Conclusie van de advocaat generaal
1. Het Magefesa-concern en de ondernemingen die het hebben opgevolgd, fabriceren huishoudartikelen zoals snelkookpannen, kachels en roestvrijstalen bestek. Tot 1983 had het concern een groot deel van de Spaanse markt in handen, doch geraakte sindsdien in financiële moeilijkheden en in 1984 werd het omgevormd tot een ingewikkeld samenstel van twee holdings en een groep ondernemingen (met de moedermaatschappij en de productiemaatschappijen Cunosa, Migsa, Indosa en Gursa).
2. Eind 1985 stond het Magefesa-concern aan de rand van het faillissement. Om te voorkomen dat het zijn activiteiten moest staken, is een actieprogramma voorgesteld dat met name een vermindering van de personeelsbezetting inhield, alsmede de verlening van steun door de centrale regering en de regering van de autonome gemeenschappen waar de verschillende fabrieken van het concern gelegen waren (Baskenland, Cantabrië en Andalusië). Deze laatste hebben zelf drie tussenvennootschappen opgericht (respectievelijk Ficodesa, Gemacasa en Manufacturas Damma), die zijn belast met het toezicht op het gebruik van de steun en het garanderen van het functioneren van de ondernemingen van het Magefesa-concern.
3. Bij een eerste door de Spaanse regering niet-betwiste beschikking verklaarde de Commissie de steunmaatregelen die bestonden in leninggaranties voor een totaalbedrag van 1 580 miljoen ESP, een lening van 2 085 miljoen ESP tegen andere dan de marktvoorwaarden, niet-terugvorderbare subsidies ten bedrage van 1 095 miljoen ESP en een rentesubsidie die op 9 miljoen ESP is geschat, onwettig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Bij deze beschikking werden de Spaanse autoriteiten tevens verzocht, met name de leninggaranties in te trekken, de zachte lening in een normaal krediet om te zetten en de niet-terugbetaalbare subsidies terug te vorderen.
4. In 1997 ontving de Commissie zeven klachten over de voordelen die de ondernemingen van het Magefesa-concern hadden genoten doordat zij in 1989 onverenigbaar verklaarde steun niet hadden terugbetaald en doordat zij hun financiële en fiscale verplichtingen niet waren nagekomen. Daarop besloot zij, de procedure van artikel 93, lid 2, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, EG) in te leiden voor de steun die was toegekend aan deze ondernemingen of aan die welke haar sinds 1989 hadden opgevolgd. Vervolgens verklaarde de Commissie bij beschikking 1999/509/EG van 14 oktober 1998 betreffende door Spanje toegekende steun ten behoeve van de ondernemingen van het Magefesa-concern en hun opvolgers (hierna: bestreden beschikking") de steun bestaande in de niet-betaling van belastingen en socialezekerheidsbijdragen door Indosa en Cunosa tot hun faillietverklaring, door Migsa en Gursa tot de stopzetting van hun activiteiten en door Indosa vanaf haar faillietverklaring tot mei 1997 onwettig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Bij deze beschikking werd de Spaanse autoriteiten tevens verzocht de noodzakelijke maatregelen te treffen om de steun van de begunstigden terug te vorderen, met dien verstande dat de terug te vorderen bedragen de rente omvatten die verschuldigd is vanaf de toekenning van de steun tot de feitelijke terugbetaling.
5. In haar beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking voert de Spaanse regering vier middelen aan: schending van artikel 92, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, EG), schending van het rechtszekerheidsbeginsel, ontoereikende motivering en onmogelijkheid de betaling van rente te eisen.
Het eerste middel: verkeerde toepassing van artikel 92, lid 1, van het Verdrag
Standpunt van partijen
6. Volgens verzoeker heeft de Commissie artikel 92, lid 1, van het Verdrag verkeerd toegepast, doordat zij de niet-betaling door Indosa, Cunosa, Migsa en Gursa van bepaalde bedragen aan de sociale zekerheid en de schatkist als een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunverlening heeft beschouwd.
7. In deze context voert zij twee argumenten aan.
8. In de eerste plaats wijst zij erop dat op deze ondernemingen een algemene regeling is toegepast, namelijk de faillissements- en schuldinvorderingsregeling die geldt voor alle ondernemingen in faillissement of met schulden bij de sociale zekerheid of de schatkist.
9. Een dergelijke regeling van algemene strekking kan per definitie evenwel geen staatssteun vormen. Volgens vaste rechtspraak vormt de voorwaarde, dat de betrokken nationale maatregel specifiek moet zijn, namelijk een van de kenmerken van het begrip staatssteun.
10. In dit opzicht halen partijen het arrest Piaggio aan waarin het Hof van oordeel was dat de betrokken nationale regeling binnen de werkingssfeer van artikel 92 van het Verdrag kon vallen, omdat daarbij voor een bepaalde categorie ondernemingen een regeling werd ingevoerd die van het gemene recht inzake faillissement afweek.
11. Vastgesteld zij evenwel dat de Commissie niet betwist dat het Spaanse faillissementsrecht een wetgeving van algemene strekking is. Haars inziens dient niet deze wetgeving als zodanig als staatssteun te worden aangemerkt. De steun bestaat namelijk in de systematische niet-betaling van bepaalde schulden door de ondernemingen van het Magefesa-concern en de opstapeling van nieuwe schulden ten gevolge van de beslissing van de publiekrechtelijke schuldeisers de liquidatie van deze ondernemingen niet aan te vragen.
12. Daaruit volgt dat in casu niet nader op de algemene strekking van de betrokken wetgeving hoeft te worden ingegaan, aangezien de bestreden beschikking niet deze wetgeving zelf, doch veeleer de toepassing ervan door de overheid op het onderhavige geval betreft.
13. In dit opzicht zij er allereerst op gewezen dat de Spaanse regering de analyse van de Commissie niet betwist en zelfs bevestigt dat de publiekrechtelijke schuldeisers krachtens de faillissements- en schuldinvorderingsregeling over een zeer ruime beoordelingsmarge beschikken inzake de keuze van de middelen tot invordering van schulden.
14. De door de Commissie gekritiseerde maatregelen, namelijk de beslissing van de publiekrechtelijke schuldeisers de liquidatie van de betrokken ondernemingen niet aan te vragen, vloeien dus niet automatisch voort uit de toepassing van een wetgeving van algemene strekking, doch uit de discretionaire keuze van de betrokken autoriteiten.
15. Onderzocht dient te worden of, zoals gesteld in de bestreden beschikking, de wijze waarop de overheidsinstanties in het bijzondere geval van de betrokken ondernemingen de aan de algemene regeling ontleende rechten gebruiken, als steun in de zin van artikel 92 van het Verdrag kon worden aangemerkt.
16. Hierbij sluit het tweede argument van verzoeker aan, die het gedrag van de overheidsinstanties in de context van de door de Commissie gekritiseerde procedures analyseert als volgt.
17. Volgens verzoeker werden de betrokken ondernemingen geenszins begunstigd. Naar Spaans recht is faillissement met voortzetting van de activiteiten mogelijk, en hoeft een schuldeiser niet te verzoeken om faillietverklaring van een handelaar. Krachtens de toepasselijke bepalingen kunnen de schuldeisers alleen in bepaalde omstandigheden een dergelijk verzoek indienen.
18. Zij moeten beoordelen of zij met die stap grotere kansen op terugbetaling van alle of een gedeelte van de schulden hebben dan wel of hun kansen op terugbetaling beter zijn, indien de onderneming haar activiteit kan voortzetten zonder dat de schuldeisers om faillietverklaring verzoeken.
19. Bovendien moet ermee rekening worden gehouden dat de schuldeisers over allerlei andere middelen tot invordering beschikken. In het bijzonder kunnen zij verschillende procedures instellen met het oog op gedwongen terugbetaling of toekenning van waarborgen.
20. Dat is in het bijzonder het geval met overheidsinstanties die krachtens de wet verschillende bijzondere voordelen genieten. Met name volgt daaruit dat overheidsinstanties niet noodzakelijkerwijs in het kader van een faillissementsprocedure de beste kansen op terugbetaling van hun schuldvorderingen hebben. Via een dwangprocedure kunnen overheidsinstanties met name beslag laten leggen op de goederen van de schuldenaar en ze laten verkopen, wat dus een soortgelijk resultaat als faillietverklaring oplevert.
21. In die context is het volstrekt legitiem dat overheidsinstanties niet het faillissement van de betrokken ondernemingen hebben aangevraagd.
22. Volgens verzoeker is deze houding des te gerechtvaardigder daar de overheidsinstanties de ondernemingen die schulden hebben, helemaal niet hebben begunstigd, doch alle wettelijke middelen hebben gebruikt om betaling van de hun verschuldigde bedragen te verkrijgen.
23. Dienaangaande noemt de Spaanse regering uitvoerig de verschillende stappen die de belastingdienst en de hoofdkas van de sociale zekerheid tevergeefs hebben gezet met het oog op de terugbetaling van hun schuldvorderingen.
24. Bovendien, aldus verzoeker, kreeg geen enkele onderneming kwijtschelding van schulden en werden goederen, doordat de schuldvorderingen bleven uitstaan, in beslag genomen en verkocht.
25. Zijns inziens kan in casu dus geen sprake zijn van steunverlening, aangezien aan de betrokken ondernemingen geen enkel voordeel uit staatsmiddelen is toegekend.
26. De Commissie betwist verzoekers stelling dat de overheidsinstanties alle wettelijke middelen met het oog op de terugbetaling van de schulden hebben gebruikt.
27. Dienaangaande beklemtoont zij dat de ondernemingen van het Magefesa-concern jarenlang de aan de sociale zekerheid en de schatkist verschuldigde bedragen niet hebben betaald zonder dat de overheidsinstanties het faillissement aanvroegen of met andere middelen de betaling van de verschuldigde bedragen konden verkrijgen.
28. Cunosa en Indosa zijn uiteindelijk weliswaar failliet verklaard, doch op verzoek van particuliere schuldeisers, waaruit duidelijk blijkt dat de overheidsinstanties zich in casu niet als een particuliere schuldeiser in een soortgelijke situatie hebben gedragen, welk criterium het Hof in zijn rechtspraak hanteert om uit te maken of er sprake is van staatssteun.
29. Bovendien, aldus de Commissie, mocht Indosa haar activiteit voor onbepaalde tijd en blijkbaar zonder voorwaarden voortzetten door een eenvoudig akkoord van de schuldeisers, dat niet werd goedgekeurd door een rechter, en bleef de faillissementsprocedure aldus vijf jaar open. Uit deze atypische en ongewone situatie blijkt haars inziens het bijzondere" optreden van de overheidsinstanties in de onderhavige zaak.
30. Zij voegt eraan toe dat Indosa na faillietverklaring nieuwe schulden opstapelde.
Beoordeling
31. Wat te denken van deze argumenten?
32. Volgens de rechtspraak van het Hof moet ter beoordeling of het gedrag van de overheidsinstanties staatssteun vormt, dit gedrag worden vergeleken met dat van een particuliere investeerder in dezelfde omstandigheden.
33. In deze context moet, zoals partijen beklemtonen, ermee rekening worden gehouden dat de publiekrechtelijke schuldeisers met het oog op de inning van hun schuldvorderingen over voorrechten beschikken, die de wet niet noodzakelijkerwijs aan particuliere schuldeisers toekent.
34. Voormelde vergelijking moet dus, zoals de Commissie stelt, uitgaan van een hypothetische particuliere schuldeiser" die over alle beroepsmiddelen beschikt waarover de publiekrechtelijke schuldeisers rechtens beschikken.
35. Deze schuldeiser moet worden geacht tot doel te hebben het bedrag van zijn schuldvorderingen terug te krijgen of althans zijn verliezen te beperken. Daartoe zal hij proberen uit te maken wat de kansen op herstel van de onderneming zijn, indien zij haar activiteit mag voortzetten, alsook welk risico op nog groter verlies hij bij voortzetting van de activiteit loopt.
36. Wanneer de overheidsinstanties een soortgelijk gedrag wordt toegeschreven, kan van hen uiteraard niet worden verlangd dat zij bij de eerste tekortkoming het faillissement van de onderneming aanvragen zonder rekening te houden met het potentieel ervan op lange termijn.
37. Omgekeerd kan evenwel niet worden aanvaard dat de overheidsinstanties een schuldenopstapeling over lagere periodes zonder enig vooruitzicht op verbetering passief gedogen; in die situatie zou een particuliere schuldeiser alle maatregelen nemen die nodig zijn om zijn verliezen te beperken.
38. Uit het onderzoek van de omstandigheden van de onderhavige zaak blijkt dat de Commissie er terecht van is uitgegaan dat de overheidsinstanties een schuldenopstapeling hebben gedoogd in omstandigheden die een particuliere schuldeiser in een soortgelijke situatie niet zou hebben aanvaard.
39. In het bijzonder geeft verzoeker zelf toe dat de aan de schatkist en de sociale zekerheid verschuldigde bedragen jarenlang niet zijn betaald en dat Indosa en Cunosa ten slotte op initiatief van de particuliere schuldeisers failliet zijn verklaard.
40. Evenmin betwist de Spaanse regering dat de bedrijfsvoortzetting van Indosa in plaats van het vóór het faillissement bestaande passief te doen verdwijnen, nieuwe verliezen van meer dan twee miljard peseta's heeft veroorzaakt, waarvan de terugbetaling niet echt in het vooruitzicht kon worden gesteld, aangezien, zoals de Commissie onweersproken heeft verklaard, de onderneming op 14 december 1998 slechts ongeveer 2,5 % van dit bedrag had terugbetaald en de bedrijfsvoortzetting de belangen van de regionale schatkist had benadeeld.
41. Zoals uiteengezet in de bestreden beschikking, konden de publiekrechtelijke schuldeisers gelet op de omvang van hun schuldvorderingen de bedrijfsvoortzetting van Indosa beletten, die een rechter overigens niet had gelast. Dienaangaande moesten zij rekening houden met de voorgeschiedenis van deze onderneming, in het bijzonder het feit dat zij reeds vijf jaar geen socialezekerheidsbijdragen of belastingen meer had betaald en dat alle met het oog op de inning van deze bedragen ingestelde procedures wegens het ontoereikende actief van de onderneming hadden gefaald.
42. De publiekrechtelijke schuldeisers moeten dus hebben geweten dat het weinig waarschijnlijk was dat de bedrijfsvoortzetting de terugbetaling van het passief mogelijk zou maken. Anderzijds konden zij evenmin het risico van nieuwe schulden van de onderneming negeren, waardoor de kansen op delging van de oorspronkelijke schulden nog verminderden.
43. Terecht komt de bestreden beschikking dus tot de conclusie dat de publiekrechtelijke schuldeisers door de bedrijfsvoortzetting van Indosa toe te staan zonder zulks ter voorkoming van hogere schulden op zijn minst te verbinden aan de verplichting dat Indosa haar lopende belasting- en socialezekerheidsverplichtingen nakwam, door hun gedrag hun kansen om hun schuldvorderingen te innen hebben verminderd, welk gedrag een particuliere schuldeiser niet had gehad.
44. Uit het voorgaande volgt dat verzoeker geen schending van artikel 92 van het Verdrag door de Commissie heeft aangetoond en dat dit middel moet worden afgewezen.
Het tweede middel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel
45. Volgens verzoeker vereist het in de rechtspraak van het Hof neergelegde rechtszekerheidsbeginsel dat elke gemeenschapshandeling die rechtsgevolgen sorteert, in het bijzonder wanneer zij financiële gevolgen kan hebben, voldoende duidelijk en nauwkeurig is om de betrokkenen in staat te stellen de omvang van hun verplichtingen exact te kennen.
46. Zijns inziens heeft de Commissie in casu dit beginsel geschonden door een steun waarvan zij het bedrag niet kent, onwettig te verklaren en verzoeker te verplichten de steun terug te vorderen zonder het terug te betalen bedrag te kennen.
47. Ik ga niet akkoord met verzoekers analyse.
48. Zoals de Commissie uiteenzet, beschrijft de bestreden beschikking namelijk uitvoerig de maatregelen die de betrokken steun vormen, en de periode dat hij is verleend. Zij bevat bovendien nauwkeurige ramingen van bijna alle betrokken bedragen met de beschrijving van de desbetreffende verplichtingen.
49. Verzoeker die adressaat is van de bestreden beschikking, kon dus volstrekt de omvang van de haar opgelegde verplichtingen bepalen.
50. Dat is des te meer het geval daar bij de berekening van de terug te betalen bedragen rekening moet worden gehouden met alle elementen die de belastingschuld van de betrokken ondernemingen bepalen, alsook met hun sociale bijdragen, dat wil zeggen de door de nationale wetgeving vastgestelde en voor de bevoegde nationale autoriteiten volledig toegankelijke gegevens.
51. De Commissie haalt dus terecht de rechtspraak aan volgens welke zij niet gehouden is het bedrag van de terug te betalen steun vast te stellen, wanneer voor de berekening ervan rekening moet worden gehouden met bepaalde elementen van nationaal recht.
52. Dat is des te meer het geval wanneer zoals in casu het gebrek aan medewerking van de betrokken autoriteiten, naar verweerster onweersproken door verzoeker stelt, de Commissie heeft belet de mededeling van bepaalde gegevens te verkrijgen.
53. Dit tweede middel moet dus worden afgewezen.
Het derde middel: schending van de motiveringsplicht
54. Volgens verzoeker motiveert de bestreden beschikking niet waarom de niet-betaling van een aantal niet nader bepaalde bedragen aan de fiscus en de sociale zekerheid door vier ondernemingen, waarvan twee in faillissement en de overige twee buiten bedrijf, een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun vormt, een ongunstige invloed op de intracommunautaire handel heeft en de mededinging vervalst, terwijl de betrokken lidstaat alleen de nationale faillissementswetgeving heeft toegepast en alle wettelijke beroepsmiddelen heeft gebruikt.
55. Dus is de motiveringsplicht van artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG) geschonden.
56. Zoals gezegd, kan in casu evenwel niet worden aangenomen dat de nationale autoriteiten alleen de toepasselijke nationale wetgeving hebben toegepast en alle mogelijke wettelijke middelen hebben gebruikt.
57. Bovendien waren de betrokken ondernemingen in bedrijf op het tijdstip waarop de litigieuze steun is toegekend, zodat zij de concurrentie konden vervalsen. In deze context noemt de bestreden beschikking de marktaandelen van Magefesa alsook het volume van de intracommunautaire handel.
58. Ten slotte, ook al bevat de bestreden beschikking wegens het gebrek aan medewerking van de betrokken autoriteiten een onvolledige raming van het bedrag van deze steunmaatregelen, wordt daarin gewezen op de omvang van de per geval verschuldigde bedragen, zodat duidelijk blijkt dat zij de concurrentie ongunstig kunnen beïnvloeden.
59. Uit een en ander volgt dat de bestreden beschikking rechtens afdoende gemotiveerd is. Dit middel moet dus worden afgewezen.
Het vierde middel: inning van rente
Standpunt van partijen
60. Volgens verzoeker mocht de Commissie in het kader van de verplichting van terugvordering van de litigieuze steun niet verplichten tot de inning van rente over de schulden van ondernemingen in faillissement.
61. Dienaangaande zet hij uiteen dat onwettige steun volgens de rechtspraak van het Hof overeenkomstig de regels van het nationaal recht moet worden teruggevorderd, op voorwaarde dat de toepassing ervan de door het gemeenschapsrecht verlangde terugvordering in de praktijk niet onmogelijk maakt.
62. Krachtens artikel 884 van het Spaanse handelswetboek produceren de schulden van de gefailleerde vanaf de datum van de faillissementsverklaring geen rente meer", met als enige uitzondering hypothecair krediet en pandkrediet. Deze regel is gerechtvaardigd door het gemeenschappelijk belang van de schuldeisers te voorkomen dat nieuwe verplichtingen die de situatie van de reeds bestaande schuldeisers kunnen verergeren, komen drukken op het vermogen van de betrokken onderneming, zoals het op het tijdstip van de faillietverklaring bestond.
63. Voormelde bepaling is dus een modaliteit van nationaal recht die in de context van de terugvordering van steun in acht moet worden genomen, aangezien zij deze niet onmogelijk maakt en niet discriminerend is tegenover vergelijkbare naar nationaal recht geregelde situaties.
64. Verzoeker voegt daaraan toe dat de relevante rechtspraak van het Hof de verplichting rente te innen overigens slechts in voorkomend geval" oplegt.
65. In de eerste plaats merkt de Commissie op, zonder op dit punt door de Spaanse regering te worden weersproken, dat dit artikel 884 van het Spaanse handelswetboek niet belet dat Migsa en Gursa rente betalen, aangezien deze niet failliet zijn verklaard.
66. Aangaande Indosa en Cunosa staat tussen partijen bovendien vast dat dit artikel niet belet om de tot de faillietverklaring vervallen rente of de vervallen rente over de na deze verklaring verleende steun terug te vorderen, aangezien deze rente schulden van de failliete boedel en geen schulden van de gefailleerde" vormen.
67. Verzoekers argument moet dus worden geacht alleen te slaan op de sinds de faillietverklaring vervallen rente over de schulden van Indosa en Cunosa.
Beoordeling
68. In de eerste plaats merk ik op dat de Commissie terecht stelt dat de regel van artikel 884 van het Spaanse handelswetboek geen procesregel is.
69. Deze bepaling betreft namelijk de vaststelling van het uiteindelijk aan de schuldeisers verschuldigd bedrag en betreft dus noodzakelijkerwijs het recht ten gronde.
70. Terecht stelt de Commissie eveneens dat de steunbegunstigde bij gebrek aan terugbetaling van de rente over de onrechtmatig toegekende bedragen een met een renteloze lening vergelijkbaar financieel voordeel zou verkrijgen.
71. Moet daaruit dan worden afgeleid dat verzoekers middel volledig moet worden afgewezen?
72. Ik denk het niet.
73. Er moet namelijk rekening mee worden gehouden dat het hier, anders dan in voormelde arresten, gaat om een geval waarin in de context van een faillissement moet worden terugbetaald en dus in samenloop met de vorderingen van alle particuliere en publiekrechtelijke schuldeisers van de gefailleerde onderneming.
74. De regel krachtens welke de overheidsinstanties van voormelde rente moesten afzien, is evenwel van algemene strekking in die zin dat hij geldt voor alle particuliere en publiekrechtelijke schuldeisers in alle faillissementsprocedures.
75. Hij vormt dus geenszins een begunstiging van een onderneming of een groep ondernemingen. Evenmin laat hij de schuldeisers enige beoordelingsmarge. De betrokken bedragen worden hun automatisch onthouden. Dat is het geval zowel voor de particuliere als publiekrechtelijke schuldeisers. De ten gunste van de schuldenaar opgelegde afstand gaat dus niet alleen ten koste van de overheidsmiddelen.
76. Er is dus een duidelijk verschil tussen de werking van de betrokken bepaling en het gedrag van de overheidsinstanties, dat ik in het kader van het onderzoek van het eerste middel heb besproken.
77. Deze bepaling moet dus worden beschouwd als de uiting van een keuze van de nationale wetgever die de rechtsfiguur van het faillissement moet organiseren, en in dat kader de verschillende betrokken belangen in evenwicht moet houden.
78. Een dergelijk voorschrift valt dus onder de door het gemeenschapsrecht aan de lidstaten toegekende institutionele autonomie.
79. Bovendien maakt de betrokken nationale bepaling de uitvoering van de terugbetalingsverplichting in de praktijk niet onmogelijk, aangezien zij slechts van invloed is op een deel van de vervallen rente en zulks alleen bij faillietverklaring van de begunstigde onderneming.
80. Evenmin kan worden gesteld dat dit voorschrift een discriminatie inhoudt die in strijd is met het gemeenschapsrecht, aangezien het in alle faillissementsprocedures op dezelfde wijze en ongeacht de hoedanigheid van de schuldeiser wordt toegepast.
81. Daarbij komt dat, indien het standpunt van de Commissie wordt gevolgd, een lidstaat zou worden verplicht ten gunste van de overheid en ten koste van de particuliere schuldeisers een bijkomende afwijking van het beginsel van gelijkheid van schuldeisers te maken. Met de door de Commissie voorgestelde uitlegging van artikel 92 krijgen bepaalde schulden van de overheid in de praktijk namelijk een soort voorrecht.
82. Dit gelijkheidsbeginsel, ook wanneer daarop talrijke uitzonderingen bestaan, is evenwel van essentieel belang want een faillissementsprocedure heeft tot doel de schuldvorderingen te laten terugbetalen volgens een rangorde die de wet in de plaats stelt van gelijkgerechtigheid van schuldeisers en hun gemeenschappelijk belang.
83. Bovendien tast de wijziging van de omvang van de rechten van de schuldeisers in een faillissementsprocedure de eigendomsregeling in de lidstaten aan, terwijl artikel 222 EG-Verdrag (thans artikel 295 EG) deze materie uitdrukkelijk voorbehoudt aan de bevoegdheid van de lidstaten.
84. Mijns inziens heeft de uitlegging van de Commissie van artikel 92 van het Verdrag in casu zo verreikende gevolgen dat zij mijns inziens niet strookt met de bedoeling van de auteurs van het Verdrag.
85. In dupliek heeft de Commissie er evenwel aan toegevoegd dat de verplichting de betaling van rente te vorderen is neergelegd in artikel 14, lid 2, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag. Op deze verplichting bestaat geen enkele uitzondering zodat zij van toepassing is ook wanneer tegen de begunstigde onderneming een faillissementsprocedure is ingesteld.
86. Opgemerkt zij evenwel dat artikel 14, lid 1, van verordening nr. 659/1999 die ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking overigens niet van kracht was, luidt: De Commissie verlangt geen terugvordering van de steun indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht."
87. Deze bepaling geldt ook voor de terugbetaling van rente, aangezien deze verplichting een onderdeel van de terugbetaling van de steun is.
88. Uit het voorgaande blijkt evenwel dat de terugbetaling van de vervallen rente over de schulden van Indosa en Cunosa na faillietverklaring in casu in strijd is met uit het Verdrag voortvloeiende beginselen.
89. Dit middel moet dus worden aanvaard, aangezien het de terugbetaling van de na faillietverklaring vervallen rente over de voordien door Indosa en Cunosa onrechtmatig ontvangen steun betreft.
Conclusie
90. Om voormelde redenen geef ik het Hof in overweging beschikking 1999/509/EG van de Commissie van 14 oktober 1998 betreffende door Spanje toegekende steun ten behoeve van de ondernemingen van het Magefesa-concern en hun opvolgers, nietig te verklaren voor zover het Koninkrijk Spanje daarbij wordt verplicht de terugbetaling te verkrijgen van na faillietverklaring vervallen rente over de voordien door Indosa en Cunosa onrechtmatig ontvangen steun, het beroep voor het overige te verwerpen en verzoeker naast zijn eigen kosten te verwijzen in twee derden van de kosten van de Commissie.
Full & Egal Universal Law Academy