Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Hogere voorziening - Middelen - Ontvankelijkheid - Rechtsvragen - Uitlegging van begrip nieuw en beslissend feit in artikel 41 van 's Hofs Statuut - Daaronder begrepen
(EG-Verdrag, art. 168 A; 's Hofs Statuut-EG, art. 41, eerste alinea, en 51)
2 Hogere voorziening - Bevoegdheid van Hof - Beoordeling van nieuw en beslissend karakter van feiten die Gerecht na vordering tot herziening niet heeft beoordeeld - Uitgesloten
('s Hofs Statuut-EG, art. 41, eerste alinea)
3 Procedure - Herziening van arrest - Voorwaarden voor ontvankelijkheid van verzoek - Nieuw feit - Begrip - Niet-officiële, persoonlijke beoordelingen of opvattingen - Daarvan uitgesloten
('s Hofs Statuut-EG, art. 41, eerste alinea)
4 Hogere voorziening - Middelen - Middel gericht tegen beslissing van Gerecht omtrent kosten - Niet-ontvankelijk in geval van afwijzing van alle andere middelen
('s Hofs Statuut-EG, art. 51, tweede alinea)
Samenvatting
1 Ingevolge artikel 168 A van het Verdrag en artikel 51 van 's Hofs Statuut is hogere voorziening bij het Hof beperkt tot rechtsvragen. De uitlegging van het in artikel 41, eerste alinea, van 's Hofs Statuut voorkomende begrip "feit, dat van beslissende invloed kan zijn en dat, vóór de uitspraak van het arrest, onbekend was aan het Hof en aan de partij die de herziening verzoekt", alsmede de kwalificatie van de feitelijke omstandigheden die door degene die om de herziening verzoekt, als dergelijke beslissende en nieuwe feiten worden aangevoerd, zijn rechtsvragen die door het Hof in hogere voorziening kunnen worden getoetst.
2 Het Hof is in het kader van een hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht waarbij een verzoek tot herziening niet-ontvankelijk is verklaard en waarin bepaalde feitelijke omstandigheden die door de rekwirant uitsluitend in hogere voorziening worden aangevoerd, niet zijn beoordeeld, niet bevoegd voor het eerst vast te stellen of te beoordelen, of dergelijke omstandigheden nieuwe en beslissende feiten in de zin van artikel 41, eerste alinea, van 's Hofs Statuut opleveren.
3 Niet-officiële, persoonlijke beoordelingen of opvattingen betreffende feitelijke omstandigheden die eventueel als nieuwe feiten in de zin van artikel 41 van 's Hofs Statuut zouden kunnen worden aangemerkt, kunnen op zichzelf niet dergelijke feiten opleveren.
4 Wanneer alle andere in hogere voorziening aangevoerde middelen tegen een beslissing van het Gerecht zijn afgewezen, moet het middel inzake de onrechtmatige beslissing van het Gerecht over de kosten krachtens artikel 51, tweede alinea, van 's Hofs Statuut niet-ontvankelijk worden verklaard.
Partijen
In zaak C-2/98 P,
H. de Compte, gewezen ambtenaar van het Europees Parlement, vertegenwoordigd door H. Ferretti, advocaat te Thionville, Boulevard Jeanne d'Arc 39, F - 57100 Thionville,
rekwirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Eerste kamer) van 5 november 1997, De Compte/Parlement [T-26/89 (125), JurAmbt. blz. I-A-305 en II-847], strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Europees Parlement, vertegenwoordigd door E. Waldherr en A. Neergaard, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, G. Hirsch, G. F. Mancini, H. Ragnemalm (rapporteur) en K. M. Ioannou, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 december 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 januari 1998, heeft H. de Compte (hierna: "rekwirant") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 5 november 1997, De Compte/Parlement [T-26/89 (125), JurAmbt. blz. I-A-305 en II-847; hierna: "bestreden arrest"], waarbij zijn verzoek tot herziening van het arrest van het Gerecht van 17 oktober 1991, De Compte/Parlement (T-26/89, Jurispr. blz. II-781; hierna: "arrest van 17 oktober 1991"), niet-ontvankelijk is verklaard.
De feiten
2 De feiten, zoals deze zijn weergegeven in het bestreden arrest, kunnen worden samengevat als volgt.
3 Rekwirant is een gepensioneerde gewezen ambtenaar van het Europees Parlement. Toen hij nog als rekenplichtige in dienst was bij deze instelling, werd tegen hem een tuchtprocedure ingeleid, aan het einde waarvan het tot aanstelling bevoegd gezag bij besluit van 18 januari 1988 jegens hem de tuchtmaatregel van terugzetting van de rang A 3 in de rang A 7 trof.
4 Bij arrest van 17 oktober 1991 verklaarde het Gerecht het door rekwirant tegen het tuchtbesluit ingestelde beroep ongegrond. De hogere voorziening tegen dit arrest werd door het Hof afgewezen bij arrest van 2 juni 1994, De Compte/Parlement (C-326/91 P, Jurispr. blz. I-2091).
5 Na het arrest van 17 oktober 1991 weigerde de voorzitter van het Parlement bij besluit van 19 december 1991 rekwirant voor het begrotingsjaar 1982 kwijting te verlenen met betrekking tot de inning in 1981 van twee op de Midland Bank te Londen getrokken cheques (hierna: "zaak van de kas voor de afgevaardigden"). Bij arrest van 14 juni 1995, De Compte/Parlement (T-61/92, JurAmbt. blz. I-A-145 en II-449), verwierp het Gerecht het door rekwirant tegen dit besluit ingestelde beroep.
6 Op 28 juni 1995 stelde de rapporteur van de begrotingscommissie van het Parlement, J.-C. Pasty, een ontwerprapport op waarin kwijting werd verleend voor de uitvoering van de begroting van het Parlement voor 1993 en waarin de zaak van de kas voor de afgevaardigden in een voor rekwirant gunstige zin ter sprake werd gebracht.
7 Op 26 september 1995 hechtte de begrotingscommissie haar goedkeuring aan dat ontwerprapport, met uitzondering evenwel van het hoofdstuk over de zaak van de kas voor de afgevaardigden. Op 12 oktober 1995 keurde het Parlement het door de commissie goedgekeurde ontwerp goed.
8 Bij brief van 13 februari 1996 antwoordde de heer Pasty op de opmerkingen van de directeur-generaal Personeel, Begroting en Financiën van het Parlement over het betrokken ontwerprapport (hierna: "brief van 13 februari 1996").
9 Op 19 juni 1996 diende rekwirant bij het Gerecht een verzoek tot herziening van het arrest van 17 oktober 1991 in.
Het bestreden arrest
10 Blijkens het bestreden arrest heeft rekwirant tot staving van zijn verzoek met een beroep op de brief van 13 februari 1996 een aantal feiten aangevoerd die zijns inziens nieuw zijn. Hij heeft in het bijzonder betoogd, dat hij geen vrije toegang tot het dossier had gehad, dat de administratie van het Parlement nieuwe stukken had opgesteld of registers had aangelegd, die betrekking hadden op het beheer door de rekenplichtige, dat er geen document was waaruit het door de Rekenkamer geconstateerde kasoverschot bleek, dat de inning van de twee op de Midland Bank getrokken cheques een regelmatige verrichting was en dat er geen proces-verbaal was opgesteld over het tekort in de kas voor de afgevaardigden in 1982. Hij heeft voorts gesteld, dat de directeur Financiën van het Parlement in februari 1982 een ontvangstopdracht voor een bedrag van 19 000 UKL heeft ondertekend, die op de litigieuze rekening betrekking had, en dat die rekening dus bij de bevoegde autoriteiten van het Parlement bekend was.
11 Het Gerecht heeft geoordeeld, dat de brief van 13 februari 1996 verklaringen, veronderstellingen en persoonlijke beoordelingen van de heer Pasty bevatte, die geen nieuwe feiten kunnen opleveren welke aanleiding kunnen zijn om het arrest van 17 oktober 1991 te herzien. Het heeft voorts verklaard, dat het bij de aangevoerde feitelijke omstandigheden niet ging om feiten die rekwirant vóór de uitspraak van dat arrest onbekend waren, en dat die feiten hem hoe dan ook niet tot een andere oplossing konden brengen dan die welke aan het geschil was gegeven. Wat in het bijzonder de ontvangstopdracht betreft, heeft het Gerecht onder meer opgemerkt, dat uit deze opdracht bleek, dat zij was gedateerd mei 1982 en in dezelfde maand was ondertekend, dat wil zeggen nadat de bevoegde autoriteiten van het Parlement van het bestaan van de litigieuze rekening in kennis waren gesteld.
12 Het verzoek tot herziening is derhalve bij het bestreden arrest niet-ontvankelijk verklaard.
De hogere voorziening
13 Tot staving van zijn hogere voorziening voert rekwirant aan, dat het Gerecht ten onrechte heeft geweigerd de verklaringen van de heer Pasty in de brief van 13 februari 1996 als nieuwe feiten in de zin van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EG aan te merken.
14 Het Parlement betoogt, dat de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk, althans ongegrond is.
Beoordeling door het Hof
De ontvankelijkheid van de hogere voorziening
15 Het Parlement acht de hogere voorziening niet-ontvankelijk op grond dat in het communautaire stelsel van rechtspraak geen hogere voorziening openstaat tegen een arrest van het Gerecht waarbij een verzoek tot herziening niet-ontvankelijk is verklaard. Dit is zijns inziens een gevolg van het feit dat het Gerecht zich bij zijn beoordeling van de ontvankelijkheid van een verzoek tot herziening uitsluitend met feiten bezighoudt, zonder op rechtsvragen in te gaan.
16 De hogere voorziening moet volgens het Parlement hoe dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard op grond dat rekwirant geen schending van een rechtsregel stelt en geen enkel juridisch argument aanvoert om zijn vorderingen te staven.
17 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat ingevolge artikel 168 A EG-Verdrag en artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening bij het Hof beperkt is tot rechtsvragen en onder meer kan worden gebaseerd op schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht (zie, in deze zin, arrest van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 47).
18 Bovendien kan volgens artikel 41, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG, dat krachtens artikel 46, eerste alinea, van dit Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, herziening van een arrest slechts worden verzocht op grond van de ontdekking van een feit dat van beslissende invloed kan zijn en dat vóór de uitspraak van het arrest onbekend was aan het Hof en aan de partij die de herziening verzoekt (zie arrest van 5 maart 1998, Inpesca/Commissie, C-199/94 P en C-200/94 P REV, Jurispr. blz. I-831, punt 15).
19 Ten slotte kan volgens vaste rechtspraak de juridische kwalificatie van de feiten in hogere voorziening worden getoetst (arresten van 7 mei 1992, Raad/Brems, C-70/91 P, Jurispr. blz. I-2973, en 1 juni 1995, Coussios/Commissie, C-119/94 P, Jurispr. blz. I-1439).
20 Hieruit volgt, dat de uitlegging van het begrip "feit, dat van beslissende invloed kan zijn en dat, vóór de uitspraak van het arrest, onbekend was aan het Hof en aan de partij die de herziening verzoekt", alsmede de kwalificatie van de feitelijke omstandigheden die door degene die de herziening verzoekt, als dergelijke beslissende en nieuwe feiten worden aangevoerd, rechtsvragen zijn die door het Hof in hogere voorziening kunnen worden getoetst.
21 In casu betoogt rekwirant primair, dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld, dat de brief van 13 februari 1996, in zijn totaliteit beschouwd, geen nieuw en beslissend feit in de zin van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EG oplevert. Terwijl hij zich voornamelijk beroept op de autoriteit van de schrijver van deze brief, blijft rekwirant erbij, dat enkele van de door hem voor het Gerecht gedane beweringen nieuwe en beslissende feiten opleveren. Hij betoogt voorts, dat het begrip nieuw feit ruim moet worden uitgelegd en ook het desbetreffende bewijsmiddel moet omvatten.
22 Rekwirant verwijt het Gerecht derhalve, dat het het begrip nieuw en beslissend feit in de zin van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EG verkeerd heeft uitgelegd.
23 Daarmee werpt hij een rechtsvraag op, die in hogere voorziening ontvankelijk is. De door het Parlement opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet dan ook worden afgewezen, zodat moet worden onderzocht, of het Gerecht de gestelde nieuwe feiten waarop rekwirant zich tot staving van zijn vorderingen beroept, gelet op genoemd artikel 41, op juiste wijze heeft beoordeeld.
Ten gronde
24 Herziening vooronderstelt de ontdekking van aan de uitspraak van het arrest voorafgaande feiten die de rechter die het arrest heeft gewezen, en de verzoeker tot herziening tot dan toe onbekend waren, en die de rechter, indien hij ze in aanmerking had kunnen nemen, tot een andere oplossing hadden kunnen brengen dan die welke aan het geschil is gegeven (zie beschikking Hof van 25 februari 1992, Gill/Commissie, C-185/90 P REV, Jurispr. blz. I-993, punt 12, en arrest Inpesca/Commissie, reeds aangehaald, punt 17).
25 Deze voorwaarden zijn zo streng, omdat het beroep tot herziening niet een gewoon beroep is, doch een buitengewoon rechtsmiddel, dat de kracht van gewijsde kan aantasten (zie arrest van 23 oktober 1985, Riseria Modenese/Raad e.a., 267/80 REV, Jurispr. blz. 3499, punt 10).
26 Rekwirant betoogt in de eerste plaats, dat de twee ambtenaren van het Parlement, die het Gerecht in punt 192 van het arrest van 17 oktober 1991 noemt, voor een Luxemburgse rechterlijke instantie verklaringen hebben afgelegd die volledig in tegenspraak zijn met die waarvan het Gerecht melding maakt.
27 In de tweede plaats beroept hij zich op het feit, dat het Parlement in zijn opmerkingen van 25 juli 1996 voor het Gerecht heeft erkend, dat de jegens hem ingebrachte beschuldiging nooit in een proces-verbaal is opgenomen.
28 Dienaangaande zij erop gewezen, dat de aldus aangevoerde feitelijke omstandigheden niet door het Gerecht zijn beoordeeld. Het Hof is derhalve in het kader van een hogere voorziening tegen een arrest waarbij een verzoek tot herziening niet-ontvankelijk is verklaard, niet bevoegd voor het eerst vast te stellen of te beoordelen, of dergelijke omstandigheden nieuwe feiten opleveren. De beweringen van rekwirant, waarvan het Hof de gegrondheid niet kan onderzoeken, zijn bijgevolg niet-ontvankelijk.
29 In de derde plaats komt rekwirant op tegen de vaststelling door het Gerecht, dat de directeur Financiën van het Parlement in mei 1982 een ontvangstopdracht had ondertekend. Hij stelt namelijk, dat de bankrente betrekking had op de maand februari 1982.
30 Ten aanzien van dit punt kan worden volstaan met vast te stellen, dat het Gerecht als enige bevoegd is te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijsmiddelen, wanneer deze regelmatig zijn verkregen en de rechtsregels en algemene rechtsbeginselen inzake de bewijslast en de procedureregels inzake de bewijsvoering zijn gerespecteerd (zie onder meer beschikking van 17 september 1996, San Marco/Commissie, C-19/95 P, Jurispr. blz. I-4435, punt 40). Bijgevolg is deze grief eveneens niet-ontvankelijk.
31 Ten slotte moet worden onderzocht, of de brief van 13 februari 1996, waarop rekwirant zich tot staving van zijn herzieningsverzoek beroept, beantwoordt aan de vereisten van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EG, zoals deze in de rechtspraak van het Hof nader zijn uitgewerkt.
32 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat niet-officiële, persoonlijke beoordelingen of opvattingen betreffende feitelijke omstandigheden die eventueel als nieuwe feiten in de zin van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EG zouden kunnen worden aangemerkt, op zichzelf niet dergelijke feiten kunnen opleveren.
33 In casu staat vast, dat de brief van 13 februari 1996 geen officieel document is. Deze brief bevat immers slechts persoonlijke beoordelingen door de heer Pasty betreffende de met de zaak van de kas voor de afgevaardigden verband houdende feiten, die bovendien niet vóór de uitspraak van het arrest van 17 oktober 1991 aan rekwirant onbekend waren.
34 De brief van 13 februari 1996, die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EG, kan bijgevolg niet als een nieuw en beslissend feit in de zin van deze bepaling worden beschouwd.
De kosten van de procedure in eerste aanleg
35 Rekwirant komt ook op tegen het feit dat het Gerecht hem in de kosten heeft verwezen.
36 Luidens artikel 51, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG kan hogere voorziening "niet uitsluitend betrekking hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten".
37 Daar alle andere door rekwirant aangevoerde middelen zijn afgewezen, moet het middel betreffende de kosten krachtens deze bepaling niet-ontvankelijk worden verklaard (zie arrest van 14 september 1995, Henrichs/Commissie, C-396/93 P, Jurispr. blz. I-2611, punten 65 en 66, en beschikking van 16 oktober 1997, Dimitriadis/Rekenkamer, C-140/96 P, Jurispr. blz. I-5635, punt 56).
38 Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
39 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 70 van dit Reglement blijven evenwel de kosten, door de instellingen ter zake van beroepen van ambtenaren gemaakt, te hunnen laste. Ingevolge artikel 122, tweede alinea, van het Reglement is artikel 70 echter niet van toepassing, indien de hogere voorziening door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling is ingesteld. Daar rekwirant in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten van de hogere voorziening te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst rekwirant in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy