in het contract op te nemen waarin wordt gekozen voor het recht van een derde land, met de bedoeling daarvan te profiteren.
71. De noodzaak om de beoogde harmonisatie van het gemeenschapsrecht niet te belemmeren, mag er evenwel niet toe leiden dat al bij voorbaat elk voornemen om af te wijken van de algemene wettelijke regeling die van toepassing is op het grondgebied van de Gemeenschap, wordt afgekeurd.
72. Het beginsel van partijautonomie, dat volgens het Verdrag van Rome in het verbintenissenrecht prevaleert, zou worden doorkruist wanneer het communautaire harmonisatieproces op dit gebied stelselmatig zou prevaleren boven de aan de marktdeelnemers toegekende keuzevrijheid inzake het recht dat op hun rechtsbetrekkingen van toepassing is.
73. De geldigheid van een afwijkende contractuele clausule hangt allereerst af van de bindende kracht van de norm die zij beoogt te vervangen. In hoeverre dat voorschrift van dwingendrechtelijke aard is, moet worden vastgesteld aan de hand van de bewoordingen ervan en de algemene systematiek van de richtlijn.
74. Artikel 19 van de richtlijn bepaalt dat de partijen, voordat de overeenkomst is beëindigd, niet ten nadele van de handelsagent van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 mogen afwijken.
75. Die bepaling moet aldus worden verstaan dat het de contracterende partijen niet vrijstaat om, zelfs niet in goed overleg, de toepassing van de bepalingen van de richtlijn inzake de vergoeding bij de beëindiging van het contract of het herstel van het berokkende nadeel zodanig te beletten dat de vermogenssituatie van de handelsagent daardoor zou worden aangetast.
Daaruit volgt dat de artikelen 17 en 18 niet opzij mogen worden gezet ten faveure van voorschriften die voor de handelsagent minder gunstig zijn. Daarentegen zou iedere andere bepaling die geen tegenhanger in de richtlijn heeft, boven de richtlijn kunnen prevaleren wanneer werd aangetoond dat zij in het voordeel van de handelsagent is.
76. Er blijft echter nog een uitleggingsprobleem over dat tot oplossing dient te worden gebracht, wanneer men de exacte betekenis van artikel 19 wil vaststellen.
77. Dat de partijen niet van de artikelen 17 en 18 mogen afwijken voordat de overeenkomst is beëindigd", geeft mij aanleiding tot de vraag of een uitlegging a contrario van deze bepaling relevant kan zijn. Wordt artikel 19 aldus uitgelegd, dan lijkt daaruit te volgen dat aan de in die artikelen neergelegde voorschriften mag worden voorbijgegaan wanneer het contract is beëindigd.
Aldus opgevat, zou artikel 19 elke afwijking van de vergoedingsregeling van de richtlijn tijdens de looptijd van de agentuurovereenkomst verbieden. Daarentegen zouden de partijen, nadat het contract is beëindigd, een voor de handelsagent minder gunstige regeling mogen overeenkomen en zelfs de principaal van iedere vergoedingsverplichting mogen ontslaan.
Een dergelijke uitlegging komt mij niet plausibel voor. Er valt immers moeilijk in te zien wat een handelsagent ertoe zou kunnen bewegen afstand te doen van zijn recht op vergoeding in een situatie waarin hij per definitie bevrijd is van elke verplichting jegens zijn principaal, aangezien het contract is beëindigd. Omgekeerd zou, wanneer bij de beëindiging van het contract zou worden onderhandeld over de verlenging ervan, de erkenning van een recht om af te wijken van de vergoedingsregeling van de richtlijn, erop neerkomen dat van artikel 19 gewoonweg een dode letter werd gemaakt.
78. Bijgevolg moet artikel 19 aldus worden verstaan dat het zich ertegen verzet dat de contracterende partijen de vergoedingsregeling van de artikelen 17 en 18 van de richtlijn vervangen door vergoedingsmodaliteiten die minder gunstig zijn dan in de richtlijn voorgeschreven. Dit geldt ongeacht de herkomst van de door partijen gekozen regeling, aangezien de tekst van artikel 19 in dit opzicht geen onderscheid maakt tussen de rechtsnormen van een derde land en die welke ab initio door de partijen zelf zijn opgesteld.
79. De algemene systematiek van de richtlijn bevestigt het dwingend karakter van deze bepaling.
80. Er zij aan herinnerd dat richtlijnen verbindend zijn ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd zijn, doch aan de nationale instanties de bevoegdheid wordt gelaten vorm en middelen te kiezen [artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag (thans artikel 249, derde alinea, EG)]. De bindende kracht van de inhoud ervan kan echter gradaties bevatten.
81. Uit lezing van de richtlijn blijkt dat in dit opzicht twee soorten bepalingen kunnen worden onderscheiden.
82. De eerste categorie bevat voorschriften waarvan kan worden afgeweken. Zij kunnen gelden wanneer tussen partijen geen overeenkomst bestaat en onverminderd de dwingende normen van nationaal recht.
Dat is bijvoorbeeld het geval met het bepaalde in artikel 6, lid 1, van de richtlijn, waarin criteria worden vastgesteld voor de berekening van de beloning van de handelsagent door te verwijzen naar de in de plaats waar hij zijn werkzaamheden verricht geldende gebruiken bij de vertegenwoordiging van de goederen waarop de agentuurovereenkomst betrekking heeft". Hetzelfde geldt voor artikel 13, waaruit volgt dat, zoals het Hof heeft opgemerkt, voor de agentuurovereenkomst geen bepaalde vorm is voorgeschreven, maar de lidstaten bevoegd zijn de schriftelijke vorm te verlangen. Ook kan elke partij van de andere op verzoek een ondertekend geschrift verkrijgen.
Deze bepalingen verlenen de lidstaten soms een afwijkingsbevoegdheid waarover de contractpartijen niet tegelijkertijd beschikken. Zo behoudt artikel 2, lid 2, van de richtlijn elke lidstaat het recht voor te bepalen dat de richtlijn niet van toepassing is op personen die de werkzaamheden van handelsagent als een nevenberoep uitoefenen volgens de wetgeving van deze lidstaat".
83. Dit zijn normen ten aanzien waarvan de communautaire wetgever er bewust voor heeft geopteerd om ze aan de vrije beoordeling van de nationale autoriteiten over te laten. Zij vallen onder de soevereine bevoegdheid van de lidstaten bij de uitoefening van hun omzettingstaak. Als zodanig weerspiegelen zij de vrijheid van de lidstaten om de middelen te kiezen ter verwezenlijking van de in de richtlijn vastgestelde doelstellingen.
84. Opgemerkt dient te worden dat volgens het Hof de richtlijn, telkens wanneer zij de lidstaten de bevoegdheid laat om van de bepalingen ervan af te wijken, dit uitdrukkelijk vermeldt. De lidstaten mogen dus naar believen van sommige bepalingen van de richtlijn afwijken of deze aanvullen.
85. Men mag dus ervan uitgaan dat aan die eerste groep normen dezelfde gedachte ten grondslag ligt, die zou kunnen worden gekwalificeerd als een aanvulling naar wens", met dien verstande dat het gaat om de wens hetzij van de partijen hetzij van de lidstaten, waarvoor natuurlijk andere beweegredenen gelden.
86. Een tweede groep die mijns inziens dient te worden afgebakend, omvat voorschriften van dwingende aard. Daarin is van afwijkingsbevoegdheid geen sprake, maar wordt integendeel duidelijk geregeld dat partijen geen enkele uitzondering mogen maken.
87. Artikel 19 van de richtlijn behoort tot deze categorie van dwingende voorschriften, zoals ondubbelzinnig blijkt uit het daarin vervatte verbod van de artikelen 17 en 18 af te wijken.
88. Daarbij komt dat, zoals het Verenigd Koninkrijk terecht heeft beklemtoond, een dergelijke kwalificatie overeenstemt met hetgeen is bepaald in artikel 7, lid 2, van het Verdrag van Rome, dat luidt als volgt: Dit Verdrag laat de toepassing onverlet van de bepalingen van het recht van het land van de rechter die ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht, het geval dwingend beheersen".
89. Artikel 19 van de richtlijn kan immers worden vergeleken met de categorie wetten die in het internationaal recht worden gekwalificeerd als voorrangsregels" (lois de police"), waarmee wordt bedoeld (...) het mechanisme voor toepassing van een nationale regel op een internationale situatie overeenkomstig de wil om te worden toegepast en ongeacht de aanwijzing daarvan door een conflictregel".
90. Artikel 19 van de richtlijn schrijft de toepassing voor van dwingendrechtelijke bepalingen ongeacht elke tegengestelde keuze, zelfs wanneer die keuze, zoals in casu, de aanwijzing van het recht van een derde land zou inhouden.
91. De belangen die de betrokken bepalingen beogen te beschermen, te weten de mededinging op het grondgebied van de Gemeenschap en de bescherming van handelsagenten die daar hun werkzaamheden uitoefenen, liggen ten grondslag aan de wil die de communautaire wetgever met vastberadenheid tot uitdrukking heeft gebracht om deze bepalingen te doen prevaleren boven elke daarmee in strijd zijnde wilsuiting van de contractpartijen. De conclusie dient derhalve in deze zin te luiden.
Conclusie
92. Mitsdien geeft ik het Hof in overweging de door de Court of Appeal gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, moet aldus worden uitgelegd dat volgens artikel 19 van die richtlijn de artikelen 17 en 18 van toepassing zijn op een overeenkomst waarmee een principaal een op het grondgebied van een lidstaat van de Gemeenschap gevestigde handelsagent heeft belast met de exclusieve verkoop van zijn producten op het communautaire grondgebied, ook wanneer de principaal een op het grondgebied van een derde land gevestigde entiteit is en de contracterende partijen uitdrukkelijk het recht van dit derde land op de overeenkomst van toepassing hebben verklaard."
Full & Egal Universal Law Academy