Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Gemeenschapsrecht - Beginselen - Gelijke behandeling - Discriminatie op grond van nationaliteit - Regeling die, voor toekenning van rechtspersoonlijkheid aan vereniging, voorwaarde betreffende nationaliteit van leden oplegt - Ontoelaatbaarheid - Niet-nakoming
[EG-Verdrag, art. 6 (thans, na wijziging, art. 12 EG)]
Samenvatting
$$Een lidstaat die voor de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van een vereniging eist, dat het bestuur een lid met de nationaliteit van de lidstaat bevat, of dat een minimumaantal leden, dat bovendien meer dan de helft bedraagt, die nationaliteit bezit, komt de verplichtingen niet na die op hem rusten krachtens artikel 6 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12 EG).
Een dergelijke regeling betreffende het recht om een vereniging op te richten, die op onderdanen van de andere lidstaten van toepassing is, valt onder het Verdrag, aangezien zij van invloed is op één van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden, en maakt inbreuk op artikel 6 ervan, door een discriminerende voorwaarde op grond van nationaliteit op te leggen.
Partijen
In zaak C-172/98,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur-generaal bij de algemene directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door voor de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van een vereniging naar gelang van het geval te eisen, dat het bestuur een Belgisch lid bevat, of dat een minimumaantal leden (dat bovendien meer dan de helft bedraagt) de Belgische nationaliteit bezit, de krachtens artikel 6 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12 EG) op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, J. L. Murray en H. Ragnemalm (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 januari 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 8 mei 1998, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België, door voor de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van een vereniging naar gelang van het geval te eisen, dat het bestuur een Belgisch lid bevat, of dat een minimumaantal leden (dat bovendien meer dan de helft bedraagt) de Belgische nationaliteit bezit, de krachtens artikel 6 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12 EG) op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 1 van de Belgische wet van 25 oktober 1919 tot verleening van rechtspersoonlijkheid aan de internationale vereenigingen met menschlievend, godsdienstig, wetenschappelijk, artistiek en paedagogisch doel (hierna: "wet van 1919") bepaalt, dat "aan de vereenigingen, toegankelijk voor Belgen en vreemdelingen, hebbende als middel van werking eene instelling of een bestendig comiteit, gevestigd in België, waarvan het bestuur ten minste één Belgisch lid bevat en die, zonder winstbejag, een menslievend, godsdienstig, wetenschappelijk, artistiek, paedagogisch doel beoogen, (...) onder de voorwaarden en binnen de grenzen gesteld door deze wet, de rechtspersoonlijkheid bij koninklijk besluit verleend [kan] worden".
3 Artikel 26 van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de vereenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend (hierna: "wet van 1921") bepaalt, dat "(...) de vereeniging zich niet op de rechtspersoonlijkheid [kan] beroepen tegenover derden (...) wanneer drie vijfden van de leden niet de Belgische nationaliteit bezitten".
4 Bij brief van 25 maart 1996 wees de Commissie het Koninkrijk België erop, dat de twee voornoemde wetten haar strijdig leken met artikel 6 van het Verdrag, en verzocht zij het binnen een termijn van twee maanden zijn opmerkingen te maken.
5 Op 9 augustus 1996 deelde de Belgische regering de Commissie mede, dat zij voornemens was, de gewraakte wetten te wijzigen om aan de in de brief van 25 maart 1996 geformuleerde opmerkingen te voldoen. Op 26 februari 1997 zond zij de Commissie twee voorontwerpen van wet, bedoeld om de betrokken wetten te wijzigen.
6 Toen de Commissie vaststelde dat de gewraakte bepalingen nog steeds van kracht waren, deed zij het Koninkrijk België op 19 juni 1997 een met redenen omkleed advies toekomen met het verzoek, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen vast te stellen om zich naar artikel 6 van het Verdrag te voegen.
7 Daarop zond de Belgische regering de Commissie bij brief van 11 augustus 1997 een ontwerp van wet tot wijziging van de wet van 1921, en bij brief van 27 februari 1998 een voorontwerp van wet betreffende de wet van 1919.
8 Toen de Commissie echter geen informatie over de daadwerkelijke vaststelling van maatregelen tot wijziging van de gewraakte bepalingen ontving, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
9 In haar verzoekschrift zet de Commissie uiteen, dat de wet van 1919 en de wet van 1921 op grond van nationaliteit discriminerende bepalingen bevatten, die binnen de werkingssfeer van het EG-Verdrag vallen, aangezien zij van invloed zijn op de vrijheid van vestiging en daardoor in strijd zijn met artikel 6 van het Verdrag.
10 In haar verweerschrift wijst de Belgische regering erop, dat een voorontwerp van wet is opgesteld, waarover de Raad van State advies moet uitbrengen alvorens het ter goedkeuring aan het Parlement wordt voorgelegd.
11 Vooraf zij eraan herinnerd, dat artikel 6, eerste alinea, van het Verdrag, binnen de werkingssfeer van het Verdrag, elke discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt.
12 De betrokken Belgische wetten stellen regelen omtrent het recht om in België een vereniging met rechtspersoonlijkheid op te richten, en zijn onder meer op onderdanen van de andere lidstaten van toepassing. Die wetten zijn dus van invloed op één van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden en vallen dus binnen de werkingssfeer van het Verdrag.
13 Artikel 1 van de wet van 1919 en artikel 26 van de wet van 1921 vereisen voor de oprichting van die verenigingen de aanwezigheid van een minimumaantal leden van Belgische nationaliteit en aldus leggen zij een met artikel 6 van het Verdrag onverenigbare discriminerende voorwaarde op grond van nationaliteit op.
14 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door voor de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van een vereniging naar gelang van het geval te eisen, dat het bestuur een Belgisch lid bevat, of dat een minimumaantal leden (dat bovendien meer dan de helft bedraagt) de Belgische nationaliteit bezit, de krachtens artikel 6 van het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
15 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie zulks heeft gevorderd en het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door voor de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van een vereniging naar gelang van het geval te eisen, dat het bestuur een Belgisch lid bevat, of dat een minimumaantal leden (dat bovendien meer dan de helft bedraagt) de Belgische nationaliteit bezit, is het Koninkrijk België de krachtens artikel 6 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12 EG) op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy