Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verkeer van diensten - Direct verzekeringsbedrijf, met uitzondering van levensverzekeringsbranche - Richtlijn 92/49 - Werkingssfeer - Verzekeringen, opgenomen in wettelijk socialezekerheidsstelsel, die door verzekeringsondernemingen voor eigen risico worden uitgeoefend - Daaronder begrepen - Nationale regeling die elk verzekeringsfonds of elke verzekeringsonderneming die arbeidsongevallen dekt, van werkingssfeer van wet tot uitvoering van richtlijn uitsluit - Niet-nakoming
(Richtlijn 92/49 van de Raad, art. 2, lid 2, en art. 55)
Samenvatting
$$Artikel 2, lid 2, van richtlijn 92/49 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239 en 88/357 (Derde schadeverzekeringsrichtlijn) moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 55 van deze richtlijn, dat betrekking heeft op de verzekeringsondernemingen die op het grondgebied van de lidstaten voor eigen risico de verplichte arbeidsongevallenverzekering uitoefenen. Blijkens artikel 55, dat een speciale uitzondering op de algemene regeling van deze richtlijn vormt, valt deze verzekering binnen de werkingssfeer van de richtlijn. Bijgevolg is richtlijn 92/49 van toepassing op verzekeringen die in het kader van een wettelijk stelsel van sociale zekerheid door verzekeringsondernemingen voor eigen risico worden uitgeoefend.
Derhalve komt een lidstaat de krachtens richtlijn 92/49 op hem rustende verplichtingen niet na wanneer hij een bepaling vaststelt en handhaaft die elk verzekeringsfonds of elke verzekeringsonderneming die arbeidsongevallen dekt, zelfs wanneer dit fonds of deze onderneming met winstoogmerk voor eigen risico optreedt, uitsluit van de werkingssfeer van de nationale wet tot uitvoering van richtlijn 92/49.
( cf. punten 35-36, 44 en dictum )
Partijen
In zaak C-206/98,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Tufvesson, juridisch adviseur, en B. Mongin, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur-generaal bij de algemene directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, en A. Snoecx, adjunct- adviseur bij die dienst, als gemachtigden, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door artikel 2 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals gewijzigd bij het Koninklijk Besluit van 12 augustus 1994 (Belgisch Staatsblad van 16 september 1994, blz. 23525), vast te stellen en te handhaven, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (Derde schadeverzekeringsrichtlijn) (PB L 228, blz. 1), en krachtens het EG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), kamerpresident, C. Gulmann, J.-P. Puissochet, G. Hirsch en F. Macken, rechters,
advocaat-generaal: A. Saggio
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 27 oktober 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 januari 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van het Hof op 2 juni 1998, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) het Hof verzocht, vast te stellen dat het Koninkrijk België, door artikel 2 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals gewijzigd bij het Koninklijk Besluit van 12 augustus 1994 (Belgisch Staatsblad van 16 september 1994, blz. 23525), vast te stellen en te handhaven, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (Derde schadeverzekeringsrichtlijn) (PB L 228, blz. 1), en krachtens het EG-Verdrag.
Het gemeenschapsrecht
2 Artikel 2 van richtlijn 92/49 bepaalt:
1. Deze richtlijn is van toepassing op de in artikel 1 van richtlijn 73/239/EEG bedoelde verzekeringen en ondernemingen.
2. Deze richtlijn is niet van toepassing op de verzekeringen en verrichtingen, noch op ondernemingen en instellingen waarop richtlijn 73/239/EEG niet van toepassing is, noch op de in artikel 4 van die richtlijn genoemde instellingen."
3 Artikel 37 van richtlijn 92/49 luidt als volgt:
De tweede en de derde alinea van lid 2, alsmede lid 3 van artikel 12 en de artikelen 13 en 15 van richtlijn 88/357/EEG vervallen."
4 Artikel 55 van richtlijn 92/49 bepaalt:
De lidstaten kunnen van de verzekeringsondernemingen die op hun grondgebied voor eigen risico de verplichte arbeidsongevallenverzekering uitoefenen, verlangen dat zij de specifieke voorschriften naleven die in hun nationale wetgeving ten aanzien van deze verzekering zijn opgenomen, met uitzondering van de bepalingen inzake het financieel toezicht, die onder de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaat van herkomst vallen."
5 Artikel 1 van de Eerste richtlijn (73/239/EEG) van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PB L 228, blz. 3), luidt als volgt:
Deze richtlijn heeft betrekking op de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden, anders dan in loondienst, op het gebied van de directe verzekeringen welke door verzekeringsondernemingen die in een lidstaat zijn gevestigd of zich aldaar wensen te vestigen, worden verricht in de branches die in de bijlage van deze richtlijn zijn omschreven."
6 Volgens artikel 2, punt 1, sub d, van richtlijn 73/239 heeft deze richtlijn geen betrekking op verzekeringen die zijn opgenomen in een wettelijk stelsel van sociale zekerheid.
7 Artikel 12, leden 2 en 3, van de Tweede richtlijn (88/357/EEG) van de Raad van 22 juni 1988 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van richtlijn 73/239 (PB L 172, blz. 1), bepaalt:
2. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de verrichtingen en ondernemingen en evenmin op de instellingen waarop de Eerste richtlijn niet van toepassing is, noch op de risico's die moeten worden gedekt door de in artikel 4 van die richtlijn genoemde publiekrechtelijke instellingen.
De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op verzekeringsovereenkomsten ter dekking van risico's die behoren tot de onderstaande, in de bijlage bij de Eerste richtlijn onder A vermelde branches:
- nr. 1:
wat arbeidsongevallen betreft;
- nr. 10:
de aansprakelijkheid van de vervoerder daar niet onder begrepen;
- nr. 12:
wat motorboten en boten betreft waarop de betrokken lidstaat op het ogenblik van de kennisgeving van deze richtlijn dezelfde regeling toepast als op motorrijtuigen;
- nr. 13:
wat de wettelijke aansprakelijkheid op nucleair gebied en die ten aanzien van farmaceutische producten betreft;
- nrs. 9 en 13:
wat de verplichte verzekering van bouwwerkzaamheden betreft.
Deze uitsluitingen zullen uiterlijk op 1 juli 1998 door de Raad aan een onderzoek worden onderworpen.
3. Tot de in artikel 7, lid 2, onder c, van de Eerste richtlijn bedoelde coördinatie mag de Bondsrepubliek Duitsland het verbod handhaven om op haar grondgebied, in het kader van dienstverrichting, ziekteverzekering met andere branches te cumuleren."
8 Bij de goedkeuring van de richtlijn is de volgende gemeenschappelijke verklaring van de Commissie en de Raad betreffende artikel 12, lid 2, van richtlijn 88/357 aan de notulen van de Raad toegevoegd:
De Raad en de Commissie stellen vast, dat artikel 12, lid 2, eerste streepje, niets afdoet aan het feit, dat de arbeidsongevallenverzekering zoals deze in België wordt uitgeoefend, valt onder de uitsluiting in artikel 2, punt 1, sub d, van de Eerste richtlijn tot coördinatie."
9 Artikel 1, punt 3, van de Eerste richtlijn (79/267/EEG) van de Raad van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan (PB L 63, blz. 1), bepaalt:
Deze richtlijn heeft betrekking op de toegang tot en de uitoefening van het directe verzekeringsbedrijf anders dan in loondienst door ondernemingen welke in een lidstaat zijn gevestigd of zich daar wensen te vestigen, met betrekking tot de hierna omschreven werkzaamheden.
3. De in de wetgeving op de sociale verzekering omschreven of bedoelde verrichtingen in verband met de duur van het leven van de mens, voor zover deze in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat door verzekeringsondernemingen voor eigen risico worden verricht of beheerd."
10 Artikel 2, punt 4, van deze richtlijn luidt als volgt:
Deze richtlijn heeft geen betrekking op:
4. verzekeringen die vallen binnen een wettelijke regeling van sociale zekerheid, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 1, punt 3."
Het Belgische recht
11 Artikel 2, § 2, 2° , sub a, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals gewijzigd bij het Koninklijk Besluit van 12 augustus 1994, bepaalt:
§ 2. Deze wet is niet van toepassing op de volgende ondernemingen:
2° de gemeenschappelijke fondsen, private ondernemingen met vaste premies, openbare instellingen, wat betreft de verrichtingen bedoeld:
a) door de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 [en door de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector]".
De precontentieuze procedure
12 Bij aanmaningsbrief van 27 december 1995 heeft de Commissie de Belgische overheid meegedeeld, dat artikel 2 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals gewijzigd bij het Koninklijk Besluit van 12 augustus 1994, niet in overeenstemming is met richtlijn 92/49, omdat verzekeringskassen of -ondernemingen die arbeidsongevallen dekken, daarbij zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de nationale uitvoeringswet, ook wanneer het gaat om kassen of ondernemingen met winstoogmerk die voor eigen risico optreden.
13 Op 23 februari 1996 hebben de Belgische autoriteiten hierop geantwoord, dat de betrokken bepaling niet strijdig is met het gemeenschapsrecht, omdat arbeidsongevallen in België als behorend tot het wettelijke socialezekerheidsstelsel worden beschouwd en uit dien hoofde zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van richtlijn 92/49. Bij brief van 13 mei 1996 hebben zij dit standpunt bevestigd.
14 Op 17 juni 1997 heeft de Commissie het Koninkrijk België een met redenen omkleed advies gezonden met het verzoek om binnen een termijn van twee maanden de nodige maatregelen te treffen ter uitvoering van richtlijn 92/49.
15 Op 16 februari 1998 hebben de Belgische autoriteiten hierop geantwoord, dat:
- richtlijn 73/239 geen betrekking heeft op verzekeringen die zijn opgenomen in een wettelijk stelsel van sociale zekerheid (artikel 2, punt 1, sub d, van deze richtlijn);
- artikel 12, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 88/357 bepaalt, dat de bijzondere bepalingen ten aanzien van het vrij verrichten van diensten niet van toepassing zijn op de verrichtingen en ondernemingen en evenmin op de instellingen waarop richtlijn 73/239 niet van toepassing is. De bij de goedkeuring van deze bepaling aan de notulen van de Raad toegevoegde verklaring neemt elke twijfel omtrent de aan artikel 2, punt 1, sub d, van richtlijn 73/239 te geven uitlegging weg;
- bij richtlijn 92/49 artikel 12, leden 2, tweede en derde alinea, en 3 van richtlijn 88/357 (artikel 37 van richtlijn 92/49) weliswaar is ingetrokken, maar dat bovengenoemde verklaring, de artikelen 12, lid 2, eerste alinea, en 1 van richtlijn 88/357 nog steeds geldigheid bezitten. Artikel 2, lid 2, van richtlijn 92/49 bepaalt uitdrukkelijk, dat deze richtlijn niet van toepassing is op de verzekeringen en verrichtingen, noch op de ondernemingen en instellingen waarop richtlijn 73/239 niet van toepassing is.
16 In hun aanvullend antwoord van 24 maart 1998 op het met redenen omklede advies hebben de Belgische autoriteiten gesteld, dat de schadeverzekeringsrichtlijnen niet van toepassing zijn op de wettelijke socialezekerheidsstelsels, dat het Belgische basisstelsel inzake arbeidsongevallen onder de uitzondering voor de sociale zekerheid valt en dat de Belgische regeling in elk geval onder de uitzonderingen in de artikelen 55 en 90, lid 2, EG-Verdrag (thans artikelen 45 EG en 86, lid 2, EG) valt. Zij hebben tevens aangevoerd, dat openstelling van het Belgische systeem voor het vrij verrichten van diensten de levensvatbaarheid van het systeem in het gedrang zou brengen.
17 Daar de Commissie het antwoord van de Belgische regering niet bevredigend achtte, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
De ontvankelijkheid
18 Volgens de Belgische regering wordt in het verzoekschrift van de Commissie gepreciseerd, dat het Belgische wettelijke socialezekerheidsstelsel dat het arbeidsongevallenrisico dekt, onder de uitzondering voor de sociale zekerheid valt" en dat België [niet wordt verweten], dat haar verplichte basisstelsel inzake arbeidsongevallen uitgezonderd blijft van de bepalingen inzake het vrij verrichten van diensten". België wordt enkel verweten, de ondernemingen die in de arbeidsongevallenbranche voor eigen risico opereren, van de werkingssfeer van de Derde schadeverzekeringsrichtlijn uit te sluiten".
19 Het stelsel van verplichte arbeidsongevallenverzekering, zoals dit in de Belgische wetgeving is geregeld, behoort evenwel juist tot het basisstelsel inzake sociale zekerheid. Bijgevolg heeft het beroep enkel betrekking op de uitsluiting van de werkingssfeer van richtlijn 92/49 van arbeidsongevallenverzekeringen die geen verplichte basisverzekeringen" zijn, ingeval deze worden aangeboden door particuliere ondernemingen met winstoogmerk die voor eigen risico optreden. Gelet op het feit dat de aanvullende arbeidsongevallenverzekering onder de werkingssfeer van richtlijn 92/49 valt, is het beroep zonder voorwerp.
20 Onder die omstandigheden heeft de Commissie, door België in repliek te verwijten dat zij de verplichte basisverzekeringen tegen arbeidsongevallen niet onder de bepalingen van richtlijn 92/49 heeft gebracht, het voorwerp van het geding gewijzigd, hetgeen in strijd is met artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
21 Dit betoog faalt. Uit het verzoekschrift blijkt duidelijk, dat het beroep betrekking heeft op de arbeidsongevallenverzekeringen in het kader van het verplichte socialezekerheidsstelsel. Volgens de Commissie vallen dergelijke verzekeringen onder de verzekeringsrichtlijnen, wanneer zij kunnen worden aangeboden door verzekeringsondernemingen die voor eigen risico optreden.
22 Bijgevolg is het beroep ontvankelijk.
Ten gronde
23 Volgens de Commissie is het toepassingsgebied van richtlijn 92/47 nader bepaald in artikel 2, lid 2, ervan. Hierin wordt verwezen naar het toepassingsgebied van richtlijn 73/239, die volgens artikel 2, punt 1, sub d, ervan geen betrekking heeft op verzekeringen die zijn opgenomen in een wettelijk stelsel van sociale zekerheid. Deze bepalingen moeten evenwel aldus worden uitgelegd, dat zij doelen op de verzekeringsactiviteiten van publieke socialezekerheidsinstellingen zonder winstoogmerk. Op verzekeringsondernemingen die - ook al is dit in het kader van een wettelijk socialezekerheidsstelsel - het arbeidsongevallenrisico dekken, blijft richtlijn 92/49 van toepassing, wanneer deze ondernemingen voor eigen risico winst nastreven. Dit is bij de arbeidsongevallenverzekeringen in België het geval.
24 Enkel op basis van deze uitlegging zijn de artikelen 2, lid 2, en 55 van richtlijn 92/49 met elkaar te verenigen. Uit laatstgenoemde bepaling blijkt immers ondubbelzinnig, dat verplichte arbeidsongevallenverzekeringen onder richtlijn 92/49 vallen, wanneer zij worden aangeboden door particuliere ondernemingen die voor eigen risico optreden.
25 Deze regeling is overigens in overeenstemming met richtlijn 79/267 (artikelen 1, punt 3, en 2, punt 4) en met de overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat [besluit 91/370/EEG van de Raad van 20 juni 1991 inzake de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche (PB L 205, blz. 2)].
26 De Belgische regering betwist, haar verplichtingen niet te zijn nagekomen.
27 Volgens haar valt de regeling voor arbeidsongevallen onder het verplichte basisstelsel inzake sociale zekerheid, zoals niet enkel uit de Belgische wetgeving blijkt, maar ook uit verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2). Verzekeringen die zijn opgenomen in een stelsel van sociale zekerheid, zijn uitgesloten van richtlijn 92/49.
28 Bijgevolg kan artikel 55 van richtlijn 92/49 geen betrekking hebben op de nationale socialezekerheidsstelsels zonder in tegenspraak te komen met de basisvoorschriften van de verzekeringsrichtlijnen. Overigens zou deze bepaling ongeldig zijn, indien zij moest worden uitgelegd in de door de Commissie bedoelde zin.
29 Richtlijn 92/49 is immers uitsluitend gebaseerd op de artikelen 57, lid 2, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 47, lid 2, EG) en 66 EG-Verdrag (thans artikel 55 EG); op deze grondslag heeft de Gemeenschap geen bevoegdheid om de socialezekerheidsstelsels te regelen.
30 Artikel 55 van richtlijn 92/49 kan enkel aldus worden uitgelegd, dat het uitsluitend betrekking heeft op de arbeidsongevallenverzekeringen die niet onder de socialezekerheidsstelsels vallen.
31 Deze uitlegging van de verzekeringsrichtlijnen wordt bevestigd door de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de Commissie betreffende artikel 12, lid 2, van richtlijn 88/357, volgens welke de arbeidsongevallenverzekering zoals zij in België wordt uitgeoefend, onder de uitsluiting in het - niet gewijzigde - artikel 2, punt 1, sub d, van richtlijn 73/239 valt.
32 Ten slotte kan het overheidstoezicht met betrekking tot het verzekeringswezen enkel worden uitgeoefend op de ondernemingen die in België zijn gevestigd. Hiervoor zijn bijzonder strikte regels nodig, met name op het punt van het financiële evenwicht van de ondernemingen, de uitsluiting van coöperatieve vennootschappen van deze verzekeringen, het gescheiden beheer, de tussenkomst van de sociale partners met betrekking tot de toelating en de intrekking hiervan, de borgstelling en het toezicht op de premies en polisvoorwaarden.
33 Deze door de Belgische wetgeving gewaarborgde bescherming van het slachtoffer en zijn rechthebbenden is niet het doel van de schadeverzekeringsrichtlijnen.
34 Subsidiair stelt de Belgische regering, dat zij zich kan beroepen op de uitzonderingen in de artikelen 55 en 90, lid 2, van het Verdrag, omdat de toepassing van de regels inzake het vrij verrichten van diensten de goede werking van het systeem van de verplichte arbeidsongevallenverzekeringen in België doorkruist.
35 Dienaangaande moet erop worden gewezen, dat artikel 55 van richtlijn 92/49 betrekking heeft op de verzekeringsondernemingen die op het grondgebied van de lidstaten voor eigen risico de verplichte arbeidsongevallenverzekering uitoefenen. Van deze ondernemingen kunnen de lidstaten verlangen, dat zij de specifieke voorschriften naleven die in hun nationale wetgeving ten aanzien van deze verzekering zijn opgenomen, met uitzondering van de bepalingen inzake het financieel toezicht, die onder de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaat van herkomst vallen.
36 Blijkens artikel 55 van richtlijn 92/49, dat evenals artikel 54 inzake de ziektekostenverzekering een speciale uitzondering op de algemene regeling van deze richtlijn vormt, vallen dergelijke verzekeringen onder de werkingssfeer van deze richtlijn.
37 De Belgische regering betwist niet, dat de verzekeringsondernemingen die in België arbeidsongevallenverzekeringen aanbieden, voor eigen risico opereren. Zij stelt evenwel, dat artikel 55 van richtlijn 92/49 restrictief moet worden uitgelegd, in die zin dat het enkel betrekking heeft op de arbeidsongevallenverzekeringen die niet onder de socialezekerheidsstelsels vallen.
38 Deze uitlegging vindt geen steun in de tekst van artikel 55 van richtlijn 92/49; de argumenten die de Belgische regering voor deze uitlegging aanvoert, kunnen niet worden aanvaard.
39 In de eerste plaats oefenen de betrokken verzekeringsondernemingen een tot de dienstensector behorende economische activiteit uit, die bij een op grond van de artikelen 57, lid 2, en 66 van het Verdrag vastgestelde richtlijn kan worden geharmoniseerd. Het feit, dat een lidstaat dergelijke verzekeringen opneemt in zijn verplichte socialezekerheidsstelsel, staat een dergelijke harmonisatie niet in de weg.
40 In de tweede plaats doelt de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de Commissie betreffende artikel 12, lid 2, van richtlijn 88/357 op een door richtlijn 92/49 gewijzigde richtlijn. In elk geval kan deze verklaring, waarvan de inhoud niet is terug te vinden in de tekst van artikel 55 van richtlijn 92/49, niet in aanmerking worden genomen voor de uitlegging hiervan (zie in die zin arresten van 26 februari 1991, Antonissen, C-292/89, Jurispr. blz. I-745, punt 18, en 29 mei 1997, VAG Sverige, C-329/95, Jurispr. blz. I-2675, punt 23).
41 In de derde plaats kan het Belgische stelsel voor arbeidsongevallenverzekeringen geen criterium zijn om artikel 55 van richtlijn 92/49 in de door de Belgische regering bedoelde zin uit te leggen. De gemeenschapswetgever kon zich immers op het standpunt stellen, dat de uitoefening van het financiële toezicht door de lidstaat van herkomst verenigbaar was met de eisen die de betrokken verzekeringen stellen, maar dat deze eisen aan de andere kant rechtvaardigden, deze verzekeringen voor het overige te onderwerpen aan de specifieke wettelijke bepalingen van de lidstaat waarin zij worden uitgeoefend, in het bijzonder aan de door verweerder ingeroepen bepalingen, die gericht zijn op de verwezenlijking van de sociale doelstellingen van arbeidsongevallenverzekeringen.
42 Bovendien kunnen de lidstaten krachtens richtlijn 92/49 eisen, dat van de algemene en bijzondere voorwaarden van de verplichte verzekeringen aan hun bevoegde autoriteiten kennisgeving wordt gedaan (artikel 30, lid 2), en kunnen zij de verzekeringsondernemingen die op hun grondgebied op grond van het recht van vestiging of in het kader van het vrij verrichten van diensten werkzaam zijn, verplichten om te zijn aangesloten bij, en onder dezelfde voorwaarden als de in de betreffende lidstaat toegelaten verzekeringsondernemingen deel te nemen aan, elke regeling die bedoeld is om de betaling van schadevergoeding aan verzekerden en benadeelde derden te garanderen (artikel 45, lid 2).
43 Ten slotte bevat artikel 40 van richtlijn 92/49 maatregelen die moeten verzekeren, dat ondernemingen die een bijkantoor op het grondgebied van een lidstaat hebben of aldaar in het kader van het vrij verrichten van diensten werkzaam zijn, zich houden aan de rechtsvoorschriften die op hen van toepassing zijn; in het bijzonder bevat het maatregelen om in dringende gevallen inbreuken te voorkomen.
44 Bijgevolg moet artikel 2, lid 2, van richtlijn 92/49 tegen de achtergrond van artikel 55 ervan aldus worden uitgelegd, dat deze richtlijn van toepassing is op verzekeringen die in het kader van een wettelijk stelsel van sociale zekerheid door verzekeringsondernemingen voor eigen risico worden uitgeoefend.
45 Aangaande verweerders betoog op basis van de artikelen 55 en 90, lid 2, van het Verdrag volstaat het erop te wijzen, dat deze bepalingen niet kunnen worden ingeroepen, wanneer het een gebied betreft waarop een harmonisatie heeft plaatsgehad, zoals in casu, in het kader waarvan de gemeenschapswetgever de door de Belgische regering aangevoerde algemene belangen in aanmerking heeft genomen, en wanneer dit in tegenspraak zou zijn met de geharmoniseerde regels.
46 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk België, door artikel 2 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals gewijzigd bij het Koninklijk Besluit van 12 augustus 1994, vast te stellen en te handhaven, de krachtens richtlijn 92/49 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
47 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door artikel 2 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals gewijzigd bij het Koninklijk Besluit van 12 augustus 1994, vast te stellen en te handhaven, is het Koninkrijk België de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (Derde schadeverzekeringsrichtlijn).
2) Het Koninkrijk België wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy