Conclusie van de advocaat generaal
1. De Commissie heeft bij het Hof een niet-nakomingsprocedure tegen de Italiaanse Republiek ingesteld. Zij verwijt deze lidstaat zijn bevoegdheden te hebben overschreden bij de omzetting van richtlijn 90/364/EEG betreffende het verblijfsrecht (hierna: «richtlijn 90/364»), richtlijn 90/365/EEG betreffende het verblijfsrecht van werknemers en zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheid hebben beëindigd (hierna: «richtlijn 90/365») en richtlijn 93/96/EEG inzake het verblijfsrecht voor studenten (hierna: «richtlijn 93/96»).
2. De richtlijnen 90/364 en 90/365 zijn, net als richtlijn 90/366/EEG betreffende het verblijfsrecht voor studenten (hierna: «richtlijn 90/366»), door de Raad aangenomen teneinde het recht om in een andere dan in de eigen lidstaat te verblijven, uit te breiden tot alle communautaire ingezetenen, mits zij niet ten laste van de ontvangende lidstaat komen. De aan de lidstaten toegekende termijn om deze bepalingen in nationaal recht om te zetten, is op 30 juni 1992 afgelopen.
3. Richtlijn 90/366 is door het Hof nietig verklaard wegens een onjuiste rechtsgrondslag. In zijn arrest verklaarde het Hof echter, dat voorlopig alle gevolgen van de nietigverklaarde richtlijn gehandhaafd bleven totdat zij was vervangen door een nieuwe richtlijn die op de juiste rechtsgrondslag berustte. De nieuwe richtlijn is op 29 oktober 1993 aangenomen en verleende de lidstaten een omzettingstermijn die op 31 december van dat jaar afliep.
4. De drie richtlijnen van 1990 zijn omgezet in Italiaans recht bij wetsbesluit nr. 470 van 26 november 1992 betreffende de toepassing van de richtlijnen 90/364, 90/365 en 90/366 inzake het verblijfsrecht van onderdanen van lidstaten van de Gemeenschap, van werknemers en zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheid hebben beëindigd, en van studenten.
In haar verzoekschrift benadrukt de Commissie dat dit wetsbesluit is aangenomen voordat richtlijn 93/96 tot stand kwam. Aangezien de bepalingen daarvan echter vrijwel geheel overeenkomen met die van richtlijn 90/366, veronderstelt zij dat de Italiaanse regering van mening is dat haar nationale wetgeving ook aan richtlijn 93/96 voldoet. De Commissie is echter van mening dat de Italiaanse regering de richtlijn om verschillende opzichten onjuist in haar nationale recht heeft omgezet.
I - De precontentieuze procedure
5. Overeenkomstig artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) heeft de Commissie de Italiaanse regering bij brief van 13 juni 1995 van haar standpunt op de hoogte gesteld, met het verzoek om binnen twee maanden haar opmerkingen te maken.
6. De Italiaanse regering heeft via haar Permanente Vertegenwoordiging geantwoord bij brief van 6 december 1995, waarbij twee nota's van het Ministerie van Arbeid en Sociale Zekerheid waren gevoegd, respectievelijk van het directoraat-generaal van Sociale Zekerheid en Sociale Bijstand en het directoraat-generaal van Arbeid. De Commissie achtte dit antwoord na onderzoek onvoldoende en stuurde de Italiaanse Republiek op 11 november 1996 een met redenen omkleed advies.
7. Bij brief van 13 december 1996 deelde de Permanente Vertegenwoordiging van Italië de Commissie mee, dat ingevolge artikel 1, lid 6, van het wetsontwerp getiteld «Bepalingen ter uitvoering van de verplichtingen voortvloeiende uit het lidmaatschap van Italië van de Europese Gemeenschappen - Communautaire wet 1995-1996», goedgekeurd door de ministerraad ter vergadering van 8 november 1996, de regering de nodige bepalingen diende vast te stellen om besluit nr. 470 in overeenstemming te brengen met de richtlijnen 90/364, 90/365 et 93/96.
II - De procedure voor het Hof
8. Aangezien zij geen nieuwe informatie over de voortgang van de procedure tot vaststelling van genoemde bepalingen had en ook geen tekst had ontvangen die de nationale wetgeving in de aangegeven richting wijzigde, concludeerde de Commissie dat de Italiaanse Republiek niet de nodige bepalingen had vastgesteld om deze drie richtlijnen naar behoren in de nationale wetgeving op te nemen en dat zij, indien dit wel was gebeurd, de tekst niet aan de Commissie had meegedeeld zoals zij had moeten doen. Daarom stelde zij op 25 november 1998 bij het Hof een beroep wegens niet-nakoming tegen deze lidstaat in.
9. De Italiaanse Republiek heeft op 25 maart 1999 haar verweerschrift ingediend. De Commissie heeft afgezien van een repliek. Overeenkomstig artikel 44 bis van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het Hof met uitdrukkelijke toestemming van partijen besloten, de procedure zonder mondelinge behandeling voort te zetten.
III - Beoordeling van de middelen van de Commissie
10. De Commissie stelt in de eerste plaats, dat de Italiaanse Republiek op grond van artikel 5 van richtlijn 90/364 en artikel 5 van richtlijn 90/365 verplicht is, het nationale recht aan te passen aan de bepalingen van deze richtlijnen en dat ook richtlijn 93/96 naar behoren in het Italiaanse rechtsstelsel moet worden omgezet. Deze verplichtingen zijn gebaseerd op artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag (thans artikel 249, derde alinea EG), waarin wordt bepaald dat een richtlijn voor elke lidstaat verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat, en op artikel 5, eerste alinea, EG-Verdrag (thans artikel 10, eerste alinea, EG), op grond waarvan de lidstaten alle algemene of bijzondere maatregelen dienen te nemen die geschikt zijn om de nakoming van de uit dit verdrag of uit handelingen van de instellingen van de Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.
11. De Commissie voert drie middelen aan ter staving van haar beroep wegens niet-nakoming; zij zijn gericht tegen drie bepalingen die niet voldoen aan de richtlijnen die het recht van verblijf van burgers van de Gemeenschap op het grondgebied van de lidstaten erkennen. De drie middelen, die ik afzonderlijk zal onderzoeken, betreffen de inkomsten van de gezinsleden van de onder richtlijn 90/364 vallende personen, de documenten die de onder de richtlijnen 90/364 en 90/365 vallende personen moeten overleggen, en de bestaansmiddelen van studenten en hun gezinsleden en het bewijs daarvan.
A - Het eerste middel: de financiële middelen van de gezinsleden van de onder richtlijn 90/364 vallende personen
12. De Commissie stelt het volgende. Bij wetsbesluit nr. 470 zijn in presidentieel besluit nr. 1656 van 1965 een artikel 5 bis, inzake het verblijfsrecht van onderdanen van een lidstaat die een beroepswerkzaamheid hebben uitgeoefend (richtlijn 90/365), en een artikel 5 quater, inzake het verblijfsrecht van onderdanen van een lidstaat die dit recht niet op grond van andere bepalingen bezitten (richtlijn 90/364), ingelast. Om voor dit recht in aanmerking te komen, moeten degenen die onder deze twee richtlijnen vallen, over inkomsten beschikken die niet lager zijn dan het minimumbedrag in de zin van het Italiaanse stelsel van verplichte algemene verzekering.
Gezinsleden ten laste van de begunstigde van richtlijn 90/365 hebben een verblijfsrecht, mits de begunstigde aantoont dat zijn totale inkomsten per gezinslid niet lager zijn dan het genoemde minimum. Daarentegen geldt als voorwaarde voor het verblijfsrecht van de gezinsleden ten laste van begunstigden van richtlijn 90/364, dat laatstgenoemden per gezinslid beschikken over dit minimuminkomen, verhoogd met 1/3. Wat het verblijfsrecht van gezinsleden betreft, wordt dus van de begunstigden van richtlijn 90/364 een inkomen geëist dat een derde hoger is dan dat van degenen op wie richtlijn 90/365 van toepassing is.
13. Met betrekking tot dit middel verwijst de Italiaanse regering in haar verweerschrift naar een wetsvoorstel waarbij de door de Commissie gelaakte bepalingen zullen worden gewijzigd. Het voorstel bevindt zich naar haar zeggen in een vergevorderd stadium van interdepartementaal overleg.
14. Artikel 1, lid 1, van richtlijn 90/364, betreffende het verblijfsrecht van onderdanen van de lidstaten die dit recht niet bezitten op grond van andere bepalingen, en artikel 1, lid 1, van richtlijn 90/365, betreffende het verblijfsrecht van werknemers en zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheid hebben beëindigd, bepalen de voorwaarden waaraan de betrokkenen moeten voldoen om in iedere lidstaat een verblijfskaart te verkrijgen.
In de eerste plaats moeten zij allen voor zichzelf en hun familieleden een ziektekostenverzekering hebben die alle risico's in het gastland dekt. In de tweede plaats moeten de begunstigden van richtlijn 90/364 over een inkomen van welke aard ook beschikken, terwijl de begunstigden van richtlijn 90/365 een invaliditeitsuitkering, een vervroegd pensioen of een ouderdomsuitkering, dan wel een uitkering van de arbeidsongevallen- of beroepsziekteverzekering dienen te ontvangen. Zowel het inkomen in het eerste geval als het pension of de rente in het tweede geval, moeten toereikend zijn om te voorkomen dat betrokkenen tijdens hun verblijf ten laste van de bijstandsregeling van het gastland komen.
15. In beide richtlijnen worden in gelijke bewoordingen de inkomsten als voldoende beschouwd wanneer zij hoger zijn dan het niveau waaronder het gastland zijn onderdanen sociale bijstand kan verlenen, gezien de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en eventueel die van zijn gezinsleden. In ieder geval worden de inkomsten van de aanvrager als voldoende beschouwd indien zij hoger zijn dan het minimumpensioen in het kader van de sociale zekerheid dat door het gastland wordt uitgekeerd.
Zoals de Commissie terecht in haar verzoekschrift opmerkt, zijn de twee richtlijnen in gelijke bewoordingen gesteld waar het de verlangde bestaansmiddelen betreft; er wordt slechts geëist dat de betrokkenen over voldoende inkomsten beschikken om te voorkomen dat zij ten laste van de bijstandsregeling komen. Het minimum inkomstenniveau is niet alleen in beide richtlijnen hetzelfde, maar ook volkomen duidelijk bepaald, en in geen van beide is er sprake van een uitzondering voor de gezinsleden van de begunstigden.
16. Naar mijn mening betoogt de Commissie terecht dat de Italiaanse Republiek ten aanzien van de gezinsleden van de begunstigden van de twee richtlijnen dezelfde inkomenseisen moet stellen. Bijgevolg is de Italiaanse Republiek de krachtens richtlijn 90/364 op haar rustende verplichtingen niet nagekomen door een wettelijk voorschrift te handhaven op grond waarvan degenen die onder richtlijn 90/364 vallen, voor hun gezinsleden over middelen moeten beschikken die een derde hoger zijn dan hetgeen voor de gezinsleden van de begunstigden van richtlijn 90/365, geldt.
17. Om deze redenen acht ik het eerste middel van de Commissie gegrond.
B - Tweede middel: de documenten die de onder de richtlijnen 90/364 en 90/365 vallende personen moeten overleggen
18. Artikel 5 quinquies, dat bij wetsbesluit nr. 470 in presidentieel besluit nr. 1656 is ingevoegd, bepaalt welke documenten door de begunstigden van de richtlijnen 90/364 et 90/365 moeten worden overlegd. Voor een verblijfskaart is dit onder meer een verklaring van de bevoegde consulaire autoriteit waaruit blijkt dat de aanvrager verzekerd is bij een ziektekostenstelsel van een lidstaat van de Gemeenschap, een voor Italië geldende verzekeringspolis die ziektekosten en ziekenhuisopname dekt, dan wel een gewaarmerkt afschrift van het bewijs van inschrijving bij de Italiaanse nationale gezondheidsdienst. Voor de begunstigden van richtlijn 90/365 is dit een verklaring van de bevoegde consulaire autoriteit waaruit blijkt dat de aanvrager een pensioen, een uitkering wegens een arbeidsongeval of beroepsziekte dan wel andere inkomsten ontvangt, onder vermelding van het bedrag ervan, terwijl de begunstigden van richtlijn 90/364 en hun gezinsleden een door de bevoegde consulaire autoriteit geviseerd afschrift moeten overleggen van de aan de voorschriften van het land van oorsprong of herkomst beantwoordende documenten waaruit blijkt dat zij over de vereiste inkomsten beschikken, dan wel, voor de op Italiaans grondgebied verworven inkomsten, een door de bevoegde organen afgegeven document.
Bovendien moet degene die aanspraak maakt op het verblijfsrecht, voor elk ten laste komend gezinslid een door de bevoegde autoriteit van het land van oorsprong of herkomst afgegeven officieel document omtrent de verwantschap en de hoedanigheid van het ten laste komende gezinslid overleggen.
19. De weigering om andere dan door een overheidsinstantie afgegeven documenten te accepteren, is naar het oordeel van de Commissie in bepaalde gevallen nog te rechtvaardigen vanuit het streven het gebruik van valse documenten te voorkomen. Dat de begunstigden van de richtlijnen 90/364 en 90/365 volgens de Italiaanse regeling evenwel in alle gevallen door een overheidsinstantie van een lidstaat afgegeven documenten moeten overleggen, is duidelijk onevenredig. Bovendien kan het voor de betrokkenen erg moeilijk zijn om deze documenten te verkrijgen en staan de Italiaanse autoriteiten andere, gelijkwaardige middelen ter beschikking om zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden van het verblijfsrecht zijn vervuld.
20. De Italiaanse Republiek verweert zich met de stelling dat indien de aanvrager van de verblijfskaart een werknemer of zelfstandige is die zijn beroepswerkzaamheden heeft beëindigd, hij een pensioen, een uitkering of soortgelijke inkomsten zal hebben. In de bilaterale overeenkomsten ter vermijding van dubbele belasting die Italië met de andere lidstaten van de Unie heeft gesloten, is bepaald dat de pensioenen van oud-werknemers uit de particuliere sector worden belast in de woonstaat van de belastingplichtige en dat de staat waar zij worden uitbetaald, in beginsel geen inhoudingen mag verrichten. De instelling die het pensioen of de uitkering in de staat van oorsprong of herkomst betaalt, kan dan ook zonder veel problemen een verklaring omtrent de hoogte van de inkomsten van de betrokkene afgeven.
Bovendien kunnen de lidstaten die geen inkomstenbelasting over pensioenen heffen, de belastingdienst van de woonstaat gegevens over de op hun grondgebied verkregen pensioeninkomsten verstrekken in het kader van de automatische informatieuitwisseling, geregeld in richtlijn 77/799/EEG. Bovendien heeft de Italiaanse Republiek met zeven lidstaten administratieve overeenkomsten gesloten die de spontane informatie-uitwisseling moet vergemakkelijken. Zij deelt dan ook niet de twijfel van de Commissie over de vraag of er in elke lidstaat een overheidsinstantie bestaat die in dergelijke gevallen een verklaring omtrent het belastbare inkomen van de aanvrager van de verblijfskaart kan afgeven.
Tot slot wijst zij in haar verweerschrift - wat de bewijzen van de verwantschap of de afhankelijkheid betreft - op presidentieel besluit nr. 403, bekendgemaakt in GURI nr. 275 van 24 november 1998 (Italiaans staatsblad). In artikel 5 daarvan worden de voorschriften betreffende de administratieve documenten vereenvoudigd en wordt op burgers van de Unie dezelfde behandeling van toepassing verklaard als op Italiaanse onderdanen.
21. Ik merk op dat zowel in richtlijn 90/364 als in richtlijn 90/365 wordt bepaald, dat een lidstaat voor de afgifte van een verblijfskaart van de aanvrager slechts een geldig identiteitsbewijs of paspoort mag eisen en een bewijs dat hij aan de aangegeven voorwaarden voldoet, namelijk dat zijn inkomsten voldoende zijn in de zin van deze richtlijnen en dat hij voor zichzelf en voor zijn gezinsleden een ziektekostenverzekering heeft die alle risico's in de ontvangende lidstaat dekt.
22. Het is duidelijk dat in geen van beide richtlijnen wordt bepaald hoe de aanvragers van de verblijfskaart moeten aantonen dat zij aan deze voorwaarden voldoen, zodat de lidstaten een zekere beoordelingsvrijheid hebben wat het vereiste bewijs dienaangaande betreft.
Hierbij moeten zij echter rekening houden met de grote verscheidenheid aan juridische stelsels die in de Unie naast elkaar bestaan en met de vele verschillende situaties die zich in de praktijk kunnen voordoen; vooral moeten zij gebruik maken van de verschillende mogelijkheden die andere gemeenschapsrechtelijke voorschriften hun bieden. Dit zijn, naast de in richtlijn 77/799 vastgelegde communicatiekanalen waarop de Italiaanse Republiek heeft gewezen, de door de verordeningen (EEG) nrs. 1408/71 en 574/72 geboden mogelijkheden voor het leveren van het bewijs - door middel van op verzoek van de belanghebbenden afgegeven verklaringen van de nationale socialezekerheidsorganen - van de sociale dekking door een bepaald socialezekerheidsstelsel en van de hoogte van de door deze instellingen betaalde pensioenen en uitkeringen.
Ik wil hieraan toevoegen dat de wetten van de lidstaten voldoende flexibel moeten zijn om de voornaamste en uiteindelijke doelstelling van de richtlijnen 90/364 en 90/365 niet in gevaar te brengen: de opheffing van de belemmeringen van het vrije verkeer van personen tussen de lidstaten, zodat de uitoefening van het verblijfsrecht van de burgers van de Unie en hun gezinsleden op het grondgebied van iedere lidstaat een reële mogelijkheid wordt.
23. Gezien dat doel ben ik evenals de Commissie van mening, dat de Italiaanse Republiek de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden door te eisen dat alle documenten die de aanvragers van een verblijfskaart op grond van de richtlijnen 90/364 en 90/365 dienen te overleggen, moeten zijn afgegeven door overheidsinstanties en geviseerd door consulaire autoriteiten, en geen bewijzen te aanvaarden die voor de betrokkene gemakkelijker verkrijgbaar zijn. De bewering van de Italiaanse Republiek dat zij wat het bewijs van de verwantschap en van de hoedanigheid van persoon ten laste betreft, sinds eind 1998 op de burgers van de Unie dezelfde behandeling toepast als op Italiaanse onderdanen, kan niet worden aanvaard aangezien zij geen enkel bewijs ter zake heeft overgelegd, en ook niet is gebleken dat de Commissie van deze wijziging op de hoogte is gesteld.
24. Om deze redenen acht ik ook het tweede middel van de Commissie gegrond.
C - Het derde middel: De bepalingen inzake de bestaansmiddelen van studenten en hun gezinsleden en het bewijs ervan (richtlijn 93/96)
25. Artikel 5 ter, dat bij wetsbesluit nr. 470 in presidentieel besluit nr. 1656 is ingevoegd, kent een recht van verblijf op het grondgebied van de republiek toe aan studenten die onderdaan van een lidstaat van de Europese Gemeenschap zijn en inkomsten hebben die niet lager zijn dan het minimumbedrag, bepaald voor het Italiaanse stelsel van verplichte algemene verzekering. Een overeenkomstig recht wordt toegekend aan de gezinsleden van de student, mits zijn totale inkomsten per gezinslid niet lager zijn dan het genoemde minimumbedrag.
Voor de toekenning van de verblijfskaart wordt van de student een ad-hocverklaring ten overstaan van de bevoegde overheidsinstantie over de hoogte van zijn inkomen geëist, of overlegging van een kopie van desbetreffende documenten afgegeven door de autoriteiten van een andere lidstaat, geviseerd door consulaire autoriteiten. Voor de ten laste komende gezinsleden wordt een kopie geëist van de documenten afgegeven in de lidstaat van oorsprong of van herkomst, geviseerd door de consulaire autoriteiten, waaruit het bestaan van het inkomen blijkt, of, voor in Italië verkregen inkomsten, een kopie van de documenten afgegeven door de bevoegde autoriteiten.
26. Artikel 1 van richtlijn 93/96 bepaalt echter het volgende: «Teneinde de voorwaarden te preciseren ter vergemakkelijking van de uitoefening van het verblijfsrecht en onderdanen van een lidstaat die tot een beroepsopleiding in een andere lidstaat zijn toegelaten, zonder discriminatie de toegang tot de beroepsopleiding te waarborgen, kennen de lidstaten het verblijfsrecht toe aan iedere student die onderdaan is van een lidstaat en die dit recht niet bezit op grond van een andere bepaling van het gemeenschapsrecht, alsmede aan zijn echtgenoot en hun ten laste komende kinderen, voor zover de student de betrokken nationale autoriteiten, naar zijn keuze door middel van een verklaring of op enige andere ten minste gelijkwaardige wijze, verzekert dat hij over de nodige bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste van de bijstandsregeling van de ontvangende lidstaat komen, en mits de student bij een erkende instelling ingeschreven is om daar als hoofdbezigheid een beroepsopleiding te volgen en hij een ziektekostenverzekering heeft die alle risico's in de ontvangende lidstaat dekt.»
27. Uit deze tekst leid ik af dat van de begunstigden van richtlijn 93/96, in tegenstelling tot de begunstigden van de richtlijnen 90/364 en 90/365, voor het verkrijgen van een verblijfskaart noch wordt geëist dat zij over voldoende middelen beschikken of een minimuminkomen hebben, noch dat zij de hun ter beschikking staande middelen met documenten aantonen.
28. Voor deze verschillen tussen richtlijn 93/96 en de twee andere richtlijnen zijn verschillende verklaringen te geven. In de eerste plaats is het verblijf van de student in veruit de meeste gevallen beperkt tot de duur van zijn studie en is het risico dat hij ten laste komt van de bijstandsregeling van de ontvangststaat dus kleiner. In de tweede plaats kunnen de lidstaten de geldigheidsduur van de verblijfskaart beperken tot een jaar, met de mogelijkheid van verlenging, waardoor zij sneller kunnen ingrijpen indien de student toch tot de bijstand mocht vervallen. In de derde plaats kan een student veel gemakkelijker dan de in de andere twee richtlijnen bedoelde personen zijn bestaansmiddelen zo nodig aanvullen met werk in deeltijd of een tijdelijke betrekking, hoewel hij dit onmogelijk op voorhand kan aantonen.
Ook wijs ik erop, dat richtlijn 93/96 het aantal familieleden waartoe het verblijfsrecht kan worden uitgebreid, aanzienlijk beperkt. De student mag zich slechts met zijn echtgenoot en de ten laste komende kinderen op het grondgebied van de betrokken lidstaat vestigen, terwijl in het geval van de richtlijnen 90/364 en 90/365 de begunstigde zich niet alleen door zijn echtgenoot en de ten laste komende kinderen mag laten vergezellen, maar ook door de bloedverwanten in opgaande lijn van hemzelf en van zijn echtgenoot die te zijnen laste zijn.
Bovendien stelt richtlijn 93/96 geen eisen aan de hoogte van het inkomen waarover de student voor zijn echtgenoot en de ten laste komende kinderen moet beschikken; ook is niet bepaald dat de student zijn bestaansmiddelen schriftelijk moet aantonen. Volgens de richtlijn kan hij dit naar zijn keuze doen door middel van een verklaring of op enige andere ten minste gelijkwaardige wijze.
29. Om deze redenen deel ik de mening van de Commissie dat de Italiaanse Republiek de krachtens richtlijn 93/96 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door van studenten die onderdaan van een andere lidstaat van de Unie zijn, te verlangen dat zij de Italiaanse autoriteiten verzekeren dat zij voor zichzelf en voor hun echtgenoot en ten laste komende kinderen over een bepaald bedrag aan inkomsten beschikken, door niet duidelijk te bepalen dat een verklaring van de student omtrent zijn bestaansmiddelen voldoende is zonder dat hij dit met documenten moet aantonen, en door niet toe te staan dat de student door middel van zijn verklaring verzekert dat hij over de nodige bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zijn echtgenoot en ten laste komende kinderen ten laste van de bijstandsregeling komen.
30. Mitsdien is het derde middel, waartegen de Italiaanse Republiek geen verweer heeft gevoerd, eveneens gegrond.
IV - Kosten
31. Aangezien de middelen van de Commissie doel treffen, dient de Italiaanse Republiek overeenkomstig artikel 69, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te worden verwezen.
V - Conclusie
32. Mitsdien geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren:
«1) De Italiaanse Republiek is de krachtens het EG-Verdrag en richtlijn 90/364/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht, richtlijn 90/365 van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht van werknemers en zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheid hebben beëindigd, en richtlijn 93/96/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 inzake het verblijfsrecht voor studenten op haar rustende verplichtingen niet nagekomen door:
- van de begunstigden van richtlijn 90/364/EEG te verlangen dat zij voor hun gezinsleden een inkomen hebben dat een derde hoger is dan het minimuminkomen waarover de begunstigden van richtlijn 90/365 voor hun gezinsleden moeten beschikken;
- de bewijsmiddelen bij de aanvraag van een verblijfsvergunning te beperken en te eisen dat deze documenten door de autoriteiten van een van de lidstaten zijn afgegeven en geviseerd;
- van studenten die onderdaan van een lidstaat van de Unie zijn, te verlangen dat zij de Italiaanse autoriteiten verzekeren dat zij voor zichzelf en voor hun echtgenoot en ten laste komende kinderen over een bepaald bedrag aan inkomsten beschikken, door niet duidelijk te bepalen dat een verklaring van de student omtrent zijn bestaansmiddelen voldoende is zonder dat hij dit met documenten moet aantonen, en door niet toe te staan dat de student door middel van zijn verklaring verzekert dat hij beschikt over de nodige bestaansmiddelen om te voorkomen dat zijn echtgenoot en ten laste komende kinderen ten laste van de bijstandsregeling komen.
2) De Italiaanse Republiek wordt in de kosten verwezen.»
Full & Egal Universal Law Academy