Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Ruwe tabak - Afzet van voorraden in bezit van interventiebureaus - Beoordelingsvrijheid van Commissie - Draagwijdte - Gevolgen
(Verordening nr. 3389/73 van de Commissie)
Samenvatting
$$Wanneer de Commissie in het kader van de regeling voor de afzet van in het bezit van interventiebureaus zijnde tabak beslist, geen gevolg te geven aan een inschrijvingsprocedure wegens het risico van marktverstoring, beschikt zij over een ruime bevoegdheid voor het beoordelen van ingewikkelde economische situaties. De aanvaarding of weigering van een bieding is dus geen eenvoudige mechanische administratieve handeling, maar veronderstelt de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie. In die omstandigheden leiden zelfs besluiten waarop achteraf kritiek mogelijk is, niet noodzakelijk tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap, zolang geen sprake is van een kennelijke beoordelingsfout van de instelling.
Partijen
In zaak C-64/98 P,
Odette Nicos Petrides Co. Inc., gevestigd te Kavala (Griekenland), vertegenwoordigd door N. en E. Vassilakakis, advocaten te Thessaloniki, en E. Pallioudi, advocaat te Kavala, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van C. Zeyen, advocaat aldaar, Rue Ermesinde 67,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer) van 17 december 1997, Petrides/Commissie (T-152/95, Jurispr. blz. II-2427), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Berscheid, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Derde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur) en C. Gulmann, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 februari 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 3 maart 1998 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft Odette Nicos Petrides Co. Inc. krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 17 december 1997, Petrides/Commissie (T-152/95, Jurispr. blz. II-2427; hierna: "bestreden arrest"), waarbij haar beroep ex de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EG-Verdrag (thans de artikelen 235 EG en 288 EG), strekkende tot veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de door bepaalde handelingen in het kader van haar beheer van de gemeenschappelijke marktordening voor ruwe tabak tijdens de periode 1990/1991 veroorzaakte schade, is verworpen.
2 Blijkens het bestreden arrest heeft de Raad bij verordening (EEG) nr. 727/70 van 21 april 1970 een gemeenschappelijke marktordening voor ruwe tabak ingesteld (PB L 94, blz. 1). Artikel 7, lid 2, tweede alinea, hiervan bepaalt, dat de tabak die door interventiebureaus van de lidstaten tegen de interventieprijs wordt opgekocht, zo moet worden afgezet, dat iedere verstoring van de markt wordt voorkomen en een gelijke toegang tot de goederen en een gelijke behandeling van de kopers wordt gewaarborgd (punt 1 van het bestreden arrest). Volgens artikel 3 van verordening (EEG) nr. 327/71 van de Raad van 15 februari 1971 houdende vaststelling van bepaalde algemene voorschriften betreffende de contracten voor eerste bewerking en verpakking, de opslagcontracten, alsmede de afzet van tabak die in het bezit is van de interventiebureaus (PB L 39, blz. 3), geschiedt de afzet van tabak op grond van prijsvoorwaarden die voor elk geval afzonderlijk worden vastgesteld, rekening houdend met onder meer de ontwikkeling en de behoeften van de markt (punt 2 van het bestreden arrest).
3 De afzet van de in het bezit van de interventiebureaus zijnde tabak vindt onder meer plaats door middel van een verkoop bij inschrijving, waarbij de Commissie een minimumprijs voor elke partij kan vaststellen of kan besluiten de verkoop bij inschrijving te staken (artikelen 1 en 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3389/73 van de Commissie van 13 december 1973 houdende vaststelling van de procedures en de voorwaarden bij verkoop van tabak die in het bezit is van de interventiebureaus (PB L 345, blz. 47) (punten 3 en 4 van het bestreden arrest). Elke inschrijver moet bij het betrokken interventiebureau een waarborg stellen; in afwijking van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 3389/73 is die waarborg verhoogd tot 0,7 ECU per kilo verpakte tabak bij verordening (EEG) nr. 3040/91 van de Commissie van 15 oktober 1991 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2436/91 inzake de verkoop bij inschrijving voor uitvoer van verpakte tabak die in het bezit is van het Duitse, het Griekse en het Italiaanse interventiebureau (PB L 288, blz. 18) (punten 5 en 6 van het bestreden arrest).
4 Rekwirante, een Griekse onderneming die tabak verwerkt en in Griekenland en in het buitenland verhandelt, heeft tussen april 1990 en eind 1991 aan vier inschrijvingsprocedures van de Commissie voor tabak deelgenomen. In die periode had de verhoging van de inschrijvingswaarborg plaats (verordening nr. 3040/91 van de Commissie) (punten 7 en 8 van het bestreden arrest).
5 Volgens het bestreden arrest zijn de vier inschrijvingen verlopen als volgt:
"9 De eerste van de litigieuze verkopen (hierna: $eerste inschrijving') werd georganiseerd bij verordening (EEG) nr. 899/90 van de Commissie van 5 april 1990 inzake de verkoop bij inschrijving voor uitvoer van verpakte tabak die in het bezit is van het Griekse interventiebureau (PB L 93, blz. 7). Het ging om vier partijen verpakte ruwe tabak van de oogsten 1986 en 1987, in het bezit van het Griekse interventiebureau, verdeeld naar variëteit, met een totaalgewicht van 5 271 428 kg. De uiterste datum waarop de Commissie over de toewijzing moest beslissen was 14 juni 1990. De eerste partij omvatte 1 805 903 kg tabak. Deze bestond uit de variëteiten Mavra, Kaba Koulak (klassiek) en Elassona, Kaba Koulak (niet-klassiek), Katerini, Burley EL, en Basmas. De tweede partij omvatte 1 519 836 kg tabak, bestaande uit dezelfde variëteiten, uitgezonderd de variëteit Basmas. De derde partij omvatte 1 519 991 kg tabak, bestaande uit dezelfde variëteiten als de tweede partij. De vierde partij omvatte 425 698 kg tabak, alleen samengesteld uit de variëteiten Mavra en Basmas. Verzoekster diende een bieding in voor de eerste en de tweede partij (voor een bedrag van 76,11 DR respectievelijk 63,11 DR per kilo). Op 14 juni 1990 besloot de Commissie evenwel niet op de biedingen van de inschrijvers in te gaan, omdat de aangeboden prijzen tot marktverstoring zouden kunnen leiden.
10 De tweede verkoop (hierna: $tweede inschrijving') werd georganiseerd bij verordening (EEG) nr. 1560/90 van de Commissie van 8 juni 1990 inzake de verkoop bij inschrijving voor uitvoer van verpakte tabak die in het bezit is van het Griekse interventiebureau (PB L 148, blz. 7; hierna: $verordening nr. 1560/90'). Het ging hierbij opnieuw om dezelfde vier partijen verpakte ruwe tabak. De uiterste datum voor de beslissing van de Commissie over de inschrijving was 9 augustus 1990. Verzoekster diende een bieding in voor de eerste en de vierde partij (voor een bedrag van 91,11 DR respectievelijk 101,11 DR per kilo). Op 7 augustus 1990 accepteerde de Commissie de bieding van een andere inschrijver voor de tweede partij (voor een bedrag van 102 DR per kilo), maar zij wees alle biedingen voor de eerste, de derde en de vierde partij af, met een beroep op het gevaar van marktverstoring.
11 De derde litigieuze inschrijving (hierna: $derde inschrijving') werd georganiseerd voor de drie resterende partijen, bij verordening (EEG) nr. 2610/90 van de Commissie van 10 september 1990 inzake de verkoop bij inschrijving voor uitvoer van verpakte tabak die in het bezit is van het Griekse interventiebureau (PB L 248, blz. 5). De uiterste datum voor de beslissing van de Commissie over de inschrijving was 12 november 1990. Verzoekster diende een bieding in voor de drie partijen (voor respectievelijk 152,26 DR, 132,26 DR en 121,26 DR per kilo). Haar bieding voor de eerste partij was de hoogste van alle ingekomen biedingen. Opnieuw besloot de Commissie op 16 november 1990 om niet op de biedingen van de inschrijvers in te gaan, omdat de geboden prijzen een abnormale ontwikkeling van de markt in de hand konden werken.
12 De vierde litigieuze inschrijving (hierna: $vierde inschrijving') werd georganiseerd bij verordening (EEG) nr. 2436/91 van de Commissie van 7 augustus 1991 inzake de verkoop bij inschrijving voor uitvoer van verpakte tabak die in het bezit is van het Duitse, het Griekse en het Italiaanse interventiebureau (PB L 222, blz. 23; hierna: $verordening nr. 2436/91'). De totale hoeveelheid van 105 486 276 kg werd verdeeld in elf partijen, die in vier groepen werden verdeeld. Iedere groep van partijen kon pas te koop worden aangeboden nadat de voorgaande partij was toegewezen. De bedoeling was ervoor te zorgen, dat voor alle tabakssoorten biedingen zouden worden uitgebracht, waarbij zou worden begonnen met de soorten die het minst goed in de markt lagen. Iedere partij omvatte de tabak van een bepaalde soort in het bezit van de respectieve interventiebureaus van de verschillende betrokken lidstaten. Verzoekster heeft aan een aantal verkopen van deze reeks deelgenomen. Haar biedingen voor een kleinere hoeveelheid dan voor de betrokken partijen was vastgesteld, werden afgewezen omdat zij niet voldeden aan de inschrijvingsvoorwaarden."
6 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 juli 1995, heeft rekwirante tegen de Commissie een beroep tot schadevergoeding ingesteld op grond van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag.
7 Het Gerecht heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het de eerste inschrijving betrof, en verworpen wat de drie overige inschrijvingen betreft.
8 In hogere voorziening bestrijdt rekwirante het oordeel van het Gerecht omtrent de rechtmatigheid van de handelwijze van de Commissie met de navolgende middelen: 1) ontoereikende motivering wat betreft het bestaan van een marktverstoring bij de tweede en de derde inschrijving; 2) onjuiste beoordeling van de feiten bij de toetsing van de tweede inschrijving aan het evenredigheidsbeginsel; 3) verkeerde opvatting van rekwirantes bewijsmiddelen bij de beoordeling van de naleving van het gelijkheidsbeginsel bij de tweede inschrijving; 4) schending van de artikelen 1 en 6 van verordening nr. 3389/73 en van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 727/70; 5) schending van het beginsel van hoor en wederhoor en van het "equality of arms"-beginsel; 6) onjuiste beoordeling van rekwirantes stellingen inzake het gelijkheidsbeginsel en de verhoging van de waarborgsom voor de vierde inschrijving; 7) schending van verordening nr. 3389/73.
Ontoereikende motivering wat betreft het bestaan van een marktverstoring bij de tweede en de derde inschrijving
9 Volgens rekwirante heeft het Gerecht niet uitgelegd, in hoeverre de doelstelling verstoring van de markt te voorkomen, bij de tweede en de derde inschrijving was bereikt. Haars inziens had het Gerecht de redenen moeten aangeven, waarom de toewijzing van een partij aan een andere inschrijver de tabaksmarkt niet verstoorde, gelet op het feit dat afwijzing van die bieding later ook voor die partij in een hogere biedprijs had geresulteerd en de prijs de reden voor afwijzing van rekwirantes bieding was geweest. Deze motivering was noodzakelijk om de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel te kunnen controleren.
10 Blijkens punt 49 van het bestreden arrest heeft rekwirante in verband met de tweede inschrijving voor het Gerecht gesteld, dat de afwijzing van haar bieding niet berustte op vrees voor marktverstoring, maar voortkwam uit onbekendheid van de Commissie met de marktprijzen. Het Gerecht heeft ter zake geoordeeld, dat die eventuele onbekendheid niet relevant was voor de beoordeling van de toepassing van het evenredigheidsbeginsel (punt 50) en dat het besluit van de Commissie in ieder geval ertoe had geleid dat de betrokken marktdeelnemers bij de derde inschrijving hogere prijzen boden voor dezelfde partijen dan bij de tweede inschrijving (punt 51).
11 Voor zijn beslissing tot afwijzing van het middel inhoudende dat de weigering van de Commissie om rekwirantes bieding tijdens de tweede inschrijving te aanvaarden niet werd gerechtvaardigd door de noodzaak marktverstoringen te voorkomen, behoefde het Gerecht niet te bezien, of voor de bij die inschrijving toegewezen partij een hogere prijs had kunnen worden verkregen tijdens een latere inschrijvingsprocedure. Deze vraag houdt verband met rekwirantes middel inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling dan wel met de geldigheid van een dergelijke procedure, die niet onderwerp van dit geschil is.
12 Ten aanzien van de derde inschrijving heeft het Gerecht geoordeeld (punt 64), dat "verzoekster niets [heeft] aangevoerd waaruit zou blijken, dat de Commissie bij haar besluit van 16 november 1990 om alle biedingen af te wijzen ter voorkoming van marktverstoringen, geen oog zou hebben gehad voor de marktbehoeften".
13 Deze motivering is voldoende.
14 Het eerste middel faalt derhalve.
Onjuiste beoordeling van de feiten bij de toetsing van de tweede inschrijving aan het evenredigheidsbeginsel
15 Volgens rekwirante heeft het Gerecht het evenredigheidsbeginsel miskend door in de punten 47 tot en met 51 te oordelen, dat het besluit van de Commissie van 7 augustus 1990 in overeenstemming was met het doel de betrokken markt niet te verstoren, hoewel dit besluit twee tegenstrijdige maatregelen omvatte - te weten gunning van de tweede partij en afwijzing van de biedingen voor de vierde partij -, die derhalve niet op het gestelde doel konden zijn gericht. Daarnaast heeft het Gerecht haars inziens ten onrechte op de grond dat als gevolg van de afwijzing van de tijdens de tweede inschrijving ontvangen biedingen de marktdeelnemers bij de daaropvolgende inschrijving hogere prijzen hadden geboden, het afwijzingsbesluit in overeenstemming geacht met het doel de markt niet te verstoren. De geschiktheid van een maatregel moet niet worden beoordeeld naar de resultaten, maar naar de doelstellingen ervan op het moment waarop hij wordt genomen.
16 Dienaangaande volstaat de vaststelling, dat volgens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. De beoordeling van de feiten door het Gerecht is slechts vatbaar voor toetsing door het Hof in geval van een verkeerde opvatting daarvan. Rekwirante heeft niet gesteld, dat dit het geval zou zijn.
17 Voorts betoogt rekwirant, dat voor de vierde partij de afwijzing in strijd is met het inschrijvingsbericht en met artikel 1, lid 2, van verordening nr. 3389/73, dat bepaalt dat bij inschrijvingsprocedures de partij wordt gegund aan degene wiens bieding het gunstigste is en beantwoordt aan het bepaalde in deze verordening.
18 Deze stelling van rekwirante betreft in werkelijkheid een zelfstandig middel dat voor het eerst in hogere voorziening wordt voorgedragen. In hogere voorziening zijn echter volgens vaste rechtspraak nieuwe middelen die niet in eerste aanleg zijn aangevoerd, niet toegelaten ingevolge de artikelen 113, lid 2, en 116, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof (zie onder meer arrest van 29 mei 1997, De Rijk/Commissie, C-153/96 P, Jurispr. blz. I-2901, punt 18).
19 Het tweede middel is bijgevolg niet-ontvankelijk.
Verkeerde opvatting van rekwirantes bewijsmiddelen bij de beoordeling van de naleving van het gelijkheidsbeginsel bij de tweede inschrijving
20 Volgens rekwirante heeft het Gerecht de indicaties in de notulen van het beheerscomité voor tabak en in het speciaal verslag van de Rekenkamer, dat haar bod voor de vierde partij duidelijk hoger was dan het bedrag waarvoor de tweede partij was toegewezen, verkeerd uitgelegd. Blijkens die notulen vertegenwoordigde haar bod 75 % van de waarde van de tabak, het voor de tweede partij geaccepteerde bod daarentegen slechts 23 %. Volgens het speciaal rapport van de Rekenkamer (punten 4.53 en 4.55) was het bod voor de vierde partij, in aanmerking genomen dat deze partij een grotere hoeveelheid kwalitatief mindere tabak omvatte, duidelijk beter in vergelijking met het bod voor de tweede partij die een grotere hoeveelheid kwalitatief betere tabak omvatte. Door de informatie in deze twee stukken verkeerd uit te leggen, heeft het Gerecht in de punten 53, 56 en 58 van het bestreden arrest ten onrechte het gelijkheidsbeginsel niet geschonden geacht.
21 Het Gerecht heeft ter zake in punt 54 overwogen, dat de tweede en de vierde partij uit verschillende tabaksvariëteiten bestonden, en in punt 55, dat de Commissie op grond van de gegevens waarover zij destijds beschikte, rekwirantes bieding voor de vierde partij te laag had bevonden, de bieding voor de tweede partij daarentegen aanvaardbaar had geacht, vooral in vergelijking met de prijs die was geboden voor de derde partij, die nagenoeg dezelfde samenstelling als de tweede partij had.
22 In punt 56 heeft het Gerecht opgemerkt, dat zou men volgens de Commissie uit de tweede en de vierde partij de Mavra, in beide partijen ongeveer dezelfde hoeveelheid (306 491 kg in de tweede partij en 333 872 kg in de vierde partij), weghalen, dan zou blijken dat verzoekster voor de tabaksvariëteit Basmas in de vierde partij een lagere prijs per kilo had geboden dan voor de andere tabaksvariëteit in de tweede partij was geboden door de andere inschrijver aan wie die partij werd toegewezen, hoewel de variëteit Basmas beter in de markt ligt dan de andere variëteiten waaruit de tweede partij bestond, wat verzoekster niet heeft betwist. Vervolgens heeft het Gerecht geoordeeld, dat verzoekster in deze procedure niet had aangetoond, in welk opzicht deze beoordeling klaarblijkelijk onjuist was, doch enkel een passage uit het speciaal verslag had aangehaald, waarin werd gesteld dat de geweigerde bieding voor de vierde partij interessanter was dan de bieding die voor de tweede partij was aanvaard, zonder overtuigend in te gaan op de argumenten van de Commissie, die de conclusie in het speciaal verslag weerlegden.
23 Op grond hiervan en op grond van de ruime beoordelingsvrijheid van de Commissie bij het beheer van de gemeenschappelijke marktordening (punt 57 van het bestreden arrest) heeft het Gerecht in punt 58 geoordeeld, dat verzoekster niet had aangetoond dat de Commissie twee vergelijkbare situaties verschillend had behandeld.
24 In het kader van dit middel doet rekwirante enkel een beroep op de bewijskracht van de voormelde notulen van het beheerscomité voor tabak en van het speciaal rapport van de Rekenkamer en stelt zij slechts, dat de Commissie "het mechanisme van aanpassing van de prijs na het weghalen van de Mavra uit een partij" heeft genegeerd. Deze punten, die het Gerecht in aanmerking heeft genomen, kunnen niet leiden tot aantasting van zijn waardering van de feiten, waarbij het geen blijk heeft gegeven van een verkeerde opvatting van de verstrekte bewijzen.
25 Het middel inzake verkeerde opvatting van de feiten bij de beoordeling van de nakoming van het gelijkheidsbeginsel bij de tweede inschrijving faalt derhalve.
Schending van de artikelen 1 en 6 van verordening nr. 3389/73 en van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 727/70
26 Met een beroep op de artikelen 1 en 6 van verordening nr. 3389/73 en artikel 7, lid 2, van verordening nr. 727/70 stelt rekwirante, dat de gemeenschapsinstellingen bij eenvoudige beheersbesluiten op landbouwgebied niet over de ruime beoordelingsvrijheid behoren te beschikken die hun wordt toegekend ingeval het economische beleidskeuzes betreft. Voorts stelt zij, dat wanneer de Commissie weigert een partij toe te wijzen en in dat geval een minimumprijs voor de niet toegewezen partij bepaalt, zij daarmee haar standpunt vastlegt met betrekking tot de behoeften van de markt en de afwezigheid van marktverstoring, en dus niet meer over een discretionaire bevoegdheid beschikt. Zij verbindt zich, tijdens de volgende inschrijving alle biedingen toe te wijzen die ten minste gelijk zijn aan de vastgestelde minimumprijs.
27 Met de Commissie moet worden opgemerkt, dat zij blijkens de rechtspraak van het Hof inzake de gemeenschappelijke marktordening voor alcohol uit wijnbouwproducten (arrest van 7 april 1992, Compagnia italiana alcool/Commissie, C-358/90, Jurispr. blz. I-2457, punt 42) over een ruime bevoegdheid voor het beoordelen van ingewikkelde economische situaties beschikt bij de beslissing, geen gevolg te geven aan een inschrijvingsprocedure wegens het risico van marktverstoring. De aanvaarding of weigering van een bieding is dus geen eenvoudige mechanische administratieve handeling, maar veronderstelt de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie. Dit is eveneens het geval bij de inschrijvingsprocedures waarom het in deze zaak gaat.
28 In punt 57 van het bestreden arrest heeft het Gerecht derhalve terecht onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof (arrest van 11 maart 1987, Vandemoortele/Commissie, 27/85, Jurispr. blz. 1129, punten 31-34) geoordeeld, dat in die omstandigheden zelfs besluiten waarop achteraf kritiek mogelijk is, niet noodzakelijk tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap leiden, zolang geen sprake is van een kennelijke beoordelingsfout van de instelling.
29 Wat de gestelde schending van de artikelen 1 en 6 van verordening nr. 3389/73 en van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 727/70 betreft - de Commissie zou geen discretionaire bevoegdheid meer hebben wanneer zij een minimumprijs voor een niet-toegewezen partij bepaalt -, dit is een nieuw middel dat om dezelfde redenen als genoemd in punt 18 van dit arrest niet-ontvankelijk is.
30 Het vierde middel faalt derhalve.
Schending van het beginsel van hoor en wederhoor en van het "equality of arms"-beginsel
31 Volgens rekwirante had het Gerecht haar middelen inzake schending van het gelijkheidsbeginsel en van het "equality of arms"-beginsel in verband met de vierde inschrijving en de verhoging van de waarborgsom niet uitsluitend mogen afwijzen op grond van de door de Commissie geciteerde stukken in haar antwoord op de haar gestelde schriftelijke vragen. Wegens het tijdstip waarop die stukken waren overgelegd en de complexiteit van de zaak had zij de inhoud van deze stukken niet kunnen verifiëren, zodat niet is voldaan aan de eisen van het beginsel van hoor en wederhoor en van het "equality of arms"-beginsel. Voorts heeft de Commissie haar antwoord op 16 april 1997 bij de griffie van het Gerecht ingediend, hoewel de daarvoor bepaalde termijn 15 april 1997 was.
32 Dienaangaande moet erop worden gewezen dat rekwirante, zoals de Commissie onweersproken heeft gesteld, ter terechtzitting de gelegenheid had alle haars inziens noodzakelijke opmerkingen over deze stukken naar voren te brengen, of ook om uitstel van de terechtzitting kon verzoeken teneinde het antwoord van de Commissie te bestuderen. Van deze mogelijkheden heeft zij geen gebruik gemaakt. Onder deze omstandigheden kan rekwirante zich niet in hogere voorziening beroepen op een procedurele waarborg waarvan zij aldus afstand heeft gedaan.
33 Wat de te late indiening van het antwoord van de Commissie betreft, die overigens niet is bewezen, is bij de instructie niet gebleken, dat de uitoefening van de rechten waarover rekwirante tijdens de procedure beschikte, daardoor op enigerlei wijze kan zijn beïnvloed.
34 Dit middel faalt derhalve.
Onjuiste beoordeling van rekwirantes argumenten inzake het gelijkheidsbeginsel en de verhoging van de waarborgsom in verband met de vierde inschrijving
35 Rekwirante klaagt in verband met de vierde inschrijving, dat het Gerecht bij de beoordeling van haar middel inzake schending van het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel de wettigheid van de omstreden handelingen van de Commissie ieder afzonderlijk in plaats van in hun geheel heeft onderzocht.
36 In zoverre volstaat de opmerking, dat het Gerecht zich moest uitspreken over de verschillende klachten die rekwirante had opgeworpen, en dat geen van de door haar aangevoerde redenen de conclusie toelaat, dat het Gerecht voor zijn afwijzing van een schending van het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel de gedragingen van de Commissie niet in hun geheel zou hebben beschouwd.
37 Dit middel faalt derhalve.
Schending van verordening nr. 3389/73
38 Volgens rekwirante heeft het Gerecht in punt 90 van het bestreden arrest ten onrechte de Commissie bevoegd geacht af te wijken van artikel 3 van verordening nr. 3389/73 en de verkorting - bij verordening nr. 2436/91 - van de tussen de publicatiedatum van de inschrijving en de datum voor het indienen van biedingen gelegen termijn van 45 tot 20 dagen als rechtmatig beschouwd. Artikel 3, lid 2, van verordening nr. 3389/73, die van hogere rang is, staat haars inziens een afwijking van de termijn van 45 dagen slechts toe voor de partijen tabak die middels openbare verkoop bij opbod op de markt worden gebracht. De Commissie kon dus enkel van die termijn afwijken voor de openbaar bij opbod te verkopen partijen, dit wil zeggen die waarvoor de derde inschrijvingsprocedure van het Griekse en het Italiaanse interventiebureau was geannuleerd, waarbij het om een kleine hoeveelheid van ongeveer 8 ton ging.
39 In het vooruitzicht van de vierde inschrijving heeft de Commissie bij verordening (EEG) nr. 395/90 van 15 februari 1990 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3389/73 (PB L 42, blz. 46) de in artikel 3 van verordening nr. 3389/73 bepaalde termijn van 45 dagen gereduceerd tot 20. Zoals het Gerecht in punt 90 van het bestreden arrest heeft overwogen, had de Commissie tot deze verkorting besloten in het kader van de ruime beoordelingsbevoegdheid die haar toekomt, en rekwirante heeft niet aangetoond, dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Voorts heeft rekwirante niet aangegeven, in hoeverre die verkorting voordelig kon zijn geweest voor andere marktdeelnemers.
40 Rekwirante beperkt zich ertoe te stellen, dat verordening nr. 3389/73 van hogere rang zou zijn dan verordening nr. 395/90, omdat het een essentiële handeling betreft die is vastgesteld krachtens verordening nr. 727/70 van de Raad.
41 Dit betoog faalt. Beide verordeningen zijn namelijk gelijk in rang en hebben dezelfde rechtsgrondslag, te weten artikel 7, lid 4, van verordening nr. 727/70.
42 Dit middel kan derhalve geen doel treffen en moet derhalve worden afgewezen evenals de hogere voorziening in haar geheel.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
43 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, moet zij, gelet op de vordering van de Commissie, in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Odette Nicos Petrides Co. Inc. in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy