Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Sociale politiek - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid - Richtlijn 79/7 - Afwijking toegestaan ten aanzien van gevolgen die voor andere uitkeringen kunnen voortvloeien uit bestaan van verschillende pensioengerechtigde leeftijden - Draagwijdte - Mogelijkheid voor lidstaten om na verstrijken van termijn voor uitvoering aan dat leeftijdsverschil gerelateerde maatregelen vast te stellen of te wijzigen
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 7, lid 1, sub a)
2. Sociale politiek - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid - Richtlijn 79/7 - Afwijking toegestaan ten aanzien van gevolgen die voor andere uitkeringen kunnen voortvloeien uit bestaan van verschillende pensioengerechtigde leeftijden - Draagwijdte - Beperking tot discriminaties die noodzakelijke en objectieve band hebben met verschil in pensioengerechtigde leeftijd - Discriminatie op gebied van vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid - Daarvan uitgesloten
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 7, lid 1, sub a)
3. Prejudiciële vragen - Uitlegging - Werking in tijd van arresten houdende uitlegging - Terugwerkende kracht - Beperking door Hof - Voorwaarden - Arrest betreffende uitlegging van richtlijn 79/7 betreffende gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid - Voorwaarden niet vervuld - Belang van financiële gevolgen van arrest voor betrokken lidstaat - Geen beslissend criterium
[EG-Verdrag, art. 177 (thans art. 234 EG); richtlijn 79/7 van de Raad, art. 7, lid 1, sub a)]
Samenvatting
1. Volgens artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, doet deze richtlijn geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om van haar werkingssfeer uit te sluiten niet alleen de vaststelling van de pensioenleeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen, maar ook de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties. De tijdelijke handhaving van een naar geslacht verschillende pensioenleeftijd kan evenwel tot gevolg hebben dat later, na het verstrijken van de termijn voor uitvoering van de richtlijn, maatregelen moeten worden getroffen die onlosmakelijk zijn verbonden met die van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid afwijkende regeling, of dat dergelijke maatregelen moeten worden gewijzigd. Door een lidstaat die een voor mannen en vrouwen verschillende pensioenleeftijd heeft vastgesteld, te verbieden na het verstrijken van de termijn voor uitvoering van de richtlijn maatregelen vast te stellen of te wijzigen die verband houden met dat verschil in leeftijd, zou de afwijking waarin bovengenoemd artikel voorziet, immers haar nuttig effect worden ontnomen.
( cf. punten 4, 23-24 )
2. De afwijking van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid waarin artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid voorziet, moet aldus worden uitgelegd dat zij niet geldt voor een na het verstrijken van de termijn voor uitvoering van de richtlijn in de wetgeving van een lidstaat ingevoerde prestatie als het vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid voor de toekenning waarvan vrouwen de leeftijd van 55 jaar en mannen de leeftijd van 57 moeten hebben bereikt.
Deze discriminatie ter zake van het vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid, dat enkel wordt toegekend aan personen die ten gevolge van een ziekte, een kwaal of een vermindering van hun fysieke of geestelijke krachten geen beroepswerkzaamheden meer kunnen verrichten, heeft immers geen objectieve en noodzakelijke band met dat verschil in pensioenleeftijd. Enerzijds is zij niet noodzakelijk om het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel in zijn geheel te behouden, aangezien vooral om budgettaire redenen een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde voor de toekenning van die prestatie is vastgesteld. Anderzijds is zijn niet objectief noodzakelijk om de samenhang tussen het ouderdomspensioen en het vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid te bewaren, aangezien er geen duidelijk verband is tussen de minimumleeftijd om voor de betrokken prestatie in aanmerking te komen, en de wettelijke pensioenleeftijd in de betrokken lidstaat, te weten 60 jaar voor vrouwen en 65 jaar voor mannen.
( cf. punten 11, 20, 26-36 en dictum )
3. Slechts bij uitzondering kan het Hof, met toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid, aanleiding vinden om voor iedere belanghebbende beperkingen te stellen aan de mogelijkheid om, met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling, te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen weer in het geding te brengen.
Daartoe bestaat voor het Hof geen aanleiding in het geval van een arrest waarbij wordt vastgesteld dat de bij artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 inzake pensioenleeftijd toegestane afwijking van het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, niet toestaat dat mannen en vrouwen verschillend worden behandeld ten aanzien van de leeftijd vanaf welke zij een vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid kunnen krijgen, aangezien er op het tijdstip van de vaststelling van de nationale regeling waarbij die discriminatie werd ingevoerd, reeds rechtspraak van het Hof over de toepassing van die bepaling bestond aan de hand waarvan de betrokken lidstaat kon beoordelen, of de nationale regeling in overeenstemming was met de richtlijn, en de wegens de schending van het discriminatieverbod te verwachten financiële gevolgen op zich geen rechtvaardiging zijn voor een beperking van de werking in de tijd van een arrest in een prejudiciële zaak.
( cf. punten 39-42 )
Partijen
In zaak C-104/98,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
J. Buchner e.a.
en
Sozialversicherungsanstalt der Bauern,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 7 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, D. A. O. Edward en L. Sevón, kamerpresidenten, P. J. G. Kapteyn, C. Gulmann, J.-P. Puissochet, G. Hirsch, P. Jann en H. Ragnemalm (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: S. Alber
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- J. Buchner e.a., vertegenwoordigd door J. Winkler, advocaat te Linz,
- de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer, Oberrätin ter kanselarij, als gemachtigde,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door C. Vajda, QC,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. P. Kuijper en door M. Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door T. Eilmansberger, advocaat te Brussel,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van J. Buchner e.a., vertegenwoordigd door J. Winkler; de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Hesse, van de kanselarij, als gemachtigde; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, bijgestaan door C. Vajda, en de Commissie, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, bijgestaan door T. Eilmansberger, ter terechtzitting van 8 juni 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 september 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 31 maart 1998, ten Hove ingekomen op 14 april daaraanvolgend, heeft het Oberste Gerichtshof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 7 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24; hierna: richtlijn").
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen J. Buchner en twaalf andere verzoekers, enerzijds, en de Sozialversicherungsanstalt der Bauern, anderzijds, over de weigering van laatstgenoemde om hun een vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid toe te kennen.
De gemeenschapsregeling
3 Artikel 4, lid 1, van de richtlijn verbiedt elke vorm van discriminatie op grond van geslacht, in het bijzonder met betrekking tot de berekening van de prestaties.
4 De enige rechtvaardigingsgrond voor een dergelijke discriminatie is artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn, volgens hetwelk deze richtlijn geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om van haar werkingssfeer uit te sluiten de vaststelling van de pensioenleeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties.
5 Artikel 7, lid 2, van de richtlijn luidt als volgt:
De lidstaten onderzoeken periodiek de gebieden die krachtens lid 1 zijn uitgezonderd, teneinde na te gaan of het, gelet op de sociale ontwikkeling ter zake, gerechtvaardigd is deze uitzonderingen te handhaven."
6 Artikel 8 van de richtlijn bepaalt:
1. Binnen een termijn van zes jaar volgende op de kennisgeving van deze richtlijn doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij op het door deze richtlijn bestreken gebied aannemen, met inbegrip van de maatregelen die zij treffen krachtens artikel 7, lid 2.
Zij stellen de Commissie in kennis van de redenen die eventueel het behoud van bestaande bepalingen met betrekking tot de in artikel 7, lid 1, bedoelde gebieden rechtvaardigen, alsmede van de mogelijkheid van een latere herziening daarvan."
7 Artikel 9 van de richtlijn luidt als volgt:
Binnen een termijn van zeven jaar volgende op de kennisgeving van deze richtlijn verstrekken de lidstaten aan de Commissie alle dienstige gegevens om haar in staat te stellen aan de Raad een verslag over de toepassing van deze richtlijn voor te leggen en eventueel andere maatregelen voor te stellen die met het oog op de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling noodzakelijk zijn."
De nationale regeling
8 § 122c, lid 1, van het Bauern-Sozialversicherungsgesetz (hierna: BSVG"), in de op 1 september 1996 in werking getreden versie voortvloeiende uit het Strukturanpassungsgesetz van 1996 (BGBl 1996, blz. 201), bepaalt:
De verzekerde heeft, voor mannen vanaf 57 jaar en voor vrouwen vanaf 55 jaar, recht op een vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid wanneer hij/zij
1) de wachttijd heeft vervuld (§ 111);
2) aantoont dat hij/zij in de laatste 36 maanden vóór de referentiedatum gedurende 24 maanden of in de laatste 180 maanden vóór de referentiedatum gedurende 36 maanden bijdragen aan de verplichte pensioenverzekering heeft betaald en ten gevolge van een ziekte, een kwaal of een vermindering van zijn/haar fysieke of geestelijke krachten niet in staat is zelfstandige beroepswerkzaamheden te verrichten waarvoor een soortgelijke opleiding en gelijkwaardige kennis en bekwaamheid zijn vereist als voor de beroepswerkzaamheden die hij/zij het laatst gedurende ten minste 60 maanden heeft uitgeoefend, en dat zijn/haar persoonlijke arbeid noodzakelijk was voor de instandhouding van het bedrijf."
9 Volgens de vóór de vaststelling van het Strukturanpassungsgesetz geldende bepalingen, laatstelijk § 122c BSVG in de versie voortvloeiend uit de op 1 juli 1993 in werking getreden 18e wet tot wijziging van het BSVG (BGBl 1993, blz. 337), hadden landbouwers recht op een vervroegd ouderdomspensioen in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid. Vóór 1 september 1996 konden evenwel zowel mannen als vrouwen vanaf 55 jaar aanspraak maken op een dergelijk pensioen.
10 Vóór 1 juli 1993 hadden landbouwers onder dezelfde voorwaarden recht op een pensioen wegens arbeidsongeschiktheid".
11 Vaststaat, dat de wettelijke pensioenleeftijd in Oostenrijk voor vrouwen op 60 en voor mannen op 65 jaar is bepaald.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
12 De aanvragen om een vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid die door de - tussen september 1941 en juli 1942 geboren - verzoekers in het hoofdgeding waren ingediend, werden bij besluiten van de Sozialversicherungsanstalt der Bauern afgewezen op grond dat mannelijke verzekerden daarvoor slechts in aanmerking komen wanneer zij 57 jaar zijn geworden. Op de referentiedatum voldeden verzoekers evenwel niet aan die leeftijdsvoorwaarde.
13 De rechters in eerste aanleg verwierpen de tegen die besluiten ingestelde beroepen en op hogere voorziening bevestigde het Oberlandesgericht Linz die vonnissen.
14 In hun bij de verwijzende rechter ingediende verzoeken tot Revision" komen verzoekers in het hoofdgeding op tegen de op de hogere voorziening gewezen arresten en vorderen zij, dat de bestreden beslissingen aldus worden gewijzigd, dat hun aanvankelijke vordering wordt toegewezen. Zij betogen, dat de voor mannen en vrouwen verschillende leeftijd die de wetgever per 1 september 1996 heeft vastgesteld, in strijd is met het gemeenschapsrechtelijke beginsel van gelijke behandeling, en dat zij vanaf 55 jaar recht hebben op het pensioen.
15 De Sozialversicherungsanstalt der Bauern voert als enig verweer aan, dat geen enkele van de verzoekers in het hoofdgeding voldoet aan de leeftijdsvoorwaarde van 57 jaar, die in de toepasselijke regeling is gesteld om voor die prestatie in aanmerking te komen. Dat aan de andere toekenningsvoorwaarden is voldaan, wordt niet betwist. Vaststaat, dat alle verzoekers op de referentiedatum de leeftijd van 55 jaar hadden bereikt.
16 In die omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende twee prejudiciële vragen gesteld:
1) Moet artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG aldus worden uitgelegd, dat de lidstaten alleen voor pensioenen die uitsluitend op grond van de leeftijd worden toegekend, een verschillende pensioenleeftijd mogen vaststellen, of geldt die uitzonderingsbepaling ook voor pensioenen die weliswaar pas vanaf een bepaalde leeftijd, maar bovendien enkel op grond van invaliditeit (arbeidsongeschiktheid) worden toegekend?
2) Moet artikel 7, lid 1, sub a, en lid 2, van richtlijn 79/7/EEG aldus worden uitgelegd, dat het de lidstaten toestaat de voorheen geldende gelijke pensioenleeftijd (in casu het bereiken van de leeftijd van 55 jaar voor zowel mannen als vrouwen) na afloop van de termijn voor uitvoering van de richtlijn te veranderen in een voor mannen en vrouwen verschillende pensioenleeftijd (in casu 57 jaar voor mannen en 55 jaar voor vrouwen)?"
17 Met zijn twee vragen, die tezamen dienen te worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de uitzondering waarin artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn voorziet, aldus moet worden uitgelegd, dat zij ook geldt voor een prestatie als het vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid voor de toekenning waarvan na het verstrijken van de termijn voor uitvoering van de richtlijn in de nationale wettelijke regeling een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde is gesteld.
18 Om te beginnen valt de prestatie waaromtrent het hoofdgeding wordt gevoerd, binnen de werkingssfeer van de richtlijn en levert zij een discriminatie op voor zover de leeftijd vanaf wanneer zij kan worden toegekend, verschillend is voor mannen en vrouwen.
19 Aangaande de ware aard van de prestatie betoogt de Oostenrijkse regering, dat het gaat om een ouderdomspensioen in de zin van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn en niet om een invaliditeitsuitkering waarvoor de vaststelling van de pensioenleeftijd gevolgen zou kunnen hebben.
20 Dienaangaande zij vastgesteld, dat voor de toekenning van die prestatie weliswaar een leeftijdsvoorwaarde geldt, maar dat zij enkel wordt toegekend aan personen die ten gevolge van een ziekte, een kwaal of een vermindering van hun fysieke of geestelijke krachten geen beroepswerkzaamheden meer kunnen verrichten.
21 Een dergelijke prestatie kan niet worden aangemerkt als een ouderdomspensioen in de zin van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn, een uitzonderingsbepaling die volgens vaste rechtspraak strikt moet worden uitgelegd, gelet op het fundamentele belang van het beginsel van gelijke behandeling (zie, onder meer, arrest van 30 maart 1993, Thomas e.a., C-328/91, Jurispr. blz. I-1247, punt 8).
22 Derhalve moet worden nagegaan, of de vaststelling van een naar geslacht verschillende pensioenleeftijd voor de toekenning van de prestatie waaromtrent het hoofdgeding wordt gevoerd, als een gevolg van de voor het ouderdomspensioen vastgestelde pensioenleeftijd kan worden aangemerkt.
23 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de tijdelijke handhaving van een naar geslacht verschillende pensioenleeftijd tot gevolg kan hebben, dat later, na het verstrijken van de termijn voor uitvoering van de richtlijn, maatregelen moeten worden getroffen die onlosmakelijk zijn verbonden met die uitzonderingsregeling, of dergelijke maatregelen moeten worden gewijzigd (zie het vandaag gewezen arrest Hepple e.a., C-196/98, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 23).
24 Door een lidstaat die een voor mannen en vrouwen verschillende pensioenleeftijd heeft vastgesteld, te verbieden na het verstrijken van de termijn voor uitvoering van de richtlijn maatregelen vast te stellen of te wijzigen die verband houden met die verschillende leeftijd, zou de uitzondering waarin artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn voorziet, immers haar nuttig effect worden ontnomen (zie arrest Hepple e.a., reeds aangehaald, punt 24).
25 Het is vaste rechtspraak, dat wanneer een lidstaat met toepassing van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn voorziet in een voor mannen en vrouwen verschillende leeftijd voor de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen, de werkingssfeer van de in artikel 7, lid 1, sub a, toegestane afwijking, die is geformuleerd als en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties", beperkt is tot de discriminaties in andere uitkeringsregelingen, die een objectieve en noodzakelijke band hebben met dat verschil in pensioenleeftijd (zie, onder meer, arrest Thomas e.a., reeds aangehaald, punt 20, en arresten van 11 augustus 1995, Graham e.a., C-92/94, Jurispr. blz. I-2521, punt 11, en 30 januari 1997, Balestra, C-139/95, Jurispr. blz. I-549, punt 33).
26 Dit is het geval indien deze discriminaties objectief noodzakelijk zijn om te vermijden dat het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel wordt verstoord, of om de samenhang tussen het stelsel van de rustpensioenen en de andere uitkeringsregelingen te bewaren (zie bovengenoemde arresten Thomas e.a., punt 12, Graham e.a., punt 12, en Balestra, punt 35).
27 Aangaande de voorwaarde van behoud van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel blijkt uit de verwijzingsbeschikking en uit de schriftelijke opmerkingen van de Oostenrijkse regering, dat vooral om budgettaire redenen een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde voor toekenning van het vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid is vastgesteld.
28 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat ofschoon budgettaire overwegingen aan de basis kunnen liggen van de sociale beleidskeuzen van een lidstaat en de aard of de omvang van de sociale beschermingsmaatregelen die de lidstaat wenst vast te stellen, kunnen beïnvloeden, zij op zichzelf evenwel geen doelstelling van dat beleid vormen en dus ook geen discriminatie ten nadele van een der geslachten kunnen rechtvaardigen (arrest van 24 februari 1994, Roks e.a., C-343/92, Jurispr. blz. I-571, punt 35).
29 Voor het Hof is overigens, afgezien van de algemene overwegingen van budgettaire aard, geen enkel argument aangevoerd waaruit blijkt dat het wegwerken van de discriminatie waaromtrent het hoofdgeding wordt gevoerd, de onderlinge samenhang van de socialezekerheidsstelsels zou kunnen aantasten.
30 Derhalve dient te worden geoordeeld, dat het wegwerken van die discriminatie geen ernstige gevolgen zal hebben voor het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel in zijn geheel.
31 Aangaande het behoud van de samenhang tussen het vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid en het ouderdomspensioen, dient te worden vastgesteld, dat tussen die twee prestaties slechts in zoverre een band bestaat, dat het laatstgenoemde pensioen in de plaats komt van het eerstgenoemde wanneer de verzekerde de wettelijke pensioenleeftijd bereikt.
32 Er is immers geen duidelijk verband tussen de minimumleeftijd om voor de betrokken prestatie in aanmerking te komen, en de wettelijke pensioenleeftijd. De minimumleeftijd om voor het vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid in aanmerking te komen, is voor vrouwen namelijk bepaald op 55 jaar, dus vijf jaar vóór de wettelijke pensioenleeftijd, en voor mannen op 57 jaar, dus acht jaar vóór de wettelijke pensioenleeftijd.
33 Zoals uit punt 27 van dit arrest blijkt, is overigens vooral om budgettaire redenen een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde voor toekenning van het vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid vastgesteld.
34 Derhalve kan niet worden volgehouden, dat de invoering van de discriminatie waaromtrent het hoofdgeding wordt gevoerd, objectief noodzakelijk is om de samenhang tussen het ouderdomspensioen en het vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid te bewaren.
35 Gelet op het voorgaande dient te worden geconcludeerd, dat een discriminatie als die waaromtrent het hoofdgeding wordt gevoerd, niet noodzakelijk verband houdt met de verschillende pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen, zodat zij niet valt onder de uitzondering waarin artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn voorziet.
36 Mitsdien moet op de vragen worden geantwoord, dat de uitzondering waarin artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn voorziet, aldus moet worden uitgelegd, dat zij niet geldt voor een prestatie als het vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid voor de toekenning waarvan na het verstrijken van de termijn voor uitvoering van de richtlijn in de nationale wettelijke regeling een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde is gesteld.
De gevolgen van dit arrest in de tijd
37 Ter terechtzitting hebben de Oostenrijkse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk erop gewezen, dat het Hof de gevolgen van dit arrest in de tijd kan beperken ingeval het oordeelt, dat de Oostenrijkse regeling onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
38 Tot staving van die vordering voert de Oostenrijkse regering aan, dat het wegwerken van de discriminerende maatregelen aanzienlijke financiële gevolgen zou hebben, terwijl de regering van het Verenigd Koninkrijk erop heeft gewezen, dat de in hoofdgeding gerezen vragen nieuw zijn.
39 Er zij aan herinnerd, dat het Hof slechts bij uitzondering, met toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid, aanleiding kan vinden om voor iedere belanghebbende beperkingen te stellen aan de mogelijkheid, met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen weer in geding te brengen (arresten van 2 februari 1988, Blaizot, 24/86, Jurispr. blz. 379, punt 28, en 16 juli 1992, Legros e.a., C-163/90, Jurispr. blz. I-4625, punt 30).
40 Met betrekking tot het hoofdgeding dient allereerst te worden vastgesteld, dat er op het tijdstip van de vaststelling van de nationale regeling reeds rechtspraak van het Hof over artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn bestond aan de hand waarvan de Republiek Oostenrijk kon beoordelen, of de nationale regeling in overeenstemming was met de richtlijn (zie, onder meer, arrest van 7 juli 1992, Equal Opportunities Commission, C-9/91, Jurispr. blz. I-4297, en arresten Thomas e.a., en Graham e.a, reeds aangehaald).
41 Verder vormen de mogelijke financiële gevolgen van een prejudicieel arrest voor een lidstaat op zichzelf geen rechtvaardiging voor een beperking van de werking van dit arrest in de tijd (zie, met name, arresten van 11 augustus 1995, Roders e.a., C-367/93-C-377/93, Jurispr. blz. I-2229, punt 48; 19 oktober 1995, Richardson, C-137/94, Jurispr. blz. I-3407, punt 37, en 13 februari 1996, Bautiaa en Société française maritime, C-197/94 en C-252/94, Jurispr. blz. I-505, punt 55).
42 Mitsdien zijn er geen termen aanwezig om de werking van dit arrest in de tijd te beperken.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
43 De kosten door de Oostenrijkse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Oberste Gerichtshof bij beschikking van 31 maart 1998 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De uitzondering waarin artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, voorziet, moet aldus worden uitgelegd, dat zij niet geldt voor een prestatie als het vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid voor de toekenning waarvan na het verstrijken van de termijn voor uitvoering van de richtlijn in de nationale wettelijke regeling een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde is gesteld.
Full & Egal Universal Law Academy