Conclusie van de advocaat generaal
Voorwerp van het geschil en nationale regeling
1. In de onderhavige prejudiciële verwijzing wenst het Tribunal de police de Belley (Frankrijk) in wezen te vernemen of de Franse regeling die het gebruik van de naam emmentaler" verbiedt voor kaas zonder harde goudgeelkleurige korst, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) is. Alvorens deze vraag te beantwoorden, moeten wij evenwel in de eerste plaats nagaan of aan de voorwaarden voor toepassing van deze gemeenschapsbepaling door de nationale rechter is voldaan, aangezien het in casu gaat om een strafzaak tegen een Franse onderneming die kaas in Frankrijk produceert en verkoopt.
2. Blijkens de verwijzingsbeschikking en de opmerkingen van de Franse regering bepaalt artikel 3, eerste alinea, van decreet nr. 84-1147 van 7 december 1984: De etikettering en de wijze waarop deze is uitgevoerd, mag niet van dien aard zijn, dat de koper of de consument in verwarring wordt gebracht, onder meer met betrekking tot de eigenschappen van het levensmiddel en in het bijzonder met betrekking tot de aard, identiteit, kwaliteit, samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid, bewaring, oorsprong of herkomst, wijze van vervaardiging of bereiding ervan."
De eigenschappen van het levensmiddel" in de zin van voormeld artikel 3 worden omschreven in decreet nr. 88-1206 van 30 december 1988 (hierna: decreet van 1988"), dat bepaalt: De in de bijlage (bij dat decreet) opgesomde benamingen zijn voorbehouden aan de kazen die voldoen aan de in deze bijlage opgenomen voorschriften betreffende de productie en de samenstelling." Op basis daarvan wordt emmentaler beschreven als een harde kaas, gekookt, geperst en gezouten aan de oppervlakte of in een zoutoplossing; ivoorkleurig of lichtgeel, met gaten waarvan de afmetingen variëren van de grootte van een kers tot de grootte van een noot; goudkleurige tot lichtbruine harde en droge korst".
Nationale procedure en prejudiciële vraag
3. Bij controle op 5 maart 1996 bij de vennootschap Schoeffer SA, gevestigd te Avignon, ontdekte de departementale directie voor mededinging, consumptie en fraudebestrijding van het departement Vaucluse 260 emmentalerkazen zonder harde en droge buitenkorst. Deze kazen waren afkomstig van de vennootschap Laiterie d'Argis" waarvan Guimont, verdachte in het hoofdgeding, technisch directeur is.
Op 6 januari 1998 is Guimont in het kader van een vereenvoudigde procedure veroordeeld tot de betaling van 260 geldboetes van 20 FRF voor het met het oog op de verkoop aanwezig hebben, het verkopen of het te koop aanbieden van levensmiddelen, voorzien van een misleidende etikettering. Het betrof korstloze emmentalerkaas.
Guimont is tegen deze beschikking opgekomen en betoogde met name dat de Franse wetgeving betreffende de naam emmentaler" een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormde, zodat zij in strijd was met de algemene voorschriften over de gemeenschappelijke markt van de artikelen 3 A (thans artikel 4 EG), 30 en volgende EG-Verdrag.
4. Het Tribunal de police de Belley heeft de voor hem aanhangige procedure dus geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: Moeten de artikelen 3, sub a, en 30 en volgende van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd, aldus worden uitgelegd, dat de Franse regeling voortvloeiend uit decreet nr. 88-1206 van 30 december 1988, waarbij de productie en verkoop in Frankrijk van korstloze kaas onder de naam ,emmentaler wordt verboden, als een kwantitatieve beperking van de handel tussen de lidstaten of een maatregel van gelijke werking is te beschouwen?"
De ontvankelijkheid
5. Volgens de Franse regering, ondersteund door de Deense regering, is de prejudiciële vraag niet-ontvankelijk, daar het in het hoofdgeding om een zuiver interne aangelegenheid gaat.
De twee regeringen verzoeken het Hof niet de lijn te bevestigen van zijn arrest Pistre e.a. van 1997, waarin het Hof een prejudiciële vraag heeft beantwoord, ofschoon de feiten van het hoofdgeding tot het nationaal grondgebied beperkt waren. In die zaak verzocht de verwijzende Franse rechter het Hof artikel 30 uit te leggen ten aanzien van de Franse regeling die de aanduidingen montagne" of monts de Lacaune" op het etiket van ingezouten levensmiddelen verbood, wanneer de bevoegde administratieve instanties daarvoor geen voorafgaande vergunning hadden verleend, welke vergunning precies het gebruik van aan berggebieden voorbehouden aanduidingen betrof. De verdachten in de strafzaak waren Franse onderdanen aan wie de productie en de verkoop van hun eigen ingezouten producten in Frankrijk verboden was. In die zaak verwees het Hof naar het in het arrest Dassonville vervatte begrip van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen en stelde vast dat de toepassing van een nationale maatregel die geen enkel verband houdt met de invoer van goederen, buiten de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag valt; het Hof verklaarde dat de toepasselijkheid van genoemd artikel evenwel niet [kan] worden uitgesloten om de enkele reden, dat in het aan de nationale rechter voorgelegde concrete geval alle elementen binnen een enkele lidstaat gesitueerd zijn". In de situatie die tot het geschil had geleid, kon de toepassing van de nationale maatregel namelijk gevolgen hebben voor het vrije verkeer van goederen tussen lidstaten, met name wanneer die maatregel de verhandeling van goederen van nationale oorsprong begunstigt ten nadele van die van ingevoerde goederen. Alsdan wordt door de enkele toepassing van de maatregel, zelfs indien deze uitsluitend voor nationale producenten zou gelden, een verschil in behandeling tussen die twee categorieën goederen gecreëerd en gehandhaafd, waardoor de intracommunautaire handel, althans potentieel, wordt belemmerd."
Anders dan in de onderhavige zaak was voor die zaak dus kenmerkend dat de nationale regeling inzake de aanduiding montagne" vereiste dat de ingrediënten voor de productie van de ingezouten levensmiddelen afkomstig waren van een specifieke plaats, en het gebruik ervan afhankelijk stelde van een procedure van uitdrukkelijke vergunning. Deze omstandigheden lijken het Hof tot de slotsom te hebben gebracht dat zelfs de gewone toepassing van de litigieuze regeling op nationale producten de invoer van ingezouten levensmiddelen met dezelfde benaming tot op zekere hoogte had kunnen beïnvloeden.
6. Die opvatting was evenwel niet nieuw en is reeds te vinden in het arrest van 14 juli 1988, Smanor (298/87, Jurispr. blz. 4489), waarin het Hof moest antwoorden op een prejudiciële vraag zonder enig verband met omstandigheden buiten het nationale grondgebied. Het betrokken geding was ingesteld door een Franse onderneming die opkwam tegen de Franse wetgeving betreffende de etikettering en presentatie van yoghurt, krachtens welke haar was verboden diepgevroren yoghurt op het Franse grondgebied te produceren en te verkopen. In zijn conclusie had de advocaat-generaal opgemerkt dat de aan de procedure ten grondslag liggende situatie zuiver nationaal was. Zijns inziens moest de verwijzende rechter evenwel uitmaken of het antwoord op de prejudiciële vraag voor zijn beslissing noodzakelijk was, zodat het Hof, wanneer de prejudiciële vraag werd gesteld, gehouden was die te beantwoorden. Het Hof heeft zich bij deze opvatting aangesloten. Het Hof ging ervan uit dat de Franse wetgeving de invoer van producten van andere lidstaten kon beperken en heeft vastgesteld dat het in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag (thans artikel 234 EG) aan de nationale rechter staat om in het licht van de concrete feiten te beoordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag noodzakelijk is voor zijn uitspraak", en verklaarde dat artikel 30 zich verzet tegen een nationale wetgeving die het gebruik van de naam yoghurt voorbehoudt aan verse yoghurt" en niet aan diepgevroren yoghurt. Het Hof beperkte zijn antwoord evenwel tot ingevoerde producten.
7. Mijns inziens dient de door de Franse en de Deense regering opgeworpen vraag over de toepasselijkheid van artikel 30 van het Verdrag voor de beslechting van het hoofdgeding dus niet alleen te worden beantwoord op basis van de abstracte analyse van de gevolgen van de nationale wetgeving voor de invoer uit andere lidstaten, aangezien zij ook de relevantie van de prejudiciële beslissing in het kader van het nationale vonnis betreft, althans wat de uitlegging van artikel 30 van het Verdrag betreft. Ongetwijfeld moet de nationale rechter in beginsel de kenmerken van het bijzondere geval dat aan het beroep in het hoofdgeding ten grondslag ligt, onderzoeken en op basis daarvan beoordelen of het om een zuiver interne aangelegenheid gaat: precies op basis van de toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht op het nationale geschil moet hij de relevantie van een eventuele prejudiciële vraag beoordelen. Zoals advocaat-generaal Cosmas evenwel terecht opmerkte in de zaak Belgapom, kan het Hof de prejudiciële vraag evenwel niet beantwoorden wanneer duidelijk uit de door de verwijzende rechter vermelde feiten blijkt" dat de situatie waarin het hoofdgeding is ingesteld, slechts als zuiver nationaal is te beschouwen. Aangaande het voor het Tribunal de police de Belley aanhangige geding bestaat evenwel, gelet op de nationaliteit van de producent en distributeur van het product en de plaats van productie en verkoop ervan, geen twijfel aan de zuiver interne aard van het specifieke geval. Het door artikel 30 aan de lidstaten gestelde verbod kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking vast te stellen of te handhaven is hier dus irrelevant.
Deze conclusie wordt bevestigd doordat, zoals de Deense regering in herinnering heeft gebracht, in de zaak Pistre e.a. andere prejudiciële vragen over bepalingen betreffende het vrije verkeer van personen en niet betreffende het vrije verkeer van goederen waren gesteld. In tal van arresten betreffende soortgelijke zaken liet het Hof de prejudiciële vraag zonder meer onbeantwoord gelet op de irrelevantie en dus op de niet-toepasselijkheid van de gemeenschapsregeling op het geval dat in het hoofdgeding aan de orde was, precies wegens de zuiver interne aard van het nationale geding. Ten slotte kan ook de vraag worden gesteld of een prejudiciële beslissing zoals die in de zaken Smanor of Pistre e.a. daadwerkelijk van invloed kan zijn op de oplossing van het hoofdgeding. Het gemeenschapsrecht kan zich niet verzetten tegen een nationale regeling betreffende zuiver interne situaties, zelfs wanneer zoals in de zaak Pistre e.a. de (lokale) producenten zijn gehouden een bepaalde benaming slechts te gebruiken voor ingrediënten, dat wil zeggen voor de componenten van het product, die afkomstig zijn uit een bepaald gebied van het nationale grondgebied. Bijgevolg, ook al komt het Hof tot de conclusie dat de nationale wetgeving in strijd is met artikel 30, kan de nationale rechter bij gebrek aan intracommunautaire handelstransacties", deze wetgeving toepassen op nationale ondernemingen die hun producten op het nationale grondgebied willen produceren en verkopen.
Daarbij heeft het geen belang dat in de onderhavige zaak evenals in de zaken Smanor en Pistre e.a. de op de nationale producent rustende verplichting om specifieke productienormen - namelijk het verbod een benaming te gebruiken voor goederen die geen bijzondere kenmerken hebben, en niet volgens een bepaald fabricageprocédé zijn vervaardigd - in acht te nemen, enige (mogelijke en, vooral wat de onderhavige zaak en de zaak Smanor betreft, nogal verre) invloed op de invoer kan hebben. De op nationaal niveau opgelegde fabricageregels hebben in de regel niet tot doel de lokale productie te beschermen, doch veeleer te garanderen dat de kwaliteit van het product constant blijft, welk doel mijns inziens samenvalt met de algemene doelstellingen van gemeenschapsrecht inzake fabricage en verkoop van landbouwproducten.
8. Op basis van een en ander ben ik van mening dat gelet op de zuiver interne aard van de feiten in het hoofdgeding de bepalingen van gemeenschapsrecht om uitlegging waarvan de verwijzende rechter verzoekt, daarop niet van toepassing zijn, zodat het Hof zich niet hoeft uit te spreken over de verenigbaarheid ervan met de Franse voorschriften inzake het gebruik van de naam emmentaler".
Ten gronde
Artikel 30 van het Verdrag
9. Ingeval het Hof een andere dan de door mij voorgestelde oplossing kiest, zal het zich moeten uitspreken over de verenigbaarheid van de Franse regeling met de primaire bepalingen van gemeenschapsrecht betreffende het vrije verkeer van goederen, die de invoering van hinderpalen voor de invoer van producten uit andere lidstaten verbieden.
10. a) De communautaire rechtsorde garandeert geen enkele specifieke bescherming voor de hier in het geding zijnde naam emmentaler": hij vormt geen beschermde benaming krachtens verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen en evenmin werd de specificiteit van het product gecertificeerd krachtens verordening (EEG) nr. 2082/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de specificiteitscertificering voor landbouwproducten.
11. Volgens Guimont, ondersteund door de Duitse, de Nederlandse en de Oostenrijkse regering, gaat het om een soortnaam in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2081/92. Dit artikel verbiedt de registratie van soortnamen en noemt de volgende factoren waarmee rekening moet worden gehouden om vast te stellen of een naam een soortnaam is geworden: - de bestaande situatie in de lidstaat waar de naam zijn oorsprong heeft en in het traditionele verbruiksgebied; - de situatie in andere lidstaten; - de relevante nationale of communautaire wetgeving". Tegen dit standpunt zijn geen bezwaren gemaakt; in de opmerkingen van alle partijen die opmerkingen hebben ingediend, wordt het karakter van soortnaam van de betrokken benaming daarentegen niet betwist in die zin dat zij niet met de productie op een bepaalde plaats en dus met de geografische herkomst van het product verband houdt, doch alleen met de (soort)kenmerken van het product zelf, die berusten op het feit dat het product dezelfde algemene kenmerken heeft, aangezien gelijksoortige productieprocédés worden gebruikt.
In de Gemeenschap wordt blijkens de door Guimont verstrekte en door de Commissie bevestigde gegevens korstloze emmentaler in Denemarken en Duitsland geproduceerd en in Spanje verkocht. Bijgevolg kan de Franse regeling volgens welke deze benaming slechts voor kaas met een geelivoorkleurige korst geoorloofd is, ongetwijfeld een invoerbeperking meebrengen voor emmentaler die in genoemde lidstaten wordt geproduceerd.
12. Is de betrokken maatregel wegens deze eventuele gevolgen voor de intracommunautaire handel dan op basis van de verdragsbepalingen over het vrije verkeer van goederen verboden?
De rechtspraak van het Hof over de uitlegging van de toepasselijke bepalingen met betrekking tot nationale maatregelen die de voorwaarden voor het gebruik van een benaming vaststellen, sluit alle twijfel uit. Het Hof heeft namelijk op basis van het ruim opgevatte begrip maatregelen van gelijke werking in het arrest Dassonville enerzijds verklaard dat een lidstaat bij een in de gemeenschappelijke markt als soortnaam te beschouwen benaming het gebruik ervan niet mag beperken tot inlandse producten, die bepaalde kenmerken vertonen, en anderzijds vastgesteld dat een lidstaat, afgezien van het karakter van soortnaam van de benaming, niet de invoer mag verbieden van een product, dat dezelfde benaming overeenkomstig de toepasselijke rechtsvoorschriften van de staat van herkomst draagt, door zijn eigen voorschriften voor de benaming van levensmiddelen toe te passen.
Met betrekking tot het eerste aspect, namelijk de beperking van het gebruik van een soortnaam, zij opgemerkt dat het Hof in 1981 in een beroep wegens niet-nakoming tegen een Italiaans verbod van invoer en verkoop van niet uit wijn voorbereide azijn onder de naam azijn" heeft vastgesteld dat het daarbij gaat om een soortnaam en het (...) onverenigbaar [is] met de doelstellingen van de gemeenschappelijke markt, en inzonderheid met het grondbeginsel van het vrije verkeer van goederen, dat een nationale wetgeving een generieke term voorbehoudt aan één nationale soort, zulks ten nadele van de andere soorten die vooral in andere landen worden vervaardigd".
13. Aangaande het tweede aspect, namelijk de beperking van het gebruik van een benaming verwijs ik naar het arrest Deserbais dat door de partijen die opmerkingen hebben ingediend, meermaals is aangehaald, waarin het Hof de artikelen 30 en volgende ten aanzien van Franse rechtsbepalingen diende uit te leggen, die het gebruik van de naam edam" beperkten tot kaas met een minimumvetgehalte van 40 %. In de eerste plaats heeft de gemeenschapsrechter geconstateerd dat deze naam geen oorsprongsbenaming of een aanduiding van de herkomst vormt, waarmee een product wordt aangeduid dat afkomstig is uit een bepaald geografisch gebied. Vervolgens heeft hij vastgesteld dat toentertijd, namelijk in 1988, er geen communautaire regels inzake de benaming van de verschillende kaassoorten waren. In die omstandigheden kan - zoals het Hof verder vaststelde - niet worden ontkend dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om regelen te stellen die het gebruik van een bepaalde benaming voor kaas afhankelijk stellen van bepaalde productievoorschriften. Evenwel stelde hij ook dat het met artikel 30 EEG-Verdrag en de doelstellingen van een gemeenschappelijke markt [onverenigbaar zou zijn], indien de toepassing van die regelen werd uitgebreid tot ingevoerde kaas van hetzelfde type, wanneer deze in een andere lidstaat onder dezelfde generieke naam maar met een ander minimum vetgehalte rechtmatig is vervaardigd en in de handel gebracht".
Uit deze rechtspraak volgt duidelijk dat de lidstaten weliswaar bevoegd blijven regels inzake de vervaardiging van producten en dus betreffende het gebruik van specifieke benamingen vast te stellen, doch deze nationale regels mogen niet leiden tot het verbod van verkoop en dus van invoer van producten met dezelfde benaming als de inlandse producten op grond dat de ingevoerde producten niet beantwoorden aan de nationale productieregeling. Producten met een etiket die in het land van oorsprong rechtmatig is aangebracht, moeten namelijk in de gehele Gemeenschap vrij in de handel kunnen worden gebracht.
14. De Franse wettelijke regeling waarnaar de verwijzende rechter verwijst, komt overeen met die welke in de zaak Deserbais is onderzocht. De Franse regeling die voor korstloze kaas het gebruik van de naam emmentaler" verbiedt, vormt namelijk, evenals die over de naam edam", ongetwijfeld een daadwerkelijke of mogelijke hinderpaal voor het in de handel brengen in Frankrijk van een in een andere lidstaat rechtmatig geproduceerde en voorbereide kaas. Zij is dus een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 van het Verdrag.
15. b) De Franse regering verklaart dat haar wettelijke regeling in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht, aangezien zij alleen op nationale producten van toepassing is met betrekking tot de productie en niet de afzet van emmentaler. Daarbij merkt zij op dat met de tijd steeds meer korstloze emmentaler Frankrijk is binnengekomen. Daaruit blijkt haars inziens dat de invoer en de daaraanvolgende afzet op generlei wijze hinder hebben ondervonden. Bovendien bepaalt artikel 18 van het in het hoofdgeding betwiste decreet nr. 88-1206, aldus de Franse regering, dat de bepalingen ervan zich niet verzetten tegen de bijzondere productie-, voorbereidings-, benaming- en etiketteringsvoorschriften voor kazen met oorsprongsaanduiding". De Franse rechtsbepalingen leiden dus tot een omgekeerde discriminatie; zij benadelen de nationale producenten tegenover de buitenlandse producenten, zodat zij reeds op deze grond niet als een maatregel van gelijke werking als een beperking van de intracommunautaire handel in landbouwproducten kunnen worden beschouwd.
16. Voor de door het Hof te geven uitlegging van de gemeenschapsbepalingen is dit betoog van de Franse regering mijns inziens niet relevant. De gemeenschapsrechter mag namelijk niet de werkingssfeer van de nationale wetgeving bepalen, ook al wordt, zoals in casu, de toepassing van nationale bepalingen op ingevoerde producten betwist.
In de verwijzingsbeschikking legt de nationale rechter de nationale wettelijke regeling aldus uit dat zij de productie en verkoop in Frankrijk" (cursivering van mij) van een korstloze kaas onder de naam emmentaler" in Frankrijk verbiedt. Het Hof kan mijns inziens niet van deze uitlegging van de Franse regeling afwijken, tenzij, gelet op de werkelijke en mogelijke gevolgen van de maatregelen, er feiten of omstandigheden blijken te zijn die werkelijk in strijd zijn met de door de verwijzende rechter aan deze bepaling gegeven betekenis. Als dergelijke omstandigheid kan evenwel zeker niet worden aangemerkt het feit dat korstloze emmentaler praktisch onafgebroken in Frankrijk is ingevoerd, aangezien aan de hand van de tekst van de Franse bepaling niet valt uit te sluiten dat de administratieve autoriteiten de nationale regeling aldus hebben toegepast of zullen toepassen dat de vrije verkoop van het product onder de naam emmentaler" verboden is of op enigerlei wijze wordt verhinderd.
17. c) Voor het overige wijst de Franse regering erop dat de litigieuze nationale regeling op de bepalingen van een overeenkomst berust: de overeenkomst van Stresa over het gebruik van oorsprongsbenamingen en oorsprongsaanduidingen van kaas, welke op 1 juni 1951 is ondertekend door de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk Denemarken, de Italiaanse Republiek en de Zwitserse Bondsstaat, legt de specifieke kenmerken vast van kaas waaraan de naam emmentaler" is voorbehouden. Meer bepaald heeft emmentalerkaas volgens artikel 4 van bijlage B een droge en harde goudkleurige tot lichtbruine" korst.
Over dit argument zij slechts opgemerkt dat de overeenkomst van Stresa als een vóór de inwerkingtreding van het EG-Verdrag tussen bepaalde lidstaten en een derde land gesloten internationale overeenkomst geen bindende werking heeft tussen de lidstaten en dus niet afdoet aan hun uit het primaire en het afgeleide gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen. Volgens artikel 234 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 307 EG) worden de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit vroegere overeenkomsten weliswaar door de bepalingen van het Verdrag niet aangetast, doch de lidstaten moeten krachtens dit artikel alle onverenigbaarheden van deze overeenkomsten met het gemeenschapsrecht opheffen, zodat de betrekkingen tussen de lidstaten en derde landen krachtens dit artikel onaangetast blijven.
18. d) Ten slotte merk ik op dat de Franse regering geen enkele dwingende eis aanvoert om de beperkende maatregelen te rechtvaardigen, doch alleen stelt dat de bereiding van kaas met een korst omslachtiger is: de korst brengt namelijk meer verlies aan vetstof en hogere arbeidskosten in verband met het rijpingsproces mee, vooral omdat de kaas moet worden gedraaid, gewassen en afgeborsteld vóór verpakking; daardoor bedraagt de detailhandelsprijs van emmentaler ongeveer 1,5 FRF meer per kilo.
Dit rechtvaardigt mijns inziens niet om voor emmentalerkaas met korst een andere benaming voor te schrijven. In beide gevallen wordt de kaas namelijk bereid uit grondstoffen en volgens criteria die in wezen gelijk zijn, en komt het eindproduct overeen met het product dat traditioneel bekend staat als emmentaler". Zoals het Hof in voormeld arrest Deserbais terecht heeft vastgesteld, kan een maatregel die het gebruik van een bepaalde benaming verbiedt, die in een andere lidstaat evenwel geoorloofd is, slechts dan als gerechtvaardigd en dus rechtmatig in de zin van de verdragsbepalingen worden beschouwd, wanneer het ingevoerde product naar samenstelling of vervaardiging zozeer afwijkt van de binnen de Gemeenschap algemeen onder die benaming bekende goederen, dat het niet kan worden geacht tot dezelfde categorie te behoren".
In dit verband herinner ik eraan dat volgens artikel 5, lid 1, van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/4/EG, bij ontbreken van communautaire bepalingen de verkoopbenaming de benaming is, die gebruikelijk is in de lidstaat waar het levensmiddel aan de eindverbruiker wordt verkocht, en in de lidstaat van verkoop slechts dan niet mag worden gebruikt, wanneer het product qua samenstelling of vervaardigingswijze zo sterk afwijkt van het onder die naam bekende levensmiddel" dat aanvullende informatie op het etiket niet voldoende is om een correcte voorlichting van de verbruiker in de lidstaat van verkoop te waarborgen" (punten b en c).
Wanneer evenwel, zoals de Franse regering stelt, verschillende productiecriteria een verschillende kwaliteit van de goederen meebrengen, zijn mijns inziens maatregelen gerechtvaardigd, die weliswaar niet het gebruik van de benaming verbieden, doch de verbruiker erop wijzen dat het om een ander product gaat, vooral omdat bij verkoop aan de eindconsument (bij voorverpakte producten) het onderscheid tussen emmentaler met en zonder korst moeilijk kan zijn te maken. Aangezien in casu de eenvoudige vermelding van de productieplaats die reeds op het etiket staat, niet voldoende is om korstloze emmentaler van de emmentaler met korst te onderscheiden, daar beide soorten in een en dezelfde staat kunnen zijn geproduceerd, is mijns inziens een nationale maatregel krachtens welke de eindverbruiker vooral bij verkoop van voorverpakte waren op het etiket uitdrukkelijk op de aanwezigheid van een korst moet worden gewezen, gerechtvaardigd en evenredig aan de daarmee nagestreefde doelstellingen.
Artikel 34 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 29 EG)
19. De Commissie vraagt zich ook af wat de gevolgen zijn van de betrokken wetgeving op de uitvoer van Franse emmentaler, daar het fabricageverbod in feite neerkomt op het verbod in Frankrijk geproduceerde korstloze kaas uit te voeren. Onder verwijzing naar het arrest Groenveld van 1979 komt zij tot de conclusie dat in casu geen sprake is van feiten of omstandigheden waaruit schending van artikel 34 blijkt, aangezien de nationale bepalingen geen specifieke beperking van de uitvoer van emmentaler tot doel of gevolg hebben.
Ik ben het hiermee eens. Ik herinner er namelijk aan dat het Hof vanaf het arrest Groenveld (reeds aangehaald) artikel 34 steeds aldus heeft uitgelegd dat nationale maatregelen die zonder onderscheid van toepassing zijn op nationale en uitgevoerde producten en die indirect op de afzet van voor uitvoer bestemde producten van invloed kunnen zijn, van de werkingssfeer daarvan uitgesloten zijn, en als maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve uitvoerbeperkingen alleen die maatregelen gelden die een specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer" tot doel of tot gevolg hebben en aldus tot een ongelijke behandeling van de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een lidstaat leiden, waardoor aan de nationale productie of de binnenlandse markt van de betrokken lidstaat ten koste van de productie of de handel van andere lidstaten een bijzonder voordeel wordt verzekerd". Het verschil in behandeling dat voortvloeit uit maatregelen die direct of indirect de invoer betreffen, ten opzichte van die welke daarentegen gevolgen voor de uitvoer hebben, is evident: sinds het arrest Dassonville is artikel 30 namelijk aldus uitgelegd dat het, ongeacht het bestaan of de omvang van de werkelijke gevolgen voor de invoer, van toepassing is op alle nationale maatregelen die van invloed zijn op de handel in een product, terwijl de uitlegging van artikel 34 steeds in verband is gebracht met de specifieke gevolgen van de wetgeving inzake uitvoer van goederen en het bestaan van een discriminatie tussen de uitvoer- en afzetregeling in het land van productie.
Mijns inziens moeten wij op deze door het Hof ingeslagen weg voortgaan: zouden tot de maatregelen die de intracommunautaire handel belemmeren, al die maatregelen worden gerekend die op enigerlei wijze de fabricage en dus de afzet van nationale, potentieel voor de uitvoer bestemde producten benadelen, dan zou namelijk het gemeenschapsrecht inzake het vrije verkeer van goederen alle nationale bepalingen raken, die een ongelijke behandeling bij de fabricage en afzet van nationale producten inhouden. Een ruime uitlegging van artikel 34 zou ook een fundamenteel beginsel van het normatieve systeem aantasten, dat de verwezenlijking van de gemeenschappelijke markt mogelijk maakt, namelijk het beginsel dat van de met het integratieproces verbonden verplichtingen van de lidstaten het verbod van invoering of handhaving van alle maatregelen moet worden uitgesloten, die de eigen burgers, goederen, kapitaal of diensten ongunstiger behandelen dan die van andere lidstaten, uiteraard indien er geen sectoriële gemeenschapsbepalingen bestaan, die in het algemeen in rechtshandelingen van afgeleid recht zijn te vinden.
Op basis van deze overwegingen vormt de betrokken Franse wetgeving mijns inziens dus geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking in de zin van artikel 34 van het Verdrag.
Conclusie
20. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag van het Tribunal de police de Belley te beantwoorden als volgt:
1a) De artikelen 30 (thans, na wijziging, artikel 28 EG) en volgende EG-Verdrag zijn niet van toepassing op zuiver interne situaties van een lidstaat zoals die van een in een lidstaat gevestigde onderneming waaraan krachtens een nationale wettelijke regeling betreffende het gebruik van een benaming wordt verboden haar eigen producten op het nationale grondgebied te produceren en te verkopen.
Ingeval het Hof het tegendeel van de sub a voorgestane oplossing aanneemt, geef ik het Hof in overweging, deze prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
1b) Artikel 30 van het Verdrag verzet zich tegen een nationale wettelijke regeling krachtens welke een kaassoort slechts de naam ,emmentaler mag dragen, indien de kaas een harde en geelgoudkleurige korst heeft.
2) Artikel 34 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 29 EG) verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling krachtens welke een kaas slechts de naam ,emmentaler mag dragen, indien de kaas een harde en geelgoudkleurige korst heeft."
Full & Egal Universal Law Academy