Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. EGKS - Steun aan ijzer- en staalindustrie - Goedkeuring door Commissie - Regionale investeringssteun - Voorwaarden - Tijdige aanmelding van voorgenomen steunmaatregelen - Niet-inachtneming van termijn - Gevolgen
(Algemene beschikking nr. 3855/91, art. 6, lid 1)
Samenvatting
1. De aanmeldingstermijn vastgesteld in artikel 6, lid 1, van de Vijfde staalsteuncode is een fatale termijn in die zin dat goedkeuring van te laat ingediende steunprojecten uitgesloten is. Hieruit volgt dat de Commissie niet bevoegd was steunmaatregelen goed te keuren, indien de voornemens tot invoering of wijziging daarvan niet vóór het verstrijken van de specifiek gestelde termijn bij haar waren aangemeld.
Wanneer de bevoegdheid van de Commissie in geding is, moet de vraag van de inachtneming van die termijn overigens ambtshalve door de rechter worden onderzocht, ook al heeft geen van de partijen hierom verzocht.
( cf. punten 49, 55-56 )
2. Wanneer blijkt van een schending van het gemeenschapsrecht in de rechtsoverwegingen van een arrest van het Gerecht, maar het dictum ervan op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt, moet de hogere voorziening worden afgewezen.
( cf. punt 58 )
Partijen
In zaak C-210/98 P,
Salzgitter AG, voorheen Preussag Stahl AG, gevestigd te Salzgitter (Duitsland), vertegenwoordigd door J. Sedemund, advocaat te Berlijn, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, Route d'Esch 398,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer - uitgebreid) van 31 maart 1998, Preussag Stahl/Commissie (T-129/96, Jurispr. blz. II-609), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partijen bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou en P. Nemitz, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster in eerste aanleg,
en
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door C.-D. Quassowski, Regierungsdirektor bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde, bijgestaan door H. Wissel, advocaat te Düsseldorf,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, C. Gulmann, J.-P. Puissochet (rapporteur), G. Hirsch en F. Macken, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 11 november 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 maart 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 5 juni 1998 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft Salzgitter AG, voorheen Preussag Stahl AG (hierna: Salzgitter"), krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EGKS hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 31 maart 1998, Preussag Stahl/Commissie (T-129/96, Jurispr. blz. II-609; hierna: bestreden arrest"), waarbij haar beroep tot nietigverklaring van beschikking 96/544/EGKS van de Commissie van 29 mei 1996 betreffende staatssteun aan Walzwerk Ilsenburg GmbH (PB L 233, blz. 24) werd verworpen.
De toepasselijke wetgeving en de feiten van het geding
2 Artikel 4 EGKS-Verdrag luidt als volgt:
Als zijnde onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal worden afgeschaft en zijn verboden binnen de Gemeenschap overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag:
(...)
c) door de staten verleende subsidies of hulp, of door deze opgelegde bijzondere lasten, in welke vorm ook;
(...)"
3 Artikel 95, eerste en tweede alinea, van dit Verdrag bepaalt:
In de gevallen, niet in dit Verdrag voorzien, waarin een beschikking of aanbeveling van de Commissie noodzakelijk blijkt tot het verwerkelijken, in de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal en overeenkomstig de bepalingen van artikel 5, van een der doelstellingen van de Gemeenschap zoals deze zijn omschreven in de artikelen 2, 3 en 4, kan zij een dergelijke beschikking geven of aanbeveling doen met instemming van de Raad, bij eenstemmigheid bepaald en na raadpleging van het Raadgevend comité.
Dezelfde beschikking of aanbeveling, gegeven of gedaan volgens het hierboven gestelde, bepaalt de eventueel op te leggen straffen."
4 Op basis van die bepalingen gaf de Commissie beschikking 3855/91/EGKS van 27 november 1991 tot invoering van communautaire regels voor de steun aan de ijzer- en staalindustrie (PB L 362, blz. 57), de zogenoemde vijfde staalsteuncode (hierna: vijfde code").
5 Volgens artikel 1, lid 1, van de vijfde code kan steun aan de ijzer- en staalindustrie, die door een lidstaat of door territoriale collectiviteiten wordt gefinancierd, alleen als verenigbaar met de goede werking van de gemeenschappelijke markt worden aangemerkt, indien hij voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2 tot en met 5.
6 Artikel 1, lid 3, van de vijfde code luidt:
De in deze [code] bedoelde steunmaatregelen mogen alleen overeenkomstig de procedure van artikel 6 tot uitvoering worden gebracht en kunnen niet leiden tot enige uitbetaling na 31 december 1996.
De steun op grond van artikel 5 moet uiterlijk op 31 december 1994 zijn betaald, met uitzondering van de in de wet tot wijziging van de heffingen 1991 in Duitsland bedoelde bijzondere fiscale voordelen (Investitionszulagen) in de vijf nieuwe deelstaten, die tot en met 31 december 1995 tot uitbetaling kunnen leiden."
7 Artikel 5 van de vijfde code bepaalt:
Als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen tot 31 december 1994 worden beschouwd regionale investeringsmaatregelen welke berusten op algemene regelingen, mits
(...)
- de begunstigde onderneming is gevestigd op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek en de steunverlening gepaard gaat met een vermindering van de totale productiecapaciteit op dit grondgebied."
8 Voorts bepaalt artikel 6 van de vijfde code:
1. De Commissie wordt tijdig in kennis gesteld van voornemens tot invoering of wijziging van de in de artikelen 2 tot en met 5 bedoelde steunmaatregelen om haar opmerkingen te kunnen maken. Zij wordt op dezelfde voorwaarden in kennis gesteld van voornemens tot toepassing van steunregelingen op de ijzer- en staalsector, aangaande welke zij zich reeds uit hoofde van het in het EEG-Verdrag bepaalde heeft uitgesproken. Kennisgevingen van steunvoornemens in de zin van dit artikel moeten haar uiterlijk op 30 juni 1994 bereiken, voor zover het steun in de zin van artikel 5 betreft, en op 30 juni 1996 voor alle andere soorten van steun.
2. (...)
3. De Commissie wint het advies van de lidstaten in over voornemens (...) tot [verlening van] regionale investeringssteun, indien het bedrag van de desbetreffende investering of van alle investeringen waarvoor steun wordt verleend, in twaalf opeenvolgende maanden meer bedraagt dan 10 miljoen ECU en andere omvangrijke steunvoornemens welke te harer kennis worden gebracht, alvorens dienaangaande haar standpunt te bepalen. Zij deelt alle lidstaten het over de afzonderlijke steunvoornemens ingenomen standpunt mede en geeft de aard en de omvang daarvan aan.
4. Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel niet verenigbaar is met het bepaalde in deze [code], stelt zij de betrokken lidstaat van haar beslissing in kennis. De Commissie neemt zulk een beslissing uiterlijk drie maanden na ontvangst van de inlichtingen welke zij nodig heeft om de betrokken steunmaatregel te kunnen beoordelen. Artikel 88 van het Verdrag is van toepassing ingeval een lidstaat zich niet naar de bedoelde beslissing voegt. De lidstaat kan de beoogde maatregelen als bedoeld in de leden 1 en 2 alleen tot uitvoering brengen met instemming van de Commissie en met inachtneming van de door deze gestelde voorwaarden.
5. Indien na de datum van ontvangst van de aanmelding van het betrokken project een termijn van twee maanden is verlopen zonder dat de Commissie de in lid 4 bedoelde procedure heeft ingeleid of haar standpunt op een andere wijze heeft kenbaar gemaakt, kunnen de voorgenomen maatregelen ten uitvoer worden gelegd mits de lidstaat de Commissie vooraf van zijn voornemen in kennis heeft gesteld. In geval van overleg met de lidstaten in de zin van lid 3 wordt deze termijn tot drie maanden verlengd.
6. Alle concrete gevallen van toepassing van steun als bedoeld in de artikelen 4 en 5 worden bij de Commissie aangemeld onder de in lid 1 aangegeven voorwaarden (...)"
9 Krachtens artikel 9 is de vijfde code op 1 januari 1992 in werking getreden en was deze tot en met 31 december 1996 van toepassing.
10 Blijkens het bestreden arrest was Walzwerk Ilsenburg GmbH (hierna: Walzwerk Ilsenburg"), gevestigd in de deelstaat Saksen-Anhalt, een van de staatsbedrijven van de voormalige Duitse Democratische Republiek (hierna: DDR"). In 1992 werd zij in de vorm van een juridisch zelfstandige dochteronderneming overgenomen door rekwirante. In 1995 fuseerde Walzwerk Ilsenburg met rekwirante, die vanaf dat moment de rechtsopvolger van die onderneming is.
11 Voor het behoud van de levensvatbaarheid van de onderneming in de nieuwe marktomstandigheden moest rekwirante belangrijke rationalisatiemaatregelen nemen, waaronder de verplaatsing van de productie van dikke staalplaten van haar fabriek te Salzgitter (West-Duitsland) naar Walzwerk Ilsenburg.
12 Ter ondersteuning van de voor deze verplaatsing noodzakelijke investeringen, die 29,5 miljoen DEM bedroegen, zou de deelstaat Saksen-Anhalt steun verlenen, bestaande in een investeringssubsidie van 5,85 miljoen DEM en een bijzonder fiscaal voordeel van 0,9505 miljoen DEM. Deze steunmaatregelen maakten deel uit van twee, door de Commissie overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het EG-Verdrag en het EGKS-Verdrag goedgekeurde algemene regionale steunregelingen, namelijk het algemeen plan voor de gemeenschappelijke taak Verbetering van de regionale economische structuren", respectievelijk de Wet op de investeringspremies.
13 De Duitse regering meldde dit steunvoornemen bij de Commissie aan bij faxbericht van 24 november 1994, dat de volgende dag door de Commissie onder nr. 777/94 (hierna: voornemen nr. 777/94") werd ingeschreven. In dit faxbericht werd uitdrukkelijk verwezen naar de aanmelding van een ander investeringsproject van 11,8 miljoen DEM, op 10 mei 1994, eveneens bestemd voor Walzwerk Ilsenburg en bedoeld voor de overschakeling op andere energiebronnen en de verbetering van de milieubescherming (hierna: voornemen nr. 308/94").
14 Bij brief van 1 december 1994 verzocht de Commissie de Duitse regering om de aanmelding van voornemen nr. 777/94 in te trekken ter voorkoming van de inleiding van een procedure louter wegens het niet in acht nemen van de aanmeldingstermijn, die sinds eind juni 1994 was verstreken. De Commissie merkte op, dat overschrijding van deze termijn geen belemmering behoefde te vormen voor een onderzoek van steunvoornemens, als zij maar vóór eind 1994 ter zake een beslissing kon nemen. Daar voornemen nr. 777/94 echter pas op 25 november 1994 was aangemeld, dat wil zeggen slechts 17 werkdagen voor de laatste vergadering van de Commissie in 1994, en raadpleging van de lidstaten noodzakelijk was wegens het bedrag van de voorziene investeringen, achtte de Commissie het niet mogelijk om voor het einde van het jaar tot een beslissing te komen, zelfs indien zij de procedure zoveel mogelijk versnelde.
15 Bij brief van 13 december 1994 antwoordde de Duitse regering de Commissie, dat zij de aanmelding van voornemen nr. 777/94 in geen geval introk. Zij stelde rekwirante van dit standpunt op de hoogte.
16 Inmiddels had rekwirante op 7 december 1994 een brief aan twee leden van de Commissie, de heren Van Miert en Bangemann, gezonden, waarin zij uiteenzette dat de late aanmelding te wijten was aan de langdurige en uitvoerige discussies over de invloed van voornemen nr. 777/94 op de werkgelegenheid in de betrokken regio. Rekwirante verzocht de twee leden van de Commissie derhalve ervoor te zorgen, dat de diensten van de Commissie dit voornemen nog aan de hand van de bepalingen van de vijfde code zouden onderzoeken.
17 Bij faxbericht van 21 december 1994, bevestigd bij op diezelfde dag gedateerde brief, werd rekwirante het volgende meegedeeld:
Martin Bangemann
Lid van de Europese Commissie
Hartelijk dank voor uw brief van 7 december 1994.
Mijn collega, Karel van Miert, en ik, delen uw standpunt, dat snel een besluit over de steun aan de ondernemingen in de nieuwe Duitse deelstaten moet worden genomen om de economische ontwikkeling aldaar niet door buitensporig lange administratieve procedures te blokkeren.
Het doet mij daarom genoegen u mee te delen, dat de Europese Commissie vandaag de steun aan Walzwerk Ilsenburg overeenkomstig uw verzoek heeft goedgekeurd. Ik wens uw onderneming veel succes.
Hoogachtend,
Martin Bangemann."
18 Bij telexbericht SG(94)D/37659 van 21 december 1994 liet de Commissie de Duitse autoriteiten weten, tegen welke steunvoornemens zij geen bezwaar had. Hiertoe behoorde ook voornemen nr. 308/94.
19 Het bedrag van de investeringssubsidie die het Landesförderinstitut Saksen-Anhalt bij besluit van 20 oktober 1994 onder voorbehoud van aanmelding bij de Commissie aan rekwirante had toegezegd, werd op 23 december 1994 op verzoeksters rekening bijgeschreven.
20 Bij brief SG(95)D/1056 van 1 februari 1995 aan de Duitse regering bevestigde de Commissie, dat een aantal regionale steunvoornemens, waaronder voornemen nr. 308/94, verenigbaar waren met artikel 5 van de vijfde code.
21 Op 15 februari 1995 besloot de Commissie ten aanzien van voornemen nr. 777/94 de onderzoeksprocedure van artikel 6, lid 4, van de vijfde code in te leiden. Dit besluit is de Duitse autoriteiten meegedeeld bij brief van 10 maart 1995, die later werd bekendgemaakt in een bericht in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB 1995, C 289, blz. 11). De Commissie merkte daarin op, dat zij wegens de zeer late aanmelding van dit steunvoornemen niet vóór 31 december 1994 had kunnen beslissen over de verenigbaarheid ervan en dat zij na die datum hiertoe niet langer bevoegd was, gelet op het bepaalde in artikel 5 van de vijfde code. De Commissie maande de overige lidstaten en andere belanghebbenden bovendien aan, binnen een maand na de bekendmaking van de mededeling haar hun opmerkingen over voornemen nr. 777/94 toe te zenden.
22 Bij brief van 23 februari 1995 deelde de heer Bangemann rekwirante mee, dat de goedkeuring in zijn brief van 21 december 1994 voornemen nr. 308/94 en niet voornemen nr. 777/94 betrof.
23 Het bijzondere fiscale voordeel in verband met voornemen nr. 777/94 werd bij twee besluiten van het Finanzamt Wolfenbüttel van 26 oktober 1995 en 9 januari 1996 vastgesteld op een bedrag van 428 975,70 DEM respectievelijk 190 052 DEM, en op dezelfde data werd rekwirante voor deze bedragen gecrediteerd.
24 Bij beschikking 96/544 stelde de Commissie vast, dat de investeringssubsidie en het bijzondere fiscale voordeel met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun vormde die volgens het EGKS-Verdrag en de vijfde code verboden was, en gelastte de terugvordering ervan. Deze beschikking werd de Duitse regering op 26 juni 1996 betekend en werd door haar op 9 juli daaraanvolgend aan rekwirante gezonden.
25 Bij op 15 augustus 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft rekwirante krachtens artikel 33 EGKS-Verdrag beroep tot nietigverklaring van beschikking 96/544 ingesteld. Dit beroep, ter ondersteuning waarvan de Bondsrepubliek Duitsland heeft geïntervenieerd, is verworpen.
Het bestreden arrest
26 Het Gerecht heeft eerst de exceptie van niet-ontvankelijkheid verworpen, die de Commissie had voorgesteld op grond dat het beroep te laat zou zijn ingesteld en ongerechtvaardigd zou zijn, en vervolgens de zeven middelen die Salzgitter voor de nietigverklaring van beschikking 96/554 had voorgedragen.
27 Ten aanzien van het eerste middel - de bevoegdheid van de Commissie naar tijd - heeft het Gerecht geoordeeld, dat gezien het bepaalde in de artikelen 1, 5 en 6 van de vijfde code, de in die code bedoelde steunmaatregelen slechts na voorafgaande goedkeuring van de Commissie tot uitvoering konden worden gebracht en dat de voor de betaling van regionale investeringssteun vastgestelde einddatum van 31 december 1994 wel de datum moest zijn waarvóór de Commissie uiterlijk over de verenigbaarheid van deze categorie steunmaatregelen kon beslissen (punt 41). Datzelfde gold volgens het Gerecht voor de bijzondere fiscale voordelen. Ofschoon deze tot en met 31 december 1995 mochten worden uitbetaald, was deze verschuiving van de uiterste dag van betaling enkel een gevolg van de voorwaarde, dat de gesubsidieerde investeringen reeds moesten zijn gerealiseerd, en kon daarom niet leiden tot een verlenging van de termijn waarbinnen de Commissie over de verenigbaarheid van dit soort steunmaatregelen kon beslissen (punt 42).
28 De door rekwirante getrokken vergelijking tussen de steunregelingen van het EGKS-Verdrag en van het EG-Verdrag ging naar het oordeel van het Gerecht niet op: in tegenstelling tot de bepalingen van het EG-Verdrag, die een permanente bevoegdheid voor de Commissie scheppen om zich uit te spreken over de verenigbaarheid van staatssteun, was de afwijking die de vijfde code van het in artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag neergelegde absolute steunverbod bevatte, in de tijd beperkt (punt 43).
29 Voorts heeft het Gerecht eveneens het argument ontleend aan zijn arrest van 22 oktober 1996, Skibværftsforeningen e.a./Commissie, (T-266/94, Jurispr. blz. II-1399), verworpen, waarin het de Commissie bevoegd had geoordeeld tot goedkeuring van bedrijfssteun na de uiterste datum bepaald in artikel 10 bis, lid 2, van richtlijn 90/684/EEG van de Raad van 21 december 1990 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw (PB L 380, blz. 27), zoals gewijzigd bij richtlijn 92/68/EEG van de Raad van 20 juli 1992 (PB L 219, blz. 54; hierna: richtlijn 90/684"). Het Gerecht overwoog onder meer, dat de Commissie in die zaak niet de noodzaak en de verenigbaarheid van investeringssteunmaatregelen moest beoordelen, maar van bedrijfssteun in samenhang met specifieke contracten die tot aan het einde van de referentieperiode nog konden worden ondertekend, en dat artikel 10 bis van richtlijn 90/684, anders dan de vijfde code, geen termijn voor aanmelding bevatte (punten 44 en 45).
30 Het Gerecht voegde hieraan toe, dat de beslissing van de Commissie op 15 februari 1995 om de onderzoeksprocedure voor voornemen nr. 777/94 in te leiden, was genomen in overeenstemming met de procedurele bepalingen van artikel 6 van de vijfde code, die tot en met 31 december 1996 golden, en daarom niet kon betekenen, dat de Commissie zich nog bevoegd achtte om over de materiële verenigbaarheid van de steun te beslissen (punt 46).
31 Met betrekking tot het tweede middel, inzake de redelijkheid van de onderzoekstermijn voor voornemen nr. 777/94, heeft het Gerecht overwogen, dat blijkens de systematiek van de procedurele bepalingen van de vijfde code het de bedoeling was, dat de Commissie over een termijn van ten minste zes maanden beschikte om de verenigbaarheid van aangemelde steunvoornemens te beoordelen (punt 53). In casu behoorde de Commissie over een termijn van ten minste zes maanden vóór de uiterste datum 31 december 1994 te beschikken om de procedure in te leiden en te beëindigen. Aangezien voornemen nr. 777/94 na 30 juni 1994 was aangemeld, was de Commissie derhalve niet langer verplicht om vóór 31 december 1994 over de verenigbaarheid ervan te beslissen (punten 56 en 57).
32 Het Gerecht oordeelde bovendien, dat zelfs al was de verenigbaarheid van de betrokken steun boven alle twijfel verheven en vereiste de raadpleging van de lidstaten slechts een korte mededeling, de Commissie op geen enkele wijze verplicht was om de Duitse regering vóór het verstrijken van de termijn van drie maanden van artikel 6, lid 5, tweede volzin, van de vijfde code, noch, a fortiori, vóór 31 december 1994, op de hoogte te stellen van een eventuele beslissing om dit steunvoornemen goed te keuren (punt 58). Door de aanmelding van dit steunvoornemen te handhaven op een datum die de Commissie een aanmerkelijk kortere dan de in de vijfde code vastgestelde termijn van zes maanden liet, hebben de Duitse autoriteiten volgens het Gerecht derhalve het risico genomen, dat de Commissie het steunvoornemen niet meer kon onderzoeken voordat haar bevoegdheid daartoe verstreek. Nu niet was gebleken van een kennelijke onzorgvuldigheid van de Commissie, kon haar niet worden verweten, dat dit risico was ingetreden (punt 59).
33 In verband met het derde middel, ontleend aan het feit dat artikel 6, lid 4, van de vijfde code de Commissie alleen de bevoegdheid geeft om een negatieve beschikking te geven in geval van materiële onverenigbaarheid van de steun en niet wegens schending van enkel een procedurebepaling, heeft het Gerecht geoordeeld, dat de termijn waarbinnen de Commissie zich over de verenigbaarheid van de betrokken steun kon uitspreken, op 31 december 1994 afliep. Deze steun kon dus niet meer op basis van de bepalingen van de vijfde code als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden aangemerkt en was daarom ingevolge artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag verboden (punt 63).
34 Met betrekking tot het vierde middel, waarin werd geklaagd over schending van het non-discriminatiebeginsel omdat de Commissie een hele reeks steunmaatregelen zou hebben goedgekeurd die ver na het verstrijken van de aanmeldingstermijn waren aangemeld, heeft het Gerecht zich beperkt tot de vaststelling, dat de door rekwirante genoemde steunvoornemens hetzij eerder waren aangemeld dan voornemen nr. 777/94 hetzij geen raadpleging van de lidstaten vereisten (punt 67).
35 Bij de beoordeling van het vijfde middel - schending van de bescherming van het gewettigd vertrouwen - heeft het Gerecht herinnerd aan de vaste rechtspraak, dat ondernemingen die staatssteun genieten slechts een gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van de steun kunnen hebben, wanneer de steun met inachtneming van de procedure is toegekend, waarvan een zorgvuldige ondernemer zich kan vergewissen (punt 77). Voorts heeft het erop gewezen, dat een particulier zich slechts op het beginsel van gewettigd vertrouwen kan beroepen, voor zover het bestuur van de Gemeenschap, door hem precieze toezeggingen te doen, bij hem gegronde verwachtingen heeft opgewekt (punt 78).
36 Gelet op het feit dat de Duitse autoriteiten door de Commissie waren verzocht om intrekking van de aanmelding van voornemen nr. 777/94, omdat deze zo laat was gedaan, en ervan op de hoogte waren gebracht, dat de Commissie geen bezwaar had tegen 26, met hun nummer duidelijk aangegeven steunvoornemens, waaronder voornemen nr. 777/94 niet was vermeld, moesten zij en ook rekwirante, die het negatieve standpunt van de Commissie over dit steunvoornemen kende, zich ervan bewust zijn geweest, aldus het Gerecht, dat het niet was goedgekeurd (punten 79 en 80). Onder deze omstandigheden kon het antwoord in de door de heer Bangemann ondertekende brief van 21 december 1994 op haar officieuze bemiddelingsverzoek van 7 december rekwirante volgens het Gerecht niet de zekerheid geven, dat de Commissie van haar standpunt was teruggekomen, en kon derhalve geen gewettigd vertrouwen in de verlening van de goedkeuring van de litigieuze steun bij haar hebben gewekt (punten 81-83).
37 In verband met het zesde middel - schending van artikel 6, lid 5, van de vijfde code, waarin een stilzwijgen van de Commissie na het verstrijken van een termijn van twee of drie maanden vanaf de aanmelding van het project wordt gelijkgesteld met een goedkeuring - heeft het Gerecht vastgesteld, dat de litigieuze steunmaatregel reeds vóór het verstrijken van de in die bepaling voorgeschreven termijn was uitgevoerd (punt 88). Bovendien had de Duitse regering in strijd met de voorwaarden van die bepaling verzuimd om de Commissie vooraf op de hoogte te stellen van haar voornemen om voornemen nr. 777/94 uit te voeren (punt 89).
38 Het zevende middel, inzake schending van de motiveringsplicht, is door het Gerecht afgewezen op grond dat, zoals uit de behandeling van de voorgaande middelen was gebleken, de redenering van de Commissie duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking was gebracht in beschikking 96/544, zodat rekwirante de rechtvaardigingsgronden van de getroffen maatregel kon kennen teneinde haar rechten te verdedigen en de gegrondheid van beschikking 96/544 na te gaan, en de gemeenschapsrechter zijn toezicht daarop kon uitoefenen (punt 93).
De hogere voorziening
39 Salzgitter voert in hogere voorziening zes middelen aan, betrekking hebbend op respectievelijk 1) de bevoegdheid van de Commissie naar tijd; 2) de onderzoekstermijn van voornemen nr. 777/94; 3) artikel 6, lid 4, van de vijfde code; 4) het non-discriminatiebeginsel; 5) de bescherming van het gewettigd vertrouwen, en 6) de motiveringsplicht.
De ontvankelijkheid
40 De Commissie verzoekt het Hof om de hogere voorziening als kennelijk niet-ontvankelijk af te wijzen, omdat zij hoofdzakelijk bestaat in een herhaling van de voor het Gerecht aangevoerde middelen, ook al zijn zij anders geformuleerd of worden zij onder een ander opschrift of in een andere volgorde gepresenteerd. Weliswaar kunnen in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw aan de orde worden gesteld, dit neemt echter niet weg, dat de juridische argumentatie in hogere voorziening specifiek op vernietiging van het arrest van het Gerecht moet zijn gericht. Dit acht zij in casu onvoldoende het geval.
41 Volgens Salzgitter voldoet haar hogere voorziening zowel aan de vereisten van artikel 51 van 's Hofs Statuut-EGKS, bepalende dat de hogere voorziening alleen rechtsvragen kan betreffen en gebaseerd moet zijn op middelen ontleend aan, onder meer, schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht, als aan die van artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering, bepalende dat het verzoekschrift in hogere voorziening met name de aangevoerde middelen en argumenten rechtens moet bevatten. Alle in hogere voorziening aangevoerde grieven bestrijden de uitlegging van de betrokken communautaire bepalingen door het Gerecht en zijn dus middelen rechtens, die op schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht berusten.
42 Het is vaste rechtspraak, dat een verzoekschrift in hogere voorziening dat zich beperkt tot een herhaling of een letterlijke weergave van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten, waaronder die welke waren gebaseerd op feiten die het Gerecht uitdrukkelijk heeft verworpen, niet voldoet aan de motiveringseisen die voortvloeien uit artikel 51 van 's Hofs Statuten-EGKS en EG en uit artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Een dergelijke hogere voorziening is in feite niets anders dan een vordering tot heronderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift, hetgeen overeenkomstig artikel 49 van die Statuten niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort (zie met name beschikking van 25 maart 1998, FFSA e.a./Commissie, C-174/97 P, Jurispr. blz. I-1303, punt 24).
43 Zoals de Commissie overigens zelf toegeeft, kunnen de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in een hogere voorziening opnieuw worden behandeld, wanneer de rekwirant de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist.
44 In de onderhavige hogere voorziening, in haar geheel bezien, wordt nu juist opgekomen tegen het standpunt van het Gerecht over de verschillende rechtsvragen die hem in eerste aanleg waren voorgelegd.
45 Het verzoek van de Commissie om de hogere voorziening als in haar geheel kennelijk niet-ontvankelijk af te wijzen, kan derhalve niet slagen.
Ten gronde
46 In de eerste twee middelen stelt Salzgitter enerzijds, dat het bestreden arrest een rechtsfout bevat aangezien de opvatting van het Gerecht, dat de bevoegdheid van de Commissie om steunmaatregelen materieel te beoordelen in de tijd beperkt was, geen steun vindt in het recht, en anderzijds, dat de Commissie volgens de rechtspraak van het Hof steeds met de nodige voortvarendheid binnen een redelijke tijd moet handelen, waarover zij in casu beschikte.
47 De Duitse regering voert in wezen hetzelfde aan waar zij stelt, dat de uitlegging van het EGKS-Verdrag en de vijfde code door het Gerecht geen rekening houdt met het onderscheid tussen de materiële en de formele onwettigheid van steunmaatregelen en erop neerkomt, dat aanmeldingstermijnen fatale termijnen zijn.
48 De Commissie stelt primair, dat rekwirantes betoog niet-ontvankelijk is, aangezien het ten dele een herhaling van haar betoog in eerste aanleg vormt en ten dele op een feitelijke beoordeling berust, die in hogere voorziening niet kan worden aangetast. Subsidiair sluit de Commissie zich aan bij de opvatting van het Gerecht, dat de specifieke bepalingen van de vijfde code bijzondere termijnen vastleggen waarvan zij niet kan afwijken, en dat bij een te late aanmelding van een steunvoornemen het risico bestaat, dat zij dit voornemen niet meer kan onderzoeken zolang zij nog de bevoegdheid daartoe heeft.
49 Het Hof heeft reeds beslist, dat de aanmeldingstermijn als vastgesteld in een specifieke bepaling van beschikking nr. 2320/81/EGKS van de Commissie van 7 augustus 1981 tot invoering van communautaire regels voor steun aan de ijzer- en staalindustrie (PB L 228, blz. 14), de zogenoemde tweede staalsteuncode (hierna: tweede code"), een fatale termijn was in die zin, dat goedkeuring van te laat ingediende steunprojecten uitgesloten was (arrest van 3 oktober 1985, Duitsland/Commissie, 214/83, Jurispr. blz. 3053, punten 45-47). Volgens de uitdrukkelijke bewoordingen van de tweede code konden de termijnen van die bepalingen namelijk door de Commissie slechts worden gewijzigd, wanneer aan bepaalde voorwaarden was voldaan en de Raad met die wijziging instemde.
50 Naar aanleiding van het verzoek ter terechtzitting om hun standpunt te bepalen over de in het genoemde arrest Duitsland/Commissie gekozen oplossing, hebben Salzgitter en de Duitse regering, kort gezegd, betoogd, dat dit arrest betrekking had op de tweede code en dus niet relevant was voor de uitlegging van de vijfde code. De Commissie heeft op haar beurt opgemerkt, dat de goedkeuring van de steun in casu onmogelijk was geworden door het verstrijken van de termijn waarbinnen zij beslissingsbevoegdheid bezat, en niet door het verstrijken van de aanmeldingstermijn. De aard van de aanmeldingstermijn is haars inziens daarom niet van belang voor de beslechting van het geschil.
51 Niettemin moet worden vastgesteld, dat de specifieke bepalingen van de vijfde code waarin de termijnen worden vastgesteld, in het bijzonder voor de aanmelding van steunvoornemens, in soortgelijke bewoordingen zijn gesteld als de analoge bepalingen van de tweede code. De enige verschillen betreffen de duur van de termijnen en het feit, dat in de vijfde code uitdrukkelijke regels over de eventuele wijziging ervan ontbreken.
52 Aangaande de duur van die termijnen moet worden opgemerkt, dat terwijl in de tweede code de lidstaten over iets meer dan een jaar beschikten tussen de datum van inwerkingtreding ervan en de einddatum van de aanmeldingstermijn voor steunvoornemens, de overeenkomstige termijn veel langer was in de vijfde code, aangezien deze op 1 januari 1992 in werking is getreden en de aanmeldingstermijn voor steunvoornemens als de onderhavige volgens artikel 6, lid 1, van die vijfde code op 30 juni 1994 afliep. Daar staat tegenover, dat de periode tussen die datum en de einddatum van de termijn voor de goedkeuring van steunmaatregelen als de onderhavige door de Commissie - 31 december 1994 - zes maanden bedroeg, in de tweede code daarentegen negen maanden.
53 Bij gebreke van uitdrukkelijke bepalingen ter zake konden die termijnen in het kader van de toepassing van de vijfde code slechts worden gewijzigd overeenkomstig de procedure die voor de vaststelling van de vijfde code zelf was gebruikt, dat wil zeggen overeenkomstig artikel 95 EGKS-Verdrag, dat de instemming van de Raad verlangt, bij eenstemmigheid bepaald.
54 Onder deze omstandigheden kan niet worden gesteld, dat de aanmeldingstermijn van de vijfde code, die voor de lidstaten in de praktijk gunstiger blijkt dan die van de tweede code - terwijl de goedkeuringstermijn waarover de Commissie beschikt, in de vijfde code juist korter is dan in de tweede code -, doch die niet kan worden gewijzigd, in tegenstelling tot de termijn van de tweede code slechts een procedurele termijn van indicatieve aard is.
55 Zowel onder de ene als onder de andere code was de Commissie derhalve niet bevoegd steunmaatregelen goed te keuren, indien de voornemens tot invoering of wijziging daarvan niet vóór het verstrijken van de specifiek gestelde termijn bij haar waren aangemeld.
56 Wanneer de bevoegdheid van de Commissie in geding is, moet deze door de rechter ambtshalve worden onderzocht, ook al heeft geen van de partijen hierom verzocht (zie, in die zin, arrest van 10 mei 1960, Duitsland/Hoge Autoriteit, 19/58, Jurispr. blz. 481).
57 Het Gerecht heeft in het bestreden arrest dus ten onrechte niet ambtshalve vastgesteld, dat aangezien voornemen nr. 777/94 pas na het verstrijken van de in artikel 6 van de vijfde code gestelde termijn was aangemeld, de Commissie de desbetreffende steunmaatregelen hoe dan ook niet kon goedkeuren.
58 Opgemerkt zij echter, dat wanneer blijkt van een schending van het gemeenschapsrecht in de rechtsoverwegingen van een arrest van het Gerecht, maar het dictum ervan op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt, de hogere voorziening niettemin moet worden afgewezen (arresten van 9 juni 1992, Lestelle/Commissie, C-30/91 P, Jurispr. blz. I-3755, punt 28, en 15 december 1994, Finsider/Commissie, C-320/92 P, Jurispr. blz. I-5697, punt 37).
59 De Commissie nu moest negatief beslissen op voornemen nr. 777/94, aangezien het niet binnen de voorgeschreven termijn bij haar was aangemeld. Het bij het Gerecht tegen beschikking 96/544 ingestelde beroep moest dus wel worden verworpen, ongeacht de daarbij aangevoerde middelen.
60 Bijgevolg kunnen de door rekwirante tegen het bestreden arrest aangevoerde middelen, ontleend aan schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht, geen doel treffen en moet de hogere voorziening derhalve worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
61 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat volgens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie heeft gevorderd, Salzgitter in de kosten te verwijzen, en deze in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen. Artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten dragen. De Bondsrepubliek Duitsland zal daarom haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Salzgitter AG in de kosten.
3) Verstaat dat de Bondsrepubliek Duitsland haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy