Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Harmonisatie van wetgevingen - Bescherming van consumenten ter zake van consumentenkrediet - Richtlijn 87/102 - Werkingssfeer - Borgtochtovereenkomst gesloten tot zekerheid van terugbetaling van krediet - Daarvan uitgesloten
(Richtlijn 87/102 van de Raad)
Samenvatting
$$Richtlijn 87/102 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet moet aldus worden uitgelegd dat een tot zekerheid van de terugbetaling van een krediet gesloten borgtochtovereenkomst niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt wanneer de borg noch de kredietnemer in het kader van zijn beroepsactiviteit heeft gehandeld.
De dubbele omstandigheid dat de richtlijn de zekerheden vermeldt in de lijst van de contractvoorwaarden die voor de kredietnemer van wezenlijk belang worden geacht, en dat zij geen uitdrukkelijke bepaling bevat betreffende de regeling van de borgstelling of van een andere vorm van zekerheid, wijst erop dat de richtlijn, waarin de zekerheden tot terugbetaling van het krediet alleen vanuit het oogpunt van de consumentenbescherming worden bezien, de borgtochtovereenkomst van haar werkingssfeer heeft willen uitsluiten.
Bovendien kan een uitbreiding van de werkingssfeer van de richtlijn tot borgtochtovereenkomsten niet worden gebaseerd op het enkele feit dat een borgtochtovereenkomst accessoir is ten opzichte van de hoofdovereenkomst waarvan zij de naleving garandeert. Voor die uitlegging is immers geen steun te vinden in de bewoordingen van de richtlijn en evenmin in de structuur of het doel daarvan.
( cf. punten 22, 26-27 en dictum )
Partijen
In zaak C-208/98,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Landgericht Potsdam (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Berliner Kindl Brauerei AG
en
A. Siepert,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PB 1987,L 42, blz. 48),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, president van de Zesde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, L. Sevón (rapporteur), C. Gulmann, J.-P. Puissochet en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Berliner Kindl Brauerei AG, vertegenwoordigd door K. Großkopf, advocaat te Warnemünde,
- A. Siepert, vertegenwoordigd door O. Zänker, advocaat te Rostock,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en A. Dittrich, Regierungsdirektor bij het Bondsministerie van Justitie, als gemachtigden,
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder, bestuursdirecteur bij de juridische dienst van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, en R. Foucart, directeur-generaal bij deze dienst, als gemachtigden,
- de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Ortíz Vaamonde, abogado del Estado, als gemachtigde,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en R. Loosli-Surrans, chargé de mission bij deze directie, als gemachtigden,
- de Finse regering, vertegenwoordigd door T. Pynnä, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Wölker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Berliner Kindl Brauerei AG, vertegenwoordigd door T. Lübbig, advocaat te Berlijn; A. Siepert, vertegenwoordigd door O. Zänker; de Duitse regering, vertegenwoordigd door A. Dittrich; de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Ortíz Vaamonde; de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Loosli-Surrans, en de Commissie, vertegenwoordigd door U. Wölker, ter terechtzitting van 10 juni 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 oktober 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 27 april 1998, ingekomen bij het Hof op 2 juni daaraanvolgend, heeft het Landgericht Potsdam krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PB 1987,L 42, blz. 48; hierna: richtlijn").
2 Die vraag is gerezen in een geschil tussen de Berliner Kindl Brauerei AG (hierna: brouwerij") en A. Siepert over de uitvoering van een door laatstgenoemde ten voordele van de brouwerij gesloten borgtochtovereenkomst.
Het toepasselijke recht
3 Artikel 1, leden 1 en 2, sub a en c, eerste alinea, van de richtlijn bepaalt:
1. Deze richtlijn is van toepassing op kredietovereenkomsten.
2. In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) ,consument: een natuurlijk persoon die ten aanzien van de onder deze richtlijn vallende transacties handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijf of beroep;
(...)
c) ,kredietovereenkomst: een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument in de vorm van uitstel van betaling, van een lening of van een andere soortgelijke financieringsregeling, krediet verleent of toezegt."
4 Ingevolge artikel 2, lid 1, sub f, is de richtlijn niet van toepassing op kredietovereenkomsten waarbij het om bedragen van minder dan 200 ECU of meer dan 20 000 ECU gaat.
5 Artikel 4, leden 1, 2, sub a, b, eerste alinea, en c, en 3, van de richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 90/88/EEG van de Raad van 22 februari 1990 (PB L 61, blz. 14), bepaalt:
1. Kredietovereenkomsten worden schriftelijk aangegaan. De consument ontvangt een exemplaar van de schriftelijke overeenkomst.
2. De schriftelijke overeenkomst bevat:
a) een opgave van het jaarlijkse kostenpercentage;
b) een opgave van de voorwaarden waaronder het jaarlijkse kostenpercentage kan worden gewijzigd.
(...)
c) een opgave van bedrag, nummer en vervaldata of data van de betalingen die de consument moet verrichten voor de aflossing van het krediet en de betaling van rente en overige kosten, alsmede het totale bedrag van deze betalingen, indien dat mogelijk is;
(...)
3. De schriftelijke overeenkomst moet voorts de andere essentiële contractvoorwaarden bevatten.
Bij wijze van voorbeeld is in de bijlage van deze richtlijn een lijst opgenomen van voorwaarden die de lidstaten als zijnde essentieel, verplicht kunnen stellen voor de schriftelijke overeenkomst."
6 In punt 1 van de bijlage worden voor kredietovereenkomsten die de levering van bepaalde goederen of het verrichten van bepaalde diensten betreffen, naast de omschrijving van het voorwerp van de overeenkomst en de kredietvoorwaarden zelf, met name de volgende voorwaarden gesteld: een beschrijving van de eventueel verlangde zekerheden" (sub vi) en de eventuele bedenktijd" (sub vii).
7 Artikel 15 van de richtlijn luidt:
Deze richtlijn belet de lidstaten niet om, met inachtneming van hun verplichtingen voortvloeiend uit het Verdrag, verderreikende voorschriften ter bescherming van de consument te handhaven of aan te nemen."
8 De richtlijn is in de Bondsrepubliek Duitsland in nationaal recht omgezet bij het Verbraucherkreditgesetz van 17 december 1990 (hierna: VerbrKrG") (BGBl. I, blz. 2840). Gelet op artikel 15 van de richtlijn, is de werkingssfeer van het VerbrKrG overeenkomstig de §§ 1 en 3, lid 1, punt 2, daarvan uitgebreid tot aan een natuurlijke persoon verstrekte kredieten, ook wanneer die kredieten bestemd zijn voor de financiering van een beroepsactiviteit; in dit laatste geval mag het bedrag van het krediet echter niet groter zijn dan 100 000 DEM. Voorts bepaalt § 7 VerbrKrG, dat de handeling waarbij de consument een kredietovereenkomst sluit, eerst effect sorteert wanneer hij deze niet binnen een termijn van een week heeft ingetrokken. Die termijn gaat in op de datum waarop hij van de kredietgever een bericht krijgt waarbij hij wordt ingelicht over zijn recht van intrekking en over de formaliteiten daarvan.
De feiten in het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
9 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat Siepert zich tot een bedrag van 90 000 DEM tegenover de brouwerij borg heeft gesteld voor de terugbetaling van leningen die deze laatste aan een derde had verstrekt met het oog op de inrichting van een restaurant. Deze borgstelling hield geen verband met Sieperts beroepsactiviteit. Het Landgericht merkt voorts op, dat Siepert niet conform § 7 VerbrKrG over zijn recht van intrekking was ingelicht, doch dat hij tijdens een onderhoud in juni 1994 met een medewerker van de brouwerij deze laatste heeft meegedeeld, dat hij de borgtochtverklaring introk.
10 Toen de hoofdschuldenaar zijn verplichtingen niet nakwam, zegde de brouwerij de leningen op en wendde zij zich tot het Landgericht Rostock; bij vonnis van 25 juli 1997 werd de hoofdschuldenaar veroordeeld tot betaling van 28 952,43 DEM, inclusief interessen. Bij verstekvonnis van 8 december 1997 werd Siepert als borg tot betaling van hetzelfde bedrag veroordeeld.
11 Siepert ging van dat vonnis in verzet, waarop het Landgericht Potsdam heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:
Valt een door een natuurlijke persoon buiten het kader van zijn beroep gesloten borgtochtovereenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PB 1987, L 42, blz. 48), wanneer deze is gesloten tot zekerheid van terugbetaling van een schuld die door de hoofdschuldenaar niet is aangegaan in het kader van de beroepsactiviteit die hij reeds verricht?"
12 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een tot zekerheid van terugbetaling van een krediet gesloten borgtochtovereenkomst binnen haar werkingssfeer valt, wanneer de borg noch de kredietnemer in het kader van zijn beroepsactiviteit heeft gehandeld.
13 De brouwerij en ook de Duitse, de Belgische en de Finse regering betogen, dat de richtlijn niet van toepassing is op borgtochtovereenkomsten, vooral omdat die contracten geen kredietovereenkomsten in de zin van artikel 1, lid 2, sub c, van de richtlijn zijn, maar eenzijdige verbintenissen tot zekerheid van de terugbetaling van een krediet. Volgens de brouwerij, de Duitse en de Finse regering blijkt uit het verslag van de Commissie van 11 mei 1995 over de werking van richtlijn 87/102 [COM(95) 117 def.; hierna: verslag"], waarin in punt 345 wordt gezegd dat de richtlijn niet ziet op borgstellingen, dat de borgtochtovereenkomst buiten de werkingssfeer van de richtlijn valt.
14 De Duitse en de Finse regering stellen bovendien, dat de richtlijn beoogt ervoor te zorgen, dat de kredietnemer op de datum van de kredietovereenkomst over passende informatie over de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen beschikt, en dat zij hem dus wil beschermen tegen onbillijke verbintenissen. De richtlijn bevat daarentegen geen bepalingen ter bescherming van de borg, voor wie in de eerste plaats de solvabiliteit van de hoofdschuldenaar van belang is. Voorts rechtvaardigt het enkele feit dat de borgtocht accessoir is bij de kredietovereenkomst volgens die regeringen niet, dat de borgtochtovereenkomst binnen de werkingssfeer van de richtlijn kan vallen.
15 Siepert, de Spaanse en de Franse regering alsmede de Commissie zijn daarentegen van mening, dat de borgtochtovereenkomst binnen de werkingssfeer van de richtlijn kan vallen, met name omdat zij nauw verband houdt met de kredietovereenkomst waarvan zij de naleving garandeert. Volgens de Commissie gaat het bij het feit dat de richtlijn niets zegt over de status van de personen die door een zekerheid te stellen of door zich als medeschuldenaar te verbinden, samen met de kredietnemer bij de kredietovereenkomst betrokken zijn, om een onbedoelde lacune.
16 Op dit punt preciseren de Franse regering en de Commissie, dat zowel de hoofdovereenkomst als de borgtochtovereenkomst, om binnen de werkingssfeer van de richtlijn te vallen, moeten zijn gesloten door natuurlijke personen die met het oog op een doel handelen, dat niet tot hun bedrijfs- of beroepsactiviteiten kan worden gerekend. Het accessoire karakter van de borgtocht heeft inzonderheid tot gevolg, dat de borgtochtovereenkomsten voor kredieten die niet bestemd zijn voor consumptie in de zin van de richtlijn, buiten de werkingssfeer van de richtlijn vallen.
17 Vooraf zij opgemerkt, dat de werkingssfeer van de richtlijn ingevolge artikel 1, lid 2, sub c, beperkt is tot kredietovereenkomsten waarbij een kredietgever aan een consument in de vorm van uitstel van betaling, van een lening of van een andere soortgelijke financieringsregeling, krediet verleent of toezegt".
18 Het staat vast, dat de borgtochtovereenkomst geen kredietovereenkomst in de zin van die bepaling is. Aangezien volgens haar bewoordingen deze bepaling niet aldus kan worden uitgelegd, dat de borgtochtovereenkomst binnen de werkingssfeer van de richtlijn zou vallen, moet dus worden onderzocht, of niet uit de structuur en het doel van deze bepaling blijkt, dat dat wel het geval is.
19 Met betrekking tot de structuur van de richtlijn zij erop gewezen, dat krachtens artikel 4, lid 3, de - schriftelijke - kredietovereenkomst de essentiële contractvoorwaarden moet bevatten, ter illustratie waarvan in punt 1, sub vi, van de bijlage bij de richtlijn de eventueel verlangde zekerheden" worden genoemd. De vermelding ervan in de kredietovereenkomst dient te verzekeren dat de partijen bij die overeenkomst, dat wil zeggen de kredietnemer en de kredietgever, ten volle op de hoogte zijn van de waarborgen die als voorwaarde voor het sluiten van de overeenkomst gelden. Uit die bepaling kan echter - bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling ter zake in de richtlijn - niet worden afgeleid, dat zij ook een regeling voor de borgtochtovereenkomst bevat voor de partijen bij de kredietovereenkomst.
20 Wat de doelstellingen van de richtlijn betreft, blijkt uit de overwegingen van de considerans, dat zij met een tweevoudig doel is vastgesteld: in de eerste plaats de totstandbrenging van een gemeenschappelijke markt voor kredieten (derde tot en met vijfde overweging), en in de tweede plaats de bescherming van de consumenten die dergelijke overeenkomsten sluiten (zesde, zevende en negende overweging).
21 Met het oog op de bescherming van de consument tegen onbillijke kredietvoorwaarden en teneinde een volledige kennis van de voorwaarden waaronder de overeenkomst moet worden nageleefd mogelijk te maken, schrijft artikel 4 van de richtlijn voor, dat de kredietnemer bij het sluiten van de kredietovereenkomst over alle gegevens moet beschikken die de omvang van zijn verbintenissen kunnen beïnvloeden, waaronder de zekerheden.
22 De dubbele omstandigheid dat de richtlijn zekerheden vermeldt in de lijst van de contractvoorwaarden die voor de kredietnemer van wezenlijk belang worden geacht, en dat zij geen uitdrukkelijke bepaling bevat betreffende de regeling van de borgstelling of van een andere vorm van zekerheid, wijst erop dat de richtlijn, waarin de zekerheden tot terugbetaling van het krediet enkel vanuit het oogpunt van de consumentenbescherming worden bezien, de borgtochtovereenkomst van haar werkingssfeer heeft willen uitsluiten.
23 Die uitlegging wordt bevestigd door het feit dat in punt 345 van het verslag wordt gezegd, dat de richtlijn niet ziet op de borgstelling", en voorts door het feit dat in punt 16 van de resolutie van het Europees Parlement van 11 maart 1997 betreffende dat verslag (PB C 115, blz. 27) wordt opgemerkt dat, wanneer bepaalde door richtlijn 87/102/EEG voorgeschreven verplichtingen worden uitgebreid tot borgen en anderszins aansprakelijke personen, er rekening mee moet worden gehouden dat er feitelijke verschillen bestaan met de eerste kredietnemer".
24 De richtlijn heeft dus een andere structuur en een ander doel dan richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PB L 372, blz. 31). Deze richtlijn, waarvan de werkingssfeer niet op enigerlei wijze beperkt is naar gelang van het type van de betrokken overeenkomsten, doch die alle overeenkomsten betreffende de levering van goederen dan wel het verrichten van diensten betreft, zolang de consument maar handelt met het oog op een doel dat niet tot zijn beroepsactiviteit kan worden gerekend, wil een dergelijke consument namelijk beschermen door hem een algemeen recht te verlenen om zich terug te trekken uit een overeenkomst die niet op initiatief van de klant, maar van de handelaar is gesloten, wanneer het voor de klant onmogelijk was, alle implicaties van zijn handeling te overzien. Juist met dit doel van die richtlijn voor ogen heeft het Hof geoordeeld, dat een overeenkomst die ten voordele van een derde strekt, en meer in het bijzonder een na colportage gesloten borgtochtovereenkomst, niet van meet af aan van de werkingssfeer van de richtlijn kan worden uitgesloten (arrest van 17 maart 1998, Dietzinger, C-45/96, Jurispr. blz. I-1199, punt 19).
25 Aangezien de in casu aan de orde zijnde richtlijn nagenoeg uitsluitend ten doel heeft de hoofdschuldenaar te informeren over de draagwijdte van zijn verbintenissen en nagenoeg geen bepalingen bevat met het oog op een doeltreffende bescherming van de borg, die er hoofdzakelijk belang bij heeft de solvabiliteit van de kredietnemer te kennen teneinde te kunnen beoordelen hoe groot de kans is dat hij tot terugbetaling wordt aangesproken, moet worden aangenomen, dat de richtlijn niet bestemd is om op borgtochtovereenkomsten te worden toegepast.
26 Bovendien kan een uitbreiding van de werkingssfeer van de richtlijn tot borgtochtovereenkomsten niet worden gebaseerd op het enkele feit, dat een borgtochtovereenkomst accessoir is ten opzichte van de hoofdovereenkomst waarvan zij de naleving garandeert. Voor die uitlegging is immers geen steun te vinden in de bewoordingen van de richtlijn, zoals hierboven in punt 18 is verklaard, noch in de structuur of het doel daarvan.
27 Gelet op het voorgaande moet op de voorgelegde vraag worden geantwoord, dat de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een tot zekerheid van de terugbetaling van een krediet gesloten borgtochtovereenkomst niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, wanneer de borg noch de kredietnemer in het kader van zijn beroepsactiviteit heeft gehandeld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 De kosten door de Duitse, de Belgische, de Spaanse, de Franse en de Finse regering alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Landgericht Potsdam bij beschikking van 27 april 1998 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet moet aldus worden uitgelegd, dat een tot zekerheid van de terugbetaling van een krediet gesloten borgtochtovereenkomst niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt, wanneer de borg noch de kredietnemer in het kader van zijn beroepsactiviteit heeft gehandeld.
Full & Egal Universal Law Academy