Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Procedure - Indiening van vordering bij Hof op basis van arbitragebeding - Eenzijdige opzegging van overeenkomst krachtens bedingen van die overeenkomst - Recht op terugbetaling van voorschotten, vermeerderd met contractuele interessen - Vordering tot schadevergoeding ongegrond wegens onvoldoende bewijs
[EG-Verdrag, art. 181 (thans art. 238 EG)]
Partijen
In zaak C-40/98,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. de March als gemachtigde, bijgestaan door A. Dal Ferro, avvocato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Tecnologie Vetroresina SpA (TVR), gevestigd te Rome (Italië), vertegenwoordigd door G. Merla, avvocato,
verweerster,
betreffende een door de Commissie krachtens artikel 181 EG-Verdrag (thans artikel 238 EG) ingesteld beroep, strekkende tot veroordeling van Tecnologie Vetroresina SpA tot terugbetaling van een bedrag van 211 307 ECU, door de Commissie vooruitbetaald in het kader van contract nr. 3440/1/0/187/91/6-BCR-I(30), vermeerderd met contractuele interessen vanaf 21 december 1991, en tot betaling van 20 000 ECU ter vergoeding van de door de Commissie geleden schade,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann (rapporteur), kamerpresident, J.-P. Puissochet en R. Schintgen, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 11 mei 2000,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juni 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 februari 1998, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens een arbitragebeding in de zin van artikel 181 EG-Verdrag (thans artikel 238 EG) tegen de vennootschap Tecnologie Vetroresina SpA (hierna: TVR") beroep ingesteld strekkende tot veroordeling van deze vennootschap tot terugbetaling van een bedrag van 211 307 ECU, door de Commissie vooruitbetaald in het kader van contract nr. 3440/1/0/187/91/6-BCR-I(30) (hierna: contract"), vermeerderd met contractuele interessen ten belope van 69,47 ECU per dag, te rekenen vanaf 21 december 1991, en tot betaling van een bedrag van 20 000 ECU ter vergoeding van de door de Commissie geleden schade.
2 Het contract is op 13 augustus 1991 gesloten tussen de Europese Economische Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, enerzijds, en TVR en een Engelse universiteit, Brunel University (hierna: Brunel"), anderzijds, in het kader van financiële steun verleend op basis van het onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma voor de Europese Economische Gemeenschap op het gebied van toegepaste metrologie en chemische analyse (1988-1992), vastgesteld bij beschikking 88/418/EEG van de Raad van 29 juni 1988 (PB L 206, blz. 29).
3 Dit contract, gesloten voor een periode van zesendertig maanden ingaande op 1 september 1991, betrof de uitvoering van een studieproject voor meetsystemen en -instrumenten voor producten die volgens een draadwikkelingproces met samengestelde materialen worden gefabriceerd. Met dit studieproject moest een einde komen aan de grote verspilling van materiaal en arbeidskrachten waarmee dergelijke fabricatie gepaard gaat.
4 In het contract wordt TVR als de coördinator ervan aangeduid. In die hoedanigheid rusten op TVR specifieke verplichtingen, zoals met name:
- alle betalingen van de Commissie ontvangen en instaan voor de onmiddellijke overdracht aan elke medecontractant van het hem toekomende bedrag (artikel 4, lid 3, van het contract);
- de Commissie de jaarlijkse kostendeclaraties en halfjaarlijkse verslagen over de vooruitgang van de werkzaamheden toezenden, en dit binnen één maand na het einde van elke betrokken periode, alsmede het volledige overzicht van de gemaakte kosten en het eindverslag over de verkregen resultaten, binnen drie respectievelijk twee maanden na de voltooiing, onderbreking of staking van de door de Commissie gefinancierde werkzaamheden (artikelen 5, leden 1 en 2, en 6, lid 1, van het contract, alsmede artikelen 6, lid 1, en 36, lid 1, van bijlage II bij het contract).
5 In artikel 8, lid 2, sub d, van bijlage II bij het contract is bepaald, dat de Commissie het contract kan beëindigen indien een medecontractant één van zijn contractuele verplichtingen niet nakomt - tenzij de niet-nakoming te wijten is aan redelijke en gerechtvaardigde redenen van technische of economische aard -, nadat zij de betrokkene bij aangetekende brief met ontvangstbewijs in gebreke heeft gesteld en de medecontractant niet binnen een maand na de ingebrekestelling tot uitvoering is overgegaan.
6 Krachtens artikel 8, lid 4, eerste alinea, van bijlage II kan de Commissie in geval van toepassing van voornoemd artikel 8, lid 2, sub d, volledige of gedeeltelijke terugbetaling van de als financiële bijdrage betaalde bedragen eisen, waarbij zij in billijkheid en redelijkheid rekening houdt met de aard en de resultaten van de verrichte werkzaamheden en het nut daarvan voor de Commissie.
7 Volgens artikel 8, lid 4, tweede alinea, van die bijlage kunnen interessen worden gevorderd vanaf de datum waarop de medecontractant de betaalde bedragen heeft ontvangen, volgens de door het Europees Fonds voor monetaire samenwerking toegepaste rentevoet voor transacties in ecu, die op de eerste werkdag van elke maand wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, vermeerderd met 2 %.
8 In artikel 12 van bijlage II bij het contract komen partijen overeen, elk geschil over het contract, dat luidens artikel 11 daarvan door Italiaans recht wordt beheerst, aan het Hof van Justitie voor te leggen.
9 Op 20 september 1991 betaalde de Commissie TVR 230 000 ECU als voorschot voor de uit te voeren werkzaamheden. Van dat bedrag was 65 000 ECU bestemd voor TVR en 165 000 ECU voor Brunel.
10 Op 25 maart 1993 liet TVR - die erkende dat zij verantwoordelijk was voor de overdracht van het bedrag van 165 000 ECU aan Brunel - de Commissie weten, dat er door een reeks misverstanden twijfel bestond over de overdracht van dat bedrag aan Brunel, en zij verbond zich ertoe om deze overdracht onmiddellijk uit te voeren mocht deze nog niet zijn verricht.
11 Bij brief van 15 april 1993 maande de Commissie TVR aan haar de kopieën te zenden van de stukken waaruit bleek dat de overdracht naar behoren was uitgevoerd. De Commissie preciseerde, dat zij bij gebreke van een dergelijk bewijs het contract zou beëindigen en van TVR de terugbetaling van het voorschot van 230 000 ECU, vermeerderd met contractuele interessen, zou vorderen.
12 Bij twee brieven van 31 januari 1994 deelde de Commissie TVR mee dat zij het contract beëindigde aangezien zij de gevraagde bewijzen niet had ontvangen, en vorderde zij van TVR de terugbetaling van het bedrag van 165 000 ECU, vermeerderd met contractuele interessen. Omdat zij bovendien van mening was, dat de kosten die TVR had opgegeven in de kostendeclaraties voor de periode van 1 september 1992 tot en met 26 mei 1993, overdreven waren, verzocht de Commissie TVR haar de nodige stukken toe te zenden om de juistheid van die kosten vast te stellen, zo niet zou TVR de Commissie het voorschot van 65 000 ECU, vermeerderd met contractuele interessen, moeten terugbetalen.
13 Op dezelfde datum beëindigde de Commissie ook het contract dat haar aan Brunel bond, aangezien Brunel alleen niet kon instaan voor de technische realisatie van het gefinancierde project.
14 Omdat zij de door TVR in de kostendeclaraties opgegeven kosten slechts ten dele aanvaardde, verzocht de Commissie TVR in juli 1994 om terugbetaling van een bedrag van 46 307 ECU, zijnde het verschil tussen de eerste bijdrage van 65 000 ECU en de helft van de aanvaarde kosten, terwijl de Commissie overeenkomstig artikel 3, lid 2, van het contract 50 % van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening nam.
15 In september 1994 ontving de Commissie een accountantsverslag over de periode van 1 september 1991 tot en met 31 augustus 1992, dat op haar verzoek door de vennootschap Reconta Ernst & Young was opgesteld. Dat verslag concludeerde dat er geen bewijsstukken waren van de overdracht van het bedrag van 165 000 ECU aan Brunel en dat de door TVR geboekte arbeidskosten lager waren dan de werkelijk gemaakte kosten.
16 Bij brief van 22 juni 1995 vorderde de Commissie van TVR de terugbetaling van een bedrag van 165 000 ECU, vermeerderd met contractuele interessen, zijnde de bijdrage die voor Brunel bestemd was maar die laatstgenoemde nooit had ontvangen, en een bedrag van 46 307 ECU, zijnde het saldo van de voor TVR bestemde bijdrage na aftrek van de aanvaarde kosten.
17 TVR verrichtte geen enkele terugbetaling.
De ontvankelijkheid
18 TVR beroept zich op niet-ontvankelijkheid van de vordering van de Commissie. Nu de Commissie het Hof niet uitdrukkelijk heeft verzocht om eerst vast te stellen dat het contract beëindigd is, kan zij geen beroep doen op het recht op terugbetaling bedoeld in artikel 1458 Codice Civile (hierna: Italiaans burgerlijk wetboek"), te meer daar TVR de beëindiging van het contract door de Commissie heeft aangevochten.
19 De Commissie betoogt dat haar verzoek om terugbetaling van de door TVR onrechtmatig ingehouden bedragen gebaseerd is op de beëindiging van het contract door de Commissie krachtens artikel 8, lid 2, sub d, van bijlage II bij het contract. Aangezien het contract krachtens die bepaling is beëindigd, ligt het verzoek om vaststelling van de daadwerkelijke beëindiging van het contract haars inziens stilzwijgend vervat in de verzoeken om terugbetaling van de financiering en vergoeding van de schade.
20 Dienaangaande zij enerzijds opgemerkt, dat wanneer de wet of het contract bepaalt dat de medecontractanten het contract eenzijdig kunnen beëindigen in geval van niet-nakoming van een contractuele verplichting, elke partij bij het contract die van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, de rechter in voorkomend geval kan verzoeken om bij een declaratoir vonnis vast te stellen, dat het contract van rechtswege teniet is gegaan [zie, in die zin, arresten van de Corte suprema di cassazione (Italiaanse Hof van Cassatie) van 12 december 1979, nr. 6489, Mass. Foro it. 1979, blz. 1309, en 5 april 1990, nr. 2802, Mass. Foro it. 1990, blz. 406].
21 Anderzijds zij eraan herinnerd, dat de Corte suprema di cassazione aanvaardt, dat een niet-geformuleerd verzoek kan worden geacht stilzwijgend te zijn ingediend en feitelijk deel uit te maken van het beroep in rechte, wanneer dit verzoek onverbrekelijk verbonden is met het voorwerp en de grondslag van het beroep (zie, met name, arrest van de Corte suprema di cassazione van 14 juni 1991, nr. 6727, Mass. Foro it. 1991, blz. 582).
22 In casu merkt de Commissie in haar verzoekschrift op, dat zij wegens de niet-uitvoering van het contract door TVR gebruik heeft gemaakt van het in artikel 8, lid 2, sub d, van bijlage II bij het contract opgenomen beding, en dat zij ingevolge de beëindiging van het contract van TVR de nodige stukken heeft gevorderd om vast te stellen, welke bedragen TVR krachtens dat contract had ontvangen en diende terug te betalen. De Commissie preciseert, dat zij TVR vervolgens heeft verzocht om terugbetaling van de voor de uitvoering van het contract vooruitbetaalde bedragen, met uitzondering van het bedrag van de door de Commissie aanvaarde kosten van TVR. Op die grond vraagt de Commissie het Hof onder meer om TVR krachtens artikel 8, lid 4, eerste alinea, van bijlage II bij het contract te veroordelen tot gedeeltelijke terugbetaling van de als financiële bijdrage ontvangen bedragen.
23 Aangezien de Commissie haar recht op terugbetaling krachtens artikel 8, lid 4, eerste alinea, van bijlage II bij het contract geldend maakt met het betoog dat het contract teniet is gegaan volgens de procedure van artikel 8, lid 2, sub d, van bijlage II bij het contract, veronderstelt haar vordering noodzakelijkerwijs, dat het Hof vaststelt dat het contract inderdaad teniet is gegaan.
24 Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan, dat de Commissie in casu stilzwijgend een verzoek heeft ingediend strekkende tot vaststelling, dat het contract krachtens voornoemde procedure van rechtswege teniet is gegaan.
25 De exceptie van niet-ontvankelijkheid kan derhalve niet worden aanvaard.
De beëindiging van het contract
26 De Commissie betoogt, dat zij het contract heeft beëindigd, met name omdat TVR, die een voorschot had ontvangen van 230 000 ECU, waarvan 165 000 ECU voor Brunel bestemd waren, dat laatste bedrag nooit aan Brunel heeft bezorgd, waardoor zij de krachtens artikel 4, lid 3, van het contract op haar rustende verplichting niet is nagekomen. De Commissie wijst erop, dat zij TVR bij aangetekende brief van 15 april 1993 eerst formeel heeft aangemaand om het betrokken bedrag aan Brunel te betalen, en dat zij vervolgens, wegens de inertie van TVR, het contract bij aangetekende brief van 31 januari 1994 heeft beëindigd. In repliek stelt de Commissie zelfs, dat aangezien TVR haar verplichting niet binnen de termijn van een maand na ontvangst van de brief van 15 april 1993 is nagekomen, het contract na het verstrijken van die termijn van rechtswege teniet is gegaan. De brief van 31 januari 1994 vormde dus enkel een bevestiging van de beëindiging van het contract.
27 Volgens TVR waren de voorafgaande voorwaarden noch voor de ingebrekestelling van 15 april 1993, noch voor de beëindiging van het contract in de brief van 31 januari 1994 vervuld. Dienaangaande zet zij uiteen, dat het totaalbedrag van 230 000 ECU door de Commissie per bankoverschrijving aan de door TVR aangewezen bank is overgedragen. Deze bank heeft een door TVR geopende rekening in deviezen gecrediteerd voor een bedrag van 65 000 ECU, en een bedrag van 165 000 ECU ingehouden met het oog op overdracht daarvan aan Brunel. Brunel heeft evenwel nooit iets ontvangen. Aangezien de bank 165 000 ECU heeft ingehouden zonder de rekeningen van TVR voor dit bedrag te crediteren, kan TVR niet tot terugbetaling worden veroordeeld, aangezien zij nooit over het betrokken bedrag heeft kunnen beschikken.
28 Dienaangaande zij opgemerkt, dat aangezien de Commissie het bedrag van 230 000 ECU per bankoverschrijving heeft overgedragen aan de door TVR aangewezen bank, zij haar betalingsverplichting jegens TVR op correcte wijze is nagekomen. In het kader van de contractuele relatie tussen die twee partijen, moet TVR worden geacht dat bedrag te hebben ontvangen.
29 Ingevolge artikel 4, lid 3, van het contract diende TVR aan Brunel onmiddellijk het bedrag over te dragen dat krachtens het contract aan laatstgenoemde toekwam.
30 In casu staat vast, dat het aan Brunel over te dragen bedrag, ter hoogte van 165 000 ECU, nooit bij Brunel is toegekomen.
31 Vastgesteld moet dus worden, dat TVR de krachtens artikel 4, lid 3, van het contract op haar rustende - en in de opzet van het contract overigens wezenlijke - verplichting niet is nagekomen.
32 Gesteld al dat de niet-nakoming van die verplichting in het kader van de relaties tussen TVR en de bank die zij met de overdracht had belast, aan laatstgenoemde moet worden toegerekend, dit heeft geen invloed op de contractuele relatie tussen de Commissie en TVR, in het kader waarvan deze vennootschap jegens de Commissie gehouden was het bedrag van 165 000 ECU aan Brunel over te dragen. De eventuele fout van de bank die de oorzaak zou zijn van de niet-uitvoering van de overdracht, ontslaat TVR niet van haar aansprakelijkheid jegens de Commissie.
33 Anders dan TVR beweert, blijkt dus dat de materiële voorwaarden voor beëindiging van het contract hoe dan ook vervuld waren.
34 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het contract teniet is gegaan uiterlijk op de dag waarop TVR de brief van de Commissie van 31 januari 1994 heeft ontvangen.
De terugbetaling van het voorschot
35 Luidens artikel 8, lid 4, eerste alinea, van bijlage II bij het contract kan de Commissie, in geval van beëindiging van het contract omdat een medecontractant zijn verplichtingen niet is nagekomen, volledige of gedeeltelijke terugbetaling eisen van de door haar als financiële bijdrage betaalde bedragen, waarbij zij in billijkheid en redelijkheid rekening houdt met de aard en de resultaten van de verrichte werkzaamheden en het nut daarvan voor de Commissie.
36 Wat het bedrag van 165 000 ECU betreft dat TVR aan Brunel had moeten overdragen als voorschot voor de door Brunel te verrichten werkzaamheden, vordert de Commissie volledige terugbetaling.
37 Uit het voorgaande, en met name de punten 30 tot en met 34 van het onderhavige arrest, volgt, dat de vordering van de Commissie moet worden toegewezen.
38 Met betrekking tot de vordering tot terugbetaling van het bedrag van 46 307 ECU meent de Commissie dat, gelet op de wetenschappelijke verslagen, de kostendeclaraties en de andere door TVR verstrekte informatie, de door TVR gemaakte kosten die door de Commissie ten laste kunnen worden genomen, 18 693 ECU bedragen. Aangezien de Commissie verweerster een voorschot van 65 000 ECU heeft betaald, moet laatstgenoemde de Commissie een bedrag van 46 307 ECU terugbetalen.
39 TVR concludeert tot afwijzing van deze vordering op grond dat het door de Commissie betaalde voorschot van 65 000 ECU volledig voor de uitvoering van het contract is aangewend. TVR wijst erop, dat Reconta Ernst & Young in haar accountantsverslag heeft beklemtoond, dat de door TVR in rekening gebrachte arbeidsuren volledig overeenstemden met het verrichte werk en de werkelijke kosten ervan. Volgens dat verslag waren de kosten per arbeidsuur zelfs onderschat aangezien deze kosten waren berekend op basis van de in 1991 toepasselijke schaal en niet op basis van de schaal die in 1992, het jaar waarin de werkzaamheden zijn uitgevoerd, van toepassing was.
40 Om te beginnen zij opgemerkt, dat het door TVR aangehaalde accountantsverslag in dit geval hoe dan ook irrelevant is. Dat verslag slaat immers alleen op de periode van 1 september 1991 tot en met 31 augustus 1992, terwijl het in het geschil tussen partijen gaat om de kosten betreffende de periode van 1 september 1992 tot en met 26 mei 1993.
41 Vervolgens moet in verband met de kosten betreffende die tweede periode die niet door de Commissie zijn aanvaard, worden onderstreept, dat TVR het Hof geen bewijsstukken heeft verstrekt op grond waarvan de beweringen van de Commissie in twijfel kunnen worden getrokken. Met name zij opgemerkt, dat deze vennootschap geen enkel document heeft overgelegd met een gedetailleerd overzicht van de kosten onder verwijzing naar de verrichte werkzaamheden en het bestek. TVR heeft zich in wezen ertoe beperkt, aan de stukken een beknopt overzicht toe te voegen van de kosten betreffende de periode van 1 september 1991 tot en met 26 mei 1993.
42 Gelet op de ontoereikendheid van de door verweerster overgelegde bewijzen, moet de vordering tot terugbetaling van 46 307 ECU worden toegewezen.
De interessen
43 De Commissie vordert tevens veroordeling van TVR tot betaling van de contractuele interessen over de bedragen van 165 000 en 46 307 ECU, te rekenen vanaf 21 december 1991.
44 TVR heeft dienaangaande geen argumenten aangevoerd.
45 Volgens artikel 8, lid 4, tweede alinea, van bijlage II bij het contract moet de gebrekige partij in geval van beëindiging van het contract op initiatief van de Commissie niet alleen de door de Commissie als voorschot betaalde bedragen terugbetalen, maar ook de interessen - tegen de contractuele rentevoet - over deze bedragen vanaf de datum waarop bedoelde partij deze bedragen heeft ontvangen. De toepasselijke rentevoet is de door het Europees Fonds voor Monetaire Samenwerking toegepaste rentevoet voor zijn transacties in ecu, zoals die op de eerste werkdag van elke maand wordt bekendgemaakt, vermeerderd met 2 %.
46 Aangezien TVR de Commissie uit hoofde van de hoofdverbintenis 211 307 ECU dient terug te betalen, dient zij haar uit hoofde van de bijkomende verbintenis tevens de contractuele interessen over dat bedrag te betalen, te rekenen vanaf 21 december 1991, op welke datum zij onbetwist een voorschot van 230 000 ECU had ontvangen.
De vergoeding van de schade
47 Onder verwijzing naar artikel 1453 van het Italiaans burgerlijk wetboek vordert de Commissie bovendien veroordeling van TVR tot betaling van een bedrag van 20 000 ECU ter vergoeding van de schade die de Commissie stelt te hebben geleden door de niet-uitvoering van het contract.
48 Dienaangaande wijst zij er in de eerste plaats op, dat enkele van haar ambtenaren een groot aantal uren hebben besteed aan het toezicht op de werkzaamheden van verweerster en aan het opvragen van de in het contract bedoelde periodieke verslagen. In de tweede plaats heeft de Commissie een beroep moeten doen op een accountantskantoor om de werkzaamheden van TVR vanuit boekhoudkundig oogpunt te controleren. In de derde plaats heeft de Commissie niet de eventuele voordelen bedoeld in artikel 19 van bijlage II bij het contract genoten, dat wil zeggen het voordeel dat zij had kunnen halen uit de kennis die was verworven met het door haar gefinancierde onderzoek of uit de octrooien die zij daarvoor had kunnen aanvragen. In de vierde plaats heeft de Commissie schade geleden door een contract te sluiten met een partij die haar verbintenissen niet is nagekomen, omdat dit haar geloofwaardigheid aantast ten aanzien van iedereen die mogelijkerwijs geïnteresseerd zou kunnen zijn in het sluiten van een contract met de Commissie.
49 TVR beweert dat de door de Commissie gestelde schade niet is aangetoond.
50 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat het contract luidens artikel 11 daarvan door Italiaans recht wordt beheerst.
51 Gesteld al dat artikel 1453 van het Italiaans burgerlijk wetboek - op grond waarvan een medecontractant de gebrekige partij kan aanspreken tot schadevergoeding - enkel van toepassing is wanneer het contract door de rechter is ontbonden, dit neemt niet weg, dat de schuldenaar die niet precies de verschuldigde prestatie verricht, krachtens artikel 1218 van dat wetboek verplicht is tot schadevergoeding indien hij niet aantoont dat niet-uitvoering onmogelijk is om een reden die hem niet toerekenbaar is.
52 Onderzocht moet dus worden, of de Commissie kan aantonen dat zij de gestelde schade daadwerkelijk heeft geleden.
53 Met betrekking tot de kosten die beweerdelijk zijn veroorzaakt door het extra werk dat de ambtenaren van de Commissie hebben moeten verrichten bij het toezicht op de uitvoering van het contract, zij opgemerkt dat artikel 4, lid 3, van het contract juncto artikel 8, lid 2, sub d, van bijlage II bij het contract de Commissie de mogelijkheid bood, tijdig de consequenties te verbinden aan de niet-nakoming door haar medecontractant van de door deze aangegane verbintenissen door de contractuele verhouding voortijdig eenzijdig te beëindigen (zie, in die zin, arrest van 10 juni 1999, Commissie/Montorio, C-334/97, Jurispr. blz. I-3387, punt 53).
54 Nu de Commissie de niet-nakoming door TVR van haar verbintenissen gedurende bepaalde - in casu betrekkelijk lange - tijd heeft getolereerd alvorens het contract te beëindigen, vormen de bijkomende kosten in verband met het toezicht op de uitvoering van het contract gedurende die periode geen aan TVR toerekenbare schade.
55 Met betrekking tot de gestelde schade bestaande in het honorarium van het accountantskantoor, blijkt uit de stukken, dat de Commissie voor de periode tussen september 1991 en augustus 1992, waarop het accountantsonderzoek betrekking heeft, bijna alle door TVR geboekte kosten heeft kunnen aanvaarden, zelfs voordat zij het accountantsverslag ontving. Uit de stukken blijkt voorts, dat de Commissie enkele maanden voordat zij Reconta Ernst & Young opdroeg om een accountantsonderzoek te verrichten, aan TVR had laten weten dat haar herziene afrekening van de in voornoemde periode gemaakte kosten vanuit technisch oogpunt aanvaardbaar leek. In die omstandigheden kan het honorarium van het accountantskantoor in geen geval aan TVR worden toegerekend.
56 Wat de andere onderdelen van de door de Commissie gestelde schade betreft, deze heeft niet nauwkeurig en overtuigend aangetoond die inderdaad te hebben geleden.
57 De schadevordering van de Commissie moet dus worden verworpen.
58 Krachtens artikel 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro (PB L 162, blz. 1), moet de verwijzing naar de ecu worden vervangen door een verwijzing naar de euro, tegen een koers van één euro voor één ecu.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
59 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien TVR op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Veroordeelt Tecnologie Vetroresina SpA (TVR) tot betaling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van het bedrag van 211 307 euro, vermeerderd met interessen tegen de contractuele rentevoet, te rekenen vanaf 21 december 1991 tot de dag van volledige betaling van de schuld.
2) Verwerpt het beroep voor het overige.
3) Verwijst Tecnologie Vetroresina SpA (TVR) in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy