Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep tot nietigverklaring - Middelen - Falend middel - Begrip
2. Hogere voorziening - Middelen - Verkeerde beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Toezicht door Hof op beoordeling van bewijselementen - Uitgesloten behalve in geval van verkeerde opvatting
[EG-Verdrag, art. 168 A (thans artikel 225 EG); 's Hofs Statuut-EG, art. 51, eerste alinea]
3. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Beoordelingsvrijheid van instellingen - Rechterlijke toetsing - Grenzen - Kennelijk verkeerde beoordeling van feiten waarvan instellingen ten tijde van vaststelling van antidumpingverordening kennis hadden
[EG-Verdrag, art. 173 (thans, na wijziging, artikel 230 EG); verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 12, lid 1]
Samenvatting
1. In het kader van een beroep tot nietigverklaring heeft het falen van een middel betrekking op de mogelijkheid dat het, zo het gegrond is, tot de door de verzoeker nagestreefde nietigverklaring kan leiden, en niet op het belang dat de verzoeker bij het instellen van een dergelijk beroep of het aanvoeren van een bepaald middel kan hebben. Die vragen houden namelijk verband met de ontvankelijkheid van het beroep en van het middel.
( cf. punt 38 )
2. Volgens de artikelen 168 A van het Verdrag (thans artikel 225 EG) en 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut kan een hogere voorziening slechts worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. De beoordeling door het Gerecht van het aan hem voorgelegde bewijs levert geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs.
( cf. punten 42-43 )
3. In het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 173 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) is het Gerecht niet bevoegd om de omstreden verordening aan een nieuw onderzoek ten gronde te onderwerpen, maar dient het na te gaan, of degene die ze heeft vastgesteld, geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Na afloop van de administratieve procedure inzake antidumping gaat de Raad overeenkomstig artikel 12, lid 1, van de antidumpingbasisverordening nr. 2423/88 over tot een definitieve vaststelling van de feiten. Derhalve kon de rechterlijke toetsing door het Gerecht beperkt blijven tot het punt, of de Raad de feiten waarvan hij ten tijde van de vaststelling van de omstreden verordening kennis had, niet kennelijk verkeerd had beoordeeld, en heeft het Gerecht dan ook terecht geoordeeld, dat geen rekening kon worden gehouden met een latere studie.
( cf. punten 60-61 )
Partijen
In zaak C-46/98 P,
European Fertilizer Manufacturers Association (EFMA), gevestigd te Zürich (Zwitserland), vertegenwoordigd door D. Voillemot en O. Prost, advocaten te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer - uitgebreid) van 17 december 1997, EFMA/Raad (T-121/95, Jurispr. 1997, blz. II-2391), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partijen bij de procedure:
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur S. Marquardt, als gemachtigde, bijgestaan door H.-J. Rabe en G. M. Berrisch, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder in eerste aanleg,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Khan, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, P. J. G. Kapteyn en H. Ragnemalm (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 23 september 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 november 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 februari 1998, heeft European Fertilizer Manufacturers Association (EFMA), die is ontstaan uit een fusie van verschillende verenigingen, waaronder CMC-Engrais (EEG-Comité van de stikstof- en fosfaatmeststoffenindustrie), krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 17 december 1997, EFMA/Raad (T-121/95, Jurispr. blz. II-2391; hierna: bestreden arrest"), waarbij haar beroep tot nietigverklaring van artikel 1 van verordening (EG) nr. 477/95 van de Raad van 16 januari 1995 tot wijziging van de definitieve antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer in de Gemeenschap van ureum van oorsprong uit de voormalige USSR en tot beëindiging van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer in de Gemeenschap van ureum van oorsprong uit het voormalige Tsjechoslowakije (PB L 49, blz. 1; hierna: betrokken verordening") is verworpen.
Het juridische kader, de feiten en het procesverloop
2 Het juridische kader en de aan het geding ten grondslag liggende feiten zoals die blijken uit het bestreden arrest, kunnen worden samengevat als volgt.
3 Naar aanleiding van een in juli 1986 door CMC-Engrais ingediende klacht kondigde de Commissie in een mededeling in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen de inleiding aan van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van ureum van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek, Joegoslavië, Koeweit, Libië, Saudi-Arabië, de Sovjet-Unie, Trinidad en Tobago en Tsjechoslowakije (PB 1986, C 254, blz. 3), waarna zij een onderzoek instelde overeenkomstig verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 201, blz. 1).
4 Deze procedure leidde tot de vaststelling van verordening (EEG) nr. 3339/87 van de Raad van 4 november 1987 houdende instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van ureum van oorsprong uit Libië en Saudi-Arabië, houdende aanvaarding van verbintenissen in verband met de invoer van ureum van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek, Joegoslavië, Koeweit, Trinidad en Tobago, Tsjechoslowakije en de Sovjet-Unie en houdende beëindiging van het betrokken onderzoek (PB L 317, blz. 1). De bij deze verordening aanvaarde verbintenissen werden bevestigd bij besluit 89/143/EEG van de Commissie van 21 februari 1989 (PB L 52, blz. 37).
5 Bij schrijven van 29 oktober 1992 verzocht rekwirante om een gedeeltelijk nieuw onderzoek van de verbintenissen met betrekking tot het voormalige Tsjechoslowakije en de voormalige Sovjet-Unie.
6 Van mening dat zij over voldoende bewijs van veranderde omstandigheden beschikte om een nieuw onderzoek naar bovenbedoelde verbintenissen in te stellen, begon de Commissie een onderzoek overeenkomstig artikel 14 van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 209, blz. 1; hierna: basisverordening") met betrekking tot de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek, de Republieken Wit-Rusland, Georgië, Tadzjikistan en Oezbekistan, de Russische Federatie en Oekraïne (PB 1993, C 87, blz. 7).
7 Omdat het nieuwe onderzoek nog niet was afgerond op het tijdstip waarop de maatregelen afliepen, besliste de Commissie overeenkomstig artikel 15, lid 4, van de basisverordening, dat de maatregelen betreffende het ureum van oorsprong uit het voormalige Tsjechoslowakije en de voormalige Sovjet-Unie in afwachting van het resultaat van dit onderzoek van kracht zouden blijven (PB 1994, C 47, blz. 3).
8 Het onderzoek naar de dumping bestreek de periode van 1 januari tot en met 31 december 1992.
9 Bij brief van 10 mei 1994 heeft de Commissie rekwirante en alle betrokken partijen op de hoogte gebracht van haar bevindingen en van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan zij voornemens was definitieve maatregelen aan te bevelen. In deze brief gaf de Commissie een nadere toelichting bij de keuze van Slowakije als referentieland, de berekening van de normale waarde (in Slowakije), de vergelijking tussen de normale waarde (af fabriek voor Slowakije) en de uitvoerprijzen (franco grens Rusland en Oekraïne) en, ten slotte, de geschatte schade. Zij lichtte met name toe, waarom het haar gepast leek om bij de berekening van het voorgenomen recht uit te gaan van een winstmarge van de communautaire producenten van 5 % en van een aanpassing van de prijs van ureum uit Rusland van 10 %. Met betrekking tot de aanpassing van 10 % verklaarde zij met name, dat de omstandigheid dat het Russische ureum de neiging had om tijdens het transport in kwaliteit achteruit te gaan en dat importeurs van Russisch ureum niet altijd in staat waren om dezelfde aanvoerzekerheid te bieden als communautaire producenten, een prijsverschil tussen ureum uit Rusland en ureum uit de Gemeenschap met zich bracht.
10 Bij schrijven van 17 mei 1994 verzocht rekwirante de Commissie om toezending van de tijdens het onderzoek verzamelde gegevens betreffende de aanpassing van 10 % ter zake van het verschil in kwaliteit tussen ureum uit de voormalige Sovjet-Unie en in de Gemeenschap gefabriceerd ureum.
11 Bij faxbericht van 18 mei 1994 antwoordde de Commissie, dat deze aanpassing een gemiddelde schatting was, berustend op inlichtingen afkomstig van verschillende importeurs, handelaren en distributeurs die zich bezighielden met de handel in ureum uit Rusland en uit de Gemeenschap.
12 Bij schrijven van 30 mei 1994 diende rekwirante bij de Commissie opmerkingen ter zake in. Tevens verzocht zij om nadere gegevens, omdat de eerdere brief volgens haar op het punt van de dumping niet volledig was.
13 Bij schrijven van 10 juni 1994 verstrekte de Commissie verzoekster enkele nadere inlichtingen.
14 Na een vergadering op 18 juli 1994 tussen vertegenwoordigers van rekwirante en medewerkers van de Commissie, waarbij de verschillende conclusies en opmerkingen werden besproken, diende rekwirante bij brieven van 28 juli, 9 augustus, 21 en 26 september en 3 oktober 1994 aanvullende opmerkingen in bij de Commissie.
15 Na een nieuwe bijeenkomst in oktober 1994 diende rekwirante bij schrijven van 26 oktober 1994 haar slotopmerkingen in over, onder meer, de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijzen, de aanpassing van 10 % en de winstmarge van 5 %.
16 Op 16 januari 1995 stelde de Raad de omstreden verordening vast.
17 Omdat het percentage waarbij de schade werd opgeheven, lager lag dan de voor Rusland vastgestelde dumpingmarge, werd het definitieve antidumpingrecht overeenkomstig artikel 13, lid 3, van de basisverordening ingesteld op het niveau van het percentage waarbij de schade werd opgeheven.
18 Artikel 1 van de omstreden verordening luidt als volgt:
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van ureum ingedeeld onder de GN-codes 3102 10 10 en 3102 10 90, van oorsprong uit de Russische Federatie.
2. Het bedrag van het recht is gelijk aan het verschil tussen 115 ECU per ton en de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, niet ingeklaard, indien laatstgenoemde prijs lager ligt.
3. Tenzij anders bepaald zijn de voor douanerechten van kracht zijnde bepalingen op dit recht van toepassing."
19 Op 12 mei 1995 stelde rekwirante een beroep tot nietigverklaring van artikel 1 van de omstreden verordening in.
20 Tot staving van haar beroep bij het Gerecht voerde rekwirante drie middelen aan. Het eerste middel betrof, zakelijk weergegeven, schending van de basisverordening doordat Slowakije als referentieland was gekozen. Het tweede middel kloeg over schending van de basisverordening doordat de normale waarde en de uitvoerprijzen in verschillende stadia waren vergeleken, en wel af fabriek en franco grens, en over schending van de motiveringsplicht doordat in de omstreden verordening niet was toegelicht, waarom de vergelijking in verschillende stadia had plaatsgevonden. Subsidiair stelde rekwirante nog, dat bij deze vergelijking een kennelijke beoordelingsfout was gemaakt. Het derde middel betrof de vaststelling van de schade. Rekwirante stelde in de eerste plaats, dat de aanpassing van de prijs van het in Rusland geproduceerde ureum - ter compensatie van bepaalde beweerde verschillen in kwaliteit - op een kennelijke beoordelingsfout berustte en dat de Raad daarbij tevens haar recht van verweer had geschonden. In de tweede plaats zou de Raad een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt en eveneens verzoeksters recht van verweer hebben geschonden door een te kleine winstmarge voor de communautaire producenten aan te nemen.
21 De Raad en de Commissie verzochten het Gerecht, het beroep te verwerpen.
Het bestreden arrest
22 Bij het bestreden arrest verwierp het Gerecht het beroep en verwees het rekwirante in haar eigen kosten en in de kosten van de Raad.
23 Inzake het eerste onderdeel van het derde middel was het Gerecht in de punten 64 tot en met 82 van oordeel, dat de instellingen, toen zij de prijs met 10 % aanpasten om rekening te houden met het kwaliteitsverschil tussen ureum uit Rusland en in de Gemeenschap gefabriceerd ureum, niet de beoordelingsmarge hadden overschreden waarover zij op dit punt beschikken. Verder overwoog het Gerecht in de punten 87 tot en met 89 van het bestreden arrest, dat rekwirantes recht van verweer niet was geschonden, aangezien deze gedurende de antidumpingprocedure in kennis was gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen waarop de instellingen hun conclusies hadden gebaseerd.
24 Met betrekking tot het tweede onderdeel van het derde middel stelde het Gerecht in punt 105 van het bestreden arrest vast, dat de Commissie de winstmarge op 5 % had bepaald op grond van de dalende vraag naar ureum, de behoefte aan bijkomende investeringen in productie-installaties en de in het eerste antidumpingonderzoek met betrekking tot dit product redelijk geachte winst. In punt 106 van het bestreden arrest overwoog het Gerecht, dat rekwirante geen bewijs had aangevoerd waaruit zou kunnen worden opgemaakt, dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt. Blijkens de punten 108 en 109 van het bestreden arrest heeft het Gerecht in dat verband geen rekening willen houden met een in november 1995 door Z/Yen Ltd gemaakte studie Profitability Requirement Review - European Urea Fertilizer Industry", noch met een analyse van de vennootschap Grande Paroisse, een lid van rekwirante, van 3 mei 1995, op grond dat die na de vaststelling van de omstreden verordening waren overgelegd en de instellingen ze dus niet konden laten meewegen toen zij die verordening vaststelden.
25 Verder verwierp het Gerecht in de punten 111 tot en met 113 van het bestreden arrest de door rekwirante gestelde schending van haar recht van verweer met de vaststelling, dat hoewel rekwirante in de gelegenheid was gesteld haar standpunt kenbaar te maken, zij enkel in algemene termen had gesteld, dat een winst van 10 % redelijker was, zonder nadere preciseringen te vragen met betrekking tot welke methode ter berekening van de winstmarge dan ook.
26 Ten slotte was het Gerecht in de punten 119 tot en met 121 van het bestreden arrest van oordeel, dat het eerste en het tweede middel faalden: ook indien rekwirante de instellingen op goede gronden had kunnen verwijten dat zij een te kleine dumpingmarge hadden vastgesteld, had zij hoe dan ook niet de nietigverklaring van artikel 1 van de omstreden verordening kunnen verkrijgen, aangezien de instellingen het bedrag van het recht terecht hadden vastgesteld op het niveau dat nodig was om de door de dumping vanuit Rusland veroorzaakte schade op te heffen.
De hogere voorziening
27 Rekwirante vordert vernietiging van het bestreden arrest op de in de hogere voorziening genoemde rechtspunten en, voor zoveel nodig, terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht. Tevens vordert zij verwijzing van de Raad in de kosten van de twee instanties.
28 Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante zes middelen aan, met name ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht, schending van het recht van verweer en verdraaien van bewijsmateriaal.
29 De Raad verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en rekwirante in de kosten te verwijzen.
30 De Commissie verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen.
Het eerste middel
31 Rekwirante verwijt het Gerecht, dat het niet heeft aangegeven waarom het het eerste en het tweede middel in rechte uit haar verzoekschrift niet heeft onderzocht, en dat het daardoor een algemeen rechtsbeginsel heeft geschonden volgens hetwelk elke rechter zijn beslissingen moet motiveren door met name te vermelden waarom hij een formeel voor hem aangevoerde grief niet heeft aanvaard.
32 Dienaangaande zij allereerst opgemerkt, dat het Gerecht in punt 116 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, dat volgens punt 106 van de omstreden verordening het percentage dat nodig was om de schade op te heffen, lager lag dan de voor Rusland vastgestelde dumpingmarge, zodat het definitieve antidumpingrecht overeenkomstig artikel 13, lid 3, van de basisverordening werd bepaald op het percentage dat nodig was om de schade op te heffen.
33 Nadat het Gerecht in de punten 117 en 118 van het bestreden arrest had beklemtoond, dat rekwirante die conclusie noch de methode voor de bepaling van het recht had betwist, stelde het in punt 119 van dat arrest vast, dat de instellingen het bedrag van het recht terecht hadden vastgesteld op het niveau dat nodig was om de door de dumping vanuit Rusland veroorzaakte schade op te heffen. Bijgevolg concludeerde het in de punten 120 en 121, dat het eerste en het tweede middel faalden, aangezien ook indien rekwirante de instellingen op goede gronden had kunnen verwijten dat zij een te kleine dumpingmarge hadden vastgesteld, zij hoe dan ook niet de nietigverklaring van artikel 1 van de omstreden verordening had kunnen verkrijgen.
34 Derhalve moet worden vastgesteld, dat de uit de artikelen 33 en 46 van 's Hofs Statuut-EG voortvloeiende verplichting om arresten te motiveren, is nagekomen, aangezien het Gerecht duidelijk heeft aangegeven waarom rekwirantes eerste en tweede middel niet meer behoefden te worden onderzocht.
35 Het eerste middel is dus ongegrond.
Het tweede middel
36 Met haar tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht, dat het impliciet van oordeel was, dat zij geen belang had bij het eerste en het tweede middel uit haar verzoekschrift.
37 Dienaangaande zij erop gewezen, dat anders dan rekwirante stelt, het Gerecht niet heeft geoordeeld, dat zij geen belang had bij het eerste en het tweede middel uit haar verzoekschrift, maar dat die middelen faalden, zoals in de punten 120 en 121 van het bestreden arrest uitdrukkelijk wordt gezegd.
38 In het kader van een beroep tot nietigverklaring heeft het falen van een middel namelijk betrekking op de mogelijkheid dat het, zo het gegrond is, tot de door de verzoeker nagestreefde nietigverklaring kan leiden, en niet op het belang dat deze bij het instellen van een dergelijk beroep of het aanvoeren van een bepaald middel kan hebben. Die vragen houden namelijk verband met de ontvankelijkheid van het beroep en van het middel.
39 Het tweede middel is dus ongegrond en moet worden afgewezen.
Het derde middel
40 Volgens rekwirante hebben de communautaire producenten, anders dan in punt 77 van het bestreden arrest wordt verklaard, tijdens de administratieve procedure nooit toegegeven, dat een aanpassing van 5 % aanvaardbaar zou kunnen zijn. Die aanpassing staat trouwens in geen enkel processtuk.
41 Rekwirante meent daarom dat de bewijzen zijn verdraaid of dat er althans sprake is van een feitelijke onjuistheid in de vaststellingen door het Gerecht.
42 Dienaangaande zij er allereerst aan herinnerd, dat volgens de artikelen 168 A EG-Verdrag (thans artikel 225 EG) en 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG, een hogere voorziening slechts kan worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen (beschikking van 17 september 1996, San Marco/Commissie, C-19/95 P, Jurispr. blz. I-4435, punt 39).
43 Het is ook vaste rechtspraak, dat de beoordeling door het Gerecht van het aan hem voorgelegde bewijs geen rechtsvraag oplevert die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs (arrest van 2 maart 1994, Hilti/Commissie, C-53/92 P, Jurispr. blz. I-667, punt 42).
44 Zonder dat het Hof behoeft te antwoorden op de vraag, of punt 77 van het bestreden arrest een vaststelling of een beoordeling van de feiten door het Gerecht bevat, volstaat de vaststelling dat het Gerecht van de door de Raad meegedeelde gegevens enkel dit element heeft aangehaald en daar in zijn verdere redenering geen bijzondere rechtsgevolgen aan heeft verbonden.
45 Derhalve faalt het derde middel en moet het ongegrond worden verklaard.
Het vierde middel
46 Onder verwijzing naar de punten 66 en 67 van het bestreden arrest stelt rekwirante, dat het Gerecht het voorgelegde bewijsmateriaal heeft verdraaid.
47 Volgens rekwirante heeft het Gerecht de hem voorgelegde analysen immers afgewezen nadat het ten onrechte had geoordeeld dat daarin ureum af fabriek" in Rusland en communautair ureum werden vergeleken, terwijl die analysen in feite op de markt van de Gemeenschap waren verricht, zoals zowel in de administratieve procedure als in de procedure voor het Gerecht is opgemerkt.
48 Dienaangaande zij erop gewezen, dat het Gerecht, anders dan rekwirante stelt, in de punten 66 en 67 van het bestreden arrest geen uitspraak heeft gedaan over de relevantie van de aan hem voorgelegde fysische en chemische analysen, hetgeen ter sprake komt in punt 75 van dat arrest.
49 In punt 75 van het bestreden arrest stelde het Gerecht vast, dat de informatie die rekwirante had verstrekt om te bewijzen, dat de fysische en chemische samenstelling van Russisch ureum overeenkomt met die van in de Gemeenschap gefabriceerd ureum, van volstrekt secundair belang was voor de vaststelling van een specifiek aanpassingspercentage, maar gaf het niet aan, dat in de hem voorgelegde analysen sprake was van een vergelijking van ureum af fabriek in Rusland met communautair ureum.
50 Uit een en ander volgt, dat niet is aangetoond, dat het Gerecht het aan hem voorgelegde bewijsmateriaal heeft verdraaid. Derhalve moet het vierde middel ongegrond worden verklaard.
Het vijfde middel
51 Volgens rekwirante heeft het Gerecht de feiten onjuist gekwalificeerd toen het stelde, dat haar recht van verweer niet was geschonden.
52 Zij meent, dat zij niet in staat is geweest haar standpunt over de gegevens op grond waarvan de Commissie wegens de kwaliteitsverschillen tussen het Russische en het communautaire ureum een aanpassing van 10 % heeft verricht, doeltreffend voor te dragen.
53 Zij had tijdens de administratieve procedure alle aan de Commissie verstrekte gegevens moeten ontvangen, om te kunnen aantonen dat deze geen bewijskracht hadden. In dat verband stelt rekwirante met name, dat de importeurs die aan de procedure hebben meegewerkt, niet als voldoende representatief konden worden beschouwd, daar zij slechts 1,5 % van de ureuminvoer voor hun rekening namen en hun mondelinge verklaringen voor de Commissie volstrekt tegenstrijdig waren.
54 Dienaangaande zij vastgesteld, dat de Commissie rekwirante heeft meegedeeld, dat de aanpassing een gemiddelde was, berustend op inlichtingen afkomstig van verschillende importeurs, handelaren en distributeurs die zich bezighielden met de handel in ureum uit Rusland en uit de Gemeenschap. Verder heeft de Commissie rekwirante meegedeeld, dat zij van een importeur had vernomen, dat bij een transactie een korting van 19 % was geëist - en verleend - op grond van verschillen in kwaliteit. Blijkens de punten 12 tot en met 15 van dit arrest heeft rekwirante over die inlichtingen opmerkingen kunnen indienen.
55 In punt 87 van het bestreden arrest heeft het Gerecht dus terecht vastgesteld, dat rekwirante gedurende de antidumpingprocedure in kennis is gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen waarop de instellingen hun conclusies hebben gebaseerd.
56 Derhalve moet worden vastgesteld, dat rekwirantes recht van verweer niet is geschonden.
57 Bijgevolg moet het vijfde middel ongegrond worden verklaard.
Het zesde middel
58 Ten slotte verwijt rekwirante het Gerecht, dat het geen rekening heeft gehouden met de studie van Z/Yen Ltd, op grond dat die studie slechts is overgelegd nadat de omstreden verordening was vastgesteld en dat de instellingen haar ten tijde van de vaststelling van de verordening dus niet konden laten meewegen.
59 Volgens rekwirante kan het recht van iemand die rechtstreeks en individueel wordt geraakt, om zijn argumenten aan het Gerecht voor te leggen, niet worden beperkt op de enkele grond dat hij zijn argumenten in de loop van de administratieve procedure had kunnen aanvoeren, maar dat niet heeft gedaan.
60 Dienaangaande zij opgemerkt, dat in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) het Gerecht niet bevoegd is om de omstreden verordening aan een nieuw onderzoek ten gronde te onderwerpen, maar dient na te gaan, of degene die ze heeft vastgesteld, geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.
61 Na afloop van de administratieve procedure inzake antidumping gaat de Raad overeenkomstig artikel 12, lid 1, van de basisverordening over tot een definitieve vaststelling van de feiten. Derhalve kon de rechterlijke toetsing door het Gerecht beperkt blijven tot het punt, of de Raad de feiten waarvan hij ten tijde van de vaststelling van de omstreden verordening kennis had, niet kennelijk verkeerd had beoordeeld. Het Gerecht heeft dan ook terecht geoordeeld, dat geen rekening kon worden gehouden met de latere studie van Z/Yen Ltd.
62 Bijgevolg moet het zesde middel worden afgewezen.
63 Uit een en ander volgt, dat de door rekwirante tot staving van haar hogere voorziening aangevoerde middelen ongegrond zijn.
64 Mitsdien moet de hogere voorziening worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
65 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij derhalve overeenkomstig de vordering van de Raad in de kosten van deze instantie te worden verwezen. De Commissie zal haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst European Fertilizer Manufacturers Association (EFMA) in de kosten.
3) Verstaat dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy