Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Handelingen van de instellingen - Handeling waarbij eerdere bepaling wordt gewijzigd - Toepassing van nieuwe regeling op toekomstige gevolgen van situaties die onder oude regeling zijn ontstaan - Vertrouwensbeginsel - Geen invloed
2 Harmonisatie van wetgevingen - Auteursrecht en naburige rechten - Richtlijn 93/98 - Harmonisatie van beschermingstermijnen - Herleving van rechten die vóór tenuitvoerlegging van richtlijn waren vervallen - Bescherming van verkregen rechten van derden - Nationale regeling waarbij die bescherming wordt beperkt - Toelaatbaarheid
(Richtlijn 93/98 van de Raad, art. 10, leden 2 en 3)
Samenvatting
1 In beginsel zijn de wetten waarbij een wettelijke bepaling wordt gewijzigd, behoudens uitzondering, van toepassing op de toekomstige gevolgen van onder de oude regeling ontstane situaties. In dat verband mag het vertrouwensbeginsel, dat weliswaar een van de fundamentele beginselen van de Gemeenschap is, niet zodanig worden verruimd, dat een nieuwe regeling in het algemeen nooit van toepassing zou kunnen zijn op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de oude regeling zijn ontstaan.
2 Uit de vergelijking van de bepalingen van artikel 10, leden 2 en 3, van richtlijn 93/98 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten volgt, dat de richtlijn heeft voorzien in de mogelijkheid van herleving van de auteursrechten en naburige rechten die waren vervallen krachtens vóór de inwerkingtreding ervan geldende wettelijke regelingen, waarbij vóór die datum verrichte exploitatiehandelingen onverlet worden gelaten en de lidstaten moeten zorgen voor maatregelen ter bescherming van de verkregen rechten van derden. Daarbij gaat het om maatregelen waartoe de lidstaten verplicht zijn, maar waarvan zij de modaliteiten zelf mogen bepalen, mits dat maar niet tot gevolg heeft, dat de toepassing van de nieuwe beschermingstermijnen op de door de richtlijn vastgestelde datum op algemene wijze wordt belet.
Artikel 10, lid 3, van deze richtlijn verzet zich dus niet tegen een nationale wettelijke regeling die voorziet in een beperkte periode voor de distributie van geluidsdragers door personen die deze geluidsdragers vóór de inwerkingtreding van die wet hadden kunnen verveelvoudigen en verhandelen, omdat de rechten daarop onder de oude regeling waren vervallen. In de eerste plaats voldoen de lidstaten met een dergelijke wettelijke regeling immers aan de verplichting maatregelen te nemen ter bescherming van de verkregen rechten van derden en in de tweede plaats beantwoordt die regeling, door de bescherming van de distributie van geluidsdragers aldus te beperken, aan de noodzaak tot afbakening van een dergelijke bepaling, die noodzakelijkerwijze tijdelijk moet zijn, teneinde niet in de weg te staan aan de toepassing van nieuwe beschermingstermijnen van de auteursrechten en naburige rechten op de datum die is vastgesteld in de richtlijn, hetgeen het voornaamste doel van de richtlijn is.
Partijen
In zaak C-60/98,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Tribunale civile e penale di Milano (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
Butterfly Music Srl
en
Carosello Edizioni Musicali e Discografiche Srl (CEMED),
ondersteund door:
Federazione Industria Musicale Italiana (FIMI),
">om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 10 van richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PB L 290, blz. 9),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, P. J. G. Kapteyn, J.-P. Puissochet (rapporteur), G. Hirsch en P. Jann, kamerpresidenten, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann, J. L. Murray, D. A. O. Edward en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Butterfly Music Srl, vertegenwoordigd door U. Buttafava en P. Maini, advocaten te Milaan, en A. Rapisardi, advocaat te Piacenza,
- Carosello Edizioni Musicali e Discografiche Srl (CEMED), vertegenwoordigd G. Quiriconi en L. C. Ubertazzi, advocaten te Milaan,
- de Federazione Industria Musicale Italiana (FIMI), vertegenwoordigd door G. Mondini, advocaat te Milaan,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks en L. Pignataro, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Carosello Edizioni Musicali e Discografiche Srl (CEMED); de Federazione Industria Musicale Italiana (FIMI), de Italiaanse regering en de Commissie ter terechtzitting van 9 februari 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 maart 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 12 februari 1998, ingekomen bij het Hof op 2 maart daaraanvolgend, heeft het Tribunale civile e penale di Milano krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 10 van richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PB L 290, blz. 9; hierna: "richtlijn").
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen Butterfly Music Srl (hierna: "Butterfly") en Carosello Edizioni Musicali e Discografiche Srl (hierna: "CEMED"), ondersteund door de Federazione Industria Musicale Italiana (hierna: "FIMI"), over het recht van verveelvoudiging en exploitatie van geluidsopnamen die onder de oude wettelijke regeling in het publiek domein zijn gevallen en vervolgens opnieuw zijn beschermd door de werking van de bepalingen waarmee de richtlijn in nationaal recht is omgezet.
3 De richtlijn beoogt een eind te maken aan de bestaande dispariteiten tussen de nationale wettelijke regelingen betreffende de beschermingstermijnen van het auteursrecht en naburige rechten en die wettelijke regelingen te harmoniseren door te voorzien in identieke beschermingstermijnen in de gehele Gemeenschap. Zo is krachtens artikel 3 van de richtlijn de beschermingstermijn van de rechten van uitvoerende kunstenaars en van producenten van fonogrammen vastgesteld op 50 jaar.
4 Volgens artikel 10, lid 2, van de richtlijn geldt die termijn voor alle werken en voorwerpen die op de voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn vastgestelde datum, te weten uiterlijk 1 juli 1995, in ten minste één lidstaat worden beschermd. Artikel 10, lid 3, preciseert evenwel, dat "de richtlijn (...) alle vóór [die datum] verrichte exploitatiehandelingen onverlet [laat]", en dat "de lidstaten (...) de nodige maatregelen [nemen] om met name de verworven rechten van derden te beschermen".
5 In Italië was de beschermingstermijn van de rechten van producenten van grammofoonplaten en soortgelijke dragers, alsmede van vertolkende en van uitvoerende kunstenaars bij wet nr. 633 van 22 april 1941 betreffende het auteursrecht (GURI nr. 166 van 16 juli 1941), vastgesteld op 30 jaar. Die wet is gewijzigd bij een reeks in 1994 en 1995 uitgevaardigde besluitwetten, die niet in wetten zijn omgezet, en bij wet nr. 52 van 6 februari 1996 (GURI nr. 34 van 10 februari 1996, gewoon supplement nr. 24; hierna: "wet nr. 52/96"), die op haar beurt is gewijzigd bij wet nr. 650 van 23 december 1996 (GURI nr. 300 van 23 december 1996), waarbij de gevolgen van de genoemde besluitwetten zijn gehandhaafd.
6 Bij artikel 17, lid 1, van wet nr. 52/96 is de beschermingstermijn van de rechten van de bovengenoemde personen van 30 op 50 jaar gebracht. Artikel 17, lid 2, van wet nr. 52/96, zoals gewijzigd, preciseert, dat die beschermingstermijn eveneens geldt voor werken en rechten waarvoor de voordien geldende beschermingstermijnen zijn verstreken, wanneer zij volgens de nieuwe termijnen op 29 juni 1995 opnieuw zijn beschermd. Volgens artikel 17, lid 4, van wet nr. 52/96, zoals gewijzigd, laten die bepalingen de handelingen en overeenkomsten van vóór 29 juni 1995 en de op grond daarvan door derden wettelijk verkregen en uitgeoefende rechten evenwel onverlet. Daarbij gaat het in het bijzonder om:
"a) de distributie en de verveelvoudiging van uitgaven van werken die krachtens de oude regeling in het publiek domein zijn gevallen, binnen de grenzen van de grafische vormgeving en de editoriale presentatie waarin de publicatie plaatsvond, verricht door degenen die de werken vóór de inwerkingtreding van de onderhavige wet zijn gaan distribueren en verveelvoudigen. De aanpassingen die door de aard van de werken noodzakelijk zijn geworden, kunnen eveneens zonder vergoeding worden gedistribueerd en verveelvoudigd;
b) de distributie, binnen de periode van drie maanden volgend op de datum van inwerkingtreding van deze wet, van grammofoonplaten en soortgelijke geluidsdragers waarvan de gebruiksrechten krachtens de oude regeling zijn vervallen, verricht door degenen die bovengenoemde geluidsdragers vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet hebben verveelvoudigd en in de handel hebben gebracht."
7 Butterfly, een producent en distributeur van geluidsdragers, heeft in november 1992 met toestemming van CEMED, een producent van fonogrammen die de rechten op de oorspronkelijke opnamen bezat, en met machtiging van de Società Italiana Autori ed Editori (Italiaanse vereniging van auteurs en uitgevers; hierna: "SIAE"), een compactdisc met als titel "Briciole di baci" (hierna: "cd") geproduceerd, waarop 16 door de zangeres Mina vertolkte liedjes voorkwamen, die in de jaren 1958-1962 waren opgenomen.
8 Die opnamen zijn eind 1992 in het publiek domein gevallen, maar nadien hebben de in punt 5 van dit arrest genoemde besluitwetten en wet nr. 52/96 de beschermingstermijn van de rechten van producenten van fonogrammen en van vertolkende kunstenaars van 30 op 50 jaar gebracht.
9 Eind 1995 en begin 1996 heeft CEMED, op basis van de "herleving" van haar rechten als gevolg van de bij de richtlijn vastgestelde beschermingstermijn, Butterfly aangemaand de verveelvoudiging en de distributie van de cd te staken. Daarop heeft laatstgenoemde op 10 mei 1996 bij het Tribunale civile e penale di Milano een beroep ingesteld en gevorderd, haar recht op verveelvoudiging van de cd-opnamen vast te stellen.
10 Voor de nationale rechter heeft Butterfly met name gesteld, dat de richtlijn stilzwijgend verbiedt om vervallen rechten weer in werking te doen treden, en dat, ook wanneer men uitging van de "herleving" van die rechten, wet nr. 52/96, zoals gewijzigd, de uitdrukkelijk in artikel 10, lid 3, van de richtlijn neergelegde verplichting tot bescherming van de door derden verworven rechten, niet nakwam. CEMED, ondersteund door de FIMI, een beroepsorganisatie van Italiaanse grammofoonplatenproducenten, heeft in reconventie gevorderd, dat aan Butterfly elk verder gebruik van werken die onder de nieuwe beschermingstermijn vallen, wordt verboden.
11 Het Tribunale civile e penale di Milano was van mening, dat uit artikel 10, lid 2, van de richtlijn duidelijk blijkt, dat de bescherming van rechten kan herleven als gevolg van de verlenging van de termijnen die in bepaalde lidstaten voor de harmonisatie van de beschermingstermijnen noodzakelijk was. Het heeft zich echter afgevraagd, of artikel 17, lid 4, van wet nr. 52/96, zoals gewijzigd, geoorloofd is, gelet op de verplichting tot bescherming van de door derden verworven rechten. Die bepaling voorziet slechts in een beperkte mogelijkheid van distributie van geluidsdragers waarvan de exploitatierechten in het publiek domein zijn gevallen vóór de datum van inwerkingtreding van de wet, door derden die vóór die datum het recht hadden verworven die dragers te verveelvoudigen en in de handel te brengen. Bijgevolg heeft het besloten het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
"Kan artikel 10 van richtlijn 93/98/EEG van 29 oktober 1993, met name waar het bepaalt dat de lidstaten $de nodige maatregelen [nemen] om met name de verworven rechten van derden te beschermen', aldus worden uitgelegd, dat artikel 17, lid 4, van wet nr. 52 van 6 februari 1996, zoals gewijzigd bij wet nr. 650 van 23 december 1996, daarmee verenigbaar is?"
De ontvankelijkheid
12 CEMED is van mening, dat de prejudiciële vraag niet-ontvankelijk is omdat zij, gelet op de feiten van het hoofdgeding, niet relevant is. Zij beroept zich om te beginnen op de overeenkomst waarbij Butterfly zich ertoe had verbonden de betrokken opnamen niet na 31 juli 1993 te verveelvoudigen, verder op de motivering van de verwijzingsbeschikking, waarin wordt gesproken van de "distributie van de voorraden", terwijl alle exemplaren van de door Butterfly vervaardigde cd vóór eind 1995 waren verkocht, en ten slotte op het ontbreken van procesbelang, daar Butterfly noch een vergunning van SIAE inzake de auteursrechten noch de toestemming van de zangeres Mina had verkregen.
13 Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren, dat het volgens vaste rechtspraak (zie met name arrest van 15 december 1995, Bosman, C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punten 59-61) uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen. Het Hof kan een verzoek van die rechter enkel afwijzen, wanneer duidelijk blijkt, dat de verlangde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die het nodig heeft om een nuttig antwoord op de gestelde vragen te geven (zie met name arrest Bosman, reeds aangehaald, punt 61). Aangezien dat in casu niet het geval is, is het dus niet mogelijk de prejudiciële vraag niet-ontvankelijk te verklaren op grond dat zij, gelet op de feiten van het hoofdgeding, niet relevant is.
14 De prejudiciële vraag moet derhalve worden behandeld.
De prejudiciële vraag
15 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen, of artikel 10, lid 3, van de richtlijn zich verzet tegen een nationale bepaling als die welke in wet nr. 52/96, zoals gewijzigd, voorziet in een beperkte periode voor de distributie van geluidsdragers door personen die deze geluidsdragers vóór de inwerkingtreding van die wet hadden kunnen verveelvoudigen en verhandelen omdat de rechten daarop onder de oude regeling waren vervallen.
16 Butterfly geeft het Hof in overweging op de vraag te antwoorden, dat wet nr. 52/96, zoals gewijzigd, niet in overeenstemming is met artikel 10 van de richtlijn, omdat zij geen passende bescherming verleent aan de producenten van grammofoonplaten die te goeder trouw werken zijn gaan exploiteren waarvan de bescherming herleeft als gevolg van de verlenging van de beschermingstermijn van het auteursrecht en naburige rechten. Zij stelt met name, dat de in artikel 17, lid 4, sub b, zoals gewijzigd, vastgestelde beperking tot drie maanden van het recht van distributie van grammofoonplaten door degenen die ze vóór de inwerkingtreding van wet nr. 52/96 hebben verveelvoudigd en in de handel gebracht, onredelijk is en in tegenspraak met het feit dat de distributie van literaire werken die gemeengoed zijn geworden, niet is beperkt, hetgeen volgt uit artikel 17, lid 4, sub a, zoals gewijzigd, van dezelfde wet.
17 CEMED, de FIMI, de Italiaanse regering en de Commissie geven daarentegen in overweging, te antwoorden dat artikel 10 van de richtlijn zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling als wet nr. 52/96, zoals gewijzigd. Zij betogen met name, dat de regels die de auteursrechten en naburige rechten beperken, restrictief moeten worden uitgelegd. De FIMI en de Italiaanse regering stellen bovendien, dat de gunstiger behandeling die bij wet nr. 52/96, zoals gewijzigd, is toegekend aan uitgevers van literaire werken die tot het publiek domein behoren, wordt gerechtvaardigd door de hogere investeringen die zij moeten dragen. Ten slotte is de Commissie, hoewel zij het eens is met laatstgenoemd standpunt, van mening, dat de voor de distributie van voorradige geluidsdragers gestelde termijn, die, gelet op de besluitwetten van 1994 en 1995, in feite bijna een jaar heeft geduurd, volstaat om de bij de richtlijn opgelegde verplichting tot bescherming van de door derden verworven rechten na te komen.
18 Zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, blijkt uit artikel 10, lid 2, van de richtlijn duidelijk, dat de toepassing van de beschermingstermijnen waarin de richtlijn voorziet, in de lidstaten waarvan de wettelijke regeling in een kortere beschermingstermijn voorzag, tot gevolg kan hebben, dat werken of voorwerpen die in het publiek domein waren gevallen, opnieuw worden beschermd.
19 Opgemerkt zij, dat dit gevolg voortvloeit uit de uitdrukkelijke wil van de gemeenschapswetgever. In het door de Commissie ingediende oorspronkelijke voorstel voor de richtlijn stond immers, dat de bepalingen ervan van toepassing zouden zijn op "de rechten die op 31 december 1994 niet zijn vervallen", doch het Europees Parlement heeft die bepaling gewijzigd bij wege van een nieuwe formulering, die in de definitieve versie van de richtlijn grotendeels is overgenomen.
20 Die oplossing is gekozen om de met name in de tweede overweging van de considerans van de richtlijn genoemde doelstelling van harmonisatie van de nationale wetgevingen betreffende de beschermingstermijnen van het auteursrecht en naburige rechten zo snel mogelijk te verwezenlijken, en om te voorkomen dat bepaalde rechten in sommige lidstaten zijn vervallen, terwijl zij in andere nog worden beschermd.
21 Uit artikel 10, lid 3, van de richtlijn blijkt echter, dat de exploitatiehandelingen die vóór de datum voor de uitvoering van de richtlijn, te weten uiterlijk 1 juli 1995, zijn gesteld, onverlet blijven, en dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om met name de verworven rechten van derden te beschermen.
22 Die bepaling wordt verduidelijkt door de laatste twee overwegingen van de considerans van de richtlijn. Volgens de zesentwintigste overweging moet "het de lidstaten vrij (...) staan bepalingen aan te nemen inzake de uitlegging, aanpassing en verdere uitvoering van contracten betreffende de exploitatie van beschermde werken en andere voorwerpen, die vóór de verlenging van de beschermingsduur ingevolge deze richtlijn zijn gesloten". In de zevenentwintigste overweging wordt verklaard, "dat de eerbiediging van verworven rechten en legitieme verwachtingen deel uitmaakt van de communautaire rechtsorde; dat de lidstaten met name moeten kunnen bepalen dat de uit hoofde van deze richtlijn vernieuwde auteursrechten en naburige rechten onder bepaalde omstandigheden geen aanleiding hoeven te geven tot betalingen door personen die de werken te goeder trouw zijn gaan exploiteren op het tijdstip dat die werken gemeengoed waren".
23 Uit de vergelijking van die verschillende bepalingen blijkt, dat de richtlijn heeft voorzien in de mogelijkheid van herleving van de auteursrechten en naburige rechten die waren vervallen krachtens vóór de inwerkingtreding ervan geldende wettelijke regelingen, waarbij vóór die datum verrichte exploitatiehandelingen onverlet worden gelaten en de lidstaten moeten zorgen voor maatregelen ter bescherming van de door derden verworven rechten. Gelet op de strekking van bovengenoemde bepalingen, gaat het daarbij om maatregelen waartoe de lidstaten verplicht zijn, maar waarvan zij de modaliteiten zelf mogen bepalen, mits dat maar niet tot gevolg heeft, dat de toepassing van de nieuwe beschermingstermijnen op de door de richtlijn vastgestelde datum op algemene wijze wordt belet.
24 Zoals de advocaat-generaal in punt 25 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is die oplossing bovendien in overeenstemming met het beginsel, dat wijzigingen van een wettelijke bepaling, behoudens uitzondering, van toepassing zijn op de toekomstige gevolgen van onder de oude regeling ontstane situaties (zie met name arresten van 14 april 1970, Brock, 68/69, Jurispr. blz. 171, punt 6, en 10 juli 1986, Licata/ESC, 270/84, Jurispr. blz. 2305, punt 31). Wanneer de herleving van de auteursrechten en naburige rechten geen invloed heeft op de exploitatiehandelingen die vóór de datum van die herleving definitief door een derde zijn verricht, kan er immers geen sprake zijn van terugwerkende kracht. Wanneer die herleving geldt voor de toekomstige gevolgen van niet definitief geworden situaties, betekent dat daarentegen, dat zij gevolgen heeft voor het recht van een derde op verdere exploitatie van een geluidsdrager waarvan de reeds vervaardigde exemplaren op die datum nog niet in de handel zijn gebracht en op de markt zijn verkocht.
25 Bovendien moet eraan worden herinnerd, dat het vertrouwensbeginsel weliswaar een van de fundamentele beginselen van de Gemeenschap is, maar dat volgens vaste rechtspraak, dit beginsel niet zodanig mag worden verruimd, dat een nieuwe regeling nooit van toepassing zou kunnen zijn op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de oude regeling zijn ontstaan (zie met name arresten van 14 januari 1987, Duitsland/Commissie, 278/84, Jurispr. blz. 1, punt 36; 20 september 1988, Spanje/Raad, 203/86, Jurispr. blz. 4563, punt 19, en 22 februari 1990, Busseni, C-221/88, Jurispr. blz. I-495, punt 35).
26 Rekening houdend met die overwegingen, is een nationale wettelijke regeling als wet nr. 52/96, zoals gewijzigd, die personen die geluidsdragers verveelvoudigden en in de handel brachten waarvan de gebruiksrechten krachtens de oude wettelijke regeling waren vervallen, toestaat die geluidsdragers gedurende een beperkte periode na de inwerkingtreding van de nieuwe regeling te distribueren, in overeenstemming met de voorschriften van de richtlijn.
27 In de eerste plaats voldoen de lidstaten met een dergelijke wettelijke regeling immers aan de verplichting maatregelen te nemen ter bescherming van de door derden verworven rechten. Wet nr. 52/96, zoals gewijzigd, heeft de distributie van de geluidsdragers weliswaar tot drie maanden beperkt, maar een dergelijke termijn kan, gelet op het nagestreefde doel, redelijk worden geacht, te meer daar, zoals de Commissie heeft opgemerkt, de feitelijke termijn, gelet op de omstandigheden waarin de richtlijn door middel van de in punt 5 van dit arrest genoemde wetsdecreten en wet nr. 52/96 is uitgevoerd, eigenlijk bijna een jaar heeft geduurd.
28 In de tweede plaats beantwoordt een dergelijke wettelijke regeling, door de bescherming van de door derden verworven rechten ter zake van de distributie van geluidsdragers aldus te beperken, aan de noodzaak een dergelijke bepaling nader af te bakenen. Zo een bepaling moet immers tijdelijk zijn, teneinde niet in de weg te staan aan de toepassing van nieuwe beschermingstermijnen van de auteursrechten en naburige rechten op de datum die is vastgesteld in de richtlijn, hetgeen het voornaamste doel van de richtlijn is.
29 Aan die uitlegging wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat een andere bepaling van wet nr. 52/96, zoals gewijzigd, die in het hoofdgeding niet aan de orde is, voorziet in een verschillende beschermingsregeling voor de door derden verworven rechten ter zake van de distributie van literaire werken. Die bepaling heeft immers betrekking op een andere categorie van belanghebbenden, die zich niet in dezelfde situatie bevinden als degenen voor wie eerstgenoemde bepaling geldt. Los van de vraag, of de beschermingsregeling voor die categorie aan de voorschriften van de richtlijn voldoet, kan die regeling geen invloed hebben op de beoordeling van een maatregel die een objectief andere situatie regelt.
30 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat artikel 10, lid 3, van de richtlijn zich niet verzet tegen een nationale bepaling als die welke in wet nr. 52/96, zoals gewijzigd, voorziet in een beperkte periode voor de distributie van geluidsdragers door personen die deze geluidsdragers vóór de inwerkingtreding van die wet hadden kunnen verveelvoudigen en verhandelen omdat de rechten daarop onder de oude regeling waren vervallen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
31 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Tribunale civile e penale di Milano bij beschikking van 12 februari 1998 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 10, lid 3, van richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten, verzet zich niet tegen een nationale bepaling als die welke in de Italiaanse wet nr. 52 van 6 februari 1996, zoals gewijzigd bij de Italiaanse wet nr. 650 van 23 december 1996, voorziet in een beperkte periode voor de distributie van geluidsdragers door personen die deze geluidsdragers vóór de inwerkingtreding van die wet hadden kunnen verveelvoudigen en verhandelen omdat de rechten daarop onder de oude regeling waren vervallen.
Full & Egal Universal Law Academy