Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Vervoer - Zeevervoer - Vrachtverdelingsovereenkomst tussen lidstaat en derde land - Toekomstige overeenkomst in zin van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 4055/86 - Begrip
(Verordening nr. 4055/86 van de Raad, art. 3, 4 en 5, lid 1)
2 Vervoer - Zeevervoer - Vrachtverdelingsovereenkomst tussen lidstaat en derde land - Verplichting om bestaande overeenkomst aan te passen vóór inwerkingtreding van verordening nr. 4055/86 - Aanpassingstermijn
(Verordening nr. 4055/86 van de Raad, art. 4, lid 1)
Samenvatting
1 Als een toekomstige overeenkomst in de zin van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 4055/86 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen, is te beschouwen een overeenkomst tussen een lidstaat en een derde land die pas in werking is getreden na 1 januari 1987, de datum van inwerkingtreding van voormelde verordening, en die een vrachtverdelingsregeling tussen de contracterende partijen bevat. Daarentegen vormen de vóór deze datum van kracht geworden overeenkomsten aan de bepalingen van de artikelen 3 en 4 van deze verordening onderworpen overeenkomsten.
2 Wat de bepaling betreft van de datum vanaf welke een vrachtverdelingsovereenkomst tussen een lidstaat en een derde land moet zijn aangepast, maakt artikel 4, lid 1, van verordening nr. 4055/86 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen, onderscheid tussen het aan de gedragscode voor lijnvaartconferences van de Verenigde Naties gebonden verkeer en het verkeer dat niet aan deze code is gebonden. Alleen voor dit laatste verkeer werd de lidstaten bij deze verordening een termijn voor aanpassing tot 1 januari 1993 gegeven. Voor het aan de gedragscode gebonden zeevervoer is geen enkele termijn gegeven voor de aanpassing van een overeenkomst.
Partijen
In de gevoegde zaken C-171/98, C-201/98 en C-202/98,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Benyon, juridisch adviseur, en B. Mongin, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België (C-171/98 en C-201/98), vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur-generaal bij het directoraat-generaal juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
en
Groothertogdom Luxemburg (C-202/98), vertegenwoordigd door N. Schmit, conseiller d'État, directeur internationale economische betrekkingen en samenwerking bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij dit ministerie, Rue Notre-Dame 5,
verweerders,
betreffende verzoeken om vast te stellen, dat het Koninkrijk België (C-171/98 en C-201/98) en het Groothertogdom Luxemburg (C-202/98), door het sluiten en handhaven van de overeenkomsten inzake vrachtverdelingsregelingen met de Republiek Togo (C-171/98 en C-202/98) en de Republiek Mali (C-201/98 en C-202/98), en door niet de nodige maatregelen te nemen om de overeenkomsten met de Republiek Senegal en de Republiek Ivoorkust (C-201/98 en C-202/98) aldus aan te passen dat de gemeenschapsonderdanen een billijke, vrije en niet-discriminerende toegang krijgen tot de vracht die aan België en Luxemburg toekomt, dan wel deze overeenkomsten op te zeggen, niet de verplichtingen zijn nagekomen die op hen rusten krachtens verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen (PB L 378, blz. 1), en met name de artikelen 3 en 4, lid 1, ervan wat de Republiek Senegal en de Republiek Ivoorkust betreft, en artikel 5 ervan wat de Republiek Mali en de Republiek Togo betreft,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, D. A. O. Edward (rapporteur) en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 april 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 8 (C-171/98) en 25 mei 1998 (C-201/98 en C-202/98) ter griffie van het Hof neergelegde verzoekschriften heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) drie beroepen ingesteld tot vaststelling, dat het Koninkrijk België (C-171/98 en C-201/98) en het Groothertogdom Luxemburg (C-202/98), door het sluiten en handhaven van de overeenkomsten inzake vrachtverdelingsregelingen met de Republiek Togo (C-171/98 en C-202/98) en de Republiek Mali (C-201/98 en C-202/98), en door niet de nodige maatregelen te nemen om de overeenkomsten met de Republiek Senegal en de Republiek Ivoorkust (C-201/98 en C-202/98) aldus aan te passen dat de gemeenschapsonderdanen een billijke, vrije en niet-discriminerende toegang krijgen tot de vracht die aan België en Luxemburg toekomt, dan wel deze overeenkomsten op te zeggen, niet de verplichtingen zijn nagekomen die op hen rusten krachtens verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen (PB L 378, blz. 1), en met name de artikelen 3 en 4, lid 1, ervan wat de Republiek Senegal en de Republiek Ivoorkust betreft, en artikel 5 ervan wat de Republiek Mali en de Republiek Togo betreft.
2 Bij beschikking van de president van het Hof van 15 juli 1998 zijn de zaken C-171/98, C-201/98 en C-202/98 gevoegd voor de schriftelijke en mondelinge behandeling en voor het arrest.
Toepasselijke bepalingen
3 Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 4055/86 bepaalt:
"Het vrij verrichten van diensten inzake zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen is van toepassing op de onderdanen van de lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan in die van degene voor wie de diensten worden verricht."
4 Artikel 2 van deze verordening bepaalt:
"In afwijking van artikel 1, worden de vóór 1 juli 1986 bestaande unilaterale nationale beperkingen op het vervoer van bepaalde goederen dat geheel of gedeeltelijk gereserveerd is voor onder nationale vlag varende schepen, overeenkomstig het volgende tijdschema geleidelijk afgeschaft:
- vervoer tussen de lidstaten met schepen die de vlag van een lidstaat voeren:31 december 1989,
- vervoer tussen de lidstaten en derde landen met schepen die de vlag van een lidstaat voeren:31 december 1991,
- vervoer tussen de lidstaten en tussen de lidstaten en derde landen met andere schepen:1 januari 1993."
5 Artikel 3 van verordening nr. 4055/86 luidt:
"Vrachtverdelingsregelingen in bestaande bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen worden geleidelijk afgeschaft of aangepast in overeenstemming met artikel 4."
6 Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 4055/86 luidt:
"Bestaande vrachtverdelingsregelingen die niet geleidelijk zijn afgeschaft in overeenstemming met artikel 3, worden als volgt aan de communautaire wetgeving aangepast:
a) voor wat het aan de gedragscode voor lijnvaartconferences van de Verenigde Naties gebonden verkeer betreft, dienen de regelingen in overeenstemming te zijn met deze code en te voldoen aan de eisen die aan de lidstaten worden gesteld krachtens verordening (EEG) nr. 954/79;
b) voor wat het niet aan de gedragscode voor lijnvaartconferences van de Verenigde Naties gebonden verkeer betreft, moeten de overeenkomsten zo spoedig mogelijk en in elk geval vóór 1 januari 1993 zo worden aangepast dat alle onderdanen van de Gemeenschap in de zin van artikel 1 een billijke, vrije en niet-discriminerende toegang krijgen tot de vracht die aan de betrokken lidstaten toekomt."
7 Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 4055/86 bepaalt:
"Vrachtverdelingsregelingen in toekomstige overeenkomsten met derde landen zijn verboden, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, wanneer lijnvaartondernemingen van de Gemeenschap anders geen daadwerkelijke gelegenheid zouden hebben lijndiensten van en naar het betrokken derde land te onderhouden. In die omstandigheden kunnen overeenkomsten worden toegestaan overeenkomstig artikel 6."
8 Overeenkomstig artikel 12 ervan is verordening nr. 4055/86 in werking getreden op 1 januari 1987, de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
9 Artikel 3, lid 1, van de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (hierna: "BLEU") en de Republiek Ivoorkust, die op 25 oktober 1979 in werking is getreden, luidt:
"Ten aanzien van het vervoer van goederen, van welke aard ook, in het raam van het handelsverkeer over zee tussen de landen van beide partijen en ongeacht de haven waar de goederen worden geladen of gelost, passen de overeenkomstsluitende partijen op schepen welke door hun onderscheidene rederijen worden geëxploiteerd een regeling toe waaraan de verdeelsleutel 40/40/20, geldende zowel wat de waarde als het volume van de vracht betreft, ten grondslag ligt."
10 Artikel 4, lid 2, van de Overeenkomst tussen de BLEU en de Republiek Senegal die op 3 september 1984 in werking is getreden, bepaalt met name:
"Ten aanzien van het vervoer van goederen, dat in het raam van het handelsverkeer over zee (regelmatige lijnen) tussen beide partijen plaatsvindt, en zulks ongeacht de haven waar de goederen worden geladen of gelost, passen de overeenkomstsluitende partijen op schepen welke door hun onderscheiden nationale rederijen worden geëxploiteerd een regeling toe waaraan de verdeelsleutel 40/40/20, geldende zowel wat de waarde als het volume van de vracht betreft, ten grondslag ligt."
11 Artikel 4, lid 2, van de Overeenkomst tussen de BLEU en de Republiek Mali dat op 26 juni 1987 in werking is getreden, bepaalt:
"Ten aanzien van het vervoer van goederen, dat in het raam van het handelsverkeer over zee (regelmatige lijnen) tussen beide partijen plaatsvindt, en zulks ongeacht de haven waar de goederen worden geladen of gelost, passen de contracterende partijen op schepen welke door hun onderscheiden nationale scheepvaartmaatschappijen worden geëxploiteerd een regeling toe waaraan de verdeelsleutel 40/40/20, geldende zowel wat de waarde als het volume van de vracht betreft, ten grondslag ligt. Als het aan derde landen overgelaten aandeel van 20 % niet door hen wordt vervoerd, wordt het naar waarde en volume gelijk verdeeld tussen de nationale scheepvaartmaatschappijen van de BLEU en de nationale scheepvaartmaatschappijen van de Republiek Mali."
12 Artikel 4, lid 2, van de Overeenkomst tussen de BLEU en de Republiek Togo, die op 19 oktober 1984 is ondertekend en op 19 oktober 1987 in werking is getreden, bepaalt:
"Ten aanzien van het vervoer van goederen, dat in het raam van het handelsverkeer over zee (regelmatige lijnen) tussen de landen van beide partijen plaatsvindt, en zulks ongeacht de haven waar de goederen worden geladen of gelost, komen de overeenkomstsluitende partijen overeen een regeling van vrachtverdeling toe te passen op basis van strikte gelijkheid van rechten en volgens de criteria van tonnenmaat, de betalende eenheid en de waarde van de vracht, waarbij het laatste criterium het bijzonderste is.
Het gedeelte van het vervoer voorbehouden aan de door hun respectieve nationale scheepvaartmaatschappijen geëxploiteerde schepen zal ten minste gelijk zijn aan 40 % van het globale vervoer; het gedeelte dat toegankelijk is voor rederijen van derde landen mag de 20 % niet overschrijden."
13 Artikel 5 van deze overeenkomst luidt:
"Onverminderd haar in internationaal verband aangegane verplichtingen beschikt elke overeenkomstsluitende partij op soevereine wijze over de vervoersrechten die haar krachtens het in deze overeenkomst bepaalde toevallen."
14 Artikel 21 van deze overeenkomst luidt:
"Deze overeenkomst treedt in werking zodra beide overeenkomstsluitende partijen elkaar langs diplomatieke weg ervan in kennis hebben gesteld dat de grondwettelijk vereiste procedures zijn vervuld.
Deze overeenkomst wordt gesloten voor een tijdvak van vijf jaar. Ze kan stilzwijgend worden verlengd, telkens voor een tijdvak van één jaar, tenzij een der overeenkomstsluitende partijen de overeenkomst zes maanden vóór het verstrijken ervan langs diplomatieke weg opzegt."
De precontentieuze procedure
15 Bij brief van 10 april 1991 aan de Belgische regering (C-171/98), en bij twee brieven van 9 november 1995 aan de Belgische (C-201/98) respectievelijk de Luxemburgse (C-202/98) regering stelde de Commissie vast, dat deze twee lidstaten de verplichtingen niet waren nagekomen die op hen rustten krachtens verordening nr. 4055/86, en met name de artikelen 3 en 4, lid 1, ervan, wat de overeenkomsten van de BLEU met de Republiek Senegal en de Republiek Ivoorkust betreft, en artikel 5 ervan wat de overeenkomsten van de BLEU met de Republiek Mali en de Republiek Togo betreft, zodat zij hen heeft aangemaand binnen een termijn van twee maanden hun opmerkingen kenbaar te maken.
16 In zaak C-171/98 heeft de Commissie bij brief van 11 oktober 1993 het Koninkrijk België een met redenen omkleed advies doen toekomen, en op 26 januari 1996 een aanvullend met redenen omkleed advies.
17 In de zaken C-201/98 en C-202/98 heeft de Commissie op 16 juni 1997 het Koninkrijk België en op 29 juli 1997 het Groothertogdom Luxemburg een met redenen omkleed advies doen toekomen.
18 In zaak C-171/98 heeft de Commissie, in antwoord op een brief van de Belgische regering van 7 juni 1991 waarin deze erop wees dat de overeenkomst tussen de BLEU en de Republiek Togo haars inziens een bestaande overeenkomst was in de zin van de artikelen 3 en 4 van verordening nr. 4055/86, in het tot België gericht aanvullend met redenen omkleed advies de redenen gepreciseerd waarom deze overeenkomst als een toekomstige overeenkomst in de zin van artikel 5 van verordening nr. 4055/86 moest worden beschouwd. Dienaangaande legde de Commissie uit, dat uit artikel 21 van de overeenkomst tussen de BLEU en de Republiek Togo volgt, dat elke overeenkomstsluitende partij de "grondwettelijk vereiste procedures" moet hebben vervuld, alvorens daadwerkelijk door de overeenkomst te zijn gebonden. In deze omstandigheden was de ondertekening van de overeenkomst in 1984 slechts een waarmerking van de teksten, en eerst bij wet van 9 oktober 1987 "houdende goedkeuring van de overeenkomst", heeft het Koninkrijk België de overeenkomst met de Republiek Togo daadwerkelijk goedgekeurd, dus na de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 4055/86.
19 In haar antwoord van 30 april 1996 betwistte de Belgische regering dit standpunt van de Commissie, stellende dat in feite vóór de vervulling van de grondwettelijk vereiste procedures aan de bepalingen van de overeenkomst met de Republiek Togo uitvoering was gegeven. Zij betoogde ook dat:
- het onderscheid tussen bestaande en toekomstige overeenkomsten in de gebruikelijke verdragsrechtelijke terminologie onbekend is;
- de overeenkomstsluitende partijen zich vanaf de ondertekening van de overeenkomst moeten onthouden van alle met deze overeenkomst strijdige handelingen;
- de partijen bij de overeenkomst de wil te kennen hebben gegeven vanaf de sluiting ervan door de overeenkomst gebonden te zijn;
- de wilsuiting van partijen het beslissende element is;
- de overeenkomst vanaf de ondertekening gevolgen heeft gehad zonder dat op de ratificatie ervan behoefde te worden gewacht.
20 In zaak C-201/98 wees de Belgische regering in haar antwoord van 7 februari 1996 op de aanmaningsbrief van de Commissie erop, dat de aanpassing van de overeenkomsten tussen de BLEU en de Republiek Senegal, de Republiek Ivoorkust en de Republiek Mali in behandeling was. Op 31 oktober 1996 zond de Belgische regering de Commissie een kopie van de brief van 26 februari 1996 van het Senegalese Ministerie van Buitenlandse zaken, waarbij dit land zich met de aanpassing van de bilaterale overeenkomst akkoord verklaarde. Over de inhoud van deze overeenkomst is de Commissie evenwel niets meegedeeld.
21 Aangaande zaak C-202/98 preciseerde de Luxemburgse regering in haar antwoord van 14 maart 1996 op de aanmaningsbrief van de Commissie, dat het Koninkrijk België, zoals in het kader van het BLEU-Verdrag gebruikelijk is, namens de BLEU scheepvaartovereenkomsten heeft gesloten, en dat deze overeenkomsten in het Groothertogdom Luxemburg in de praktijk niet voor ratificatie worden voorgelegd, en zelfs niet in het Mémorial worden bekendgemaakt. Bovendien vroeg de Luxemburgse regering zich af, of het Groothertogdom Luxemburg dan wel de BLEU een inbreuk had gepleegd, aangezien de overeenkomst bepaalt dat de Belgische administratie de bevoegde instantie is, verschillende bepalingen zonder werkelijke gevolgen voor het Groothertogdom bevat, en de betrokkenheid van Luxemburgse scheepvaartmaatschappijen niet is aangetoond.
22 Toen zij vaststelde dat de wijzigingsprocedures niet waren beëindigd, heeft de Commissie de onderhavige beroepen wegens niet-nakoming ingesteld.
De beroepen
23 De Commissie merkt op, dat blijkens artikel 1 van verordening nr. 4055/86 de vrijheid van dienstverrichting inzake zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen geldt voor de onderdanen van de lidstaten die zijn gevestigd in een andere lidstaat dan in die van degene voor wie de diensten worden verricht. In de artikelen 3 en 5 van verordening nr. 4055/86 is de situatie ten opzichte van derde landen geregeld, in artikel 3 wat de bestaande overeenkomsten betreft, en in artikel 5 wat de toekomstige overeenkomsten betreft.
24 Voor het onder de gedragscode voor lijnvaartconferences van de Verenigde Naties (hierna: "gedragscode") vallende verkeer dat is geregeld bij artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 4055/86, is geen enkele termijn verleend voor de aanpassing van een overeenkomst. Voor het niet onder deze gedragscode vallende verkeer voorziet artikel 4, lid 1, sub b, van deze verordening wel in een termijn, die verstrijkt op 1 januari 1993. De Commissie stelt dus vast, dat ongeacht de op het ene of het andere type verkeer toepasselijke bepaling, namelijk artikel 4, lid 1, sub a, dan wel artikel 4, lid 1, sub b, van verordening nr. 4055/86, de betrokken overeenkomsten sedert lang hadden moeten zijn aangepast.
25 Aangezien de door de BLEU met de Republiek Senegal, de Republiek Ivoorkust, de Republiek Mali en de Republiek Togo gesloten overeenkomsten vrachtverdelingsregelingen bevatten die een deel van het verkeer voor Belgische of Luxemburgse scheepvaartmaatschappijen reserveren, met uitsluiting van de scheepvaartmaatschappijen van de andere lidstaten van de Gemeenschap, is de Commissie van mening dat zij in strijd zijn met verordening nr. 4055/86.
26 Aangezien de overeenkomsten tussen de BLEU en de Republiek Senegal en de Republiek Ivoorkust in werking zijn getreden op 3 september 1984 respectievelijk 25 oktober 1979, dus vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 4055/86, is de Commissie van mening, dat het om bestaande overeenkomsten gaat in de zin van de artikelen 3 en 4 van deze verordening, en dat deze overeenkomsten, die discriminerend zijn, volgens artikel 3 van verordening nr. 4055/86, overeenkomstig de bepalingen van artikel 4 moeten worden afgeschaft of aangepast.
27 De overeenkomsten tussen de BLEU en de Republiek Mali en de Republiek Togo zijn op 26 juni 1987 respectievelijk 19 oktober 1987 in werking getreden. Volgens de Commissie gaat het om "toekomstige overeenkomsten" in de zin van artikel 5 van verordening nr. 4055/86, en moeten zij volgens deze bepaling worden afgeschaft of gewijzigd.
28 In het kader van zaak C-171/98 wijst de Belgische regering erop, dat de artikelen 4 en 5 van de overeenkomst, die als strijdig met artikel 5, lid 1, van verordening nr. 4055/86 worden beschouwd, overeenkomstig de wensen van de Commissie zijn gewijzigd bij een mondelinge afspraak die geldt als een overeenkomst tussen de BLEU en de Republiek Togo. Wegens een materiële vergissing is het evenwel onontbeerlijk een nieuwe mondelinge afspraak te maken, hetgeen spoedig zal gebeuren.
29 Aangaande zaak C-201/98 merkt de Belgische regering op, dat zij sedert het begin van de procedure steeds heeft gepreciseerd, dat zij zich nooit heeft willen onttrekken aan haar verplichtingen betreffende de uitvoering van verordening nr. 4055/86. De onderhandelingen met de verschillende landen namen evenwel meer tijd in beslag dan verwacht.
30 Bij brief van 25 november 1998 deelde de Belgische regering de Commissie mee, dat thans is voldaan aan de uit verordening nr. 4055/86 voortvloeiende verplichtingen wat de overeenkomsten met de Republiek Mali en de Republiek Senegal betreft.
31 In zaak C-202/98 sluit de Luxemburgse regering zich aan bij de opmerkingen van de Belgische regering in haar verweerschrift in zaak C-201/98.
32 In de eerste plaats zij gepreciseerd, dat de Belgische wet houdende goedkeuring van de overeenkomst tussen de BLEU en de Republiek Togo op 9 oktober 1987 is vastgesteld, dus na de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 4055/86, zodat deze overeenkomst als een toekomstige overeenkomst in de zin van artikel 5 van verordening nr. 4055/86 moet worden aangemerkt. Ook de overeenkomst tussen de BLEU en de Republiek Mali is een toekomstige overeenkomst aangezien zij op 26 juni 1987 in werking is getreden. De overeenkomsten tussen de BLEU en de Republiek Senegal en de Republiek Ivoorkust daarentegen zijn op 3 september 1984 respectievelijk op 25 oktober 1979 in werking getreden, dus vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 4055/86, zodat zij onder de bepalingen van de artikelen 3 en 4 van deze verordening vallen.
33 In de tweede plaats zij vastgesteld, dat wat de bepaling betreft van de datum vanaf welke een betwiste overeenkomst moet worden aangepast, artikel 4, lid 1, van verordening nr. 4055/86 een onderscheid maakt naargelang het verkeer al dan niet onder de gedragscode valt. Slechts wanneer dit niet het geval is, verleent deze verordening de lidstaten een termijn tot 1 januari 1993 om tot aanpassing over te gaan. Valt het verkeer wel onder de gedragscode, dan is er geen termijn voor de aanpassing van de overeenkomst.
34 Deze gedragscode is op 30 maart 1988 bekrachtigd door het Koninkrijk België. Het Groothertogdom Luxemburg daarentegen heeft de gedragscode niet bekrachtigd.
35 Zoals de Commissie opmerkte, hadden de thans in geding zijnde overeenkomsten, ongeacht de toepasselijke termijn, evenwel reeds lang door het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg moeten zijn aangepast of afgeschaft.
36 De Belgische regering betwist niet, dat er sprake is van niet-nakoming, en verklaart dat het nooit haar bedoeling is geweest zich te onttrekken aan haar verplichtingen wat de uitvoering van verordening nr. 4055/86 betreft. Volgens het Groothertogdom Luxemburg daarentegen is er geen sprake van niet-nakoming. Ten gronde verwijst de Luxemburgse regering evenwel naar de opmerkingen van de Belgische regering, en betwist de niet-nakoming dus alleen vanuit formeel oogpunt.
37 Nu de door de BLEU met respectievelijk de Republiek Mali, de Republiek Togo, de Republiek Senegal en de Republiek Ivoorkust gesloten overeenkomsten niet binnen de gestelde termijnen zijn gewijzigd, moet het beroep van de Commissie gegrond worden verklaard.
38 Vastgesteld moet dus worden, dat het Koninkrijk België (C-171/98 en C-201/98) en het Groothertogdom Luxemburg (C-202/98), door het sluiten en handhaven van de overeenkomsten inzake vrachtverdelingsregelingen met de Republiek Togo (C-171/98 en C-202/98) en de Republiek Mali (C-201/98 en C-202/98), en door niet de nodige maatregelen te nemen om de overeenkomsten met de Republiek Senegal en de Republiek Ivoorkust (C-201/98 en C-202/98) aldus aan te passen dat de gemeenschapsonderdanen een billijke, vrije en niet-discriminerende toegang krijgen tot de vracht die aan België en Luxemburg toekomt, dan wel deze overeenkomsten op te zeggen, niet de verplichtingen zijn nagekomen die op hen rusten krachtens verordening nr. 4055/86 en met name de artikelen 3 en 4, lid 1, ervan wat de Republiek Senegal en de Republiek Ivoorkust betreft, en artikel 5 ervan wat de Republiek Mali en de Republiek Togo betreft.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
39 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Het Koninkrijk België is in de zaken C-171/98 en C-201/98 in het ongelijk gesteld, en dient dus in de kosten te worden verwezen. Het Groothertogdom Luxemburg is in zaak C-202/98 in het ongelijk gesteld, en dient dus in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door het sluiten en handhaven van de overeenkomsten inzake vrachtverdelingsregelingen met de Republiek Togo (C-171/98 en C-202/98) en de Republiek Mali (C-201/98 en C-202/98), en door niet de nodige maatregelen te nemen om de overeenkomsten met de Republiek Senegal en de Republiek Ivoorkust (C-201/98 en C-202/98) aldus aan te passen dat de gemeenschapsonderdanen een billijke, vrije en niet-discriminerende toegang krijgen tot de vracht die aan België en Luxemburg toekomt, dan wel deze overeenkomsten op te zeggen, zijn het Koninkrijk België (C-171/98 en C-201/98) en het Groothertogdom Luxemburg (C-202/98) niet de verplichtingen nagekomen die op hen rusten krachtens verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen, en met name de artikelen 3 en 4, lid 1, ervan wat de Republiek Senegal en de Republiek Ivoorkust betreft, en artikel 5 ervan wat de Republiek Mali en de Republiek Togo betreft.
2) In de zaken C-171/98 en C-201/98 wordt het Koninkrijk België in de kosten verwezen, en in zaak C-202/98 wordt het Groothertogdom Luxemburg in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy