Conclusie van de advocaat generaal
I - Voorwerp van het beroep en voorafgaande administratieve procedure
1. Met het onderhavige beroep krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en, subsidiair, aan de Commissie mee te delen, die nodig zijn om geheel te voldoen aan richtlijn 96/97/EG, de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2. Richtlijn 96/97 beoogt de bepalingen van richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid aan te passen aan de reeks arresten van het Hof die is aangevangen met het arrest Barber. Ingevolge artikel 3, lid 1, van de richtlijn moeten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen om uiterlijk op 1 juli 1997 aan deze richtlijn te voldoen, en de Commissie onverwijld in kennis stellen van de vaststelling van deze bepalingen.
3. Aangezien de Commissie niet door de Griekse regering in kennis was gesteld van de aanpassing van het nationale recht aan richtlijn 96/97, en zij over geen enkele informatie beschikte op grond waarvan zij kon aannemen dat deze aanpassing had plaatsgevonden, was de Commissie van oordeel dat de Griekse Republiek de verplichtingen niet was nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 3, lid 1, van voornoemde richtlijn, en besloot zij de procedure van artikel 169 van het Verdrag in te leiden. In haar aanmaningsbrief van 9 september 1997 herinnerde de Commissie de Griekse Republiek aan haar verplichtingen uit hoofde van richtlijn 96/97 en het EG-Verdrag, en maande zij deze lidstaat aan om binnen twee maanden zijn opmerkingen in te dienen.
4. De Griekse Republiek reageerde niet op deze aanmaningsbrief. Daarom deed de Commissie de Griekse Republiek bij brief van 12 januari 1998 een met redenen omkleed advies toekomen, waarin zij de opmerkingen uit de aanmaningsbrief herhaalde en haar een termijn van twee maanden verleende voor het treffen van de nodige maatregelen om de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen na te komen.
5. Aangezien de Griekse regering de in het met redenen omklede advies geformuleerde grieven niet heeft beantwoord, heeft de Commissie op 15 december 1998 het onderhavige beroep ingesteld.
II - Argumenten van partijen
6. De Commissie voert aan dat de Griekse Republiek, door niet de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om haar nationale recht integraal aan te passen aan de richtlijn, de artikelen 189 en 5 EG-Verdrag (thans de artikelen 249 EG en 10 EG) heeft geschonden.
7. De verwerende regering bestrijdt dat zij in gebreke is gebleven. In de eerste plaats betoogt zij dat de Griekse rechtsorde in beginsel geen ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid" in de zin van de richtlijnen 86/378 en 96/97 kent.
Na erop te hebben gewezen dat de communautaire regelgeving geen duidelijke definitie geeft van deze regelingen, heeft de Griekse regering uiteengezet dat de Griekse regelingen inzake sociale zekerheid bij wet zijn geregeld. Alle personen die binnen de personele werkingssfeer van de betrokken wetgeving vallen, zijn verplicht en van rechtswege aangesloten bij het socialezekerheidsprogramma.
De nationale socialezekerheidsregeling in Griekenland is opgezet in de vorm van specifieke regelingen per beroepssector. Het Idrima Koinonikon Asfaliseon (socialezekerheidsorgaan voor werknemers) verzekert de werknemers die niet in het kader van een specifieke regeling zijn verzekerd. Volgens de Griekse regering zijn zowel de algemene regeling als de specifieke regelingen wettelijke regelingen", waarop derhalve verordening (EEG) nr. 1408/71 van toepassing is.
Het wettelijk karakter van deze regelingen wordt bevestigd door het feit dat zij zijn opgezet en functioneren zonder dat de sociale partners worden geraadpleegd. Dit geldt ook voor de bepaling van de hoogte van de bijdragen en de pensioenen. Bovendien beschikken de sociale partners over een zeer beperkte speelruimte om de pensioenen te regelen in collectieve arbeidsovereenkomsten, hetgeen met name blijkt uit artikel 3 van wet nr. 1876/1990, zoals gewijzigd bij wet nr. 1902/1990.
In dupliek voegt de beweerdelijk in gebreke gebleven lidstaat daaraan toe, dat het wettelijk karakter van de Griekse socialezekerheidsregelingen ook volgt uit artikel 22, lid 4, van de Griekse Grondwet, zoals dit door de Symvoulio tis Epikrateias (Staatsraad) wordt geïnterpreteerd. Ook wijst zij op artikel 22 van wet nr. 2084/1992, dat bepaalt dat de hoogte van de socialezekerheidsbijdragen die worden betaald door de werkgever, de werknemers en de lidstaat zelf, voor alle hoofdverzekeringsorganen gelijk zijn, en de hoogte van de bijdragen bij wet wordt vastgelegd.
8. In de tweede plaats voert de verwerende regering aan, dat de wetgever reeds initiatieven heeft genomen om het nationale recht aan richtlijn 96/97 aan te passen, zulks niettegenstaande de problemen die voortvloeien uit het feit dat er in Griekenland geen ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid bestaan.
In concreto verwijst zij daarbij naar artikel 81 van wet nr. 2676/1999, dat aan artikel 5 van wet nr. 1414/1984 het volgende lid 3 heeft toegevoegd:
3. Elke clausule van een collectieve arbeidsovereenkomst of van een intern ondernemingsreglement die onderscheid maakt tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers ten aanzien van ondernemings- of sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, is onrechtmatig."
9. In de derde plaats merkt de Griekse regering op, dat de Griekse autoriteiten voortdurend nauwgezet de mogelijkheid onderzoeken om andere bestaande of toekomstige regelingen binnen de werkingssfeer van richtlijn 96/97 te brengen. In concreto overweegt zij dat richtlijn 96/97 wellicht zou kunnen worden toegepast op collectieve, tussen werkgevers en werknemers in bepaalde bedrijfstakken afgesloten particuliere verzekeringsovereenkomsten. Zij verzekert evenwel dat deze contracten in ieder geval geen clausules bevatten die een discriminatie op grond van geslacht inhouden.
10. Ten slotte wijst de verwerende regering op de negatieve gevolgen die zich kunnen voordoen indien de Griekse socialezekerheidsregelingen zouden worden beschouwd als bedrijfsregelingen".
Enerzijds zou dit de volledige coördinatie, in het kader van de verordeningen nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72, verhinderen met de socialezekerheidsregelingen van andere lidstaten, hetgeen afbreuk zou doen aan het vrije verkeer van personen. In dit verband wijst de Griekse regering erop, dat alle Griekse socialezekerheidsregelingen binnen de materiële werkingssfeer van deze verordeningen vallen, om welke reden de recente richtlijn 98/49/EG in deze lidstaat niet van toepassing is. Dit stemt overeen met de verklaring die de Griekse regering gaf tijdens de voorbereidende werkzaamheden binnen de groep sociale kwesties van de Raad.
Anderzijds zou dit resulteren in een ingrijpende verandering, zelfs met terugwerkende kracht, van het nationale beleid en de budgetten van alle Griekse socialezekerheidsregelingen.
III - Juridische beoordeling
11. De argumenten van de Griekse regering lijken mij weinig overtuigend, en wel om de volgende redenen.
12. Wat betreft de gestelde non-existentie binnen de Griekse rechtsorde van ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, in de zin van de communautaire richtlijnen, wil ik om te beginnen opmerken dat de Griekse regering zelf ook niet erg overtuigd lijkt van hetgeen zij aanvoert. Zo stelt zij in haar verweerschrift dat in de Griekse rechtsorde in beginsel geen ,ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, zoals die worden beschreven in de richtlijnen 86/378/EEG en 96/97/EG, kent". In dupliek herhaalt zij dat de overgrote meerderheid van - zo niet alle - socialezekerheidsregelingen in Griekenland ,wettelijke regelingen zijn".
Het enige wat uit deze verklaringen kan worden afgeleid, is dat de meeste Griekse socialezekerheidsregelingen wettelijke regelingen zijn. A contrario kan men daaruit ook afleiden dat er andere - door de regering als bijzonder" aangeduide - regelingen bestaan die binnen de werkingssfeer van de richtlijn zouden kunnen vallen.
13. Zoals de Commissie namelijk terecht opmerkt, heeft het Hof in de zaak Evrenopoulos, betreffende de socialezekerheidsregeling van de Dimossia Epicheirissi Ilektrismou (openbaar elektriciteitsbedrijf; hierna: DEI"), uitdrukkelijk bevestigd dat er in de Helleense Republiek ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, in de zin van de richtlijn, bestaan.
14. In deze zaak betoogden DEI en de Griekse regering, dat de verzekeringsregeling van DEI een wettelijke regeling was die niet binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag viel. In dat verband beklemtoonde DEI dat het ging om een rechtstreeks ingesteld en bij uitsluiting door de wet beheerste regeling, die zij in haar hoedanigheid van publiekrechtelijke rechtspersoon zelf beheerde. Bovendien was de regeling niet door een eenzijdige beslissing van de werkgever of na onderhandeling of overleg tussen de sociale partners tot stand gekomen, werd de wijze van functioneren ervan bepaald door overwegingen van sociaal beleid en niet door de dienstbetrekking, en vormde zij, ten slotte, geen aanvulling op een andere algemene verzekeringsregeling, omdat de uitkeringen ervan niet geheel of gedeeltelijk in de plaats kwamen van de uitkeringen uit hoofde van enigerlei socialezekerheidsregeling. Om deze redenen waren DEI en de Griekse regering van mening, dat de regeling niet voldeed aan de door het Hof opgestelde criteria voor de uitlegging van het begrip beloning" in de zin van artikel 119 van het Verdrag.
15. Het Hof heeft deze argumenten niet aanvaard. Het wees erop dat enkel het criterium dat is ontleend aan de vaststelling dat het pensioen aan de werknemer wordt uitgekeerd op grond van de arbeidsverhouding tussen de betrokkene en de voormalige werkgever, dat wil zeggen het aan de bewoordingen van artikel 119 ontleende criterium van de dienstbetrekking, beslissend kan zijn. Voorts erkende het Hof dat aan dit criterium geen exclusief karakter kon worden toegekend, omdat bij pensioenen die op grond van wettelijke regelingen van sociale zekerheid worden uitgekeerd, geheel of gedeeltelijk rekening kan worden gehouden met het arbeidsloon. Overwegingen van sociaal beleid, betreffende de organisatie van de staat, van ethische of zelfs van budgettaire aard, die een rol hebben of kunnen hebben gespeeld toen de nationale wetgever een regeling vaststelde, kunnen echter niet doorslaggevend zijn indien het pensioen slechts geldt voor een bijzondere categorie van werknemers, indien het rechtstreeks afhankelijk is van het aantal dienstjaren en indien het bedrag ervan wordt berekend op basis van het eindloon. Ook wees het Hof erop dat een overlevingspensioen waarin een ondernemingspensioenregeling voorziet, een voordeel is dat voortvloeit uit de aansluiting van de echtgenoot van de nabestaande bij de regeling en dus binnen de werkingssfeer van artikel 119 valt.
16. Uit het voorgaande heeft het Hof afgeleid dat een overlevingspensioen dat wordt uitgekeerd door een ondernemingspensioenregeling als die van DEI, dat in wezen afhankelijk is van de door de echtgenote van de betrokkene vervulde dienstbetrekking, aan haar salaris is gekoppeld en onder artikel 119 van het Verdrag valt.
17. Uit dit arrest blijkt duidelijk dat er in Griekenland, in tegenstelling tot wat de Griekse regering beweert, ondernemings- of sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid in de zin van de richtlijnen 86/378 en 96/97 bestaan. Ik ben dan ook van mening dat het eerste middel van de Griekse regering moet worden afgewezen.
18. Wat het tweede middel betreft, dat is gebaseerd op de vaststelling van wet nr. 2676/1999, wijs ik erop dat, ongeacht of met de bepalingen van deze wet het nationale recht in voldoende mate is aangepast aan richtlijn 96/97, in deze zaak kan worden volstaan met de vaststelling dat deze wet op 5 januari 1999 werd gepubliceerd in het Publicatieblad van de Helleense Republiek, dat wil zeggen na het verstrijken van de bij richtlijn 96/97 aan de lidstaten toegekende termijn, en nadat de Commissie haar beroep had ingesteld. Volgens vaste rechtspraak kunnen de maatregelen die een lidstaat ter voldoening aan zijn verplichtingen heeft getroffen nadat het beroep wegens niet-nakoming is ingesteld, door het Hof niet in aanmerking worden genomen.
19. Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Hof dat aan de door een bepaling van een richtlijn aan de lidstaten opgelegde verplichting om de Commissie onverwijld elke nuttige inlichting te verstrekken betreffende de maatregelen die zijn genomen om het nationale recht aan te passen aan de richtlijn niet is voldaan, indien de lidstaat eerst in de procedure voor het Hof de nationale maatregelen noemt die volgens hem de uitvoering van de richtlijn verzekeren.
20. Op deze gronden stel ik mij op het standpunt, dat het tweede middel van de Griekse regering moet worden afgewezen.
21. Ook haar derde middel moet worden afgewezen. Naar mijn mening vormt het nauwgezet onderzoeken" door de Griekse regering van andere bestaande of toekomstige regelingen, met het oog op de eventuele toepassing van richtlijn 96/97, geen correcte uitvoering van de genoemde richtlijn. De algemene bewering dat collectieve, tussen werkgevers en werknemers in bepaalde bedrijfstakken afgesloten particuliere verzekeringsovereenkomsten waarop richtlijn 96/97 wellicht van toepassing is, geen clausules bevatten die een discriminatie op grond van geslacht inhouden, lijkt evenmin overtuigend. Zoals het Hof heeft bevestigd, [moeten] lidstaten richtlijnen ten uitvoer (...) leggen op een wijze die volledig aan de eisen van rechtszekerheid voldoet, en [moeten zij] bijgevolg de bepalingen van richtlijnen (...) omzetten in dwingende bepalingen van intern recht".
22. Wat betreft het laatste middel van de verwerende regering, dat is gebaseerd op de gevolgen die de toepassing van de bepalingen van richtlijn 96/97 zou kunnen hebben voor de Griekse socialezekerheidsregelingen, zou ik het volgende willen opmerken.
23. Om te beginnen wijs ik er - wellicht ten overvloede - op, dat een arrest waarin het Hof de niet-nakoming vaststelt, de Griekse autoriteiten geenszins zou verplichten om de richtlijn toe te passen op wettelijke socialezekerheidsregelingen. Deze lidstaat zou enkel verplicht zijn om die bepalingen vast te stellen, die de toepassing verzekeren van richtlijn 96/97 op ondernemings- en sectoriële regelingen die conform de bepalingen van deze richtlijn worden vastgesteld.
24. De Griekse regering betreurt het dat zij de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 niet langer kan toepassen op deze socialezekerheidsregelingen, waarvan, op basis van het door het Hof te wijzen arrest, moet worden aangenomen dat zij binnen de werkingssfeer van richtlijn 96/97 vallen. Met dit argument lijkt zij te willen suggereren dat de bepalingen van de richtlijnen 86/378 en 96/97, die de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid verzekeren, niet moeten worden toegepast, zulks teneinde het vrije verkeer van personen te waarborgen.
25. Ik ben van mening dat de lidstaten de bepalingen van gemeenschapsrecht correct dienen toe te passen. De verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 moeten worden toegepast op alle wettelijke socialezekerheidsregelingen - en enkel op die regelingen - die binnen hun materiële werkingssfeer, zoals bepaald bij artikel 4 van verordening nr. 1408/71, vallen. Hetzelfde geldt voor de bij richtlijn 96/97 ingevoerde wijzigingen van richtlijn 86/378, die moeten worden toegepast op alle ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid die voldoen aan de voorwaarden om als zodanig te worden aangemerkt, en die binnen hun materiële werkingssfeer, zoals bepaald bij artikel 4 van richtlijn 86/378, vallen. Wanneer een ondernemings- en sectoriële regeling inzake sociale zekerheid met het oog op de bevordering van het vrije verkeer van personen als een wettelijke regeling zou worden gekwalificeerd, dan zou dit niet alleen in strijd zijn met richtlijn 96/97, maar ook met de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72, aangezien deze alleen van toepassing zijn op wettelijke socialezekerheidsregelingen.
26. Die overwegingen gelden evenzeer voor richtlijn 98/49. Zonder de verklaring te beoordelen die de Griekse regering stelt in de Raad te hebben afgelegd en volgens welke deze richtlijn in Griekenland niet van toepassing is, welke verklaring in deze zaak niet aan de orde is, kan worden volstaan met de vaststelling dat de materiële werkingssfeer van deze richtlijn verschilt van die van richtlijn 96/97.
27. Evenmin kan het argument worden aanvaard dat is gebaseerd op de gevolgen die een arrest waarin de niet-nakoming wordt vastgesteld, zou hebben voor het nationale beleid en de budgetten van alle Griekse socialezekerheidsregelingen. In dit verband dient eraan te worden herinnerd, dat volgens de rechtspraak van het Hof een lidstaat zich niet op praktische of administratieve moeilijkheden kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van in de gemeenschapsrichtlijnen besloten liggende verplichtingen of termijnen. Hetzelfde geldt voor financiële moeilijkheden: de lidstaten dienen deze met passende maatregelen te overwinnen.
28. Hoewel het Hof het niet uitgesloten acht dat een absolute onmogelijkheid om de verplichtingen van een richtlijn na te leven de niet-nakoming van die verplichtingen zou kunnen rechtvaardigen, heeft de Helleense Republiek het bestaan van een dergelijke onmogelijkheid in haar geval niet aannemelijk weten te maken.
IV - Kosten
29. Aangezien het beroep van de Commissie moet worden toegewezen, dient verweerster overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te worden verwezen.
V - Conclusie
30. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging het onderhavige beroep toe te wijzen en:
1) vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen of aan de Commissie mee te delen, die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/97/EG van de Raad van 20 december 1996 tot wijziging van richtlijn 86/378/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) de Helleense Republiek in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy