Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Steunmaatregelen van de staten Voorgenomen steunmaatregelen Onderzoek door Commissie Vooronderzoek Omvang van bij aanmelding van voorgenomen steun te verstrekken informatie
[EG-Verdrag, art. 93, lid 3 (thans art. 88, lid 3, EG)]
2. Steunmaatregelen van de staten Voorgenomen steunmaatregelen Onderzoek door Commissie Vooronderzoek Duur Kunstmatige verlenging door Commissie door middel van vragen die niet noodzakelijk zijn voor onderzoek van steun
[EG-Verdrag, art. 93, lid 3 (thans art. 88, lid 3, EG)]
3. Steunmaatregelen van de staten Voorgenomen steunmaatregelen Onderzoek door Commissie Vooronderzoek Duur Bindende maximumtermijn van twee maanden
[EG-Verdrag, art. 93, lid 3, en 175 (thans art. 88, lid 3, EG en 232 EG) en art. 173 (thans, na wijziging, artikel 230 EG)]
4. Steunmaatregelen van de staten Bestaande en nieuwe steunmaatregelen Overgang van aangemelde in bestaande steun Voorwaarden Recht van verzet van Commissie Geen
[EG-Verdrag, art. 93, lid 3 (thans art. 88, lid 3, EG)]
Samenvatting
1. Voor de in artikel 93, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG) bedoelde inleidende fase van het onderzoek van steunmaatregelen is het voor een volledige aanmelding die de termijn van twee maanden voor de inleiding van de procedure op tegenspraak krachtens artikel 93, lid 2, van het Verdrag doet ingaan, voldoende dat de aanmelding van meet af aan of na de beantwoording door de lidstaat van vragen van de Commissie, de informatie bevat die noodzakelijk is om de Commissie in staat te stellen zich een eerste oordeel te vormen over de verenigbaarheid van de steunmaatregel met het Verdrag.
( cf. punten 53, 56 )
2. In het kader van het vooronderzoek op grond van artikel 93, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG) van voorgenomen steun mag de Commissie niet door brieven te versturen met vragen die niet noodzakelijk zijn om de Commissie in staat te stellen zich een aanvankelijk oordeel te vormen over de verenigbaarheid van het gehele steunvoornemen met het Verdrag, de vooronderzoeksfase kunstmatig verlengen om zich meer bedenktijd te verschaffen voor de beoordeling van andere aspecten van het steunvoornemen.
( cf. punten 62, 65 )
3. Door zich bij de vaststelling van de duur van de bedenktijd waarover de Commissie beschikt in de bij artikel 93, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG) bedoelde vooronderzoeksfase inzake overheidssteun, te laten leiden door de artikelen 173 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) en 175 van het Verdrag (thans artikel 232 EG) en deze duur op maximaal twee maanden te stellen, heeft het Hof een rechtsonzekerheid willen vermijden die kennelijk in strijd zou zijn met het doel van deze fase. Dit doel, de lidstaat de nodige rechtszekerheid te bieden door hem spoedig te laten weten waar hij in verband met de verenigbaarheid met het Verdrag van een mogelijk urgente steunmaatregel aan toe is, zou immers in gevaar komen wanneer deze termijn als een richttermijn werd beschouwd. Bovendien zou de rechtsonzekerheid die daarvan het gevolg zou zijn, worden vergroot in geval van kunstmatige verlenging van de vooronderzoeksfase.
Het feit dat de Commissie in sommige gevallen haar bewegingsruimte vrijwillig kan beperken door binnen een termijn van minder dan twee maanden te handelen, betekent niet dat deze instelling zonder instemming van de betrokken lidstaat termijnen kan stellen die langer zijn dan twee maanden en deze lidstaat daarmee de in het gemeenschapsrecht gestelde termijnen kan ontnemen.
Aangezien de termijn voor vooronderzoek op twee maanden is gesteld in verband met het belang dat de lidstaten erbij hebben, spoedig te weten waar zij aan toe zijn op gebieden waar ingrijpen dringend noodzakelijk kan zijn, moet het vooronderzoek van een voorgenomen steunmaatregel bovendien in beginsel als urgent worden beschouwd, behalve indien de belanghebbende lidstaat uitdrukkelijk instemt met verlenging van de termijn.
Ten slotte betekent het feit dat de betrokken lidstaat de vragen van de Commissie niet snel heeft beantwoord, niet dat de lidstaat daarom niet meer het recht heeft zich op de termijn van twee maanden te beroepen. Artikel 93 van het Verdrag legt de lidstaat immers enkel de verplichting op, de voorgenomen steunmaatregel tijdig aan te melden en de voorgenomen steun niet tot uitvoering te brengen voordat de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag tot een eindbeslissing heeft geleid. Het Verdrag verplicht de lidstaten daarnaast niet, verzoeken om nadere informatie van de Commissie snel te beantwoorden. Het is gewoon in het belang van de lidstaat om snel te antwoorden.
( cf. punten 73, 75-78 )
4. Gelet op de procedureregels die in de communautaire rechtspraak zijn gesteld betreffende de redelijke termijn voor overweging en onderzoek van de Commissie in de inleidende fase van het onderzoek van steunmaatregelen in de zin van artikel 93, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG), hangt de overgang van een aangemelde steunmaatregel in een bestaande steunmaatregel slechts af van twee voorwaarden, waarvan de vervulling noodzakelijk en toereikend is. In de eerste plaats moet de lidstaat de Commissie in kennis stellen van het voornemen om de steunmaatregel tot uitvoering te brengen. In de tweede plaats moet de Commissie nalaten, binnen twee maanden na de volledige aanmelding van de steunmaatregel de procedure op tegenspraak van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden. In punt 5 van het arrest van 11 december 1973, Lorenz, 120/73, wordt met de woorden bij stilzwijgen van de Commissie" gedoeld op deze tweede voorwaarde, en niet op een recht van verzet.
Indien de Commissie over een recht van verzet beschikte, zou daarmee aan de procedureregeling inzake staatssteun een met die regeling strijdige derde voorwaarde worden toegevoegd, waardoor in een mechanisme dat de rechtszekerheid moet dienen, rechtsonzekerheid zou gaan heersen ten aanzien van de vorm, de termijn en de rechtsgevolgen van een dergelijk recht van verzet; tevens zou daardoor de datum waarop de steunmaatregel onder de regeling voor bestaande steunmaatregelen komt te vallen, onzeker worden. Hieruit volgt, dat de Commissie geen recht van verzet heeft.
( cf. punten 84-85 )
Partijen
In zaak C-99/98,
Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door W. Okresek als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en P. F. Nemitz als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking SG(98)D/1124 van de Commissie van 9 februari 1998 houdende inleiding van een formele onderzoeksprocedure krachtens artikel 93, lid 2, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, EG) betreffende staatssteun nr. C 84/97 (ex N 509/96) ten behoeve van Siemens Bauelemente OHG, gevestigd te Villach (Oostenrijk),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: C. Gulmann, president van de Zesde kamer, waarnemend voor de president, A. La Pergola, M. Wathelet en V. Skouris (rapporteur), kamerpresidenten, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, P. Jann, L. Sevón en R. Schintgen, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 28 maart 2000, waarbij de Republiek Oostenrijk werd vertegenwoordigd door H. Dossi als gemachtigde, bijgestaan door M. Krassnigg, Rechtsanwalt, en de Commissie door V. Kreuschitz, ,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juli 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 april 1998, heeft de Republiek Oostenrijk krachtens artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van beschikking SG(98)D/1124 van de Commissie van 9 februari 1998 (hierna: bestreden beschikking") houdende inleiding van een formele onderzoeksprocedure krachtens artikel 93, lid 2, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, EG) betreffende staatssteun nr. C 84/97 (ex N 509/96) ten behoeve van Siemens Bauelemente OHG (hierna: Siemens"), gevestigd te Villach (Oostenrijk).
2 Blijkens de stukken vernam de Commissie op 26 april 1996 uit een krantenbericht, waarin een verklaring werd geciteerd van een directeur van het concern waartoe Siemens behoort, dat Siemens van plan was 4 563,7 miljoen ATS te investeren in de locatie Villach, nadat de Oostenrijkse bondsregering, de deelstaat Karinthië en de gemeente Villach Siemens schriftelijk steun hadden toegezegd voor een bedrag van 371 miljoen ATS. Overigens had een dagblad blijkbaar reeds op 5 april 1995 bericht, dat de Oostenrijkse kanselier met betrekking tot de toekenning van die steun aan Siemens een principetoezegging had gedaan".
3 De schriftelijke toezegging van steun aan Siemens was gedaan in de vorm van een brief van 18 april 1996, namens de bondsregering ondertekend door de bondsminister van Financiën, alsmede door vertegenwoordigers van de regering van de deelstaat Karinthië en de gemeente Villach. In deze brief staat het volgende:
[D]e Republiek Oostenrijk zal in de komende weken dit steunproject melden aan de mededingingsautoriteit van de Europese Unie. Een bindende steuntoezegging tot het toelaatbare bedrag is afhankelijk van de gehele of gedeeltelijke goedkeuring van de steun door deze autoriteit."
4 Bij brief van 13 mei 1996 verzocht de Commissie de Oostenrijkse regering, haar over het betrokken steunvoornemen te informeren.
5 De Oostenrijkse regering antwoordde bij brief van 5 juni 1996. Zij wees daarin op de overwegingen van Siemens inzake een onderzoeksproject dat van groot belang is voor de Europese halfgeleiderindustrie in de sector vermogenhalfgeleiders". Verder verklaarde zij:
De details van het project en van de steunmaatregelen worden thans uitgewerkt. Wanneer deze voorbereidende werkzaamheden achter de rug zijn, zal de voorgenomen stimuleringsmaatregel uiteraard worden aangemeld bij de Europese Commissie overeenkomstig de voor steunmaatregelen geldende voorschriften van de Europese Unie."
6 De Oostenrijkse regering meldde de steunmaatregel bij de Commissie aan in een brief van 21 juni 1996, die een technische beschrijving van 14 bladzijden bevatte. Volgens de aanmelding was de steun bestemd voor een door Siemens opgezet project in de sector vermogenhalfgeleiders. In de aanmelding werden de in de pers hierover verschenen berichten bevestigd en werd verklaard dat de totale kosten van het project, ten bedrage van 4 563,7 miljoen ATS, voor 371 miljoen ATS zouden worden gedekt door staatssteun, voor een deel verstrekt door de federale autoriteiten en voor een deel door de deelstaat Karinthië en de gemeente Villach. Het leeuwendeel van de aangemelde steun, 348,2 miljoen ATS, zou worden besteed aan onderzoek en ontwikkeling en van het restant ging een bedrag van 17 miljoen ATS naar milieumaatregelen en 5,8 miljoen naar opleiding.
7 Bij brief van 26 juli 1996 (hierna: eerste brief van de Commissie") stelde de Commissie de Oostenrijkse regering een aantal vragen om meer gedetailleerde informatie te verkrijgen. Zij motiveerde dit verzoek om nadere informatie aldus, dat de aanmelding van de Oostenrijkse regering van 21 juni 1996 niet alle informatie bevatte die de Commissie nodig had om zich een oordeel te vormen over de verenigbaarheid van de steunmaatregel met het Verdrag.
8 Op 2 januari 1997 verschafte de Oostenrijkse regering in antwoord op de eerste brief van de Commissie technische uitleg.
9 Bij brief van 17 februari 1997 (hierna: tweede brief van de Commissie") stelde de Commissie de Oostenrijkse regering nadere vragen om over enkele punten in de brief van deze regering van 2 januari 1997 meer nauwkeurigheid en duidelijkheid te verkrijgen.
10 De in de tweede brief van de Commissie gestelde vragen werden door de Oostenrijkse regering beantwoord op 19 maart 1997.
11 De Commissie zet in haar verweerschrift uiteen, dat het destijds met mededinging belaste directoraat-generaal (hierna: DG IV") het terzake bevoegde lid van de Commissie in een nota van 28 april 1997 van het betrokken steunvoornemen op de hoogte had gesteld. De Commissie verklaart, dat DG IV in die nota, na een onafhankelijke deskundige te hebben geraadpleegd, betwijfelde of de steun paste in de communautaire kaderregeling van staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling. DG IV trok tevens de noodzaak van de steun in twijfel, daar Siemens reeds in de zomer van 1995 had aangekondigd te gaan investeren in de locatie Villach. DG IV stelde daarom voor, op basis van een ontwerp-beschikking de andere directoraten-generaal van de Commissie te consulteren over de inleiding van een procedure krachtens artikel 93, lid 2, van het Verdrag. In deze informatienota aan het bevoegde Commissielid werd er tevens op gewezen, dat een klein deel van de steun mogelijk berustte op de niet bij de Commissie aangemelde Oostenrijkse Richtlinie zur Förderung von generellen betrieblichen Schulungsmaßnahmen (richtlijn voor de stimulering van algemene scholingsmaatregelen in het bedrijfsleven), een uitvoeringsmaatregel van het Arbeitsmarktförderungsgesetz (wet op de bevordering van de werkgelegenheid).
12 In haar verweerschrift maakt de Commissie tevens melding van omvangrijke [en] zeer complexe [...] besprekingen" tussen verschillende diensten van de Commissie en binnen het college van Commissieleden over ontwerp-beschikkingen met betrekking tot verschillende nationale voornemens tot steun aan fabrikanten van halfgeleiders, waaronder het in geding zijnde. Volgens de Commissie hebben die besprekingen geduurd van mei tot en met december 1997.
13 Na ontvangst op 24 maart 1997 van het antwoord van de Oostenrijkse autoriteiten op de tweede brief van de Commissie, vroeg deze de Oostenrijkse regering in een brief gedateerd 2 mei 1997 (hierna: derde brief van de Commissie"), of het opleidingsdeel van de aangemelde steun moest worden verleend op grond van het Arbeitsmarktförderungsgesetz en de uitvoeringsmaatregelen daarvan.
14 Bij brief van 13 juni 1997 deelde de Oostenrijkse regering de Commissie mee, dat het opleidingsdeel van de steun niet berustte op het Arbeitsmarktförderungsgesetz of de uitvoeringsmaatregelen daarvan.
15 Bij brief van 6 augustus 1997 (hierna: vierde brief van de Commissie") stelde de Commissie de Oostenrijkse regering nog drie vragen om te kunnen bepalen of de steun nog nodig was. De eerste had betrekking op de stand van zaken van het project en op de tot dusverre daarmee gemoeide kosten. De andere twee betroffen de tussen oktober 1995 en januari 1996 verrichte voorbereidingen en de bouw van een clean room" (stofvrije ruimte), die de kern zou gaan vormen van het centrum voor vermogenhalfgeleiders.
16 Bij brief van 4 september 1997, door de Commissie ontvangen op 10 september 1997, beantwoordde de Oostenrijkse regering deze vragen.
17 Daar de Commissie zich nog afvroeg, of de aanmelding van het steunvoornemen ook betrekking had op de steun van de gemeente Villach, verzocht zij de Oostenrijkse regering in een brief van 10 november 1997 (hierna: vijfde brief van de Commissie") om opheldering hierover.
18 Op 20 november 1997 richtte de Oostenrijkse regering een brief aan de Commissie. Zij wees er daarin op, dat het antwoord op de vijfde brief van de Commissie reeds vervat was in haar antwoord van 2 januari 1997 op de eerste brief van de Commissie, zodat er bij de Commissie geen twijfel meer over kon bestaan dat het totale bedrag alle geplande steunbedragen omvatte, zowel de door de bondsregering en de deelstaat Karinthië gefinancierde als de van de gemeente Villach afkomstige bedragen. Volgens de Oostenrijkse regering was de aanmelding van de betrokken steun volledig, zodat deze onder de regeling voor bestaande steun viel en tot uitvoering kon worden gebracht.
19 In een ongedateerde fax van eind november 1997 aan de Oostenrijkse regering verklaarde de Commissie, dat zij de in haar vijfde brief gestelde vraag noodzakelijk achtte en tekende zij verzet aan tegen het voornemen van de Republiek Oostenrijk om de steun tot uitvoering te brengen zonder voorafgaande toestemming van de Commissie. Zij kondigde bovendien aan, ten aanzien van het aangemelde steunvoornemen een beschikking te zullen geven.
20 Bij brief van 10 december 1997 bevestigde de Oostenrijkse regering het reeds in haar brief van 20 november 1997 uiteengezette standpunt en stelde zij, dat het verzet van de Commissie niet als geldig kon worden beschouwd.
21 Bij fax van 16 december 1997 deelde de Commissie de Oostenrijkse regering mee, dat zij bij beschikking van dezelfde dag ten aanzien van het in geding zijnde steunvoornemen de formele onderzoeksprocedure krachtens artikel 93, lid 2, van het Verdrag had ingeleid.
22 De inleiding van deze procedure werd de Republiek Oostenrijk bij brief van 9 februari 1998 bevestigd.
23 In deze brief stond, dat zij betrekking had op de onder nr. C 84/97 (ex N 509/96 Oostenrijk) aangemelde staatssteun ten behoeve van Siemens Bauelemente OHG".
24 Na een beschrijving te hebben gegeven van de achtergrond van de zaak, de betrokken onderneming en het steunproject, en haar beoordeling van de wettigheid van de steun te hebben geformuleerd, komt de Commissie in de bestreden beschikking tot de volgende conclusie:
Op basis van bovenstaande beoordeling heeft de Commissie in dit stadium ernstige twijfel ten aanzien van de verenigbaarheid van de voorgenomen overheidssteun met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92, lid 3, van het EG-Verdrag. Meer bepaald hebben de Oostenrijkse autoriteiten het stimulerende effect van de voorgenomen O& O-steun niet aangetoond, noch hebben zij het bewijs geleverd dat de steun noodzakelijk is en dat het project in aanmerking komt voor steun aan ,precommerciële ontwikkeling. De voorgenomen milieu- en opleidingssteun moet worden beoordeeld aan de hand van de voormelde criteria.
De Commissie heeft derhalve besloten om de procedure van artikel 93, lid 2, in te leiden. De Commissie stelt de Oostenrijkse regering hierbij in de gelegenheid om eventuele opmerkingen en andere relevante informatie kenbaar te maken binnen één maand na ontvangst van dit schrijven.
De Commissie wijst de Oostenrijkse autoriteiten erop dat de betrokken lidstaat op grond van artikel 93, lid 3, de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering kan brengen voordat de procedure van artikel 93, lid 2, tot een eindbeslissing heeft geleid [...]"
25 Tegen deze beschikking heeft de Republiek Oostenrijk het onderhavige beroep ingesteld.
26 In haar verzoekschrift betoogt de Republiek Oostenrijk, dat de aanmelding van de in geding zijnde steunmaatregel aan de Commissie volledig is geworden na de ontvangst door de Commissie van haar antwoorden op de in de tweede brief van de Commissie gestelde vragen, althans op de in de vierde brief van de Commissie gestelde vragen, dat wil zeggen op 24 maart 1997 of 10 september 1997, en dat de in de rechtspraak van het Hof (zie, met name, arresten van 11 december 1973, Lorenz, 120/73, Jurispr. blz. 1471; Marmann, 121/73, Jurispr. blz. 1495; Nordsee, 122/73, Jurispr. blz. 1511, en Lohrey, 141/73, Jurispr. blz. 1527; hierna: Lorenz-rechtspraak") genoemde termijn van twee maanden die de Commissie heeft om de steunmaatregel toe te staan of de formele onderzoeksprocedure overeenkomstig artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden, dus is verstreken. De steunmaatregel is dan ook volgens deze rechtspraak een bestaande steunmaatregel geworden in de zin van artikel 93, lid 1, van het Verdrag en de Republiek Oostenrijk heeft daarvan op 20 november 1997 op geldige wijze kennis gegeven door haar voornemen om de steun tot uitvoering te brengen, kenbaar te maken. De Commissie had dan ook niet meer de formele onderzoeksprocedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag mogen inleiden en de bestreden beschikking, waarin de in geding zijnde steunmaatregel ten onrechte is aangemerkt als nieuwe steun die niet mocht worden uitgekeerd, moet nietig worden verklaard op grond dat zij is gegeven in strijd met het Verdrag en met wezenlijke vormvoorschriften, alsook op grond dat de Commissie misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt.
27 De Commissie daarentegen stelt, dat de Republiek Oostenrijk zich niet kan beroepen op de regeling voor bestaande steunmaatregelen, en verweert zich met een primair middel en drie subsidiaire middelen. Het primaire middel houdt in, dat de steunmaatregel tot uitvoering is gebracht voordat zij is aangemeld. Het eerste subsidiaire middel luidt, dat de in de Lorenz-rechtspraak genoemde termijn voor de afronding van de voorfase van het onderzoek van steunmaatregelen nog niet was verstreken op 20 november 1997, de datum waarop de Republiek Oostenrijk de Commissie op de hoogte heeft gebracht van haar voornemen om de steunmaatregel tot uitvoering te brengen. Volgens het tweede subsidiaire middel kan deze termijn hoe dan ook niet worden opgevat als een strikte termijn van twee maanden, maar betreft het slechts een richttermijn. In haar derde subsidiaire middel stelt de Commissie, dat zij het recht had zich te verzetten tegen het tot uitvoering brengen van de in geding zijnde steunmaatregel.
De juridische context
28 Gezien de respectieve middelen van partijen, moeten om te beginnen de wetgeving en de rechtspraak worden gememoreerd die op de feiten van het geding van toepassing zijn.
29 Aangezien er ten tijde van de feiten geen vormvoorschriften op basis van artikel 94 EG-Verdrag (thans artikel 89 EG) waren vastgesteld om de toepassingsvoorwaarden voor artikel 93, lid 3, van het Verdrag vast te leggen, vloeien de op de feiten van de zaak toepasselijke vormvoorschriften voort uit artikel 93 van het Verdrag, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof; zij verschillen naargelang het gaat om bestaande of om nieuwe steunmaatregelen.
30 Wat bestaande steunmaatregelen betreft, verleent artikel 93, lid 1, van het Verdrag de Commissie de bevoegdheid om deze tezamen met de lidstaten aan een voortdurend onderzoek te onderwerpen. In het kader van dit onderzoek stelt de Commissie de lidstaten de dienstige maatregelen voor welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de gemeenschappelijke markt vereist. Artikel 93, lid 2, van het Verdrag bepaalt vervolgens dat de Commissie, indien zij, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel volgens artikel 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, bepaalt dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn.
31 Wat nieuwe steunmaatregelen betreft, voorziet artikel 93, lid 3, van het Verdrag in preventief toezicht: de Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent, dat zulk een voornemen volgens artikel 92 van het Verdrag onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, vangt zij onverwijld de in artikel 93, lid 2, van het Verdrag bedoelde procedure aan. In zo'n geval verbiedt artikel 93, lid 3, laatste volzin, van het Verdrag de betrokken lidstaat de voorgenomen maatregelen tot uitvoering te brengen voordat deze procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.
32 In de Lorenz-rechtspraak en in latere arresten (zie, bijvoorbeeld, arrest van 20 maart 1984, Duitsland/Commissie, 84/82, Jurispr. blz. 1451, punten 11 en 12) heeft het Hof erkend, dat de in artikel 93, lid 3, van het Verdrag bedoelde inleidende fase voor het onderzoek van steunmaatregelen enkel tot doel heeft, de Commissie in staat te stellen zich een aanvankelijk oordeel te vormen over de vraag of bij haar aangemelde voorgenomen steunmaatregelen geheel of gedeeltelijk verenigbaar zijn met het Verdrag. Het doel van deze bepaling, namelijk de invoering van met het Verdrag strijdige steunmaatregelen te voorkomen, brengt mee, dat het in artikel 93, lid 3, laatste volzin, neergelegde uitvoeringsverbod gedurende de gehele inleidende fase van kracht blijft. Gezien het belang dat de lidstaten erbij hebben om spoedig te weten waar zij aan toe zijn op gebieden waar ingrijpen dringend noodzakelijk kan zijn, dient de Commissie dan ook met voortvarendheid tewerk te gaan. Indien de Commissie, na door een lidstaat in kennis te zijn gesteld van een voorgenomen steunmaatregel, verzuimt binnen een redelijke termijn de procedure op tegenspraak in te leiden, kan de lidstaat de betrokken steun ten uitvoer leggen na de Commissie daarvan in kennis te hebben gesteld, waarna die steun onder de regeling voor bestaande steunmaatregelen valt. In de geest van de artikelen 173 van het Verdrag en 175 EG-Verdrag (thans artikel 232 EG) heeft het Hof bepaald, dat een redelijke termijn niet langer dient te zijn dan twee maanden.
33 Volgens diezelfde rechtspraak dient de Commissie, wanneer zij na afloop van dit eerste onderzoek tot de overtuiging komt dat de aangemelde steunmaatregel verenigbaar is met het Verdrag, de betrokken lidstaat hiervan op de hoogte te brengen. Wordt de steunmaatregel na de kennisgeving van de positieve beschikking van de Commissie ingevoerd, dan wordt hij een bestaande steunmaatregel", die als zodanig aan het voortdurend toezicht bedoeld in artikel 93, lid 1, van het Verdrag is onderworpen. Is de Commissie daarentegen van mening, dat de betrokken steun niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, dan dient zij onverwijld de onderzoeksfase van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden, waarbij zij verplicht is om de belanghebbenden aan te manen hun opmerkingen te maken.
De vraag of de in geding zijnde steunmaatregel tot uitvoering is gebracht vóór aanmelding ervan bij de Commissie
34 De Commissie voert als primair verweermiddel aan, dat de Republiek Oostenrijk door haar onvoorwaardelijke en rechtens bindende toezegging van de onderhavige steun aan Siemens, zich niet op de Lorenz-rechtspraak kan beroepen. De Oostenrijkse autoriteiten hebben deze steun daarmee immers tot uitvoering gebracht nog voordat deze overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het Verdrag bij de Commissie was aangemeld. Onder tot uitvoering brengen" moet niet alleen de verstrekking van de steun aan de belanghebbende worden verstaan, maar ook de vaststelling van een met de grondwettelijke bepalingen van de betrokken lidstaat strokende wettelijke regeling op grond waarvan de steun zonder verdere formaliteiten kan worden verstrekt.
35 Volgens de Commissie heeft de in casu door de Oostenrijkse autoriteiten gedane schriftelijke toezegging tot steunverlening, naar Oostenrijks recht dezelfde rechtsgevolgen als een wettelijke regeling waarbij steun wordt toegekend, daar zij deze autoriteiten wettelijk verplicht de toegezegde steun toe te kennen. Nu de steun voordat zij is aangemeld tot uitvoering is gebracht door een onvoorwaardelijke en wettelijk bindende toezegging, heeft de Commissie haar terecht aangemerkt als nieuwe steunmaatregel, waarvan de uitvoering moet worden geschorst.
36 Tot staving van dit middel stelt de Commissie, dat zij met dit steunvoornemen, dat al in 1995 bestond, niet bekend was voordat zij de twee in punt 2 van dit arrest genoemde berichten in de pers had gelezen. De Republiek Oostenrijk had derhalve niet de moeite genomen haar de steunmaatregel spontaan te melden, terwijl de Oostenrijkse autoriteiten deze toch reeds bindend hadden toegezegd in hun brief van 18 april 1996, genoemd in punt 3 van dit arrest. De Commissie had daarom zelf de Republiek Oostenrijk op 13 mei 1996 verzocht, haar over dit voornemen te informeren. Dit betekent, dat de Oostenrijkse autoriteiten de in geding zijnde steun vóór de aanmelding daarvan op 21 juni 1996 reeds tot uitvoering hadden gebracht. De Commissie beroept zich naast de berichten in de pers van 5 en 26 april 1996 tevens op een interne nota van Siemens van 16 februari 1996, waarin de leiding van de afdeling halfgeleiders van Siemens aan de Siemensdirectie verzoekt om beschikbaarstelling van de voor de investering in Villach benodigde middelen, waarbij wordt verwezen naar een aanbeveling van de bevoegde Oostenrijkse autoriteit aan de Oostenrijkse bondsminister van Financiën tot verlening van steun ter hoogte van 370 miljoen ATS.
37 Met dit betoog van de Commissie kan niet worden ingestemd.
38 De artikelen in de pers waarop de Commissie zich beroept, zijn immers niet afkomstig van de Oostenrijkse regering of de betrokken onderneming. Er kan dan ook geen bewijskracht aan worden toegekend voor de stelling van de Commissie, dat de Oostenrijkse autoriteiten een onvoorwaardelijke en rechtens bindende toezegging tot verlening van de betrokken steun hadden gedaan. Zo de artikelen in de pers al enige bewijskracht zouden hebben, dan nog staat er niet in dat de toezegging van de Oostenrijkse autoriteiten aan Siemens onvoorwaardelijk was.
39 Daarentegen waren de Oostenrijkse autoriteiten zich blijkens de in punt 3 van dit arrest genoemde brief van 18 april 1996 bewust van hun verplichtingen uit hoofde van het gemeenschapsrecht, aangezien zij in die brief enerzijds aankondigden dat het steunvoornemen bij de Commissie zou worden aangemeld, en anderzijds de toekenning van de steun afhankelijk stelden van de volledige of gedeeltelijke toestemming van de Commissie. De Oostenrijkse autoriteiten hebben zich dus niet onvoorwaardelijk jegens Siemens verbonden.
40 Bovendien was het feit dat de toezegging van de Oostenrijkse autoriteiten aan voorwaarden gebonden was, reeds onder de aandacht van de betrokken onderneming gebracht. Blijkens de door de Commissie ingeroepen interne nota van Siemens van 16 februari 1996, waarin staat dat de kennisgeving aan de Europese Unie" voorwaarde is voor toekenning van de steun, was Siemens door de Oostenrijkse autoriteiten immers reeds geïnformeerd over de voorwaarden die door het gemeenschapsrecht op het gebied van overheidssteun worden gesteld.
41 Deze opstelling van de Oostenrijkse autoriteiten blijkt ook uit de brief van de Oostenrijkse regering van 5 juni 1996, die in punt 5 van dit arrest wordt genoemd. Zij schrijft daarin immers uitdrukkelijk, dat de voorgenomen steun bij de Commissie zal worden aangemeld overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen.
42 Deze constateringen vinden steun in het feit dat de Commissie zelf zowel tijdens de voorafgaande administratieve procedure als in de bestreden beschikking laat blijken, dat zij de in geding zijnde steun als aangemelde steun beschouwt, daar zij deze heeft geregistreerd onder de letter N" voor aangemelde steun, en niet onder NN", het kenmerk voor niet-aangemelde steun.
43 Nu de Commissie het Hof derhalve geen gegevens heeft verschaft op grond waarvan kan worden vastgesteld, dat de in geding zijnde steun onvoorwaardelijk was toegezegd alvorens te zijn aangemeld, moet het door de Commissie primair aangevoerde middel worden afgewezen zonder dat het begrip tot uitvoering brengen" nader behoeft te worden omschreven.
44 De Republiek Oostenrijk kan zich derhalve beroepen op de voor aangemelde steunmaatregelen geldende Lorenz-rechtspraak.
De datum waarop de termijn van twee maanden ingaat
45 De Commissie stelt in haar eerste subsidiaire verweermiddel, dat gesteld al dat de Republiek Oostenrijk zich op de Lorenz-rechtspraak kan beroepen, de daarin neergelegde termijn van twee maanden nog niet was verstreken op 20 november 1997, de datum waarop de Republiek Oostenrijk haar het plan kenbaar maakte om de voorgenomen steun tot uitvoering te brengen. Volgens de Commissie was de aanmelding van de steun op die datum namelijk nog niet volledig.
46 De Commissie voert tot staving van dit middel allereerst aan, dat de termijn van twee maanden ingaat op het ogenblik waarop zij een volledige aanmelding van de voorgenomen steunmaatregel ontvangt. Een aanmelding is volgens de Commissie volledig, wanneer daarin alle informatie staat die de Commissie nodig heeft om zich een mening te vormen over de verenigbaarheid van de voorgenomen steunmaatregel met het Verdrag.
47 Vervolgens stelt de Commissie in de eerste plaats, dat het aan haar is om indien een aanmelding onvolledig is, uit hoofde van haar ruime beoordelingsbevoegdheid ter zake, nadere inlichtingen te vragen, en in de tweede plaats dat een dergelijk verzoek de voor de behandeling van de aanmelding gestelde termijn schorst, zodat een nieuwe termijn begint te lopen op de datum van ontvangst van de nadere informatie. Volgens de Commissie waren al haar brieven, ook de vijfde, van 10 november 1997, noodzakelijk voor de beoordeling van de verenigbaarheid van de steun met het Verdrag, zodat na ontvangst door de Commissie van elk antwoord van de Oostenrijkse regering een nieuwe termijn begon te lopen.
48 Ten slotte stelt de Commissie, dat in verband met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover zij beschikt bij de bepaling van zowel de inhoud als de noodzaak van de vragen die zij stelt, het rechterlijk toezicht op de relevantie van die vragen beperkt dient te blijven tot de toetsing van de inachtneming van de vormvoorschriften en de afwezigheid van bevoegdheidsmisbruik.
49 De Republiek Oostenrijk betwist noch het feit dat uitsluitend een volledige aanmelding de termijn van twee maanden doet ingaan, noch het recht van de Commissie om nadere informatie te vragen of haar beoordelingsvrijheid ter zake, noch ook de invloed van een verzoek om informatie op de aanvangsdatum van deze termijn.
50 Niettemin mogen volgens haar, gezien de aard van de vooronderzoeksprocedure, de volledigheid van de aanmelding en dus ook het recht van de Commissie, nadere informatie te vragen, niet aldus worden uitgelegd, dat de lidstaat reeds in dit stadium uitputtende informatie moet verstrekken. Het zou hoe dan ook onaanvaardbaar zijn indien de Commissie, ook als zij over informatie beschikt op grond waarvan zij tot het vooronderzoek van de steunmaatregel kan overgaan, de vooronderzoeksprocedure kunstmatig verlengt door herhaaldelijk nieuwe, irrelevante vragen te stellen, telkens kort voor het verstrijken van de termijn van twee maanden.
51 Dit is volgens de Republiek Oostenrijk in casu het geval, aangezien zij met haar antwoord van 19 maart 1997 op de tweede brief van de Commissie en in elk geval met haar antwoord van 4 september 1997 op de vierde brief van de Commissie de aanmelding van de steunmaatregel volledig heeft gemaakt, zodat geen van de daaropvolgende brieven van de Commissie noodzakelijk was voor de afronding van het vooronderzoek. Volgens de Republiek Oostenrijk had de Commissie namelijk de vragen in haar derde, vierde en vijfde brief in een eerder stadium van de procedure kunnen en moeten stellen.
52 Alvorens na te gaan, op welke datum in de omstandigheden van het onderhavige geval de termijn van twee maanden is ingegaan, moet, gezien het voorgaande, eerst worden bepaald welke informatie noodzakelijk is, wil de aanmelding van een voorgenomen steunmaatregel ten behoeve van het vooronderzoek als volledig kunnen worden beschouwd.
53 Zoals uit de in punt 32 van dit arrest vermelde rechtspraak volgt, heeft de in artikel 93, lid 3, van het Verdrag bedoelde inleidende fase voor het onderzoek van steunmaatregelen enkel tot doel, de Commissie een periode van overweging en onderzoek te gunnen om zich een aanvankelijk oordeel te kunnen vormen over de vraag of de bij haar aangemelde voorgenomen steunmaatregelen geheel of gedeeltelijk verenigbaar zijn met het Verdrag.
54 Het volstaat dus, dat de Commissie in deze eerste fase beschikt over alle informatie aan de hand waarvan zij, zonder dat een diepgaand onderzoek noodzakelijk is, kan concluderen dat de overheidsmaatregelen verenigbaar zijn met het Verdrag en deze kan onderscheiden van maatregelen waarvan de verenigbaarheid moet worden betwijfeld.
55 De in de eerste aanmelding opgenomen of door de lidstaat na vragen van de Commissie verschafte informatie heeft derhalve tot doel, de Commissie in staat te stellen de eerste fase af te ronden, hetzij door vast te stellen dat de voorgenomen steunmaatregel verenigbaar is met het Verdrag, in welk geval de betrokken lidstaat daarvan in kennis wordt gesteld en de steunmaatregel een bestaande steunmaatregel wordt, hetzij door haar twijfel aan de verenigbaarheid van de steun uit te spreken, in welk geval de Commissie, volgens de in punt 33 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, de volgende fase moet inleiden, namelijk die van de procedure op tegenspraak krachtens artikel 93, lid 2, van het Verdrag, door de belanghebbenden aan te manen hun opmerkingen te maken.
56 Voor de eerste fase is het voor een volledige aanmelding die de termijn van twee maanden doet ingaan derhalve voldoende, dat de aanmelding van meet af of na de beantwoording door de lidstaat van vragen van de Commissie, de informatie bevat die noodzakelijk is om de Commissie in staat te stellen zich een eerste oordeel te vormen over de verenigbaarheid van de steunmaatregel met het Verdrag.
57 Om te bepalen op welke datum, in de omstandigheden van het onderhavige geval, de termijn van twee maanden is ingegaan, moet de inhoud van de briefwisseling tussen de Republiek Oostenrijk en de Commissie worden afgemeten aan de in de punten 53 tot en met 56 van dit arrest genoemde criteria.
58 Zoals gezegd, betwist de Republiek Oostenrijk niet, dat een antwoord op de in de eerste twee brieven van de Commissie gestelde vragen noodzakelijk was om de aanmelding van de in geding zijnde steunmaatregel volledig te maken. Zij meent echter, dat haar aanmelding volledig is geworden door haar antwoord van 19 maart 1997 op de tweede brief van de Commissie, althans haar antwoord van 4 september 1997 op de vierde brief van de Commissie, welke antwoorden op 24 maart 1997, respectievelijk 10 september 1997, zijn ontvangen. Derhalve is de termijn van twee maanden ingegaan op 24 maart 1997, althans op 10 september 1997, zodat deze op 20 november 1997 reeds verstreken was.
59 De Commissie daarentegen stelt, dat haar derde, vierde en vijfde brief vragen bevatten die noodzakelijk waren voor de beoordeling van de in geding zijnde steunmaatregel. Volgens haar was de aanmelding derhalve op 20 november 1997 nog niet volledig en liep de termijn van twee maanden dus nog steeds.
60 Deze redenering van de Commissie kan niet worden aanvaard.
61 Zoals uit de eerste drie brieven van de Commissie blijkt, gaan haar vragen in de eerste twee brieven in op de verklaringen van de Republiek Oostenrijk in de oorspronkelijke aanmelding en op het antwoord van de Republiek Oostenrijk op de eerste brief van de Commissie, en hebben zij betrekking op het belangrijkste onderdeel van de steunmaatregel, namelijk de onderzoeks- en ontwikkelingssteun, terwijl de enige vraag in de derde brief van de Commissie uitsluitend betrekking heeft op een secundair aspect van het project, namelijk de opleidingssteun, die minder dan 2 % van de totale investering uitmaakt. Het enige doel van die vraag was, vast te stellen of deze opleiding moest worden aangemerkt als specifieke of algemene beroepsopleiding en of de steun werd verleend op basis van het Arbeitsmarktförderungsgesetz en de uitvoeringsmaatregelen daarvan.
62 Derhalve moet worden vastgesteld, dat het antwoord op de in de derde brief van de Commissie gestelde vraag, gezien de zeer beperkte strekking ervan, niet noodzakelijk was om de Commissie in staat te stellen zich een aanvankelijk oordeel te vormen over de verenigbaarheid van het gehele steunvoornemen met het Verdrag.
63 Deze constatering wordt overigens bevestigd door het door de Commissie voor de verzending van deze brief aan de Republiek Oostenrijk gekozen tijdstip en de omstandigheden rond de verzending.
64 De Commissie spreekt immers in de interne nota van 28 april 1997, waarop zij zich zelf beroept (zie punt 11 van dit arrest), weliswaar haar twijfel uit over de aspecten van de opleidingssteun waarop haar derde brief betrekking heeft, doch geheel terloops. Deze nota gaat voornamelijk over de verenigbaarheid van de aangemelde steunmaatregel met de regeling op het gebied van overheidssteun voor onderzoek en ontwikkeling, en over de noodzaak van die steunmaatregel. Deze twee problemen houden geen enkel verband met de in de derde brief van de Commissie gestelde vraag. Bovendien volgt uit punt 12 van dit arrest, dat de Commissie zelf melding maakt van omvangrijke [en] zeer complexe [...] besprekingen" tussen verschillende diensten van de Commissie en binnen het college van Commissieleden, die hebben geduurd van mei tot en met december 1997 en niet alleen betrekking hadden op het Oostenrijkse steunvoornemen, maar ook op andere nationale steunprojecten ten gunste van fabrikanten van halfgeleiders.
65 Op grond van deze constateringen kan worden geconcludeerd, dat de met scholing verband houdende steunonderdelen niet de belangrijkste zorg van de Commissie waren op 2 mei 1997, de datum van verzending van de derde brief. In werkelijkheid was de bedoeling van deze derde brief van de Commissie niet om opheldering te verkrijgen over de in de tweede brief van de Commissie gestelde vragen, maar om de Commissie meer bedenktijd te verschaffen voor de beoordeling van andere aspecten van het steunvoornemen. Dit betekent, dat de extra tijd die de Commissie zich daarmee wilde bezorgen, tot een kunstmatige verlenging van de vooronderzoeksfase heeft geleid.
66 De termijn van twee maanden is dus uiterlijk op 24 maart 1997 ingegaan.
67 In die omstandigheden behoeft de inhoud van de vierde en de vijfde brief van de Commissie niet te worden onderzocht.
De aard van de in de Lorenz-rechtspraak bepaalde termijn
68 Met het tweede subsidiaire verweermiddel stelt de Commissie, dat zo de in de Lorenz-rechtspraak gestelde termijn al op de door de Republiek Oostenrijk genoemde datum was ingegaan, deze termijn toch niet is op te vatten als een strikte termijn van twee maanden, maar slechts een richttermijn is. De Commissie had dus de verplichting, met de nodige voortvarendheid en binnen een redelijke termijn te handelen. Aangezien deze termijn flexibel is, kon zij, al naar gelang de omstandigheden, de complexiteit en de moeilijkheidsgraad van de zaak, korter of langer zijn dan twee maanden. De Commissie is van mening, dat zij in casu, gezien de complexiteit van de zaak en de noodzaak haar binnen het college van Commissieleden te bespreken, met de nodige voortvarendheid heeft gehandeld en de redelijke termijn voor de inleiding van het vooronderzoek van de voorgenomen steunmaatregel niet heeft overschreden. Tot staving van dit middel voert de Commissie verschillende argumenten aan.
69 In de eerste plaats beroept zij zich op het arrest Lorenz (reeds aangehaald) zelf, waarvan het dictum geen termijn stelt. In punt 4 van dat arrest wordt enkel de verplichting van de Commissie genoemd om met de nodige voortvarendheid" te werk te gaan en binnen een redelijke termijn haar standpunt te bepalen". In dit punt zou ook worden bevestigd dat het om een richttermijn gaat, waar het Hof overweegt dat men zich ten deze dient te laten leiden door de artikelen 173 en 175 van het Verdrag waarin voor vergelijkbare situaties een termijn van twee maanden is voorzien". Dit betekent volgens de Commissie, dat het Hof zich door deze termijn enkel heeft willen laten leiden en dus niet de bedoeling had, ze strikt toe te passen op het vooronderzoek.
70 In de tweede plaats betoogt de Commissie, dat zo men de termijn van de Lorenz-rechtspraak zou opvatten als een strikte termijn, zulks zou leiden tot overdreven formalisme in de betrekkingen tussen de instellingen en de lidstaten, terwijl deze termijn moet kunnen worden bekort, maar ook vatbaar moet zijn voor verlenging wanneer de complexiteit van de zaak dit eist, zoals in casu, waar de bijzondere omstandigheden van de zaak een vooronderzoek van een langere duur dan twee maanden noodzakelijk maakten.
71 In de derde plaats voert de Commissie een primair en een subsidiair argument aan. Primair betoogt zij, dat de Republiek Oostenrijk hoe dan ook op geen enkel tijdstip tijdens het vooronderzoek betreffende de voorgenomen steun heeft laten blijken, dat het om een urgente kwestie ging. Volgens de Commissie kon er in casu geen sprake zijn van urgentie, aangezien de voorgenomen investering had plaatsgehad zonder dat de Republiek Oostenrijk had gewacht op een beslissing van de Commissie over het steunvoornemen. Subsidiair stelt de Commissie, dat uit de chronologie van de feiten blijkt dat de Oostenrijkse autoriteiten niet steeds snel hebben geantwoord op de door de Commissie gestelde vragen en dat zij zich dus niet kunnen beroepen op de termijn van twee maanden, aangezien zij deels zelf tot de vertraging van het vooronderzoek hebben bijgedragen.
72 Gelet op dit betoog moet om te beginnen worden vastgesteld, dat in het dictum van het arrest Lorenz weliswaar de woorden voldoende tijd voor een eerste onderzoek" worden gebruikt en in punt 4 van het arrest wordt gesproken over een redelijke termijn", maar dat het Hof in punt 4 ook verklaart, dat deze termijn op twee maanden diende te worden gesteld.
73 Door zich te laten leiden door de artikelen 173 en 175 EG-Verdrag en de maximumduur van de termijn op twee maanden te stellen, heeft het Hof een rechtsonzekerheid willen vermijden die kennelijk in strijd zou zijn met het doel van de bij artikel 93, lid 3, EG-Verdrag ingevoerde vooronderzoeksfase inzake overheidssteun. Dit doel, de lidstaat de nodige rechtszekerheid te bieden door hem spoedig te laten weten waar hij in verband met de verenigbaarheid met het Verdrag van een mogelijk urgente steunmaatregel aan toe is, zou immers in gevaar komen wanneer deze termijn als een richttermijn werd beschouwd. Bovendien zou de rechtsonzekerheid die daarvan het gevolg zou zijn, worden vergroot in geval van kunstmatige verlenging van de vooronderzoeksfase.
74 Zo wordt in de meer recente rechtspraak van het Hof uitgegaan van een maximumtermijn van twee maanden (zie, bijvoorbeeld, arrest Duitsland/Commissie, reeds aangehaald, punt 11; arresten van 30 juni 1992, Spanje/Commissie, C-312/90, Jurispr. blz. I-4117, punt 18, en 10 juli 1996, SFEI e.a., C-39/94, Jurispr. blz. I-3547, punt 38). Het eerste argument van de Commissie moet derhalve worden afgewezen.
75 Het tweede argument van de Commissie, volgens hetwelk de termijn in sommige gevallen kan worden verkort, kan worden afgedaan met de constatering dat de Commissie in sommige gevallen haar bewegingsruimte vrijwillig kan beperken door binnen een termijn van minder dan twee maanden te handelen, maar dat dit niet betekent dat deze instelling zonder instemming van de betrokken lidstaat termijnen kan stellen die langer zijn dan twee maanden en deze lidstaat daarmee de in het gemeenschapsrecht gestelde termijnen kan ontzeggen.
76 Met betrekking tot het derde primaire argument van de Commissie, volgens hetwelk in casu geen sprake is van spoedeisendheid , moet worden opgemerkt, dat de in de Lorenz-rechtspraak genoemde termijn op twee maanden is gesteld, gelet op het belang dat de lidstaten erbij hebben spoedig te weten waar zij aan toe zijn op gebieden waar ingrijpen dringend noodzakelijk kan zijn (zie arrest Duitsland/Commissie, reeds aangehaald, punt 11). Gelet op dit belang moet bijgevolg het vooronderzoek van een voorgenomen steunmaatregel in beginsel als urgent worden beschouwd, behalve indien de belanghebbende lidstaat uitdrukkelijk instemt met verlenging van de termijn. Deze instemming is echter niet uit het gedrag van de Republiek Oostenrijk af te leiden.
77 Wat betreft het subsidiaire argument volgens hetwelk de Republiek Oostenrijk zelf zou hebben bijgedragen tot de vertraging van het vooronderzoek betreffende de in geding zijnde steunmaatregel, volstaat de vaststelling dat artikel 93 van het Verdrag de lidstaat enkel de verplichting oplegt, de voorgenomen steunmaatregel tijdig aan te melden en de voorgenomen steun niet tot uitvoering te brengen voordat de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag tot een eindbeslissing heeft geleid. Het Verdrag verplicht de lidstaten daarnaast niet, verzoeken om nadere informatie van de Commissie snel te beantwoorden. Het is enkel in het belang van de lidstaat om snel te antwoorden, maar een verplichting is dit niet. De lidstaat kan zich derhalve op de Lorenz-rechtspraak beroepen, ook indien hij die verzoeken niet snel heeft beantwoord.
78 Blijkens het voorgaande kan de Republiek Oostenrijk zich op de termijn van twee maanden beroepen, ook al heeft zij de vragen van de Commissie niet snel beantwoord.
Het recht van verzet van de Commissie
79 De Commissie betoogt met haar derde subsidiaire verweermiddel dat zij, na door een lidstaat op de hoogte te zijn gesteld van diens voornemen om steunmaatregelen tot uitvoering te brengen, de mogelijkheid heeft om zich daartegen op korte termijn te verzetten, welk verzet tot gevolg heeft dat de steun niet kan worden verleend en geen bestaande steunmaatregel wordt. Zo men haar een recht van verzet zou ontzeggen, zou zulks ernstige gevolgen hebben voor de werking van het in het Verdrag neergelegde stelsel inzake steunmaatregelen. In casu heeft de Commissie haar recht van verzet op korte termijn uitgeoefend, zodat de Republiek Oostenrijk de steunmaatregel niet tot uitvoering kan brengen en de steun geen bestaande steunmaatregel kan worden.
80 Volgens de Commissie vloeien het recht van verzet en de consequenties daarvan in de eerste plaats voort uit punt 5 van het arrest Lorenz, reeds aangehaald, waarin staat dat steun die bij stilzwijgen van de Commissie" tot uitvoering wordt gebracht na het verstrijken van de termijn die voor haar eerste onderzoek noodzakelijk is, onder de regeling voor bestaande steunmaatregelen komt te vallen.
81 Voorts heeft volgens de Commissie de verplichting van een lidstaat om zijn voornemen om een steunmaatregel tot uitvoering te brengen, vooraf kenbaar te maken, alleen zin, indien zij een recht van verzet heeft, waardoor zij in staat is de ongunstige gevolgen van de toepassing van de Lorenz-rechtspraak op stelsels van staatssteun te voorkomen.
82 Ten slotte zou de Commissie zonder recht van verzet de bevoegdheid worden ontnomen, de procedure van artikel 93 van het Verdrag te sturen. De kennisgeving door de lidstaat van het voornemen om een steunmaatregel tot uitvoering te brengen, zou dan immers volstaan om, in strijd met artikel 93 van het Verdrag, de bevoegdheid om het verloop, de omvang en het resultaat van de procedure te bepalen, op de lidstaat over te dragen. Dit resultaat zou zelfs optreden wanneer de termijn onjuist zou zijn berekend of de kennisgeving, bijvoorbeeld door een fout bij de verzending, niet bij de Commissie zou aankomen. In al deze gevallen zou de steunmaatregel een bestaande steunmaatregel worden, daar de Commissie zich daartegen niet meer zou kunnen verzetten.
83 De Republiek Oostenrijk betwist, dat de Commissie een recht van verzet heeft. Subsidiair stelt zij, dat zo de Commissie dit recht al zou hebben, zij het in casu te laat heeft uitgeoefend.
84 Gelet op de in de Lorenz-rechtspraak vastgestelde procedureregels hangt de overgang van een aangemelde steunmaatregel in een bestaande steunmaatregel slechts af van twee voorwaarden, waarvan de vervulling noodzakelijk en toereikend is. In de eerste plaats moet de lidstaat de Commissie in kennis stellen van het voornemen om de steunmaatregel tot uitvoering te brengen. In de tweede plaats moet de Commissie nalaten, binnen twee maanden na de volledige aanmelding van de steunmaatregel de procedure op tegenspraak van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden. In punt 5 van het arrest Lorenz wordt met de woorden bij stilzwijgen van de Commissie" gedoeld op deze tweede voorwaarde, en niet, zoals de Commissie stelt, op een recht van verzet.
85 Indien de Commissie over een recht van verzet beschikte, zou daarmee aan de ten tijde van de feiten toepasselijke procedureregeling inzake staatssteun een met die regeling strijdige derde voorwaarde worden toegevoegd, waardoor in een mechanisme dat de rechtszekerheid moet dienen, rechtsonzekerheid zou gaan heersen ten aanzien van de vorm, de termijn en de rechtsgevolgen van een dergelijk recht van verzet; tevens zou daardoor de datum waarop de steunmaatregel onder de regeling voor bestaande steunmaatregelen komt te vallen, onzeker worden. Hieruit volgt, dat de Commissie geen recht van verzet heeft.
86 Nu de Commissie geen recht van verzet heeft, behoeft niet te worden nagegaan, of dit recht al dan niet te laat is uitgeoefend.
87 Blijkens bovenstaande overwegingen is de bestreden beschikking gegeven na het verstrijken van de termijn van twee maanden en moet zij derhalve nietig worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
88 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover zulks is gevorderd. Daar de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Republiek Oostenrijk in de kosten word verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Verklaart nietig beschikking SG(98)D/1124 van de Commissie van 9 februari 1998 inzake de inleiding van een formele onderzoeksprocedure krachtens artikel 93, lid 2, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, EG) betreffende staatssteun nr. C 84/97 (ex N 509/96) ten behoeve van de vennootschap Siemens Bauelemente OHG.
2) Verwijst de Commissie in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy