Conclusie van de advocaat generaal
1. De onderhavige hogere voorziening maakt deel uit van een reeks gedingen die in het kader van het communautaire ambtenarenrecht naar aanleiding van het arrest van het Gerecht van 5 oktober 1995, Alexopoulou/Commissie, zijn gerezen.
Martínez del Peral Cagigal (hierna: rekwirante"), ambtenaar van de Commissie, verzoekt het Hof de beschikking van het Gerecht van 14 oktober 1998 te vernietigen, voorzover hierbij haar beroep tegen het besluit van de Commissie houdende afwijzing van haar verzoek tot herziening van haar indeling in rang, is verworpen.
I - Juridische en feitelijke context
2. Artikel 31 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Statuut") regelt de indeling van ambtenaren bij hun aanstelling.
Artikel 31, lid 1, bepaalt dat de door de instellingen gekozen kandidaten in de aanvangsrang van hun categorie of groep worden aangesteld. Volgens artikel 31, lid 2, kan het tot aanstelling bevoegde gezag (hierna: TABG") voor een bepaald deel van de te bezetten posten van deze bepaling afwijken.
3. De artikelen 90 en 91 van het Statuut hebben betrekking op de rechtsmiddelen waarover de ambtenaren beschikken.
Artikel 90, lid 1, bepaalt dat iedere in [het] Statuut genoemde persoon [...] bij het [TABG] een verzoek [kan] indienen om jegens hem een besluit te nemen".
Volgens artikel 90, lid 2, kan iedere in [het] Statuut genoemde persoon [...] bij het [TABG] een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, hetzij omdat dit gezag een besluit heeft genomen, dan wel omdat het geen, bij het Statuut verplichte maatregel heeft genomen. De klacht moet binnen een termijn van drie maanden worden ingediend."
Artikel 91, lid 2, ten slotte bepaalt dat een beroep op het [Gerecht van eerste aanleg] slechts ontvankelijk [is] indien men zich van tevoren tot het [TABG] heeft gewend met een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, en binnen de aldaar gestelde termijn [...]".
4. Op 1 september 1983 stelde de Commissie een besluit vast inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving (hierna: besluit van 1 september 1983"). Artikel 2, lid 1, van dit besluit bepaalde:
Het [TABG] stelt de ambtenaar op proef aan in de aanvangsrang van de loopbaan waarvoor hij is aangeworven."
5. In het arrest Alexopoulou achtte het Gerecht dit besluit onverenigbaar met artikel 31, lid 2, van het Statuut, voorzover het TABG hierbij de mogelijkheid werd ontnomen een ambtenaar in een hogere dan de aanvangsrang aan te stellen.
6. Om te voldoen aan het arrest Alexopoulou heeft de Commissie haar besluit van 1 september 1983 gewijzigd bij een tweede besluit van 7 februari 1996, gepubliceerd in de Mededelingen van de Administratie van 27 maart 1996 (hierna: besluit van 7 februari 1996"). Voortaan luidt artikel 2 van eerstgenoemd besluit als volgt:
Het [TABG] stelt de ambtenaar op proef aan in de aanvangsrang van de loopbaan waarvoor hij is aangeworven.
Bij wijze van uitzondering kan het [TABG] besluiten de ambtenaar op proef in een hogere rang van de loopbaan in te delen, wanneer het dienstbelang de aanwerving vereist van een bijzonder gekwalificeerd ambtenaar of wanneer de aangeworven ambtenaar over buitengewone kwalificaties beschikt.
Dit besluit treedt in werking op 5 oktober 1995 (datum van het arrest van het Gerecht)."
II - Feiten en procesverloop
7. Volgens de bestreden beschikking is rekwirante op 9 november 1993 aangesteld als ambtenaar op proef van de Commissie met indeling in de rang A 7, salaristrap 1. Bij besluit van 26 november 1993 heeft het TABG haar ingedeeld in de rang A 7, salaristrap 3.
8. Op 21 juni 1996, kort na de bekendmaking van het besluit van 7 februari 1996, heeft rekwirante op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut een verzoek tot herziening van haar indeling in rang vanaf de dag van haar indiensttreding ingediend.
9. Op 24 oktober 1996 heeft de Commissie dit verzoek afgewezen op grond dat het meer dan drie maanden na het aanvankelijke indelingsbesluit was ingediend.
10. Op 23 januari 1997 diende Martínez Peral Cagigal op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in, die door de Commissie werd afgewezen bij besluit van 29 april 1997.
11. Op 29 juli 1997 stelde rekwirante beroep in bij het Gerecht. Zij vorderde de nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 24 oktober 1996 houdende afwijzing van haar verzoek tot herziening van haar indeling in rang.
Tot staving van haar beroep voerde rekwirante vijf middelen aan: miskenning van de rechtspraak betreffende nieuwe feiten, schending van artikel 176 EG-Verdrag (thans artikel 233 EG) en van het gelijkheidsbeginsel, niet-nakoming van de zorgplicht en gebrekkige motivering van het bestreden besluit.
12. Bij akte, neergelegd op 24 oktober 1997, heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
Tot staving van deze exceptie voerde de Commissie aan dat rekwirante niet binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn van drie maanden een klacht had ingediend tegen de handeling waardoor zij zich bezwaard achtte, namelijk het besluit van het TABG van 26 november 1993 betreffende haar definitieve indeling. De Commissie voegde hieraan toe dat noch het arrest Alexopoulou, noch het besluit van 7 februari 1996 een nieuw en wezenlijk feit vormde dat de klachttermijn opnieuw kon doen ingaan.
13. Op 14 november 1997 heeft het Gerecht de partijen in het onderhavige geding, alsook de partijen in vele andere herindelingszaken" uitgenodigd voor een informele vergadering met de rechter-rapporteur. Na deze vergadering hebben de meeste verzoekers de zaak Gevaert/Commissie als pilotzaak" aangewezen. Rekwirante heeft evenwel verklaard dat zij niet aan dit akkoord wenste deel te nemen en haar eigen zaak wenste voort te zetten.
III - De bestreden beschikking
14. Voor het Gerecht beklemtoonde rekwirante dat haar verzoek tot herindeling niet gericht was tegen het besluit van het TABG betreffende haar aanvankelijke indeling, maar integendeel ertoe strekte, ten vervolge op het besluit van het 7 februari 1996 haar kwalificaties te laten onderzoeken met het oog op een eventuele herziening van haar indeling in rang.
Verder betoogde rekwirante onder verwijzing naar de arresten Blomefield/Commissie en Williams/Rekenkamer, dat het besluit van 7 februari 1996 een nieuw en wezenlijk feit vormde dat de klacht- en beroepstermijnen van de artikelen 90 en 91 van het Statuut opnieuw kon doen ingaan. Zij wees erop dat het Hof in de zaken Valentini/Commissie en Mogensen/Commissie de besluiten van de Commissie van 6 juni 1973 en 1 september 1983 inzake de criteria voor de indeling van ambtenaren als nieuwe en wezenlijke feiten" had aangemerkt. Volgens rekwirante viel bijgevolg niet in te zien waarom het besluit van 7 februari 1996 geen nieuw feit zou kunnen uitmaken.
Verder stelde rekwirante dat de Commissie, door te weigeren haar indeling in rang te herzien, haar zorgplicht niet was nagekomen en het in artikel 5, lid 3, van het Statuut neergelegde gelijkheidsbeginsel had geschonden.
15. In de bestreden beschikking overwoog het Gerecht het volgende:
26 Vaststaat dat verzoekster niet binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn van drie maanden een klacht heeft ingediend tegen het indelingsbesluit van het TABG van 26 november 1993. Bijgevolg is verzoeksters indeling in rang definitief geworden bij het verstrijken van de termijn waarbinnen tegen dit besluit een klacht kon worden ingediend.
27 Zoals de gemeenschapsrechter reeds heeft geoordeeld, kan een ambtenaar de voorwaarden van zijn aanvankelijke aanwerving niet betwisten nadat deze definitief is geworden [...] Enkel wanneer zich nieuwe en wezenlijke feiten voordoen, kan immers worden verzocht om herziening van een besluit waartegen niet binnen de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde termijnen is opgekomen [...]
28 Het verzoek van 21 juni 1996 strekt er juist toe de aanvankelijke aanwervingsvoorwaarden van verzoekster, met name haar indeling in rang, op de helling te zetten, aangezien het de herziening beoogt van haar indeling in rang op de dag van haar indiensttreding.
29 Er dient dus te worden nagegaan of het besluit van 7 februari 1996 een nieuw en wezenlijk feit kan uitmaken op basis waarvan na het verstrijken van de klachttermijn een verzoek tot herindeling kan worden ingediend.
30 Het besluit van 7 februari 1996 is naar zijn aard en juridische draagwijdte geen nieuw feit. Dit besluit heeft noch als doel, noch als gevolg, administratieve besluiten die voor de inwerkingtreding ervan definitief zijn geworden, op de helling te zetten [...]
31 De rechtspraak die voortvloeit uit het reeds aangehaalde arrest Williams/Rekenkamer, is in casu niet van toepassing. Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling dat artikel 31, lid 2, van het Statuut, anders dan de in die zaak onderzochte bepaling, geen regel bevat die op iedere ambtenaar moet worden toegepast [...]
32 Artikel 31, lid 2, van het Statuut, dat aan het TABG een discretionaire bevoegdheid verleent om een pas aangeworven ambtenaar bij wijze van uitzondering in een hogere rang van de loopbaan in te delen, moet als een uitzondering op de algemene indelingsregels worden beschouwd [...] Het besluit van 7 februari 1996 formuleert enkel een voorbehoud in de zin van deze bepaling. Aldus is dit besluit te onderscheiden van de besluiten van algemene aard van 6 juni 1973 en 1 september 1983 [...] waarbij interne richtsnoeren werden vastgesteld die op alle ambtenaren dienden te worden toegepast [...] Bijgevolg is de rechtspraak die voortvloeit uit de reeds aangehaalde arresten Blomefield en Valentini en de reeds aangehaalde beschikking Mogensen, in casu niet van toepassing.
[...]
35 Met betrekking tot verzoeksters argument dat de Commissie haar zorgplicht niet is nagekomen, kan worden volstaan met de opmerking dat deze plicht geenszins tot gevolg kan hebben dat de administratie een gemeenschapsbepaling zou moeten uitleggen op een wijze die indruist tegen de precieze bewoordingen ervan [...] In casu moet artikel 31, lid 2, van het Statuut aldus worden uitgelegd dat deze bepaling slechts bij wijze van uitzondering bij de aanwerving van een ambtenaar dient te worden toegepast. De Commissie kan dan ook niet worden verweten dat zij haar verplichtingen niet is nagekomen door te weigeren de indeling in rang van verzoekster te herzien [...]"
16. Het Gerecht heeft ook rekwirantes argument inzake schending van het gelijkheidsbeginsel verworpen.
17. Bijgevolg heeft het het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
IV - Hogere voorziening
18. Met de onderhavige hogere voorziening verzoekt Martínez del Peral Cagigal het Hof de bestreden beschikking te vernietigen en uitspraak te doen over de grond van de zaak. Zij verzoekt het Hof het besluit van de Commissie van 24 oktober 1996 houdende afwijzing van haar verzoek tot herziening van haar indeling in rang nietig te verklaren, vast te stellen dat zij recht heeft op herziening van haar indeling met ingang van 5 oktober 1995, en de verwerende instelling te verwijzen in de kosten van beide instanties.
19. De Commissie concludeert dat het het Hof behage de hogere voorziening af te wijzen en rekwirante te verwijzen in de kosten.
20. Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante vijf middelen aan:
- miskenning van de rechtspraak betreffende nieuwe en wezenlijke feiten;
- schending van artikel 176 van het Verdrag;
- schending van het in artikel 5, lid 3, van het Statuut neergelegde gelijkheidsbeginsel;
- niet-nakoming van de zorgplicht;
- gebrekkige motivering van de bestreden beschikking.
Voorafgaande opmerkingen
21. Ik wens er vooraf op te wijzen dat de argumenten die tot staving van de hogere voorziening worden aangevoerd, in het verzoekschrift van rekwirante enigszins door elkaar worden gehaald.
22. Zo voert rekwirante in het kader van de middelen inzake miskenning van de rechtspraak betreffende nieuwe feiten en inzake schending van artikel 176 van het Verdrag verschillende argumenten aan die in feite gericht zijn tegen de motivering van de bestreden beschikking. Omgekeerd voert zij in het kader van het middel inzake gebrekkige motivering een aantal argumenten aan die een aanvulling zijn op haar middel inzake schending van het gelijkheidsbeginsel.
Ik stel het Hof dan ook voor de argumenten van rekwirante anders in te delen, zonder afbreuk te doen aan de regels betreffende de ontvankelijkheid van de hogere voorziening en de tot staving daarvan aangevoerde middelen.
Ik ben meer bepaald van mening dat rekwirante tot staving van de hogere voorziening vier middelen aanvoert:
- miskenning van de rechtspraak betreffende nieuwe en wezenlijke feiten;
- schending van het in artikel 5, lid 3, van het Statuut neergelegde gelijkheidsbeginsel;
- niet-nakoming van de zorgplicht;
- gebrekkige motivering van de bestreden beschikking.
Dit laatste middel valt mijns inziens op zijn beurt in drie onderdelen uiteen: ontbreken van motivering, ontoereikende motivering en tegenstrijdige motivering.
23. Ik zal deze middelen in de zojuist beschreven volgorde onderzoeken.
Het eerste middel: schending van de rechtspraak betreffende nieuwe en wezenlijke feiten
24. Rekwirante stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het besluit van 7 februari 1996 geen nieuw en wezenlijk feit was dat de klacht- en beroepstermijnen van de artikelen 90 en 91 van het Statuut opnieuw kon doen ingaan.
Zij betoogt dat het Hof in de arresten Blomefield/Commissie, Valentini/Commissie en Mogensen/Commissie de besluiten van de Commissie van 6 juni 1973 en 1 september 1983 inzake de criteria voor de indeling van ambtenaren als dergelijke nieuwe en wezenlijke feiten had aangemerkt. Er valt volgens haar bijgevolg niet in te zien waarom het Gerecht heeft geweigerd het besluit van 7 februari 1996 als een nieuw feit aan te merken.
25. Volgens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG kan hogere voorziening bij het Hof alleen rechtsvragen betreffen. Verder bepaalt artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat het verzoekschrift in hogere voorziening de middelen en argumenten rechtens moet bevatten die de vordering van de rekwirant staven. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat:
Uit deze bepalingen volgt, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, bezwaar wordt gemaakt en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven."
Aldus heeft het Hof steeds niet-ontvankelijk verklaard de hogere voorziening [of de middelen] waarin [...] slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - met inbegrip van die welke zijn gebaseerd op met zoveel woorden door het Gerecht verworpen feiten - worden herhaald of letterlijk worden overgenomen". Naar het oordeel van het Hof [is] een dergelijke hogere voorziening [...] in feite niets anders dan een vordering tot heronderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift, hetgeen volgens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort [...]".
Meer in het bijzonder wijst het Hof als kennelijk niet-ontvankelijk af de hogere voorziening waarbij rekwirant [...] zich [beperkt] tot het herhalen van zijn kritiek op de argumenten die de Commissie voor het Gerecht heeft aangevoerd, en die het Gerecht als irrelevant heeft beschouwd".
26. In casu beperkt rekwirante zich juist tot het herhalen van de argumenten die zij voor het Gerecht heeft aangevoerd, zonder aan te geven welke argumenten rechtens de vordering tot vernietiging specifiek staven.
In haar hogere voorziening verklaart rekwirante immers:
Rekwirante blijft bij het standpunt dat zij heeft uiteengezet in haar verzoekschrift voor het Gerecht en in haar opmerkingen over de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid: het TABG heeft een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door niet te aanvaarden dat zich een nieuw feit heeft voorgedaan en dat de klachttermijn hierdoor opnieuw is ingegaan."
Na onderzoek van de stukken blijkt verder dat rekwirante zich tot staving van haar standpunt dat het besluit van 7 februari 1996 verkeerd is uitgelegd", inderdaad heeft beperkt tot het herhalen van de in eerste aanleg aangevoerde argumenten.
27. Bijgevolg geef ik het Hof in overweging het eerste middel van de hogere voorziening als kennelijk niet-ontvankelijk af te wijzen.
Het tweede middel: schending van het in artikel 5, lid 3, van het Statuut neergelegde gelijkheidsbeginsel
28. Met haar tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht schending van het in artikel 5, lid 3, van het Statuut neergelegde gelijkheidsbeginsel.
29. In de drie bladzijden van de hogere voorziening die aan dit middel zijn gewijd, beperkt rekwirante zich ertoe de voor het Gerecht aangevoerde argumenten letterlijk te herhalen, zonder aan te geven welke argumenten rechtens haar verzoek tot vernietiging specifiek staven.
Om de in punt 25 van deze conclusie genoemde redenen geef ik het Hof derhalve in overweging, het tweede middel als kennelijk niet-ontvankelijk af te wijzen.
Het derde middel: niet-nakoming van de zorgplicht
30. In haar derde middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het de juiste draagwijdte van de zorgplicht heeft miskend.
In punt 35 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht immers overwogen dat de Commissie niet kan worden verweten dat zij haar zorgplicht niet is nagekomen door te weigeren de indeling in rang van rekwirante te herzien. Als reden gaf het Gerecht op [...] dat deze plicht geenszins tot gevolg kan hebben dat de administratie een gemeenschapsbepaling zou moeten uitleggen op een wijze die indruist tegen de precieze bewoordingen ervan [...]".
Volgens rekwirante zou de administratie, door de ambtenaren de mogelijkheid te bieden een onderzoek van hun kwalificaties aan te vragen met het oog op een benoeming in een hogere rang, artikel 31 lid 2, van het Statuut niet uitleggen op een wijze die indruist tegen de precieze bewoordingen" van deze bepaling. In het arrest Alexopoulou heeft het Gerecht integendeel geoordeeld dat de Commissie, om te voldoen aan de precieze bewoordingen" van artikel 31, lid 2, van het Statuut, in bijzondere omstandigheden, zoals in het geval van een kandidaat met uitzonderlijke kundigheden, in concreto dient te beoordelen, of die bepaling moet worden toegepast.
Volgens rekwirante kan de uitlegging van artikel 31, lid 2, van het Statuut overeenkomstig de precieze bewoordingen" ervan dus niet verschillen, naargelang de ambtenaren vóór dan wel na de dag van uitspraak van het arrest Alexopoulou zijn aangeworven.
31. Zoals reeds gezegd, heeft rekwirante in het kader van het eerste middel niets aangevoerd dat de conclusie wettigt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het besluit van 7 februari 1996 geen nieuw en wezenlijk feit was dat de statutaire klacht- en beroepstermijnen opnieuw kon doen ingaan. De conclusie moet dan ook luiden dat er zich geen nieuw feit heeft voorgedaan op basis waarvan rekwirante het besluit van het TABG van 18 januari 1995 betreffende haar aanvankelijke indeling kan betwisten.
Zoals het Hof recentelijk in herinnering heeft gebracht, [is] het [...] vaste rechtspraak dat na het verstrijken van de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde termijnen enkel om herziening van een besluit kan worden verzocht wanneer zich nieuwe en wezenlijke feiten voordoen".
Zelfs indien het Gerecht de juiste draagwijdte van de zorgplicht zou hebben miskend, zou de vernietiging van de bestreden beschikking op dit punt rekwirante dus nog niet het recht verlenen om een verzoek tot herindeling in rang in te dienen. Aangezien rekwirante niet heeft aangetoond dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het enige element op basis waarvan zij na het verstrijken van de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn van drie maanden een verzoek tot herziening van het besluit betreffende haar definitieve indeling in rang zou kunnen indienen, zou de vernietiging van de bestreden beschikking op het in dit middel betwiste punt rekwirante dus niets opleveren. Inzonderheid houdt de zorgplicht niet in dat de administratie bij het ontbreken van nieuwe en wezenlijke feiten een verzoek tot herindeling dat na het verstrijken van de statutaire termijnen is ingediend, mag of moet onderzoeken.
32. In deze omstandigheden ben ik van mening dat het derde middel van de hogere voorziening niet ter zake dienend is. Ik geef het Hof dan ook in overweging, het als zodanig af te wijzen.
Het vierde middel: gebrekkige motivering van de bestreden beschikking
33. Met haar vierde middel stelt rekwirante dat de motivering van de bestreden beschikking op verschillende punten gebreken vertoont.
34. Dit laatste middel valt in drie onderdelen uiteen.
35. In het eerste onderdeel verwijt rekwirante het Gerecht dat het niet heeft geantwoord op haar middel inzake schending van artikel 176 van het Verdrag.
Rekwirante had immers gesteld dat het besluit van 7 februari 1996 niet volstond om het arrest Alexopoulou correct uit te voeren. Om volledig aan dit arrest te voldoen, had de Commissie een nieuwe klachttermijn moeten doen ingaan om de ambtenaren die tussen 1 september 1983 en 5 oktober 1995 waren aangeworven, in staat te stellen een herziening van hun indeling in rang aan te vragen. Het Gerecht heeft evenwel gewoonweg geen uitspraak gedaan op dit middel.
36. In het tweede onderdeel wijst rekwirante op het verschil in motivering tussen de bestreden beschikking en de beschikking die, op dezelfde gronden, in de zaak Gevaert (de pilotzaak) is gegeven [...]". In laatstgenoemde zaak had het Gerecht immers uitvoeriger dan in de bestreden beschikking uiteengezet waarom het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Rekwirante is bijgevolg van mening dat het Gerecht [...] duidelijker had moeten uitleggen waarom het het interne besluit van 7 februari 1996 niet als een nieuw feit aanmerkte".
37. In het derde onderdeel van het middel, ten slotte, betoogt rekwirante dat de motivering van de bestreden beschikking een tegenstrijdigheid bevat.
In punt 30 van de beschikking heeft het Gerecht immers geoordeeld dat het besluit van 7 februari 1996 geen nieuw feit [is, op grond dat] dit besluit [...] noch als doel, noch als gevolg heeft, administratieve besluiten die voor de inwerkingtreding ervan definitief zijn geworden, op de helling te zetten [...]". Anderzijds heeft het Gerecht aanvaard dat het besluit van 7 februari 1996 kan worden toegepast op ambtenaren die na 5 oktober 1995 zijn aangeworven. Rekwirante wijst erop dat, toen het besluit van 7 februari 1996 werd vastgesteld, de indelingsbesluiten met betrekking tot de ambtenaren die in oktober 1995 waren aangeworven, evengoed definitief waren geworden, aangezien er tussen beide data meer dan drie maanden liggen.
Rekwirante verwijt het Gerecht aldus:
a) dat het ambtenaren die vóór 5 oktober 1995 zijn aangeworven, de mogelijkheid heeft ontnomen om op te komen tegen de besluiten met betrekking hun indeling in rang op grond dat deze besluiten definitief waren geworden, maar anderzijds
b) de ambtenaren die in oktober 1995 waren aangeworven, de mogelijkheid heeft geboden op te komen tegen de besluiten met betrekking tot hun indeling in rang, terwijl die besluiten evengoed definitief waren geworden.
38. Ik geef het Hof in overweging elk van deze onderdelen af te wijzen.
39. Om de in de punten 31 en 32 van deze conclusie genoemde redenen lijkt het eerste onderdeel van het middel mij niet ter zake dienend. Artikel 176 van het Verdrag kan de Commissie immers niet de bevoegdheid verlenen of haar ertoe verplichten om, bij het ontbreken van nieuwe en wezenlijke feiten, een verzoek tot herziening van de indeling in rang te onderzoeken dat na het verstrijken van de klachttermijn van artikel 90, lid 2, van het Statuut is ingediend. Ook al zou het Gerecht blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door geen uitspraak te doen op het middel inzake schending van artikel 176 van het Verdrag en zou de bestreden beschikking op dit punt worden vernietigd, dan nog zou rekwirante geen verzoek tot herindeling in rang kunnen indienen.
40. Wat het tweede onderdeel betreft, heeft rekwirante niet aangegeven welke rechtsregel in casu is geschonden. Zij heeft niet uiteengezet op grond van welke gemeenschapsrechtelijke bepalingen het Gerecht de beschikking in haar zaak op gelijke of vergelijkbare wijze zou moeten motiveren als de beschikking in de reeds aangehaalde zaak Gevaert/Commissie.
41. Het derde onderdeel ten slotte is duidelijk gericht tegen de beschikking van het Gerecht in de zaak Gevaert/Commissie.
Anders dan rekwirante stelt, heeft het Gerecht in de bestreden beschikking immers geenszins aanvaard dat het besluit van de Commissie van 7 februari 1996 [...] kan worden toegepast op ambtenaren die na 5 oktober 1995 zijn aangeworven [...]", of [...] dat de ambtenaren die in oktober 1995 zijn aangeworven, een klacht kunnen indienen [...]". In werkelijkheid wordt enkel in het motiverende gedeelte van de reeds aangehaalde beschikking Gevaert/Commissie uiteengezet dat de vaststelling van de datum van inwerkingtreding van het besluit van 7 februari 1996 op 5 oktober 1995 (de dag van uitspraak van het arrest Alexopoulou) betekent dat het besluit alleen geldt voor na 5 oktober 1995 aangeworven ambtenaren".
Aangezien het derde onderdeel van het middel is gericht tegen een beschikking waarover het Hof in het kader van de onderhavige hogere voorziening geen uitspraak hoeft te doen, is dit onderdeel kennelijk zonder voorwerp.
De kosten
42. Ingevolge de artikelen 69, lid 2, en 118 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Volgens artikel 70 van het Reglement blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste. Ingevolge artikel 122, tweede alinea, van het Reglement is artikel 70 evenwel niet van toepassing op de hogere voorziening ingesteld door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling tegen deze laatste. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
Conclusie
43. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) rekwirante te verwijzen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy