Conclusie van de advocaat generaal
1. Krachtens een arbitragebeding op basis van artikel 181 EG-Verdrag (thans artikel 238 EG), overeengekomen in een subsidieovereenkomst gesloten in 1985 met de vennootschap naar Grieks recht Nea Energeiaki Technologia EPE, verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof om NET te veroordelen tot terugbetaling van de volledige bijdrage die haar is betaald, vermeerderd met contractuele en wettelijke rente. De Commissie baseert haar eis op artikel 9 van de overeenkomst en artikel 147 van het Griekse burgerlijk wetboek.
2. Levert het feit dat een contractpartij heeft nagelaten aan haar medecontractant aan te geven dat haar financiële situatie op het moment waarop zij een akkoord wilde aangaan, haar niet in staat stelde om het aldus gewenste akkoord te honoreren, naar Grieks recht bedrog op? Dat is in wezen de rechtsvraag die het Hof ter beoordeling is voorgelegd.
3. Aangezien het een privaatrechtelijk geschil betreft en de uitkomst slechts voor bovengenoemde partijen van belang is, beperk ik mij tot de beschrijving van het juridisch, feitelijk en procedureel kader en tot de argumenten van partijen over elementen die strikt noodzakelijk zijn voor mijn argumentatie. Voor een meer uitgebreide weergave van die elementen moge ik partijen verwijzen naar het rapport ter terechtzitting, dat aan hen is betekend.
I - Het juridisch kader
De overeenkomst
4. Artikel 1 en bijlage I, A, sub 1 en 2, van de overeenkomst bepalen dat NET zich verbindt een project genaamd Nisos Kea" tot stand te brengen met als doel:
- een windgenerator met een vermogen van 300 kW op een Grieks eiland te plaatsen, uiterlijk op 1 januari 1986;
- de demonstratie van de werking van dat systeem te waarborgen gedurende twee jaar te rekenen vanaf 1 januari 1986;
- de windgenerator daarna voor commerciële exploitatie aan de gebruikers te leveren op 1 april 1988.
5. Artikel 3 van de overeenkomst bepaalt de financiële steun van de Gemeenschap op 40 % van de door de Commissie gecontroleerde en goedgekeurde daadwerkelijke uitgaven in verband met het project, met een maximumbedrag van 46 000 000 GDR, belasting niet inbegrepen.
6. Volgens bijlage II, deel I, lid 1, sub a, eerste en tweede alinea, van de overeenkomst moest de Commissie binnen dertig dagen te rekenen van de ondertekening van de overeenkomst aan NET een voorschot storten van 13 800 000 GDR, gelijk aan 30 % van het maximumbedrag van de financiële steun. Volgens die bepaling mochten dat voorschot evenals de rente erover enkel voor de verwezenlijking van bedoeld project worden aangewend.
7. Artikel 8 van de overeenkomst luidt als volgt:
Indien de contractpartij een van de krachtens deze overeenkomst op haar rustende verplichtingen niet nakomt, kan de Commissie de overeenkomst zonder rechterlijke tussenkomst opzeggen, na een per aangetekende brief met ontvangstbewijs ter kennis gebrachte ingebrekestelling waaraan binnen een termijn van één maand geen gevolg is gegeven. De overeenkomst kan eveneens worden opgezegd ingeval de contractpartij, om de financiële bijdrage te verkrijgen, valse verklaringen heeft afgelegd, voorzover die aan haar toe te schrijven zijn. In dat geval moet de contractpartij de als financiële bijdrage uitgekeerde bedragen onmiddellijk aan de Commissie terugbetalen. Het rentetarief is dat van de Europese Investeringsbank, geldend op de datum van de beslissing van de Commissie betreffende de toekenning van de financiële bijdrage aan het project."
8. Artikel 9 van de overeenkomst bepaalt:
Elk van de contractpartijen kan de onderhavige overeenkomst met inachtneming van een termijn van twee maanden ontbinden, indien de voortzetting van het in bijlage I vervatte werkprogramma zonder belang is geworden, bijvoorbeeld wanneer technische of financiële moeilijkheden betreffende het project worden voorzien of omdat de geschatte kostprijs van het project ruim is overschreden. In dat geval kan de Commissie gehele of gedeeltelijke terugbetaling vorderen van de als steun gestorte bedragen, vermeerderd met rente vanaf de datum van ontbinding van de overeenkomst, als het programma in het bereikte stadium resultaten heeft opgeleverd die commercieel kunnen worden benut. Het rentetarief is dat van de EIB, geldend op de datum van de beslissing van de Commissie over de toekenning van de financiële bijdrage aan het project. De terugbetaling moet geschieden op de in de leden 2.1 en 2.2 van bijlage II vastgestelde wijze."
9. Volgens artikel 13 van de overeenkomst zal elk geschil over de geldigheid, de uitlegging en de uitvoering van de overeenkomst aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden voorgelegd. Luidens artikel 14 wordt de overeenkomst door Grieks recht beheerst.
Het Griekse recht
10. Artikel 147 van het burgerlijk wetboek bepaalt:
Degene die door bedrog tot een wilsverklaring is gebracht, kan nietigverklaring van de handeling vorderen. Ingeval de verklaring tot een andere persoon is gericht en het bedrog door een derde werd gepleegd, kan slechts nietigverklaring worden gevorderd indien degene aan wie de verklaring werd gedaan of elke andere persoon die er rechtstreeks rechten door heeft verworven, van het bedrog op de hoogte was of had moeten zijn."
11. Artikel 157 van het burgerlijk wetboek bepaalt:
Het recht om nietigverklaring te vorderen eindigt na verloop van twee jaar te rekenen vanaf de rechtshandeling. Als de dwaling, het bedrog of de bedreigingen na de handeling hebben voortgeduurd, gaat de termijn van twee jaar in op de dag waarop aan die situatie een einde is gekomen. Hoe dan ook is de vordering tot nietigverklaring niet meer ontvankelijk na verloop van 20 jaar na de handeling."
12. Artikel 249 van het burgerlijk wetboek luidt:
De verjaringstermijn voor aanspraken bedraagt 20 jaar, behoudens andersluidende bepaling."
13. Artikel 345 van het burgerlijk wetboek bepaalt:
Bij geldschulden heeft de schuldeiser het recht, ingeval van ingebrekestelling, de bij de wet of de rechtshandeling vastgestelde vertragingsrente te eisen, zonder schade aan te moeten tonen. De schuldeiser die bovendien het bewijs levert van andere reële schade kan ook daarvan vergoeding eisen, behoudens andersluidende wettelijk bepalingen."
14. Artikel 346 van het burgerlijk wetboek bepaalt:
De schuldenaar van een geldsom is gehouden tot voldoening van de wettelijke rente, ook als hij niet in gebreke is gesteld, vanaf de kennisgeving van de vordering in rechte met betrekking tot de opeisbare schuld."
II - De feiten
15. Overeenkomstig de bepalingen van de overeenkomst heeft de Commissie aan NET op 16 juli 1985 een bedrag van 13 800 000 GDR uitgekeerd als voorschot op de overeengekomen financiële steun.
16. Daar zij vaststelde, dat sinds de ondertekening van de overeenkomst tot het jaar 1988 geen der bij de overeenkomst vastgestelde stadia van uitvoering van het project was bereikt, heeft de Commissie meermaals aan NET gevraagd:
- haar verbintenissen na te komen
- de werkzaamheden aan te vatten, en
- aan de Commissie een verslag te zenden over de vooruitgang van de werkzaamheden, alsmede kopieën van de voor de uitvoering van het project vereiste vergunningen.
17. In antwoord op die verschillende verzoeken heeft NET telkens aangegeven dat de werkzaamheden spoedig zouden aanvangen, zonder echter de door de Commissie gevraagde documenten op te sturen.
18. Bij brief van 22 februari 1989 heeft de Commissie NET gewaarschuwd dat zij besloten had artikel 8 van de overeenkomst toe te passen en dat zij NET bijgevolg een maand de tijd gaf om aan haar verplichtingen te voldoen, bij gebreke waarvan de overeenkomst zou worden ontbonden.
19. Na afloop van de aldus gestelde termijn heeft de Commissie op 17 mei 1989 een invorderingsopdracht doen uitgaan. Aangezien daaraan geen gevolg werd gegeven, heeft zij NET bij aangetekende brief van 23 januari 1990 aangemaand, haar schuld binnen een termijn van vijftien dagen terug te betalen.
20. Bij brief van 26 juni 1989 en bij aanvullende brief van 21 september 1989 heeft NET geantwoord op de brief van de Commissie van 22 februari 1989. In die brieven heeft NET de redenen vermeld waarom het project niet had kunnen worden afgerond, en aangegeven dat zij belangrijke kosten had moeten maken in het kader van de voorbereidende werken die nodig waren voor de realisering van het project.
21. Derhalve stelde zij voor, dat die kosten van haar schuld werden afgeboekt. Zij heeft voorts toestemming gevraagd om een bedrag van 10 000 000 GDR terug te betalen, dat nog beschikbaar was van de door de Commissie gestorte bedragen, en gevraagd dat de overeenkomst met toepassing van artikel 9 daarvan zou worden beëindigd.
22. De Commissie heeft het voorstel van NET aanvaard en op 27 maart 1990 een invorderingsopdracht doen uitgaan voor een bedrag van 9 257 051 GDR, vermeerderd met bankrente van 241 500 GDR, dus in totaal 9 498 551 GDR. Zij heeft een betalingstermijn vastgesteld die op 15 mei 1990 verstreek.
23. Dat bedrag is ondanks veelvuldige verzoeken van de Commissie niet door NET betaald.
24. Op 29 mei 1998 heeft NET aan de Commissie medegedeeld dat zij niet in staat was de gevraagde bedragen te betalen. Zij heeft bovendien onthuld dat zij reeds lang in liquidatie was. Zij verzocht opnieuw om uitstel en stelde aan de Commissie voor, de betaling van een bedrag van 4 000 000 GDR te aanvaarden.
III - Conclusies van partijen
25. In haar verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 november 1998, concludeert de Commissie dat het den Hove behage:
- het verzoek in zijn geheel toe te wijzen;
- NET te veroordelen tot betaling aan de Commissie van het volle bedrag van de financiële bijdrage die zij van de Gemeenschap heeft ontvangen en te oordelen dat de door de Commissie aanvaarde schikking nietig is als zijnde op bedrieglijke wijze tot stand gekomen, dat wil zeggen NET te veroordelen tot betaling van de volledige hoofdschuld van 13 800 000 GDR, vermeerderd met de rente die, volgens de bepalingen van de overeenkomst, op het moment van kennisgeving van het onderhavige beroep 24 382 218 GDR bedraagt, zijnde in totaal een bedrag van 38 182 218 GDR, vermeerderd met de overeenkomstig de Griekse wetgeving verschuldigde vertragingsrente, te rekenen vanaf de kennisgeving aan verweerster van het onderhavige beroep tot de volledige voldoening van de schuld, althans de rente volgens het tarief van de EIB over het tijdvak vanaf de dag van indiening van het onderhavige verzoekschrift tot de volledige voldoening van de schuld door NET;
- subsidiair, NET te veroordelen tot betaling aan de Commissie van het bedrag voortvloeiend uit de in punt 19 van deze conclusie vermelde schikking, zijnde 9 498 551 GDR, alsmede de rente over de hoofdsom (9 257 051 GDR), die, volgens de bepalingen van de overeenkomst, op de datum van kennisgeving van het onderhavige beroep 14 643 006 GDR bedraagt, zijnde in totaal een bedrag van 24 141 557 GDR, vermeerderd met de ingevolge de Griekse wetgeving verschuldigde wettelijke rente, vanaf de dag van de kennisgeving van het beroep tot aan de voldoening van de schuld, althans de op basis van het tarief van de EIB berekende rente over het tijdvak vanaf de dag van de indiening van het onderhavige verzoekschrift tot aan de volledige voldoening van de schuld door verweerster;
- verweerster in beide gevallen te verwijzen in de door de Commissie gemaakte kosten, de honoraria van haar mandatarissen daaronder begrepen."
26. NET concludeert dat het den Hove behage:
- het beroep in zijn geheel te verwerpen;
- geheel subsidiair, haar te veroordelen tot betaling aan de Commissie van 3 986 515 GDR, zonder rente;
- de Commissie te verwijzen in de kosten van NET, de honoraria van haar raadsman daaronder begrepen."
IV - De primaire vordering van de Commissie
Argumenten van partijen
27. De Commissie betoogt, het voorstel tot schikking van NET te hebben aanvaard op basis van de verklaring van deze laatste dat zij een bedrag van 10 000 000 GDR beschikbaar stelde. Dat bedrag was volgens NET het saldo van het door haar ontvangen voorschot van 13 800 000 GDR. De aanvaarding van dat voorstel geschiedde onder de stilzwijgende maar duidelijke en onbetwistbare ontbindende voorwaarde dat voormeld bedrag daadwerkelijk zou worden gestort.
28. Verzoekster baseert haar aanspraken op de brief van NET van 29 mei 1998. Zij gaat er inderdaad van uit, dat uit die brief voortvloeit dat NET, op het moment waarop zij haar voorstel deed, duidelijk niet het voornemen had om een deel van het ontvangen voorschot terug te betalen, maar dat haar enige doel was verzoekster te bedriegen teneinde uitstel van betaling en tenslotte een vermindering van het bedrag van haar schuld te verkrijgen. In het kader van die strategie heeft NET bewust nagelaten de Commissie op de hoogte te brengen van haar vereffening.
29. Uit het voorgaande leidt de Commissie af dat haar aanvaarding van de door NET voorgestelde schikking en de daaruit voortvloeiende vermindering van de schuldvordering van de Gemeenschap nietig zijn. De Commissie is van mening, het slachtoffer te zijn geworden van bedrog van NET, in de zin van artikel 147 van het burgerlijk wetboek. Derhalve eist zij dat de overeenkomst als van nul en gener waarde wordt beschouwd en dat verweerster wordt veroordeeld tot terugbetaling van het volledige bedrag van het uitgekeerde voorschot, gelijk aan 13 800 000 GDR vermeerderd met zowel contractuele rente als wettelijke vertragingsrente.
30. NET betwist dat het tussen partijen gesloten akkoord het gevolg is van bedrog van haar kant.
31. Verweerster voert immers aan, dat de bereidheid het bedrag van 10 000 000 GDR terug te betalen", uitgedrukt in haar brief van 26 juni 1989, haar wens weergaf om het contract te respecteren zoals dat volgens haar van toepassing was en zoals zij meende dat het kon worden uitgevoerd. Zij onderstreept in dat verband, dat dat geld niet beschikbaar was maar moest worden gevonden. Daaruit zou volgen dat de keuze om het contract te ontbinden op grond van artikel 9, niet afhangt van de al dan niet stilzwijgende voorwaarde van betaling van het aangegeven bedrag.
32. Bovendien stelt NET dat, indien het Hof van oordeel zou zijn dat de Commissie er door bedrog toe is gebracht het in haar brieven van 26 juni en 21 september 1989 gedane voorstel te aanvaarden, het recht om nietigverklaring van de rechtshandeling op grond van bedrog te vorderen is verjaard. NET beroept zich daarbij op de regeling van artikel 157 van het burgerlijk wetboek, dat bepaalt dat het recht om nietigverklaring te vorderen, vervalt na verloop van een termijn van twee jaar.
Beoordeling
Grieks positief recht - Inhoud van artikel 147 van het burgerlijk wetboek
33. Bedrog in de zin van artikel 147 van het burgerlijk wetboek veronderstelt dat aan twee voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moet sprake zijn van bedrieglijke handelingen of kunstgrepen. In de tweede plaats is opzet van de auteur vereist.
34. Wat de eerste voorwaarde betreft, is bedrog, in de zin van de vaste Griekse rechtspraak, elke handelwijze die erop gericht is een onjuiste voorstelling of waarneming van de werkelijkheid te doen ontstaan of te versterken door op leugens gebaseerde feiten als werkelijk voor te stellen of door werkelijke feiten te verbergen dan wel slechts gedeeltelijk te openbaren. De verplichting om bepaalde feiten openbaar te maken of om aan de andere partij bepaalde informatie mede te delen, hangt af van het type overeenkomst, de vereiste loyaliteit in de betrekkingen tussen partijen, de goede zeden en de wederzijds bindende gebruiken. Bij handelsovereenkomsten, wanneer inzonderheid een financieel risico wordt aangegaan, is de verplichting om informatie te verstrekken over de financiële situatie van een van de partijen ruimer dan gewoonlijk.
35. Wat de tweede voorwaarde betreft, zij erop gewezen dat opzet van de auteur inherent is aan het begrip bedrog. Er moet sprake zijn van dolus, dat wil zeggen de auteur moet weten althans zich ervan bewust zijn dat zijn gedrag een bedrieglijk karakter heeft en de gevolgen van het bedrog aanvaarden. Het begrip bedrog sluit derhalve - zelfs grove - nalatigheid van de auteur uit.
36. Om een rechtshandeling op grond van bedrog nietig te kunnen verklaren, eist de rechtspraak voorts een oorzakelijk verband tussen de bedrieglijke handelwijze van de auteur en de totstandkoming van de rechtshandeling. De handeling kan niet nietig worden verklaard en de auteur van het bedrog kan van iedere verantwoordelijkheid worden ontslagen als hij aantoont dat het bedrog de contractuele wil van het slachtoffer niet heeft beïnvloed en dat deze de overeenkomst ook zonder de frauduleuze handelwijze zou hebben gesloten.
37. Ten slotte wordt naar Grieks recht bedrog niet vermoed, maar moet het worden bewezen door degene die stelt er het slachtoffer van te zijn.
Toepassing van artikel 147 van het burgerlijk wetboek op dit geschil.
38. De Commissie stelt dat het akkoord van 27 maart 1990 nietig is. Volgens haar is haar goedkeuring verkregen als gevolg van de leugen van verweerster met betrekking tot haar financiële toestand. NET had in feite aangegeven, dat zij nog een saldo van 10 000 000 GDR van de bedragen die door de Commissie waren gestort, onder zich had en dat zij dus in staat was dat saldo aan de Commissie terug te betalen. Verzoekster voert bovendien aan dat NET belangrijke feiten zoals de procedure tot vereffening die tegen haar geopend was, verborgen had gehouden.
39. Volgens de Commissie zijn deze feiten, die verweerster kende op het moment waarop zij de regeling voorstelde, opzettelijk verzwegen. De Commissie stelt dat zij dat voorstel nooit zou hebben aanvaard als NET haar van deze feiten in kennis had gesteld.
40. Verweerster erkent dat zij niet over het door haar aangeboden bedrag beschikte op het moment waarop zij die regeling voorstelde.
41. Rekening houdend met de zeer brede opvatting van het begrip bedrog in het Griekse recht - dat zoals gezegd bepaalt dat elke handelwijze die erop gericht is een onjuiste voorstelling of waarneming van de werkelijkheid te doen ontstaan of te versterken, bedrog kan opleveren - ben ik van mening dat het feit dat NET gelogen heeft over de bedragen die zij daadwerkelijk bezat en die zij voorstelde aan verzoekster te betalen, de conclusie wettigt dat het materiële element van het begrip bedrog in dit geval aanwezig is.
42. Volgens de Commissie moet het bedrieglijke karakter van de gedraging van NET worden afgeleid uit het feit dat deze laatste niet beschikte over het bedrag dat zij voorstelde aan de Commissie te betalen op het moment waarop zij probeerde de instemming van de Commissie te verkrijgen met een vermindering van haar schuld. De leugenachtige voorstelling van haar financiële toestand volstaat volgens de Commissie voor het bewijs dat verweerster niet de bedoeling had over te gaan tot de terugbetaling, waartoe zij zich had verplicht.
43. NET betwist formeel dat zij niet de intentie had haar schulden te honoreren. Zij stelt daarentegen, dat haar wil om haar verplichtingen na te komen, kan worden afgeleid uit de moeite die zij heeft gedaan om een vermindering van de contractuele schulden te verkrijgen, zoals blijkt uit het akkoord dat zij op 26 juni 1989 aan de Commissie heeft voorgesteld. Volgens NET zou het immers nutteloos geweest zijn zich in te spannen om die vermindering van het bedrag van de vordering van de Commissie te verkrijgen, indien zij niet het voornemen had haar schuld terug te betalen.
44. Ik stel vast dat de stellingen van de Commissie niet worden gestaafd door een materieel element of een begin van bewijs dat tot de conclusie zou leiden dat NET zich in een financiële toestand bevond die de in de brief van 26 juni 1989 voorgestelde terugbetaling totaal illusoir of onmogelijk maakte. Ook wordt geen enkele precisering gegeven over de datum waarop NET niet langer in staat was aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. Ook produceert de Commissie geen stukken waaruit blijkt bijvoorbeeld dat NET op het moment waarop het akkoord werd voorgesteld geen enkele inbare vordering op derden had noch over enig krediet beschikte.
45. Uit het vorenstaande volgt dat het bewijs van het doloze karakter van de gedraging van de auteur van het bedrog door de Commissie niet is bijgebracht. Deswege moet de toepasselijkheid van artikel 147 van het burgerlijk wetboek worden uitgesloten.
V - De subsidiaire vordering van de Commissie
Argumenten van partijen
46. Subsidiair voert de Commissie aan - in de hypothese dat het Hof zou oordelen dat de aanvaarding van het akkoord van 27 maart 1990 door de Commissie geldig is en de Gemeenschap bindt - dat NET gehouden is om het bedrag dat volgt uit die regeling, te weten 9 498 551 GDR, terug te betalen, vermeerderd met de rente volgens artikel 9 van de overeenkomst alsmede de wettelijke vertragingsrente.
47. De Commissie voert aan dat volgens de voorwaarden van het akkoord van 27 maart 1990 de subsidieovereenkomst op grond van artikel 9 van voornoemde overeenkomst is ontbonden. Die bepaling voorziet er uitdrukkelijk in dat de Commissie gehele of gedeeltelijke terugbetaling kan vorderen van de als steun gestorte bedragen, vermeerderd met rente vanaf de datum van ontbinding van de overeenkomst. Die bepaling preciseert ook dat het rentetarief dat is van de EIB, geldend op de datum van de beslissing van de Commissie tot verlenen van de financiële bijdrage aan het project.
48. De Commissie stelt voorts dat NET moet worden veroordeeld tot betaling, over het totaal van haar schuld, van wettelijke vertragingsrente ingevolge artikel 346 van het burgerlijk wetboek, te rekenen vanaf de dag van de betekening van het beroep tot de volledige voldoening van haar schuld, of bij gebreke daarvan tot betaling van vertragingsrente volgens het tarief van de EIB, te rekenen vanaf de indiening van het beroep tot de volledige voldoening van haar schuld.
49. NET erkent het beginsel van haar schuld en de geldigheid van het akkoord van 27 maart 1990, maar voert aan dat het bedrag van de kosten die zij in verband met deze overeenkomst heeft gemaakt, belangrijker is dan het bedrag dat zij in haar brieven van 26 juni en 21 september 1989 aan de Commissie heeft gedeclareerd. Zij preciseert dat de gedeclareerde en in het kader van het akkoord van 27 maart 1990 door de Commissie goedgekeurde bedragen overeenkwamen met haar belastingaangiften, maar niet met de werkelijkheid van het contract. Zij geeft echter toe dat zij de gestelde aanvullende kosten niet kan bewijzen.
50. NET is bovendien van mening dat indien het Hof een der vorderingen van de Commissie toewijst, het rentetarief dat van de EIB moet zijn. Zij betwist echter de vordering die de Commissie heeft ingediend ten titel van wettelijke vertragingsrente. Volgens NET kan zij niet op basis van artikel 346 van het burgerlijk wetboek veroordeeld worden tot betaling van die rente, omdat zij niet tussen partijen is overeengekomen.
Beoordeling
51. Ik stel vast dat volgens het akkoord van 27 maart 1990 tussen partijen overeenstemming bestond zowel over het beginsel van de geldschuld ten laste van NET als over het bedrag ervan en over de verschuldigde rente.
52. Aangezien de vordering tot wijziging van het bedrag van de schuld van NET niet gegrond is, kan zij niet worden toegewezen.
53. Daaruit volgt dat het akkoord van 27 maart 1990 als rechtsgeldig moet worden beschouwd en moet worden uitgevoerd.
54. Daarom geef ik het Hof in overweging verweerster te veroordelen om aan de Commissie het bedrag van 9 498 551 GDR te betalen, overeenkomstig het akkoord van 27 maart 1990.
55. Voor wat betreft de vordering tot veroordeling van NET tot betaling van contractuele en wettelijke vertragingsrente over haar volledig schuld, stel ik vast dat artikel 9 van de overeenkomst uitdrukkelijk bepaalt dat de Commissie gehele of gedeeltelijke terugbetaling kan vorderen van de als steun gestorte bedragen, vermeerderd met vertragingsrente te rekenen vanaf de datum van ontbinding van de overeenkomst. Dat artikel bepaalt bovendien dat het rentetarief dat is van de EIB, geldend op de datum van de beslissing van de Commissie betreffende de toekenning van de financiële bijdrage aan het project.
56. Bij arrest 272/1994 heeft de Areios Pagos (Griekenland) geoordeeld dat het in artikel 346 van het burgerlijk wetboek bepaalde wettelijke tarief van aanvullend recht is, voor het geval dat partijen geen contractueel tarief zijn overeengekomen. Indien daarentegen een tarief in de overeenkomst is vastgelegd door partijen, heeft dat, volgens het aangehaalde arrest, in alle gevallen voorrang boven het wettelijke tarief, daaronder begrepen als het contractuele tarief lager is dan het wettelijke tarief.
57. De bepalingen van de overeenkomst preciseren uitdrukkelijk het tarief van de in dit geval toepasselijke vertragingsrente.
58. Derhalve dient de op de bepalingen van de overeenkomst gebaseerde vordering van de Commissie te worden toegewezen en dient NET te worden veroordeeld tot betaling van de in de overeenkomst bedoelde vertragingsrente.
59. Derhalve geef ik het Hof in overweging NET te veroordelen tot betaling van een bedrag van 9 498 551 GDR, vermeerderd met rente berekend volgens het tarief van de EIB, geldend op de datum van de beslissing van de Commissie over de toekenning van de financiële bijdrage aan het project Nisos Kea" over de periode vanaf de ontbinding van de overeenkomst tot de volledige voldoening van de schuld door verweerster.
60. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien NET in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Conclusie
61. Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
- de vennootschap naar Grieks recht Nea Energeiaki Technologia EPE te veroordelen om aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen te betalen het bedrag dat voortvloeit uit het akkoord van 27 maart 1990, zijnde 9 498 551 GDR, vermeerderd met rente berekend volgens het tarief van de Europese Investeringsbank, geldend op de datum van de beslissing van de Commissie over de toekenning van de financiële bijdrage aan het project Nisos Kea" over de periode vanaf de ontbinding van de overeenkomst tot de volledige voldoening van de schuld door verweerster;
- verweerster in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy