Conclusie van de advocaat generaal
1. Mediocurso - Estabelecimento de Ensino Particular Ld.ª (hierna: Mediocurso"), een te Lissabon gevestigde vennootschap naar Portugees recht, heeft hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 15 september 1998, Mediocurso/Commissie, strekkende tot vernietiging van dat arrest voor zover de door verzoekster ingestelde beroepen daarbij zijn verworpen.
2. Deze beroepen strekten tot nietigverklaring van de beschikkingen C(96) 1185 en C(96) 1186 van de Commissie van 14 augustus 1996 houdende vermindering van door het Europees Sociaal Fonds (hierna: ESF") aan Mediocurso toegekende bijstand voor verschillende beroepsopleidingsacties.
3. Aangezien de aan het geding ten oorsprong liggende feiten en de toepasselijke bepalingen omstandig zijn uiteengezet in het arrest van het Gerecht, dat reeds is gepubliceerd in de Jurisprudentie, zal ik deze hier niet meer weergeven.
4. In het kader van deze hogere voorziening voert Mediocurso de volgende drie middelen aan:
- schending van het recht om vooraf te worden gehoord en van het recht van verweer;
- kennelijke beoordelingsfout in de conclusies die het Gerecht uit het onderzoek van de overgelegde documenten heeft getrokken;
- tegenstrijdige motivering en schending van het evenredigheidsbeginsel.
Het middel betreffende schending van het recht van verweer
5. Het Gerecht heeft dit middel verworpen in de volgende bewoordingen:
49 Volgens vaste rechtspraak moet het recht van verweer van een begunstigde van bijstand van het ESF worden geëerbiedigd, wanneer de Commissie die bijstand vermindert (zie onder meer arrest Hof van 24 oktober 1996, Commissie/Lisrestal e.a., C-32/95 P, Jurispr. blz. I-5373, punten 21-44).
50 Voorts moet worden opgemerkt, dat het Gerecht in zijn arrest Lisrestal e.a./Commissie, reeds aangehaald (punt 49), heeft overwogen, zonder op dit punt door het Hof in zijn arrest van 24 oktober 1996, Commissie/Lisrestal e.a., reeds aangehaald, te zijn gecorrigeerd, dat de Commissie, die als enige jegens de begunstigde van bijstand van het ESF rechtens aansprakelijk is voor beschikkingen tot vermindering van die bijstand, een dergelijke beschikking niet mag geven zonder die begunstigde vooraf in staat te stellen naar behoren zijn standpunt over de beoogde vermindering van de bijstand kenbaar te maken, dan wel na zich ervan te hebben vergewist dat hij daartoe in staat is gesteld.
51 Verzoekster heeft zowel in haar conclusies als in haar antwoord op de schriftelijke vraag van het Gerecht erkend, dat zij vóór de opstelling van de brief van 11 september 1991 door DAFSE is gehoord. In die brief heeft DAFSE [Departamento para os Assuntos do Fundo Social Europeu (departement voor ESF-zaken)] echter niet alle opmerkingen van verzoekster over de door hem beoogde verminderingen overgenomen.
52 Vastgesteld moet worden, dat verzoekster, gelijk in de bestreden beschikkingen terecht wordt opgemerkt, formeel geen opmerkingen over die brief heeft gemaakt. Zij heeft zich er immers toe beperkt, bij de Portugese administratieve gerechten beroep tegen die brief in te stellen. In casu had verzoekster die opmerkingen echter ook formeel moeten indienen, opdat deze door DAFSE aan de Commissie konden worden medegedeeld. Onder dergelijke omstandigheden kan verzoekster zich niet beroepen op het feit, dat haar eventuele opmerkingen niet aan de Commissie zijn medegedeeld, aangezien dit het gevolg is van haar eigen verzuim.
53 Het Gerecht is van oordeel, dat verzoekster dus in staat is gesteld haar standpunt over de tegen haar in aanmerking genomen elementen ,naar behoren kenbaar te maken in de zin van het arrest Gerecht Lisrestal e.a./Commissie, reeds aangehaald."
6. Mediocurso beroept zich op niet-inachtneming van het recht van de partij ten aanzien waarvan een bezwarende beschikking is vastgesteld, om vooraf te worden gehoord. Aan dit beginsel is herinnerd in het reeds aangehaalde arrest Commissie/Lisrestal e.a. van het Hof. Mediocurso stelt dat zij pas tijdens de vergadering van 10 september 1991 kennis heeft gekregen van de opmerkingen en het voorbehoud in de accountantsrapporten van het accountantskantoor Audite. Reeds op 11 september 1991 gelastte het DAFSE haar evenwel bij brief om bepaalde bedragen terug te betalen.
7. Met betrekking tot de vergadering van 10 september 1991 stelt Mediocurso dat zij haar standpunt over de strekking van de accountantsrapporten pas naar behoren kenbaar kon maken nadat zij die rapporten had getoetst aan de in haar bezit zijnde documenten. De opmerkingen die zij eventueel kon maken op de vergadering - waarvan geen schriftelijk spoor bestaat - mogen niet worden verward met de zinvolle uitoefening van het recht om te worden gehoord.
8. Met betrekking tot de brief van 11 september 1991 vraagt Mediocurso hoe dit schrijven - dat toch een bevel tot terugbetaling bevatte - kan worden beschouwd als een uitnodiging aan de geadresseerde om opmerkingen in te dienen in het kader van de uitoefening van het recht om te worden gehoord.
9. Volgens haar was de enige mogelijke reactie op dit bevel tot terugbetaling (dat het Supremo Tribunal Administrativo overigens onwettig heeft verklaard) bij de bevoegde rechter in beroep te gaan.
10. Volgens Mediocurso heeft het Gerecht dus ten onrechte geoordeeld dat rekwirante formeel opmerkingen over deze brief had moeten indienen, opdat deze door het DAFSE aan de Commissie konden worden meegedeeld, en dat zij zich niet kon beroepen op het feit dat haar eventuele opmerkingen niet aan de Commissie waren meegedeeld, aangezien dit het gevolg was van haar eigen verzuim.
11. Volgens de Commissie heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat Mediocurso haar standpunt over de brief van 11 september 1991 naar behoren kenbaar heeft kunnen maken. Zij herinnert eraan dat Mediocurso naar aanleiding van deze brief geen opmerkingen heeft geformuleerd en dat zij dit had moeten doen opdat deze aan de Commissie konden worden meegedeeld, zoals het Gerecht in punt 52 van het bestreden arrest heeft vermeld.
12. De Commissie stelt verder dat deze grief reeds door het Gerecht is beslecht en dat het dus om een feitenkwestie gaat waarvan het Hof geen kennis kan nemen.
13. De Commissie voegt hieraan toe dat Mediocurso, door ervoor te kiezen om de zaak voor het Portugese gerecht te brengen, zelf heeft afgezien van het recht om door de Commissie te worden gehoord.
14. De Commissie voert ten slotte aan dat Mediocurso volgens haar eigen verklaring in punt 38 van haar repliek in eerste aanleg de mogelijkheid heeft gehad om haar opmerkingen in te dienen, zowel na de kennisgeving in 1991 van het voorstel tot vermindering van het DAFSE als op de vergaderingen met het accountantskantoor. De Commissie citeert dienaangaande punt 104 van het bestreden arrest: In haar schriftelijk antwoord op de vragen van het Gerecht en ter terechtzitting heeft verzoekster overigens erkend, dat zij bij brief van 11 september 1991 op de hoogte is gesteld van het belangrijkste deel van de inhoud van de accountantsrapporten van Audite (...)." De Commissie stelt bovendien, verwijzend naar punt 51 van het bestreden arrest, dat Mediocurso in haar verzoekschrift en in haar schriftelijk antwoord op de vraag van het Gerecht heeft erkend vóór de brief van 11 september 1991 door het DAFSE te zijn gehoord.
Beoordeling
15. In de eerste plaats zij vermeld dat de beschikkingen waartegen Mediocurso voor het Gerecht is opgekomen, op 14 augustus 1996 door de Commissie zijn vastgesteld.
16. De vraag rijst dus of de Commissie vóór deze beschikkingen Mediocurso in de gelegenheid heeft gesteld haar standpunt over de voorgenomen vermindering naar behoren kenbaar te maken, dan wel of zij zich ervan heeft vergewist dat Mediocurso die mogelijkheid heeft gehad.
17. Zoals het Hof in zijn arrest van 6 juli 1993 betreffende de kwijtschelding van invoerrechten heeft vastgesteld, moet onderscheid worden gemaakt tussen gevallen op het gebied van de mededinging en de heffing van antidumpingrechten, waar door de instellingen van de Gemeenschap het besluit wordt genomen om een procedure in te leiden ter eventuele bestraffing van een marktdeelnemer die in strijd met de verdragsbepalingen handelt, en andere gevallen.
18. In het geval van het ESF worden de aanvragen om bijstand door het Fonds ingediend door ondernemingen of particulieren. Deze bijstand wordt hun onder bepaalde voorwaarden verleend en kan, indien deze voorwaarden niet in acht worden genomen, worden verminderd. Overeenkomstig het door het Hof gemaakte onderscheid kan deze situatie niet worden gelijkgesteld met de procedures ter bestraffing van een marktdeelnemer waarin het beginsel van hoor en wederhoor dus bijzonder belangrijk is. Opdat dit beginsel wordt nageleefd, is het dan ook voldoende dat de begunstigde de mogelijkheid heeft gekregen bij de Commissie kenbaar te maken, hetzij rechtstreeks hetzij door bemiddeling van het bevoegde nationale orgaan, waarom hij de vermindering van de bijstand niet gerechtvaardigd acht, voordat de Commissie een definitief besluit neemt. Anders dan rekwirante beweert, vereist het beginsel van hoor en wederhoor echter niet dat de begunstigde een formele uitnodiging heeft gekregen om opmerkingen in te dienen.
19. In casu staat evenwel vast dat Mediocurso volledig is ingelicht over de redenen van de voorgenomen vermindering van de bijstand, wat zij overigens niet betwist. Uit punt 51 van het arrest van het Gerecht blijkt zelfs dat in zijn brief van 11 september 1991 DAFSE echter niet alle opmerkingen van verzoekster over de door hem beoogde verminderingen [heeft] overgenomen". Uit deze passage, waarvan Mediocurso de waarheid niet betwist, kan a contrario worden afgeleid dat deze vennootschap bezwaren heeft kunnen formuleren waarmee voor een deel rekening is gehouden.
20. Weliswaar kan worden betreurd, dat het DAFSE Mediocurso geen redelijke termijn heeft gelaten om de accountantsrapporten grondiger te analyseren en om de opmerkingen die zij op de vergadering van 10 september 1991 mondeling had gemaakt, schriftelijk aan te vullen. Het valt nog meer te betreuren dat de brief van 11 september een bevel tot terugbetaling bevatte, zodat Mediocurso de indruk kreeg dat zij hierop enkel kon reageren door beroep in te stellen voor de bevoegde Portugese rechter.
21. In het kader van laatstgenoemd beroep tegen het DAFSE heeft Mediocurso haar bezwaren tegen vermindering van de bijstand niettemin omstandig kunnen toelichten bij dit orgaan.
22. Ik betwijfel overigens dat het DAFSE gedurende de periode tussen het instellen van dat beroep en de verzending van de brief van dit orgaan van 22 september 1995 aan de Commissie, de Commissie niet heeft ingelicht over het bestaan van een aanhangig geschil en over de in dat kader door Mediocurso aangevoerde argumenten. Hebben de diensten van de Commissie zich dan niet afgevraagd waarom dit dossier niet was afgesloten en hebben zij het DAFSE niet om inlichtingen verzocht?
23. Aangezien ik dienaangaande echter niet over bewijzen beschik, moet ik ervan uitgaan dat dit niet het geval is geweest.
24. De vraag is dus of Mediocurso op een later tijdstip vóór de formele vaststelling van de beschikkingen door de Commissie op 14 augustus 1996 in de gelegenheid is gesteld bij deze gemeenschapsinstelling haar bezwaren kenbaar te maken.
25. Punt 28 van het arrest van het Gerecht vermeldt het volgende: Op 6 maart 1996 deelde DAFSE verzoekster mee, dat de Commissie haar standpunt over de twee aanvragen om betaling van het saldo had bepaald en de uitkomsten van de financiële controle die haar reeds op 11 september 1991 waren toegezonden, had bevestigd."
26. Het arrest vermeldt vervolgens in punt 29:
Op 4 april 1996 verzocht verzoekster DAFSE om een kopie van de beschikkingen van de Commissie. Zij vroeg eveneens, het administratieve dossier van het ESF te mogen raadplegen. Op 24 april 1996 werd verzoekster in de gelegenheid gesteld dit administratieve dossier te raadplegen en stelde zij vast, dat daarin geen andere handelingen met het karakter van een beschikking zaten dan debetnota's van de Commissie, waarbij de bedragen waren vastgesteld die zij (...) diende terug te betalen."
27. Uit deze passages van het arrest, waarvan de juistheid evenmin wordt betwist, kan worden afgeleid dat de brief van het DAFSE van 6 maart 1996 het niet had over in goede en behoorlijke vorm vastgestelde beschikkingen van de Commissie, maar over nog te formaliseren principebesluiten". De interne procedure bij de Commissie was dus nog niet afgerond.
28. Bij gebreke van enige blijk van het tegendeel kan ook worden verondersteld dat op 24 april 1996 in Brussel inzage is verleend in het administratief dossier van het ESF en dat Mediocurso dan ook de mogelijkheid heeft gehad om mondelinge opmerkingen te maken bij de ambtenaren die dit dossier beheerden.
29. Mediocurso heeft echter nogmaals, zonder haar bezwaren per brief aan de Commissie schriftelijk te bevestigen, voor de gerechtelijke procedure gekozen en heeft bij het Gerecht beroep ingesteld tegen deze gemeenschapsinstelling.
30. Door middel van deze beroepen heeft rekwirante de Commissie in elk geval nog uitdrukkelijker dan bij brief kenbaar kunnen maken waarom zij de vermindering van de bijstand niet aanvaardde.
31. Ten gevolge van deze beroepen heeft de Commissie trouwens de debetnota's" ingetrokken waartegen de twee beroepen waren ingesteld (punt 30 van het arrest van het Gerecht).
32. Niet alleen heeft rekwirante de Commissie dus haar standpunt kunnen meedelen maar zij heeft haar zelfs ertoe gebracht beschikkingen in de behoorlijke vorm vast te stellen.
33. Hieruit volgt dat, zelfs indien het DAFSE de Commissie nooit heeft ingelicht over de kritieken van Mediocurso in het kader van het proces dat zij bij de Portugese rechterlijke instanties had ingesteld, rekwirante toch in de gelegenheid is gesteld, vóór de vaststelling van de aangevochten beschikkingen van 14 augustus 1996, haar standpunt rechtstreeks bij de Commissie kenbaar te maken.
34. Het middel betreffende schending van het recht van verweer moet dan ook worden verworpen.
Het middel betreffende onjuistheid van de feitelijke bevindingen van het Gerecht met betrekking tot subposten 14.3.1.a en 14.3.13 van het verzoek om betaling van het saldo (bezoldiging van de docenten" en belastingen en heffingen")
35. Rekwirante meent dat het Gerecht, door te verklaren dat bij onderzoek van de documenten die verzoekster heeft overgelegd ten bewijze van het soort cursus dat in het kader van het eerste dossier is gegeven en van de identiteit van de docenten die daaraan hebben deelgenomen (bijlagen 21 en 22 bij het verzoekschrift), blijkt, dat die stukken dermate onnauwkeurig zijn, dat zij ernstige twijfel doen rijzen, of de betrokken cursussen wel zijn gegeven (...)" en door mutatis mutandis hetzelfde te verklaren over het tweede dossier, onjuiste conclusies heeft getrokken uit het onderzoek van deze documenten.
36. Uit de documenten blijkt immers onbetwistbaar dat de betrokken cursussen daadwerkelijk zijn gegeven door de personen die als dusdanig op de documenten zijn vermeld en die de kwijtschriften hebben ondertekend waarin hun bezoldiging voor deze cursussen is vastgesteld.
37. Volgens rekwirante moet het Hof derhalve overeenkomstig vaste rechtspraak het arrest van het Gerecht vernietigen aangezien het berust op materieel onjuiste feitelijke bevindingen.
38. De Commissie betoogt daarentegen dat het Gerecht de feiten met betrekking tot de twee posten correct heeft vastgesteld op basis van de bij de dossiers gevoegde documenten. In casu kan dus niet worden gesteld dat de bevindingen van het Gerecht materieel onjuist zijn.
39. Het Gerecht heeft bijgevolg terecht geoordeeld dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door zich op het standpunt te stellen, dat rekwirante niet had aangetoond dat de door haar overgelegde stukken inderdaad betrekking hadden op de cursussen die het voorwerp van het desbetreffende dossier vormen.
40. Rekwirante vecht de punten 134 en 172 van het arrest van het Gerecht aan. Deze punten hebben respectievelijk betrekking op zaak T-180/96 en zaak T-181/96 en zijn in identieke bewoordingen geformuleerd:
Het Gerecht is van oordeel, dat bij onderzoek van de documenten die verzoekster heeft overgelegd ten bewijze van het soort cursus dat in het kader van het eerste dossier is gegeven en van de identiteit van de docenten die daaraan hebben deelgenomen (bijlagen 21 en 22 bij het verzoekschrift), blijkt, dat die stukken dermate onnauwkeurig zijn, dat zij ernstige twijfel doen rijzen, of de betrokken cursussen wel zijn gegeven, gelijk DAFSE in punt 14.3.1.a van zijn brief van 22 september 1995 terecht heeft opgemerkt. De Commissie heeft daarom geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door zich op het standpunt te stellen, dat verzoekster, die een groot aantal verschillende opleidingen met vele docenten heeft georganiseerd, niet had aangetoond, dat de door haar overgelegde stukken inderdaad betrekking hadden op de cursus die het voorwerp van het eerste dossier vormt, en door bijgevolg geen rekening te houden met alle daarvoor gedeclareerde uitgaven."
41. Rekwirante stelt herhaaldelijk dat, anders dan het Gerecht verklaart, de door haar overgelegde documenten niet de minste twijfel laten bestaan dat de betrokken cursussen werkelijk zijn gegeven.
42. In elk geval zij vastgesteld dat het Gerecht weliswaar twijfels heeft geuit, maar niet heeft geoordeeld dat de litigieuze cursussen niet hadden plaatsgevonden. Het aangevoerde middel dient dus te worden verworpen voor zover deze conclusie aan het Gerecht wordt toegeschreven.
43. Met haar argumenten wil rekwirante het Hof ook doen zeggen dat het Gerecht de verkeerde conclusie heeft getrokken, dat de Commissie mocht aannemen dat niet was bewezen, dat de overgelegde documenten wel degelijk betrekking hadden op de cursussen waarvoor communautaire bijstand werd verleend.
44. Uit de in punt 37 aangehaalde rechtspraak blijkt dat het niet aan het Hof staat in het kader van een hogere voorziening het onderzoek van de feiten door het Gerecht in twijfel te trekken, behoudens indien de feitelijke onjuistheid van de vaststellingen van het Gerecht voortvloeit uit de processtukken.
45. Rekwirante bewijst in casu echter niet, dat het Gerecht blijkens deze stukken een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Zij betwist immers alleen de conclusie die het Gerecht uit het onderzoek van de ter staving van het verzoek overgelegde stukken heeft getrokken.
46. Dit middel komt er dus op neer dat de feitelijke beoordeling van het Gerecht in twijfel wordt getrokken, en is derhalve niet-ontvankelijk.
47. Bijgevolg moet het tweede middel van rekwirante worden afgewezen.
Het middel betreffende tegenstrijdige motivering en schending van het evenredigheidsbeginsel
48. Rekwirante stelt allereerst dat het Gerecht zichzelf tegenspreekt waar het twijfels heeft over het daadwerkelijk plaatsvinden van de opleidingsprojecten en toch aanvaardt dat de Commissie een aantal andere uitgaven met betrekking tot deze cursussen dan de bezoldigingen van de docenten voor bijstand in aanmerking wil nemen.
49. Zoals ik hierboven heb uiteengezet, kan hierop worden geantwoord, dat het Gerecht niet heeft vastgesteld dat deze opleidingsprojecten niet hebben plaatsgevonden. Bijgevolg kan het Gerecht niet worden verweten dat het zichzelf heeft tegengesproken waar het heeft aanvaard dat de Commissie toch een aantal uitgaven voor deze cursussen voor bijstand in aanmerking wil nemen.
50. Rekwirante verklaart bovendien dat het Gerecht het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie terecht heeft besloten alle uitgaven met betrekking tot de bezoldiging van de docenten en de BTW hierop niet voor bijstand in aanmerking te nemen, om de enkele reden dat rekwirante onregelmatigheden heeft begaan bij de indiening van haar aanvraag om betaling van het saldo.
51. De Commissie stelt met klem, dat zij aanneemt dat de betrokkken opleidingsprojecten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Verondersteld kan dus worden dat hiervoor docenten in dienst zijn genomen en bezoldigd. Derhalve moet worden geconcludeerd dat de Commissie niet wil betwisten dat in dit kader uitgaven zijn verricht, maar dat zij zich op het standpunt stelt, dat deze uitgaven in hun geheel niet voor bijstand in aanmerking kunnen worden genomen, omdat het bedrag niet is gestaafd door rechtvaardigingsstukken die onbetwistbaar op die uitgaven betrekking hebben.
52. Deze benadering is strijdig met het evenredigheidsbeginsel. Volgens dit beginsel is het niet aanvaardbaar dat de uitgaven betreffende een rubriek in hun geheel niet voor bijstand in aanmerking worden genomen, wanneer niet wordt betwist dat onder deze rubriek uitgaven zijn verricht.
53. Zoals het Gerecht in een soortgelijk geding zelf heeft geoordeeld, zijn door de Commissie toegepaste verminderingen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel indien zij rechtstreeks verband [houden] met de vastgestelde onregelmatigheden en (...) zij ertoe [strekken], alleen de vergoeding van onrechtmatige of onnodige uitgaven uit te sluiten".
54. In casu beroept de Commissie zich evenwel niet op de onwettigheid of overbodigheid van bepaalde uitgaven, maar enkel op het gebrek aan bewijs voor de bedragen. Zelfs al kan worden aangenomen dat een sanctie hoort te worden gesteld op het gebrek aan zorgvuldigheid van de begunstigde die niet voldoende bewijselementen aanvoert, is deze sanctie kennelijk overdreven indien zij voor de begunstigde tot hetzelfde resultaat leidt als indien hij de acties onder de betrokken rubriek helemaal niet had verricht.
55. De onevenredigheid van de weigering om alle litigieuze uitgaven in aanmerking te laten komen valt des te meer op omdat de Commissie aan de omstandigheid dat de begunstigde geen toereikende bewijzen kon leveren, toch een aantal consequenties kon verbinden en zij betaling van de onverschuldigde bedragen kon vermijden op een wijze die de belangen van de begunstigde minder schaadt.
56. Zo had zij een forfaitair bedrag voor de bezoldiging van de docenten en dienovereenkomstig voor de BTW hierop kunnen berekenen.
57. Volgens mij heeft het Gerecht dus de vereisten van het evenredigheidsbeginsel miskend door te oordelen dat de Commissie haar beoordelingsmarge niet heeft overschreden met haar besluit om bijstand te weigeren voor het gehele aangevraagde bedrag voor de bezoldigingen van de docenten (subpost 14.3.1.a) alsmede het bedrag voor de BTW hierop (subpost 14.3.13). Bijgevolg dient het bestreden arrest op dit punt te worden vernietigd.
58. Aangezien het Hof beschikt over alle noodzakelijke gegevens om het probleem ten gronde te beslechten, geef ik u in overweging de beschikkingen van de Commissie waartegen de beroepen T-180/96 en T-181/96 zijn ingesteld, nietig te verklaren voor zover hierin de bovengenoemde bedragen in hun geheel worden geacht niet voor bijstand in aanmerking te komen. Dit is het noodzakelijke gevolg van hetgeen voorafgaat.
59. De beslissing van het Gerecht over de kosten in zaak T-181/96 moet bijgevolg eveneens worden vernietigd. In die zaak werd rekwirante immers veroordeeld tot betaling van alle kosten. Nu echter een van haar middelen in het kader van haar hogere voorziening slaagt, moeten deze kosten worden verdeeld. Deze beslissing heeft het Gerecht in zaak T-180/96 reeds genomen, zodat een wijziging hiervan mijns inziens niet nodig is, aangezien de twee partijen deels in het ongelijk zijn gesteld. Wat de kosten van de hogere voorziening betreft, geef ik het Hof in overweging deze eveneens te verdelen, aangezien rekwirante op de belangrijkste punten van haar vordering in het ongelijk is gesteld.
Conclusie
60. Ik geef het Hof derhalve in overweging:
- het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 15 september 1998, Mediocurso/Commissie (T-180/96 en T-181/96) te vernietigen voor zover daarin is geoordeeld dat de Commissie terecht ervan is uitgegaan dat het aangevraagde bedrag voor de bezoldigingen van de docenten (subpost 14.3.1.a) alsmede het bedrag van de BTW hierop (subpost 14.3.13) in hun geheel niet voor bijstand in aanmerking komen;
- punt 5 van het dictum van dat arrest te vernietigen en te beslissen dat in zaak T-181/96 elke partij haar eigen kosten zal dragen;
- de hogere voorziening voor het overige af te wijzen;
- beschikking C(96) 1185 van de Commissie van 14 augustus 1996 houdende vermindering van de bij beschikking C(89) 0570 van 22 maart 1989 toegekende bijstand, en beschikking C(96) 1186 van de Commissie van 14 augustus 1996 houdende vermindering van de bij beschikking C(89) 0570 van 22 maart 1989 toegekende bijstand nietig te verklaren voor zover hierin de aangevraagde bedragen voor de bezoldigingen van de docenten (subpost 14.3.1.a) alsmede het bedrag voor de BTW hierop (subpost 14.3.13) in hun geheel niet voor bijstand in aanmerking worden genomen;
- te beslissen dat elke partij haar kosten in hogere voorziening zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy