Conclusie van de advocaat generaal
1. De onderhavige hogere voorziening maakt deel uit van een reeks gedingen die in het kader van het communautaire ambtenarenrecht naar aanleiding van het arrest van het Gerecht van 5 oktober 1995, Alexopoulou/Commissie, zijn gerezen.
Gevaert (hierna: rekwirant"), ambtenaar van de Commissie, verzoekt het Hof de beschikking van het Gerecht van 19 augustus 1998 te vernietigen, voorzover hierbij zijn beroep tegen het besluit van de Commissie houdende afwijzing van zijn verzoek tot herziening van zijn indeling in rang, is verworpen.
I - Juridische en feitelijke context
2. Artikel 31 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Statuut") regelt de indeling van ambtenaren bij hun aanstelling.
Artikel 31, lid 1, bepaalt dat de door de instellingen gekozen kandidaten in de aanvangsrang van hun categorie of groep worden aangesteld. Volgens artikel 31, lid 2, kan het tot aanstelling bevoegde gezag (hierna: TABG") voor een bepaald deel van de te bezetten posten van deze bepaling afwijken.
3. De artikelen 90 en 91 van het Statuut hebben betrekking op de rechtsmiddelen waarover de ambtenaren beschikken.
Artikel 90, lid 1, bepaalt dat iedere in [het] Statuut genoemde persoon [...] bij het [TABG] een verzoek [kan] indienen om jegens hem een besluit te nemen".
Volgens artikel 90, lid 2, kan iedere in [het] Statuut genoemde persoon [...] bij het [TABG] een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, hetzij omdat dit gezag een besluit heeft genomen, dan wel omdat het geen, bij het Statuut verplichte maatregel heeft genomen. De klacht moet binnen een termijn van drie maanden worden ingediend."
Artikel 91, lid 2, ten slotte bepaalt dat een beroep op het [Gerecht van eerste aanleg] slechts ontvankelijk [is] indien men zich van tevoren tot het [TABG] heeft gewend met een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, en binnen de aldaar gestelde termijn [...]".
4. Op 1 september 1983 stelde de Commissie een besluit vast inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving (hierna: besluit van 1 september 1983"). Artikel 2, lid 1, van dit besluit bepaalde:
Het [TABG] stelt de ambtenaar op proef aan in de aanvangsrang van de loopbaan waarvoor hij is aangeworven."
5. In 1995 stelde Alexopoulou, een ambtenaar van de Commissie die op basis van bovengenoemd besluit in de aanvangsrang van haar categorie was ingedeeld, beroep in bij het Gerecht. Aangezien zij van mening was dat zij uitzonderlijke kundigheden bezat, verzocht zij om nietigverklaring van het besluit van de Commissie houdende weigering om haar in een hogere dan de aanvangsrang in te delen.
In het arrest Alexopulou herinnerde het Gerecht eraan dat de administratie bij de indeling van ambtenaren in rang op basis van artikel 31, lid 2, van het Statuut over een ruime discretionaire bevoegdheid" beschikt. In bijzondere omstandigheden, zoals in het geval van een kandidaat met uitzonderlijke kundigheden, dient het TABG evenwel in concreto te beoordelen, of die bepaling moet worden toegepast.
Het Gerecht voegde eraan toe: Dit geldt vooral wanneer de specifieke behoeften van de dienst de aanstelling van een bijzonder kundige persoon vereisen en derhalve toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut rechtvaardigen [...] of wanneer de aangeworven persoon uitzonderlijke kundigheden bezit en om toepassing van die bepalingen verzoekt."
Verder verwierp het Gerecht het argument van de Commissie dat zij met het besluit van 1 september 1983 afstand had gedaan van de haar bij artikel 31, lid 2, van het Statuut verleende discretionaire bevoegdheid. Het achtte dit besluit onverenigbaar met het Statuut voorzover het TABG hierbij de mogelijkheid werd ontnomen een ambtenaar in een hogere dan de aanvangsrang aan te stellen.
Het Gerecht stelde dan ook vast dat de Commissie bij de benoeming van Alexopoulou blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De Commissie had immers geweigerd verzoekster in een hogere rang in te delen op de enkele grond dat het besluit van 1 september 1983 een dergelijke mogelijkheid uitsloot, zonder de kwalificaties van Alexopoulou overeenkomstig artikel 31, lid 2, van het Statuut in concreto te beoordelen.
6. Om te voldoen aan het arrest Alexopoulou heeft de Commissie haar besluit van 1 september 1983 gewijzigd bij een tweede besluit van 7 februari 1996, gepubliceerd in de Mededelingen van de Administratie van 27 maart 1996 (hierna: besluit van 7 februari 1996"). Voortaan luidt artikel 2 van eerstgenoemd besluit als volgt:
Het [TABG] stelt de ambtenaar op proef aan in de aanvangsrang van de loopbaan waarvoor hij is aangeworven.
Bij wijze van uitzondering kan het [TABG] besluiten de ambtenaar op proef in een hogere rang van de loopbaan in te delen, wanneer het dienstbelang de aanwerving vereist van een bijzonder gekwalificeerd ambtenaar of wanneer de aangeworven ambtenaar over buitengewone kwalificaties beschikt.
Dit besluit treedt in werking op 5 oktober 1995 (datum van het arrest van het Gerecht)."
7. Het arrest Alexopoulou werd door vele ambtenaren van de Commissie beschouwd als een belangrijke ommekeer in de rechtspraak. In de maanden na de uitspraak dienden zo'n 950 ambtenaren op basis van artikel 31, lid 2, van het Statuut een verzoek tot herziening van hun indeling in rang in. Vervolgens werden bij het Gerecht van eerste aanleg meer dan 80 beroepen ingesteld.
Bij de behandeling van deze zaken maakte het Gerecht in wezen een onderscheid tussen twee categorieën beroepen:
a) de beroepen van de ambtenaren die hun verzoek tot herindeling hadden ingediend meer dan drie maanden nadat het besluit betreffende hun definitieve indeling in rang was vastgesteld (eerste categorie), en
b) de beroepen van de ambtenaren die het indelingsbesluit binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn van drie maanden hadden aangevochten (tweede categorie).
Met betrekking tot de eerste categorie beroepen heeft het Gerecht in een aantal beschikkingen geoordeeld dat de verzoekers niet meer tegen het indelingsbesluit konden opkomen. Het stelde vast dat de verzoekers niet het bewijs hadden geleverd van nieuwe en wezenlijke feiten die de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde klacht- en beroepstermijnen opnieuw konden doen ingaan.
In een andere reeks beslissingen heeft het Gerecht een aantal beroepen van de tweede categorie ongegrond verklaard. Daarbij overwoog het in wezen dat geen van de door de verzoekers aangevoerde argumenten de conclusie wettigden dat het TABG, door hun verzoek tot herindeling af te wijzen, een kennelijke fout had begaan bij de uitoefening van de hem bij artikel 31, lid 2, van het Statuut verleende beoordelingsbevoegdheid.
8. Het door Gevaert bij het Gerecht van eerste aanleg ingestelde beroep behoorde tot de eerste categorie.
II - Feiten en procesverloop
9. Volgens de bestreden beschikking is rekwirant op 18 januari 1995 aangesteld als ambtenaar op proef van de Commissie met indeling in de rang B 5. Per 1 juni 1995 is hij in vaste dienst aangesteld in zijn ambt.
10. Op 24 juni 1996, kort na de bekendmaking van het besluit van 7 februari 1996, heeft rekwirant op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut een verzoek tot herziening van zijn indeling in rang ingediend.
11. Op 26 augustus 1996 heeft de Commissie dit verzoek afgewezen op grond dat het meer dan drie maanden na het aanvankelijke indelingsbesluit was ingediend.
12. Op 25 november 1996 diende verzoeker op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in, die door de Commissie werd afgewezen bij besluit van 3 februari 1997.
13. Op 23 mei 1997 stelde rekwirant beroep in bij het Gerecht. Hij vorderde de nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 26 augustus 1996 waarbij zijn verzoek tot herindeling in rang was afgewezen.
14. Op 14 november 1997 heeft het Gerecht de partijen in het onderhavige geding, alsook de partijen in vele andere herindelingszaken" uitgenodigd voor een informele vergadering met de rechter-rapporteur. Na deze vergadering hebben de meeste verzoekers de zaak Gevaert/Commissie als pilootzaak" aangewezen.
15. Bij akte, neergelegd op 26 februari 1998, heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
Tot staving van deze exceptie voerde de Commissie aan dat rekwirant niet binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn van drie maanden een klacht had ingediend tegen de handeling waardoor hij zich bezwaard achtte, namelijk het besluit van het TABG van 18 januari 1995 betreffende zijn definitieve indeling. De Commissie voegde hieraan toe dat noch het arrest Alexopoulou, noch het besluit van 7 februari 1996 een nieuw en wezenlijk feit vormde dat de klachttermijn opnieuw kon doen ingaan.
III - De bestreden beschikking
16. Voor het Gerecht beklemtoonde rekwirant dat zijn verzoek tot herindeling niet gericht was tegen het besluit van het TABG betreffende zijn aanvankelijke indeling, maar integendeel ertoe strekte zijn kwalificaties te laten onderzoeken met het oog op een herziening van zijn huidige indeling. Zijn verzoek had dus enkel betrekking op een eventuele toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut en dus op een verhoging van zijn rang na het besluit van 7 februari 1996.
Rekwirant betoogde dat in die omstandigheden niet behoefde te worden nagegaan of er een nieuw feit bestond dat de termijn om tegen de aanvankelijke indeling een klacht in te dienen, opnieuw kon doen ingaan. In elk geval vormde het besluit van 7 februari 1996 een dergelijk nieuw en wezenlijk feit.
Rekwirant stelde verder dat het besluit van 7 februari 1996 een nieuwe situatie in het leven had geroepen voor alle ambtenaren die tussen 1 september 1983 en 5 oktober 1995 in dienst waren getreden en waren ingedeeld volgens criteria die door het arrest Alexopoulou onwettig waren verklaard. Hij kon derhalve krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut een verzoek tot herziening van zijn indeling met ingang van 5 oktober 1995 indienen.
Ten slotte was rekwirant van mening dat de Commissie, door te weigeren zijn indeling in rang te herzien, haar zorgplicht niet was nagekomen en het in artikel 5, lid 3, van het Statuut neergelegde gelijkheidsbeginsel had geschonden.
17. In de bestreden beschikking overwoog het Gerecht het volgende:
32 Volgens vaste rechtspraak zijn de klacht- en beroepstermijnen van de artikelen 90 en 91 van het Statuut van openbare orde en kunnen zij niet naar believen van de partijen of de rechter worden ingeroepen [...]
33 Vaststaat dat verzoeker niet binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn van drie maanden een klacht heeft ingediend tegen het besluit van het TABG van 18 januari 1995 betreffende zijn indeling bij aanwerving. Bijgevolg is verzoekers indeling in rang definitief geworden bij het verstrijken van de klachttermijn, te weten op 31 augustus 1995, daar verzoeker de ontvangst van het besluit van het TABG heeft bevestigd op 31 mei 1995 [...]
34 Zoals de gemeenschapsrechter reeds heeft geoordeeld, kan een ambtenaar de voorwaarden van zijn aanvankelijke aanstelling niet betwisten nadat deze definitief is geworden [...]
35 Het verzoek [tot herindeling] van 24 juni 1996 strekt er juist toe de aanvankelijke aanwervingsvoorwaarden van verzoeker, met name zijn indeling in rang, op de helling te zetten. Uit het verzoek blijkt dat verzoeker van mening was dat hij ,voldoende ervaring en kwalificaties [had] om herziening van [zijn] werkelijke indeling aan te vragen [...] Artikel 31, lid 2, van het Statuut heeft evenwel betrekking op de aanvankelijke indeling in rang bij aanwerving. Ook al zou het verzoek, zoals verzoeker stelt, aldus dienen te worden uitgelegd dat dit slechts strekte tot het verkrijgen van een herziening van zijn huidige indeling en niet van zijn indeling bij aanwerving, dat neemt niet weg dat dit verzoek op grond van artikel 31, lid 2, van het Statuut er noodzakelijkerwijs toe strekte zijn aanvankelijke aanwervingsvoorwaarden op de helling te zetten.
36 Ook al zou het verzoek [tot herindeling] van 24 juni 1996 restrictief moeten worden uitgelegd, zoals verzoeker stelt, [...] dat wil zeggen in die zin dat het er enkel toe strekte zijn kwalificaties te laten beoordelen met het oog op de eventuele toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut, dat neemt niet weg dat dit verzoek het besluit van het TABG van 18 januari 1995, dat definitief is geworden, indirect op de helling kan zetten.
37 Het is vaste rechtspraak dat, hoewel iedere ambtenaar krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut het TABG kan verzoeken jegens hem een besluit te nemen, dit de betrokkene niet het recht verleent, de klacht- en beroepstermijnen van de artikelen 90 en 91 te omzeilen door een vroeger besluit waartegen hij niet tijdig is opgekomen, via een verzoek indirect op de helling te zetten. Enkel een nieuw en wezenlijk feit kan een verzoek tot herziening van een dergelijk besluit rechtvaardigen [...]
38 In dit stadium van de redenering dient dus te worden nagegaan of verzoeker het bewijs heeft geleverd van een nieuw en wezenlijk feit op basis waarvan hij na het verstrijken van de klachttermijn een verzoek tot herindeling zou kunnen indienen.
39 Het besluit van 7 februari 1996 houdende wijziging van het algemene besluit van 1 september 1983 is naar zijn aard en juridische draagwijdte geen nieuw feit. Dit besluit had noch als doel, noch als gevolg, administratieve besluiten die voor de inwerkingtreding ervan definitief waren geworden, op de helling te zetten [...]
40 In deze context zij opgemerkt dat de vaststelling van de datum van inwerkingtreding van het besluit van 7 februari 1996 op 5 oktober 1995 (de dag van uitspraak van het arrest Alexopoulou) betekent dat het besluit alleen geldt voor na 5 oktober 1995 aangeworven ambtenaren. Zoals reeds gezegd (zie punt 34 hierboven), heeft artikel 31, lid 2, van het Statuut immers betrekking op de indeling in rang bij de aanvankelijke aanstelling."
18. Het Gerecht heeft ook de argumenten van rekwirant inzake niet-nakoming van de zorgplicht en schending van het gelijkheidsbeginsel verworpen.
19. Bijgevolg heeft het het beroep van rekwirant niet-ontvankelijk verklaard.
IV - Hogere voorziening
20. Met de onderhavige hogere voorziening verzoekt Gevaert het Hof de bestreden beschikking te vernietigen en uitspraak te doen over de grond van de zaak. Hij verzoekt het Hof aldus het besluit van de Commissie van 26 augustus 1996 houdende afwijzing van zijn verzoek tot herziening van zijn indeling in rang nietig te verklaren en de verwerende instelling te verwijzen in de kosten van beide instanties.
21. De Commissie concludeert dat het het Hof behage de hogere voorziening af te wijzen en rekwirant te verwijzen in de kosten.
22. Tot staving van zijn hogere voorziening voert rekwirant drie middelen aan:
- onjuiste juridische kwalificatie van zijn verzoek tot herindeling;
- onjuiste juridische kwalificatie van het besluit van 7 februari 1996, schending van het gelijkheidsbeginsel en van artikel 5, lid 3, van het Statuut;
- gebrekkige motivering van de bestreden beschikking.
23. Ik zal deze drie middelen onderzoeken in de volgorde waarin zij zijn aangevoerd.
Het eerste middel: onjuiste juridische kwalificatie van het verzoek tot herindeling van rekwirant
24. Rekwirant verwijt het Gerecht onjuiste juridische kwalificatie van de feiten, voorzover het heeft geoordeeld dat zijn verzoek tot herindeling van 24 juni 1996 ertoe strekte zijn aanvankelijke aanwervingsvoorwaarden op de helling te zetten.
Hij herinnert eraan dat het betrokken verzoek niet gericht was tegen zijn aanvankelijke indeling, maar er integendeel toe strekte zijn kwalificaties te laten onderzoeken met het oog op een eventuele herziening van zijn huidige indeling met ingang van 5 oktober 1995.
Deze onjuiste juridische kwalificatie heeft directe gevolgen gehad, aangezien het Gerecht op basis hiervan heeft onderzocht of er een nieuw en wezenlijk feit bestond dat de termijn om een klacht in te dienen tegen het besluit van het TABG betreffende de aanvankelijke indeling van rekwirant opnieuw kon doen ingaan. In plaats daarvan had het Gerecht evenwel moeten nagaan of de omstandigheden sedert de vaststelling van dit indelingsbesluit wezenlijk waren gewijzigd. Volgens 's Hofs rechtspraak kon rekwirant immers krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut op basis van een dergelijke wijziging van de omstandigheden een verzoek tot herziening van zijn administratieve situatie indienen.
25. Volgens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG kan hogere voorziening bij het Hof alleen rechtsvragen betreffen. Verder bepaalt artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat het verzoekschrift in hogere voorziening de middelen en argumenten rechtens moet bevatten die de vordering van de rekwirant staven. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat:
Uit deze bepalingen volgt, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, bezwaar wordt gemaakt en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven."
Aldus heeft het Hof steeds niet-ontvankelijk verklaard de hogere voorziening [of de middelen] waarin [...] slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - met inbegrip van die welke zijn gebaseerd op met zoveel woorden door het Gerecht verworpen feiten - worden herhaald of letterlijk worden overgenomen". Naar het oordeel van het Hof [is] een dergelijke hogere voorziening [...] in feite niets anders dan een vordering tot heronderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift, hetgeen volgens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort [...]".
Meer in het bijzonder wijst het Hof als kennelijk niet-ontvankelijk af de hogere voorziening waarbij rekwirant [...] zich [beperkt] tot het herhalen van zijn kritiek op de argumenten die de Commissie voor het Gerecht heeft aangevoerd, en die het Gerecht als irrelevant heeft beschouwd".
26. In casu beperkt rekwirant zich juist tot het herhalen van de argumenten die hij voor het Gerecht had aangevoerd tegen de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid.
In zijn opmerkingen over deze exceptie van niet-ontvankelijkheid had rekwirant het standpunt van de Commissie immers samengevat als volgt:
De Commissie stelt dat verzoeker zowel met zijn verzoek tot herindeling als met het daaropvolgende beroep beoogt, zijn aanvankelijke indeling in rang, die meer dan drie maanden voordien was vastgesteld, op de helling te zetten. Volgens haar is deze betwisting dus tardief, bij gebreke van een nieuw feit dat de statutair vastgestelde en inmiddels verstreken klachttermijn opnieuw kan doen ingaan."
Onder verwijzing naar dezelfde rechtspraak als die welke hij ter ondersteuning van het onderhavige middel aanhaalt, antwoordde rekwirant hierop:
Het verzoek tot herindeling heeft niet tot doel het besluit betreffende de aanvankelijke indeling van verzoeker op de helling te zetten. Het strekt er enkel toe een beoordeling van zijn kwalificaties te verkrijgen met het oog op de eventuele herziening van zijn huidige indeling (zie in die zin arresten van 6 oktober 1982, Williams/Rekenkamer [...], punt 13, en 6 maart 1996, Becker/Rekenkamer, T-93/94, JurAmbt. blz. II-301, punten 6 en 10, waarin de kwestie van de ontvankelijkheid zelfs niet aan de orde is gesteld, noch door verweerster, noch ambtshalve door het Gerecht).
De vraag luidt dus niet of er een nieuw feit is dat de termijn om een klacht in te dienen tegen het aanvankelijke indelingsbesluit, opnieuw kan doen ingaan. Er dient enkel te worden nagegaan of verzoeker door de nieuwe indelingscriteria wordt benadeeld en welke de aard is van het besluit houdende afwijzing van zijn verzoek (zie punt 13 van het reeds aangehaalde arrest Williams)."
27. Aangezien rekwirant zich er in het eerste middel toe beperkt, de voor het Gerecht aangevoerde argumenten te herhalen, dient dit middel als kennelijk niet-ontvankelijk te worden afgewezen.
Het tweede middel: onjuiste juridische kwalificatie van het besluit van 7 februari 1996, schending van het gelijkheidsbeginsel en van artikel 5, lid 3, van het Statuut
28. Met zijn tweede middel verwijt rekwirant het Gerecht onjuiste juridische kwalificatie van de feiten voorzover het heeft geoordeeld dat het besluit van 7 februari 1996 geen nieuw en wezenlijk feit was dat de klacht- en beroepstermijnen van de artikelen 90 en 91 van het Statuut opnieuw kon doen ingaan. Verder verwijt rekwirant het Gerecht schending van het gelijkheidsbeginsel en van artikel 5, lid 3, van het Statuut.
29. In de vijf bladzijden van de hogere voorziening die aan het tweede middel zijn gewijd, beperkt rekwirant zich ertoe de voor het Gerecht aangevoerde argumenten letterlijk te herhalen.
Om de in punt 25 van deze conclusie genoemde redenen geef ik het Hof derhalve in overweging, het tweede middel als kennelijk niet-ontvankelijk af te wijzen.
Het derde middel: gebrekkige motivering van de bestreden beschikking
30. Met zijn derde middel stelt rekwirant dat de motivering van de bestreden beschikking een tegenstrijdigheid bevat.
In punt 39 van de beschikking heeft het Gerecht immers geoordeeld dat het besluit van 7 februari 1996 [...] geen nieuw feit [is, op grond dat] dit besluit [...] noch als doel, noch als gevolg [had], administratieve besluiten die voor de inwerkingtreding ervan definitief waren geworden, op de helling te zetten [...]". Onder definitieve besluiten" dient volgens rekwirant te worden verstaan indelingsbesluiten die niet binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn van drie maanden zijn betwist.
In punt 40 van de bestreden beschikking daarentegen heeft het Gerecht opgemerkt dat de vaststelling van de datum van inwerkingtreding van het besluit van 7 februari 1996 op 5 oktober 1995 (de dag van uitspraak van het arrest Alexopoulou) betekent dat het besluit alleen geldt voor na 5 oktober 1995 aangeworven ambtenaren". Rekwirant wijst erop dat, toen het besluit van 7 februari 1996 werd vastgesteld, de indelingsbesluiten met betrekking tot de ambtenaren die op 5 oktober 1995 waren aangeworven, eveneens definitief waren geworden, aangezien er tussen beide data meer dan drie maanden liggen.
Rekwirant verwijt het Gerecht aldus:
a) dat het hem de mogelijkheid heeft ontnomen - door zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren - om op te komen tegen het besluit met betrekking tot zijn indeling in rang op grond dat dit definitief was geworden, maar anderzijds
b) ambtenaren die na 5 oktober 1995 waren aangeworven, de mogelijkheid heeft geboden - door vast te stellen dat het besluit van 7 februari 1996 op hen van toepassing was - op te komen tegen de besluiten met betrekking tot hun indeling in rang, terwijl die besluiten evengoed definitief waren geworden.
31. Zoals reeds gezegd, heeft rekwirant in het kader van het eerste middel niets aangevoerd dat de conclusie wettigt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat zijn verzoek tot herindeling ertoe strekte, zijn aanvankelijke indeling op de helling te zetten. Verder heeft rekwirant ter ondersteuning van het tweede middel geen enkel argument aangevoerd dat de overweging van het Gerecht, dat het besluit van 7 februari 1996 geen nieuw en wezenlijk feit was dat de statutaire klacht- en beroepstermijnen met betrekking tot deze indeling opnieuw kon doen ingaan, kan ontkrachten. Er dient dan ook te worden geconcludeerd dat er zich geen nieuw feit heeft voorgedaan op basis waarvan rekwirant het besluit van het TABG van 18 januari 1995 betreffende zijn aanvankelijke indeling kan betwisten.
Zoals het Hof recentelijk in herinnering heeft gebracht, [is] het [...] vaste rechtspraak dat na het verstrijken van de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde termijnen enkel om herziening van een besluit kan worden verzocht wanneer zich nieuwe en wezenlijke feiten voordoen".
Zelfs indien het Gerecht zichzelf zou hebben tegengesproken door vast te stellen dat het besluit van 7 februari 1996 van toepassing is op de na 5 oktober 1995 aangeworven ambtenaren, zou de vernietiging van de bestreden beschikking op dit punt rekwirant dus nog niet het recht verlenen om een verzoek tot herindeling in te dienen. Aangezien rekwirant niet heeft aangetoond dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het enige element op basis waarvan hij na het verstrijken van de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn van drie maanden een verzoek tot herziening van het besluit betreffende zijn definitieve indeling in rang zou kunnen indienen, zou de vernietiging van de bestreden beschikking op het in dit middel betwiste punt rekwirant dus niets opleveren.
32. Ik ben bijgevolg van mening dat het derde middel van de hogere voorziening niet ter zake dienend is. Ik geef het Hof dan ook in overweging, het als zodanig af te wijzen.
De kosten
33. Ingevolge de artikelen 69, lid 2, en 118 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Volgens artikel 70 van het Reglement blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste. Ingevolge artikel 122, tweede alinea, van het Reglement is artikel 70 evenwel niet van toepassing op de hogere voorziening ingesteld door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling tegen deze laatste. Aangezien rekwirant in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
Conclusie
34. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) rekwirant te verwijzen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy