Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Procedure - Beslissing bij met redenen omklede beschikking - Voorwaarden - Beroep dat kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk rechtens ongegrond is - Strijd met vaste rechtspraak van Hof
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 111)
2 Ambtenaren - Aanwerving - Aanstelling in rang - Aanstelling in hoogste rang van loopbaan - Discretionaire bevoegdheid van tot aanstelling bevoegd gezag - Recht op aanstelling in hoogste rang van loopbaan - Geen
(Ambtenarenstatuut, art. 31, lid 2)
3 Ambtenaren - Aanwerving - Aanstelling in rang - Aanstelling in hoogste rang van loopbaan - Uitzondering op algemene indelingsregels
(Ambtenarenstatuut, art. 5 en 31, lid 2; bijlage I)
Samenvatting
1 Krachtens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk rechtens ongegrond is, zonder de behandeling voort te zetten beslissen bij met redenen omklede beschikking. Aangezien verzoeksters betoog duidelijk in strijd was met vaste rechtspraak van het Hof, heeft het Gerecht het beroep terecht als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 111 van zijn Reglement voor de procesvoering beschouwd.
2 Op het punt van de indeling in rang beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag over een ruime discretionaire bevoegdheid, met name bij de beoordeling van de vroegere beroepservaring van iemand die als ambtenaar wordt aangesteld. Een bepaalde beroepservaring geeft derhalve geen recht op aanstelling in de hoogste rang van de betrokken loopbaan.
3 De mogelijkheid van de administratie om een nieuw aangeworven ambtenaar in de hoogste rang van de aanvangsloopbaan en de middenloopbaan aan te stellen, moet als een uitzondering op de algemene indelingsregels moet worden gezien. Dit uitzonderlijke karakter berust op de verplichting van het bevoegd gezag, de uitoefening van de hem bij artikel 31, lid 2, toegekende bevoegdheid te verzoenen met de eisen die uit het in artikel 5 en in bijlage I bij het Statuut neergelegde begrip "loopbaan" voortvloeien.
Partijen
In zaak C-155/98 P,
S. C. Alexopoulou, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door O. Slusny, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij L. Schiltz, advocaat aldaar, Rue du Fort Rheinsheim 2,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Eerste kamer) van 13 februari 1998, Alexopoulou/Commissie (T-195/96, JurAmbt. blz. I-A-51 en II-117), strekkende tot vernietiging van die beschikking, andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Valsesia, juridisch hoofdadviseur, en J. Currall, juridisch adviseur, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann, L. Sevón (rapporteur) en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 21 januari 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 maart 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 21 april 1998 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft S. C. Alexopoulou krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 13 februari 1998, Alexopoulou/Commissie (T-195/96, JurAmbt. blz. I-A-51 en II-117; hierna: "bestreden beschikking"), voor zover daarbij haar beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 8 januari 1996 - waarbij zij in rang A 7, salaristrap 5, is ingedeeld en impliciet haar indeling in de rang A 6 is geweigerd - en van het besluit van 28 augustus 1996 - waarbij een klacht tegen eerstgenoemd besluit is afgewezen - en tot vergoeding van de door haar geleden materiële schade als kennelijk ongegrond en kennelijk niet-ontvankelijk is verworpen.
2 Blijkens de bestreden beschikking is verzoekster op 16 maart 1989 door de Commissie aangesteld als tijdelijk functionaris in de rang A 7, salaristrap 1. Na te zijn geslaagd voor een intern vergelijkend onderzoek is zij als ambtenaar op proef aangesteld in de functie van administrateur van de rang A 7, salaristrap 5. Verzoekster is tegen het aanstellingsbesluit opgekomen voor zover het deze rangindeling betrof, stellende dat zij in rang A 6 had moeten worden ingedeeld.
3 Dit besluit is nietig verklaard bij arrest van het Gerecht van 5 oktober 1995, Alexopoulou/Commissie (T-17/95, JurAmbt. blz. I-A-227 en II-683; hierna: "arrest Alexopoulou I"), op grond dat het tot aanstelling bevoegd gezag in bijzondere omstandigheden, zoals in het geval van een kandidaat met uitzonderlijke bekwaamheden, in concreto dient te beoordelen, of artikel 31, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") toepassing moet vinden.
4 Voor haar weigering rekwirante in de hoogste rang aan te stellen had de Commissie zich enkel gebaseerd op haar besluit van 1 september 1983, waarbij zij afstand had gedaan van de discretionaire bevoegdheid die artikel 31, lid 2, van het Statuut haar verleent.
5 Naar aanleiding van dit arrest heeft de Commissie rekwirantes statutaire positie opnieuw beoordeeld en haar bij besluit van 8 januari 1996 ingedeeld in rang A 7, salaristrap 5.
6 Nadat de Commissie haar klacht had afgewezen, heeft rekwirante op 27 november 1996 beroep ingesteld bij het Gerecht. Dit heeft haar beroep verworpen op grond van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering.
7 Het Gerecht heeft onder meer overwogen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag krachtens artikel 31, lid 2, van het Statuut gerechtigd, doch niet verplicht is tot aanstelling in een hogere rang over te gaan. Daar het besluit van 8 januari 1996 was genomen nadat het tot aanstelling bevoegd gezag had getoetst, of deze bepaling eventueel op rekwirante van toepassing was, was er geen sprake van schending van deze statutaire bepaling.
8 Daarop heeft rekwirante deze hogere voorziening ingesteld, die zij onderbouwt met vier middelen. Deze middelen zijn: 1) motiveringsgebreken in de bestreden beschikking en schending van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, 2) schending van artikel 31 van het Statuut, 3) schending van de verplichting tot het uitoefenen van toezicht op het tot aanstelling bevoegd gezag, en 4) schending van het vertrouwensbeginsel en van artikel 48 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
Het eerste middel
9 Het eerste middel, inzake motiveringsgebreken in de bestreden beschikking en schending van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, omvat vier onderdelen. Het eerste onderdeel klaagt, dat het Gerecht niet heeft gemotiveerd, waarom het beroep kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk was.
10 De Commissie meent, dat het Gerecht artikel 111 van zijn Reglement voor de procesvoering wel juist heeft toegepast; het heeft rekwirantes argumenten getoetst aan de rechtspraak en is daarbij tot de conclusie gekomen, dat haar argumenten "kennelijk" ongegrond waren, omdat zij duidelijk door de rechtspraak werden weerlegd.
11 Krachtens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, zonder de behandeling voort te zetten beslissen bij met redenen omklede beschikking.
12 In casu moet worden vastgesteld, dat rekwirantes betoog berustte op het uitgangspunt, dat zij op grond van haar uitzonderlijke bekwaamheden recht had op aanstelling in de hoogste rang.
13 Dit betoog is evenwel duidelijk in strijd met de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke het tot aanstelling bevoegde gezag op het punt van de indeling in rang over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, met name bij de beoordeling van de vroegere beroepservaring van iemand die als ambtenaar wordt aangesteld (zie, in deze zin, arresten van 11 juli 1985, Hattet e.a./Commissie, 66/83-68/83 en 136/83-140/83, Jurispr. blz. 2459, punt 28; 5 oktober 1988, De Szy-Tarisse en Feyaerts/Commissie, 314/86 en 315/86, Jurispr. blz. 6013, punt 26, en 29 juni 1994, Klinke/Hof van Justitie, C-298/93 P, Jurispr. blz. I-3009, punt 15; zie tevens arrest Alexopoulou I, punt 19).
14 Een bepaalde beroepservaring geeft derhalve geen recht op aanstelling in de hoogste rang van de betrokken loopbaan (zie arrest Klinke/Hof van Justitie, reeds aangehaald, punt 30; arrest Alexopoulou I, punt 20, en arrest van 5 november 1997, Barnett/Commissie, T-12/97, JurAmbt. blz. I-A-313 en II-863, punt 50).
15 Het Gerecht heeft het beroep dus terecht als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 111 van zijn Reglement voor de procesvoering beschouwd.
16 Het tweede onderdeel van het eerste middel inzake motiveringsgebreken klaagt, dat het Gerecht in punt 57 van de bestreden beschikking niet uitmaakt, of het beroep kennelijk ongegrond dan wel kennelijk niet-ontvankelijk is. Dientengevolge is de motivering innerlijk tegenstrijdig, hetgeen gelijkstaat met het ontbreken van een motivering.
17 De Commissie betwist rekwirantes belang bij dit middel, aangezien het dictum van de bestreden beschikking gelijk blijft, hoe het antwoord ook luidt. Voorts stelt zij, dat reeds bij de oppervlakkige lezing van de bestreden beschikking blijkt, dat de "of"-formulering in punt 57 op verschillende aspecten van het beroep doelt.
18 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat punt 57 van de bestreden beschikking de samenvatting is van de oordelen van het Gerecht met betrekking tot de verschillende vorderingen, middelen en middelonderdelen van rekwirante.
19 In de punten 44 en 46 van de bestreden beschikking stelt het Gerecht vast, dat de vordering tot nietigverklaring van het besluit van 8 januari 1996 kennelijk ongegrond is, in punt 50, dat de vordering tot nietigverklaring van het besluit van 28 augustus 1996 kennelijk niet-ontvankelijk is, en in punt 56, dat de vordering tot schadevergoeding kennelijk ongegrond is.
20 In punt 57 heeft het Gerecht dus terecht, voldoende gemotiveerd en zonder zichzelf tegen te spreken geconcludeerd, dat het beroep als kennelijk ongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk moest worden verworpen.
21 Het derde onderdeel van het eerste middel klaagt, dat in strijd met artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de advocaat-generaal niet is gehoord. Nu rekwirante dit middel evenwel ter terechtzitting heeft ingetrokken, hoeft hierop niet te worden beslist.
22 Met het vierde onderdeel van het eerste middel verwijt rekwirante het Gerecht, dat het in punt 43 van de bestreden beschikking de regels ter zake van de rangindeling van een ambtenaar vermengt met de regels inzake bevordering, terwijl deze een verschillende grondslag hebben.
23 De Commissie meent, dat rekwirante punt 43 van de bestreden beschikking verkeerd uitlegt, aangezien enkel naar analogie van de bij de rangindeling geldende beginselen naar die inzake de bevordering wordt verwezen.
24 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de redenering van het Gerecht is gebaseerd op de in punt 14 van dit arrest genoemde vaste rechtspraak, dat een bepaalde beroepservaring geen recht geeft op aanstelling in de hoogste rang van de betrokken loopbaan.
25 Het Gerecht heeft in punt 36 van de bestreden beschikking dan ook verklaard, dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet verplicht is artikel 31, lid 2, van het Statuut toe te passen, ook niet ten aanzien van een kandidaat met uitzonderlijke bekwaamheden. Voorts heeft het in punt 38 opgemerkt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, voor zover het betrokkenes bekwaamheden en beroepservaring daadwerkelijk in concreto aan de criteria van artikel 31 van het Statuut heeft getoetst, en behoudens eventueel in de kennisgeving van de vacature gestelde indelingsvoorwaarden, vrij is te beslissen, of de betrokkene, het dienstbelang in aanmerking genomen, in de hoogste rang moet worden ingedeeld.
26 Het Gerecht heeft dus via een redenering op basis van de bij de rangindeling geldende beginselen in punt 43 van de bestreden beschikking vastgesteld, dat ook indien nieuw aangeworven ambtenaren aan de voorwaarden voor indeling in de hoogste rang van een loopbaan voldoen, zij geen subjectief recht op een dergelijke indeling hebben.
27 Het achtte het zinvol, zijn redenering aan te vullen met een analogische verwijzing naar de bij bevordering geldende beginselen. Een dergelijke analogie kan niet worden betwist, aangezien het tot aanstelling bevoegd gezag zowel bij bevordering als bij de indeling in de hoogste rang over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, zodat noch de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaar, noch de nieuw aangeworven ambtenaar een subjectief recht heeft op toepassing van de statutaire bepalingen waarop hij zich beroept.
28 Uit het voorgaande volgt, dat het eerste middel moet worden verworpen.
Het tweede middel
29 Met haar tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht schending van artikel 31 van het Statuut. Hiertoe voert zij aan, dat het Gerecht in punt 37 van de bestreden beschikking aan artikel 31 van het Statuut een tweeledige voorwaarde heeft verbonden die daarin niet voorkomt, te weten dat die bepaling slechts bij wijze van uitzondering en slechts op uitzonderlijke kandidaten toepasbaar is.
30 De Commissie wijst erop, dat het Gerecht in het arrest Alexopoulou I heeft uitgemaakt, dat artikel 31, lid 2, van het Statuut een afwijkings- en dus een uitzonderingsbepaling is, die met name voor uitzonderlijke kandidaten geldt.
31 In punt 37 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht eraan herinnerd, dat artikel 31, lid 2, van het Statuut onder meer tot doel heeft, de betrokken instelling als werkgever in staat te stellen om iemand die op de arbeidsmarkt vermoedelijk dikwijls door andere potentiële werkgevers wordt benaderd en haar daarom zou kunnen ontvallen, aan zich te binden. Dit betekent voor de Commissie, dat zij een uitzonderlijke kandidaat bij wijze van uitzondering aantrekkelijker voorwaarden kan bieden om zich van zijn diensten te verzekeren.
32 De conclusie, dat artikel 31, lid 2, van het Statuut slechts bij uitzondering toepasbaar is, levert geen nieuw element op ten opzichte van de eerdere rechtspraak, volgens welke de mogelijkheid van de administratie om een nieuw aangeworven ambtenaar in de hoogste rang van de aanvangsloopbaan en de middenloopbaan aan te stellen, als een uitzondering op de algemene indelingsregels moet worden gezien (zie arrest van 6 juni 1985, De Santis/Rekenkamer, 146/84, Jurispr. blz. 1723, punt 9; zie tevens arrest van 7 mei 1991, Jongen/Commissie, T-18/90, Jurispr. blz. II-187, punt 12, en arrest Alexopoulou I, punt 20).
33 Dit uitzonderlijke karakter berust op de verplichting van het bevoegd gezag, de uitoefening van de hem bij artikel 31, lid 2, toegekende bevoegdheid te verzoenen met de eisen die uit het in artikel 5 en in bijlage I bij het Statuut neergelegde begrip "loopbaan" voortvloeien (arrest De Santis/Rekenkamer, reeds aangehaald, punt 9, en arrest Alexopoulou I, punt 20).
34 De vermeende voorwaarde, dat het om een uitzonderlijke kandidaat dient te gaan, wordt door rekwirante afgeleid uit het gedeelte van punt 37 van de bestreden beschikking, waarin het Gerecht er om te beginnen aan herinnert, dat artikel 31, lid 2, onder meer tot doel heeft, de betrokken instelling als werkgever in staat te stellen om iemand die op de arbeidsmarkt vermoedelijk dikwijls door andere potentiële werkgevers wordt benaderd en haar daarom zou kunnen ontvallen, aan zich te binden.
35 Aldus heeft het Gerecht enkel een van de doeleinden van artikel 31, lid 2, van het Statuut omschreven, doch geen extra voorwaarde aan de toepassing van die bepaling verbonden.
36 Met de vaststelling in punt 37 van de bestreden beschikking, dat de Commissie artikel 31, lid 2, van het Statuut bij wijze van uitzondering kan toepassen op een uitzonderlijke kandidaat, na er eerst aan te hebben herinnerd dat deze bepaling onder meer tot doel heeft, de betrokken instelling als werkgever in staat te stellen om iemand die op de arbeidsmarkt vermoedelijk dikwijls door andere potentiële werkgevers wordt benaderd en haar daarom zou kunnen ontvallen, aan zich te binden, heeft het Gerecht artikel 31, lid 2, van het Statuut dus juist toegepast.
37 Het tweede middel moet derhalve eveneens worden verworpen.
Het derde middel
38 Het derde middel klaagt erover, dat het Gerecht zijn verplichting tot het uitoefenen van toezicht op het tot aanstelling bevoegd gezag heeft geschonden. Het Gerecht zou namelijk niet hebben onderzocht, of de feitelijke grondslag van het besluit volledig was, aangezien het niet heeft vastgesteld, of DG IX, dat bevoegd is tot het nemen van een indelingsbesluit, DG V had geraadpleegd, dat wil zeggen het DG waarbij rekwirante was aangesteld.
39 De Commissie betwist de ontvankelijkheid van dit middel, omdat het eerst voor het Hof is aangevoerd. Rekwirante zou ook niet verklaren, welke invloed de verzuimde raadpleging van haar dienstonderdeel op het bestreden besluit heeft gehad.
40 Dienaangaande blijkt uit het door het Gerecht ter beschikking gestelde dossier, dat deze grief door rekwirante noch in haar verzoekschrift, noch in haar memorie van repliek is aangevoerd tot staving van haar middel inzake de kennelijke beoordelingsfout van het tot aanstelling bevoegd gezag.
41 Wanneer een partij een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof kon aanvoeren, dan zou zij in feite bij het Hof, waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig kunnen maken, dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen.
42 Dit middel is bijgevolg niet-ontvankelijk.
Het vierde middel
43 Het vierde middel klaagt over schending van het vertrouwensbeginsel (eerste onderdeel) en van artikel 48 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (tweede en derde onderdeel).
44 In het eerste middelonderdeel stelt rekwirante, dat het Gerecht het vertrouwensbeginsel heeft geschonden doordat het haar wel had verzocht haar opmerkingen over een haar toegezonden tekst kenbaar te maken, doch deze opmerkingen niet in aanmerking heeft genomen.
45 Dienaangaande zij erop gewezen, dat de griffier van het Gerecht bij brief van 11 november 1997 rekwirante een kopie had gezonden van het arrest van 5 november 1997, Barnett/Commissie, met het verzoek haar standpunt mede te delen "inzake het verdere verloop van de procedure in het licht van dat arrest".
46 Uit de formulering van deze brief blijkt duidelijk, dat niet werd gevraagd naar rekwirantes standpunt over de inhoud van het haar toegezonden arrest, doch over het verdere verloop van de door haarzelf ingeleide procedure voor het Gerecht.
47 Hieruit volgt, dat deze handeling van de griffier van het Gerecht op generlei wijze inbreuk kon maken op het gewettigd vertrouwen van rekwirante ten aanzien van deze in het Reglement voor de procesvoering niet geregelde mogelijkheid om opmerkingen in te dienen.
48 Het tweede onderdeel van dit middel is ontleend aan schending van artikel 48, leden 1 en 2, eerste en tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Doordat het Gerecht is voorbijgegaan aan haar opmerkingen, die nieuwe middelen bevatten gebaseerd op gegevens, feitelijk en rechtens, waarvan eerst in de loop van de behandeling was gebleken (te weten het genoemde arrest Barnett/Commissie), heeft het volgens rekwirante deze bepalingen geschonden.
49 De Commissie wijst erop, dat een arrest niet als nieuw feit is te beschouwen en geen grond kan opleveren voor toepassing van de afwijkingsbepaling die het voordragen van nieuwe middelen in de loop van het geding toelaat.
50 Artikel 48, leden 1 en 2, eerste en tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt:
"1. Partijen kunnen nog in de repliek en in de dupliek aanbieden hun stellingen nader te bewijzen. De vertraging waarmee zodanig bewijsaanbod geschiedt, dient te worden gemotiveerd.
2. Nieuwe middelen mogen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
Indien een partij tijdens de behandeling een nieuw middel voordraagt, als in de voorgaande alinea bedoeld, kan de president na het verstrijken van de normale procestermijnen, op rapport van de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, aan de wederpartij een termijn voor antwoord stellen."
51 Op dit punt moet worden vastgesteld, dat rekwirante haar opmerkingen over het genoemde arrest Barnett/Commissie zelf nimmer als nieuw middel in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft aangeduid en dat zij zich nimmer op deze bepaling heeft beroepen ter rechtvaardiging van de niet in het Reglement voor de procesvoering geregelde indiening van opmerkingen. Integendeel, de "inleidende opmerkingen" van het neergelegde stuk beginnen aldus: "Barnett heeft niet dezelfde middelen aangevoerd als Alexopoulou (...) De opmerkingen van Alexopoulou betreffen derhalve enkel vergelijkingen ten aanzien van de feiten." De aanhef van de "conclusie" van de opmerkingen luidt als volgt: "Uit het bovenstaande vergelijkende onderzoek blijkt voldoende, dat rekwirante in concreto voldoet aan de criteria van het arrest Alexopoulou I van 5 oktober 1995 (...) die de Commissie zelf als de $het meest in aanmerking komende' erkent, doch bovendien voldoet aan de overige voorwaarden die de Commissie in haar voorstel aan de vakbondsorganisaties betreffende de gevolgen van het arrest Alexopoulou I (...) als $samenstel van omstandigheden' had vermeld, en wel cumulatief."
52 Reeds bij oppervlakkige bestudering van deze opmerkingen blijkt, dat zij geen nieuwe middelen bevatten in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, doch, in aanvulling op de reeds neergelegde memories, enkel het bewijs trachten te leveren van een aantal feitelijke omstandigheden.
53 De griffier heeft deze opmerkingen derhalve terecht als een niet in het Reglement voor de procesvoering geregelde memorie aangemerkt en verklaard, dat het Gerecht deze buiten beschouwing zou laten.
54 Het derde onderdeel van dit middel betreft schending van artikel 48, lid 2, derde alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
55 Rekwirante stelt, dat het Gerecht in de bestreden beschikking heeft verzuimd te beslissen overeenkomstig artikel 48, lid 2, derde alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering, waarin wordt bepaald: "De beslissing over de ontvankelijkheid van het middel wordt aangehouden tot het eindarrest."
56 Zoals reeds bij de bespreking van het tweede middelonderdeel is uiteengezet, behelsden rekwirantes opmerkingen geen middel in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, maar een bewijsaanbod van feitelijke omstandigheden, zodat het Gerecht de opmerkingen terecht buiten beschouwing heeft gelaten en in de bestreden beschikking niet op dit punt heeft beslist.
57 Daar geen van de onderdelen van het vierde middel gegrond is gebleken, moet dit worden verworpen.
58 Mitsdien moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
59 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Volgens artikel 70 van genoemd Reglement blijven de door de instellingen gemaakte kosten in beroepen van ambtenaren te hunnen laste. Krachtens artikel 122, tweede alinea, is artikel 70 evenwel niet van toepassing, indien de hogere voorziening is ingesteld door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling tegen deze instelling. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst S. C. Alexopoulou in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy