Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Internationale overeenkomsten - Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko - In lidstaat werkzame Marokkaanse werknemers - Sociale zekerheid - Gelijke behandeling - Artikel 41, lid 1, van Overeenkomst - Beroep daarop door gezinslid van Marokkaanse werknemer die nationaliteit van lidstaat van ontvangst heeft verkregen - Voorwaarde - Behoud van Marokkaanse nationaliteit door werknemer uit oogpunt van recht van lidstaat van ontvangst - Beoordeling door nationale rechter
(Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko, art. 41, lid 1)
2 Internationale overeenkomsten - Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko - In lidstaat werkzame Marokkaanse werknemers - Sociale zekerheid - Gelijke behandeling - Artikel 41, lid 1, van Overeenkomst - Gezinsleden van Marokkaanse migrerende werknemer - Begrip - Verwanten in opgaande lijn van werknemer en zijn echtgenoot - Daaronder begrepen - Voorwaarde - Wonen bij werknemer in lidstaat van ontvangst
(Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko, art. 41, lid 1)
Samenvatting
1 Een gezinslid van een migrerende werknemer die de Marokkaanse nationaliteit bezit, kan zich, wanneer deze werknemer de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst heeft verkregen vóór de datum waarop het gezinslid in die lidstaat bij hem is komen wonen en een socialezekerheidsuitkering op grond van de wetgeving van die staat heeft aangevraagd, niet op basis van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EEG en Marokko op de Marokkaanse nationaliteit van die werknemer beroepen teneinde toepassing van het in die bepaling neergelegde beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid te verlangen.
Een dergelijk gezinslid van een Marokkaanse migrerende werknemer kan zich, voorzover laatstgenoemde tevens de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst bezit, ten behoeve van de toepassing van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst slechts op de Marokkaanse nationaliteit van de werknemer beroepen op basis van het recht van de betrokken lidstaat, waarvan de uitlegging en toepassing echter uitsluitend door de nationale rechter dient te geschieden in het kader van het aan hem voorgelegde geschil.
2 Het begrip "gezinsleden" van de Marokkaanse migrerende werknemer in de zin van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EEG en Marokko, waarin het beginsel van non-discriminatie op het gebied van de sociale zekerheid is vastgelegd, niet alleen ten gunste van de Marokkaanse migrerende werknemer zelf, maar ook van de bij hem wonende leden van zijn gezin, strekt zich ook uit tot de verwanten in opgaande lijn van die werknemer en van zijn echtgenoot, die bij hem in de lidstaat van ontvangst wonen.
Partijen
In zaak C-179/98,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Arbeidshof te Brussel (België), in het aldaar aanhangig geding tussen
Belgische Staat
en
F. Mesbah,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 264, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen (rapporteur), president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, P. J. G. Kapteyn en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- F. Mesbah, vertegenwoordigd door M. Mikolajczak, advocaat te Nijvel,
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder, algemeen directeur van de juridische dienst van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en C.-D. Quassowski, Regierungsdirektor bij dat ministerie, als gemachtigden,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur internationaal economisch recht en gemeenschapsrecht bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en A. de Bourgoing, chargé de mission bij die directie, als gemachtigden,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Ridley, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door M. Hoskins, Barrister,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Belgische regering, vertegenwoordigd door A. Snoecx, adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde; de Franse regering, vertegenwoordigd door A. de Bourgoing; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door M. Hoskins, en de Commissie, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, ter terechtzitting van 25 maart 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 mei 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 11 mei 1998, ingekomen bij het Hof op 15 mei daaraanvolgend, heeft het Arbeidshof te Brussel het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 264, blz. 1; hierna: "Overeenkomst").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen F. Mesbah, Marokkaans onderdaan, en de Belgische Staat, betreffende de weigering van een uitkering voor gehandicapten.
3 Blijkens het dossier in de hoofdzaak woont Mesbah sinds 10 september 1985 in België, waar zij tot het gezin van haar dochter en haar schoonzoon behoort.
4 Laatstgenoemden zijn beide van Marokkaanse afkomst en nationaliteit, en hebben, "blijkbaar midden jaren zeventig", in de woorden van het verwijzingsarrest, door naturalisatie de Belgische nationaliteit verkregen. Op een vraag van het Hof ter zake heeft de Belgische regering meegedeeld, dat Mesbahs schoonzoon sinds 2 september 1985 de Belgische nationaliteit bezit. Voorts heeft Mesbahs raadsman bij zijn bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen een verklaring van de consul-generaal van het Koninkrijk Marokko te Brussel gevoegd, blijkens welke de schoonzoon van verweerster in het hoofdgeding op 27 juli 1998 nog steeds de Marokkaanse nationaliteit bezat.
5 Vaststaat, dat Mesbahs schoonzoon van 1964 tot en met 1989 in België heeft gewerkt en na zijn pensionering met zijn echtgenote in die lidstaat is blijven wonen.
6 Op 22 maart 1995 vroeg Mesbah, die lichamelijk gehandicapt is en in België nooit beroepsarbeid heeft verricht, een uitkering voor gehandicapten aan uit hoofde van de Belgische wet van 27 februari 1987 (Belgisch Staatsblad van 1 april 1987, blz. 4832).
7 Ingevolge artikel 4, lid 1, van deze wet, zoals gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991 (Belgisch Staatsblad van 1 augustus 1991, blz. 16951), is voor het recht op de gehandicaptenuitkering vereist dat de betrokkene werkelijk in België verblijft en Belg, onderdaan van een andere lidstaat van de Gemeenschap, staatloos of van onbepaalde nationaliteit of vluchteling is, dan wel tot de leeftijd van 21 jaar recht heeft gehad op verhoogde kinderbijslag ingevolge de Belgische wetgeving. De wet van 20 juli 1991 is in werking getreden op 1 januari 1992.
8 Op 8 maart 1996 wezen de Belgische bevoegde instanties de aanvraag van Mesbah af op grond dat zij niet voldeed aan de in artikel 4, lid 1, van de gewijzigde wet van 27 februari 1987 gestelde nationaliteitsvoorwaarde.
9 Op 22 maart daaraanvolgend ging Mesbah van deze beschikking in beroep bij de Arbeidsrechtbank te Nijvel, stellende dat daarbij artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst niet in acht was genomen.
10 Volgens deze bepaling "vallen de werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden (...) op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en de eigen onderdanen van de lidstaten waar zij werkzaam zijn".
11 Volgens Mesbah betekent dit, dat de Overeenkomst de autoriteiten van een lidstaat verbiedt, socialezekerheidsuitkeringen te weigeren op grond dat de aanvrager de Marokkaanse nationaliteit bezit.
12 Bij vonnis van 16 mei 1997 verklaarde de Arbeidsrechtbank te Nijvel het beroep van Mesbah gegrond en vernietigde hij de beschikking waarbij Mesbah de gehandicaptenuitkering was geweigerd.
13 Op 15 juni daaraanvolgend stelde de Belgische Staat hoger beroep in bij het Arbeidshof te Brussel, stellende dat Mesbah de Marokkaanse nationaliteit bezit en derhalve ingevolge de Belgische wet geen recht heeft op de aangevraagde uitkering.
14 Het Arbeidshof stelde vast, dat overeenkomstig vaste rechtspraak (zie met name arresten van 31 januari 1991, Kziber, C-18/90, Jurispr. blz. I-199, en 20 april 1994, Yousfi, C-58/93, Jurispr. blz. I-1353) artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst rechtstreekse werking heeft, zodat Mesbah zich daarop voor de nationale rechter kan beroepen. Het oordeelde tevens, dat een uitkering voor gehandicapten als bedoeld in de wet van 27 februari 1987, zoals gewijzigd, op grond van voormelde rechtspraak binnen de materiële werkingssfeer van deze bepaling valt.
15 Volgens het Arbeidshof moet echter nog worden vastgesteld, in hoeverre een "gezinslid" van een Marokkaanse werknemer, dat nooit door het verrichten van arbeid rechten op socialezekerheidsuitkeringen heeft opgebouwd, binnen de personele werkingssfeer van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst valt uit hoofde van huidige of in het verleden verrichte arbeid van een lid van zijn gezin.
16 In dit verband overweegt de verwijzende rechter, dat deze bepaling van toepassing is op werknemers, of zij nu actief dan wel gepensioneerd zijn, die de Marokkaanse nationaliteit bezitten, en op de leden van hun gezin die bij hen wonen in de lidstaat van ontvangst. Voorts verwerpt hij onder verwijzing naar het arrest van 15 januari 1998, Babahenini (C-113/97, Jurispr. blz. I-183, punt 32), het argument van de Belgische Staat, dat Mesbah, die nooit zelf de hoedanigheid van werknemer heeft bezeten, geen recht op een gehandicaptenuitkering heeft op grond van de Belgische wet, omdat deze uitkering door de nationale wetgeving is bedoeld als een eigen recht en niet als een afgeleid recht dat door verweerster in het hoofdgeding kan worden verworven in haar hoedanigheid van lid van het gezin van een migrerende werknemer.
17 Het Arbeidshof merkt evenwel op, dat Mesbah op 22 maart 1995, de datum van indiening van de aanvraag van de gehandicaptenuitkering, in het gezin van haar schoonzoon en haar dochter als enige de Marokkaanse nationaliteit had behouden. Laatstgenoemden zouden immers vóór die datum de Belgische nationaliteit hebben verkregen. Volgens de verwijzende rechter rijst dan ook de vraag, of Mesbah nog te beschouwen is als lid van het gezin van een "Marokkaans werknemer" in de zin van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst. Aangezien deze bepaling geen definitie geeft van het begrip "gezinslid", moet men zich voorts afvragen, tot welke graad van verwantschap dit begrip zich kan uitstrekken en of het van toepassing kan zijn op personen tussen wie, zoals in het hoofdgeding, slechts aanverwantschap bestaat.
18 Van oordeel, dat de beslechting van het geschil derhalve de uitlegging van het gemeenschapsrecht vereist, heeft het Arbeidshof te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Kan een gezinslid van een werknemer van Marokkaanse afkomst, die echter later de Belgische nationaliteit heeft verworven, zich nog beroepen op artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, op 27 april 1976 te Rabat ondertekend en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978, en op het daarin neergelegde beginsel van non-discriminatie van $Marokkaanse werknemers' en bij hen wonende $gezinsleden'?
2) Tot welke graad van verwantschap - in directe linie en/of in zijlinie - kan het in artikel 41, lid 1, van voormelde Overeenkomst EEG-Marokko vervatte begrip $gezin' zich uitstrekken en kan het ook van toepassing zijn op personen van Marokkaanse nationaliteit tussen wie slechts aanverwantschap bestaat?"
De eerste vraag
19 Vaststaat, dat Mesbah op de datum van aanvraag van de in geding zijnde gehandicaptenuitkering, alsmede in de jaren 1992-1995, de door de nationale wettelijke regeling voor toekenning van deze uitkering gehanteerde referentieperiode, de Marokkaanse nationaliteit bezat.
20 Op grond van deze voorwaarde alleen kan een lid van het gezin van een in de lidstaat van ontvangst gevestigde Marokkaanse werknemer zich echter aldaar niet beroepen op het in artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst neergelegde beginsel van non-discriminatie op het gebied van de sociale zekerheid.
21 Reeds uit de bewoordingen van deze bepaling volgt immers, dat dit beginsel werkt ten gunste van werknemers met de Marokkaanse nationaliteit en van in de lidstaat van ontvangst bij hen wonende gezinsleden.
22 In casu wordt niet betwist, dat Mesbah overeenkomstig de toepasselijke nationale wetgeving inderdaad deel uitmaakte van het gezin van een migrerende werknemer in de lidstaat op het grondgebied waarvan deze werknemer werkt of heeft gewerkt, in casu het gezin van haar schoonzoon in België, waar deze laatste een ouderdomspensioen ontvangt na er arbeid te hebben verricht. Het geschil draait evenwel om de nationaliteit van die werknemer, van wie verweerster in het hoofdgeding eventueel rechten kan afleiden om op grond van de wetgeving van de lidstaat van ontvangst voor een gehandicaptenuitkering in aanmerking te komen onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van die staat.
23 Overeenkomstig de bewoordingen van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst kan het gezinslid zich slechts op het daarin neergelegde discriminatieverbod beroepen voor zover de migrerende werknemer bij wie het woont, de Marokkaanse nationaliteit bezit.
24 In dit verband merkt het Arbeidshof in zijn verwijzingsarrest op, dat de schoonzoon en de dochter van Mesbah "blijkbaar midden jaren zeventig" door naturalisatie de Belgische nationaliteit hebben verkregen. De verwijzende rechter is ervan uitgegaan, dat de schoonzoon van verweerster in het hoofdgeding daardoor noodzakelijkerwijs de Marokkaanse nationaliteit had verloren, aangezien hij erop heeft gewezen dat Mesbah op 22 maart 1995, de datum van aanvraag van de litigieuze gehandicaptenuitkering, in het gezin dat zij met haar schoonzoon en haar dochter vormde als enige de Marokkaanse nationaliteit had behouden.
25 Tijdens de procedure voor het Hof hebben verweerster in het hoofdgeding en de Belgische regering evenwel eendrachtig, onder overlegging van respectievelijk een door een ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats van de schoonzoon van Mesbah afgegeven verklaring en een uittreksel uit het bevolkingsregister, gesteld, dat de schoonzoon de Belgische nationaliteit bezit sinds 2 september 1985. Voorts is een verklaring van de consul-generaal van het Koninkrijk Marokko te Brussel overgelegd, blijkens welke de schoonzoon van Mesbah op 27 juli 1998 de Marokkaanse nationaliteit bezat.
26 Teneinde de verwijzende rechter een antwoord te geven dat tot de beslechting van het hoofdgeding kan bijdragen en in aanmerking genomen dat de partijen die bij het Hof schriftelijke en mondelinge opmerkingen hebben ingediend, op dit punt uitdrukkelijk een standpunt hebben geformuleerd, moet in casu dan ook worden uitgemaakt, of een gezinslid van een migrerende werknemer die de Marokkaanse nationaliteit bezit, zich, wanneer deze werknemer de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst heeft verkregen vóór de datum waarop het gezinslid bij hem is komen wonen in die lidstaat en een socialezekerheidsuitkering op grond van de wettelijke regeling van die lidstaat heeft aangevraagd, op basis van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst op de Marokkaanse nationaliteit van die werknemer kan beroepen teneinde toepassing van het in die bepaling neergelegde beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid te verlangen.
27 Dienaangaande betoogt de Belgische regering, dat zelfs indien de migrerende werknemer moet worden geacht naar Marokkaans recht de Marokkaanse nationaliteit te hebben behouden, hij niettemin voor de toepassing van de Belgische wet moet worden geacht uitsluitend de Belgische nationaliteit te bezitten. Zij acht het dan ook niet mogelijk, dat een lid van zijn gezin zich in België op de Marokkaanse nationaliteit van de werknemer beroept om een in de Belgische wet geregelde uitkering van sociale zekerheid te verkrijgen.
28 De Commissie brengt daartegen in, dat ingeval de werknemer van wie het gezinslid rechten voor de toekenning van een socialezekerheidsuitkering als de thans in geding zijnde afleidt, zowel de nationaliteit van de lidstaat van herkomst als die van de lidstaat van ontvangst bezit, daaruit naar analogie met het arrest van 7 juli 1992, Micheletti e.a. (C-369/90, Jurispr. blz. I-4239), volgt, dat het gemeenschapsrecht eraan in de weg staat dat de lidstaat van ontvangst het gezinslid belet, zich op de Marokkaanse nationaliteit van de werknemer te beroepen teneinde toepassing van het in artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst te zijnen gunste neergelegde beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid te verlangen, op de enkele grond dat de wetgeving van die lidstaat deze werknemer uitsluitend als eigen onderdaan beschouwt.
29 Er zij aan herinnerd dat, zoals het Hof in punt 10 van het arrest Micheletti e.a., reeds aangehaald, constateerde, het bepalen van de voorwaarden voor de verkrijging en het verlies van de nationaliteit volgens internationaal recht tot de bevoegdheid van elke lidstaat behoort, maar dat die bevoegdheid met inachtneming van het gemeenschapsrecht dient te worden uitgeoefend.
30 In het arrest Micheletti e.a., reeds aangehaald, verklaarde het Hof dan ook voor recht, dat de bepalingen van het gemeenschapsrecht inzake de vrijheid van vestiging zich ertegen verzetten, dat een lidstaat weigert deze vrijheid te erkennen voor de onderdaan van een andere lidstaat, die tevens de nationaliteit van een derde land bezit, op grond dat de wetgeving van de lidstaat van ontvangst hem als onderdaan van dat derde land beschouwt.
31 Het Hof oordeelde namelijk, dat de wettelijke regeling van een lidstaat de gevolgen van de toekenning van de nationaliteit van een andere lidstaat niet mag beperken door een extra voorwaarde te stellen, bijvoorbeeld door te verlangen dat de betrokkene voordat hij de lidstaat van ontvangst binnenkomt zijn gewone woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, opdat deze nationaliteit met het oog op de uitoefening van de in het Verdrag neergelegde fundamentele vrijheden kan worden erkend. Deze conclusie dringt zich te meer op, omdat aanvaarding van die mogelijkheid tot gevolg zou hebben, dat de personele werkingssfeer van de bepalingen van gemeenschapsrecht inzake de vrijheid van vestiging, per lidstaat zou kunnen verschillen (arrest Micheletti e.a., reeds aangehaald, punten 10-12).
32 Het Hof verklaarde op grond daarvan, dat wanneer de belanghebbende zijn hoedanigheid van onderdaan van een lidstaat bewijst, andere lidstaten niet gerechtigd zijn deze hoedanigheid ter discussie te stellen op grond dat de belanghebbende tevens in het bezit is van de nationaliteit van een derde land, welke krachtens het recht van de lidstaat van ontvangst voorrang heeft boven die van de lidstaat (arrest Micheletti e.a., reeds aangehaald, punt 14).
33 De omstandigheden die in het hoofdgeding aan de orde zijn, verschillen evenwel van die van de zaak Micheletti e.a., reeds aangehaald.
34 In het onderhavige geval immers bezit de migrerende werknemer naast de nationaliteit van een derde land ook die van de lidstaat waarin hij zijn woonplaats heeft gevestigd en zijn beroepswerkzaamheden heeft verricht.
35 Voorts ontneemt die lidstaat van ontvangst aan een gezinslid van de werknemer, dat uit hoofde van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst rechten ontleent aan de positie van de werknemer, de mogelijkheid een beroep te doen, niet op de nationaliteit van een andere lidstaat, maar op die van een derde land die de werknemer bezit.
36 Anders dan in de zaak Micheletti e.a., reeds aangehaald, die de vrijheid van vestiging ingevolge het Verdrag betrof, tast de aan Mesbah tegengeworpen wetgeving van de lidstaat bovendien geen fundamentele vrijheid van verkeer aan, aangezien de Overeenkomst niet de totstandkoming van het vrije verkeer van Marokkaanse onderdanen binnen de Gemeenschap tot doel heeft, maar enkel beoogt, de sociale positie van Marokkaanse werknemers en de gezinsleden die, uitsluitend in de lidstaat van ontvangst, bij hen wonen, te versterken.
37 Derhalve kan de oplossing van het arrest Micheletti e.a., reeds aangehaald, dat betrekking heeft op een andere juridische situatie dan die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet op deze laatste worden toegepast.
38 Het argument van de Commissie ter zake kan dan ook niet worden aanvaard.
39 Bijgevolg verzet het gemeenschapsrecht zich er niet tegen, dat de lidstaat van ontvangst een gezinslid van een werknemer die de Belgische nationaliteit bezit en naar Marokkaans recht de Marokkaanse nationaliteit heeft behouden, belet, zich op de Marokkaanse nationaliteit van die werknemer te beroepen teneinde toepassing van het in artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst te zijnen gunste neergelegde beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid te verlangen, op de enkele grond dat de wetgeving van die lidstaat deze werknemer uitsluitend als eigen onderdaan beschouwt.
40 Het is dus uitsluitend aan de verwijzende rechter, in het kader van zijn uitsluitende bevoegdheid tot uitlegging en toepassing van zijn nationale recht in het aan hem voorgelegde geschil, de nationaliteit van de schoonzoon van Mesbah vast te stellen overeenkomstig het Belgische recht, in het bijzonder de nationaliteitswetgeving en het internationaal privaatrecht, dat van toepassing was op de datum van indiening van de aanvraag van de litigieuze gehandicaptenuitkering en in de voor de beoordeling van het recht op die socialezekerheidsuitkering relevante referentieperioden.
41 Gelet op bovenstaande overwegingen moet op eerste vraag worden geantwoord, dat een gezinslid van een migrerende werknemer die de Marokkaanse nationaliteit bezit, zich, wanneer deze werknemer de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst heeft verkregen vóór de datum waarop het gezinslid in die lidstaat bij hem is komen wonen en een socialezekerheidsuitkering op grond van de wetgeving van die staat heeft aangevraagd, niet op basis van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst op de Marokkaanse nationaliteit van die werknemer kan beroepen teneinde toepassing van het in die bepaling neergelegde beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid te verlangen.
Een dergelijk gezinslid van een Marokkaanse migrerende werknemer kan zich, voor zover laatstgenoemde tevens de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst bezit, ten behoeve van de toepassing van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst slechts op de Marokkaanse nationaliteit van de werknemer beroepen op basis van het recht van de betrokken lidstaat, waarvan de uitlegging en toepassing echter uitsluitend door de nationale rechter dient te geschieden in het kader van het aan hem voorgelegde geschil.
De tweede vraag
42 Ter beantwoording van deze vraag moet er om te beginnen aan worden herinnerd, dat ingevolge artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst het beginsel van non-discriminatie op het gebied van de sociale zekerheid niet alleen werkt ten gunste van de migrerende Marokkaanse werknemer zelf, maar ook van de bij hem wonende leden van zijn gezin.
43 Deze bepaling bevat geen definitie van het begrip "gezinsleden" van de werknemer.
44 Reeds uit de bewoordingen van de bepaling blijkt echter, dat het daarin neergelegde voorschrift van gelijke behandeling niet alleen geldt voor de echtgenoot en de kinderen van de migrerende werknemer. Artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst gebruikt immers de meer algemene uitdrukking "gezinsleden" van de werknemer en deze kan dus ook andere verwanten van deze laatste, zoals zijn verwanten in opgaande lijn, omvatten.
45 Voor het overige bevat deze bepaling niets dat erop wijst, dat de draagwijdte van het begrip "gezinsleden" beperkt is tot de bloedverwanten van de werknemer.
46 Uit het voorgaande volgt, dat het begrip "gezinsleden" in de zin van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst niet enkel doelt op de echtgenoot en de kinderen van de werknemer, maar ook op personen die in nauwe verwantschap tot hem staan, zoals zijn verwanten in opgaande lijn, aanverwanten daaronder begrepen, onder de uitdrukkelijke voorwaarde evenwel dat deze personen inderdaad bij de werknemer wonen.
47 Bijgevolg moet een persoon als verweerster in het hoofdgeding, die de moeder van de echtgenote van de migrerende werknemer is en sinds 1985 ononderbroken in het gezin van haar dochter en haar schoonzoon in de lidstaat van ontvangst woont, worden beschouwd als gezinslid van de werknemer in de zin van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst.
48 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat het begrip "gezinsleden" van de migrerende Marokkaanse werknemer in de zin van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst zich ook uitstrekt tot de verwanten in opgaande lijn van die werknemer en van zijn echtgenoot, die bij hem in de lidstaat van ontvangst wonen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
49 De kosten door de Belgische, de Duitse en de Franse regering, alsmede de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Arbeidshof te Brussel bij arrest van 11 mei 1998 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Een gezinslid van een migrerende werknemer die de Marokkaanse nationaliteit bezit, kan zich, wanneer deze werknemer de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst heeft verkregen vóór de datum waarop het gezinslid in die lidstaat bij hem is komen wonen en een socialezekerheidsuitkering op grond van de wetgeving van die staat heeft aangevraagd, niet op basis van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978, op de Marokkaanse nationaliteit van die werknemer beroepen teneinde toepassing van het in die bepaling neergelegde beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid te verlangen.
Een dergelijk gezinslid van een Marokkaanse migrerende werknemer kan zich, voor zover laatstgenoemde tevens de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst bezit, ten behoeve van de toepassing van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst slechts op de Marokkaanse nationaliteit van de werknemer beroepen op basis van het recht van de betrokken lidstaat, waarvan de uitlegging en toepassing echter uitsluitend door de nationale rechter dient te geschieden in het kader van het aan hem voorgelegde geschil.
2) Het begrip "gezinsleden" van de migrerende Marokkaanse werknemer in de zin van artikel 41, lid 1, van genoemde Overeenkomst strekt zich ook uit tot de verwanten in opgaande lijn van die werknemer en van zijn echtgenoot, die bij hem in de lidstaat van ontvangst wonen.
Full & Egal Universal Law Academy