Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging - Ontoelaatbaarheid
[EG-Verdrag, art. 169 (thans art. 226 EG)]
Samenvatting
$$Een lidstaat kan zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen.
Partijen
In zaak C-213/98,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Ierland, vertegenwoordigd door M. A. Buckley, Chief State Solicitor, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Ierse ambassade, Route d'Arlon 28,
verweerder,
"betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat Ierland, door niet de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en/of aan de Commissie mee te delen, die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB L 346, blz. 61), de krachtens het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, C. Gulmann (rapporteur) en J.-P. Puissochet, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 juli 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, op 9 juni 1998 ter griffie van het Hof neergelegd, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) het Hof verzocht vast te stellen dat Ierland, door niet de wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen te nemen en/of aan de Commissie mee te delen, die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB L 346, blz. 61; hierna: "richtlijn"), de krachtens het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Ingevolge artikel 15 van de richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om aan de richtlijn te voldoen, vóór 1 juli 1994 in werking doen treden en de Commissie daar onverwijld van in kennis stellen.
3 Omdat zij door Ierland van geen enkele implementatiemaatregel in kennis was gesteld, nodigde de Commissie die lidstaat bij aanmaningsschrijven van 20 januari 1995 uit, zijn opmerkingen binnen twee maanden kenbaar te maken.
4 Bij brief van 22 maart 1995 deelden de Ierse autoriteiten de Commissie mee, dat in 1994 een complete herziening van de Copyright Act was aangevat en dat er een nieuw gedetailleerd ontwerp van wet ter modernisering van het Ierse auteursrecht en ter uitvoering van de bepalingen van de richtlijn in voorbereiding was.
5 Uit het uitblijven van aanvullende informatie concludeerde de Commissie op 1 juli 1997, dat Ierland de nodige bepalingen om aan de richtlijn te voldoen, nog steeds niet had vastgesteld. Zij deed de lidstaat daarom een met redenen omkleed advies toekomen, waarin zij eraan herinnerde, dat de implementatietermijn op 1 juli 1994 was verstreken en dat Ierland verplicht was haar van iedere eventuele uitvoeringsmaatregel in kennis te stellen.
6 Bij brief van 26 augustus 1997 antwoordde de Ierse regering, dat er aanzienlijke vooruitgang was geboekt bij de voorbereiding van het nieuwe gedetailleerde ontwerp van wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten; daarbij wees zij erop, dat het Ierse auteursrecht verouderd was en dat omvangrijke wetgeving noodzakelijk was om in die situatie te voorzien.
7 Daar Ierland verder niets liet horen, concludeerde de Commissie op 8 juni 1998, dat die lidstaat nog steeds in gebreke was met de tenuitvoerlegging van de richtlijn, en besloot zij het onderhavige beroep in te stellen.
8 De Commissie herinnert eraan, dat ingevolge artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag (thans artikel 249, derde alinea, EG) richtlijnen verbindend zijn ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd zijn, en dat de lidstaten volgens artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) alle algemene of bijzondere maatregelen moeten treffen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit het Verdrag of uit gemeenschapshandelingen voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.
9 De Ierse regering betwist niet, dat de richtlijn niet tijdig in nationaal recht is omgezet. De Ierse autoriteiten zouden echter al het noodzakelijke hebben gedaan om de tenuitvoerlegging van de richtlijn te bespoedigen, maar de bepalingen ervan zouden slechts effectief geïmplementeerd kunnen worden door een algehele herziening en modernisering van de Ierse wetgeving inzake de auteurswet.
10 Volgens de Ierse regering verkeert de in 1994 aangevatte herziening van die wetgeving in een vergevorderd stadium en is op 31 juli 1998 een werkdocument in de openbaarheid gebracht. Door de daarin opgenomen bepalingen inzake het verhuur- en uitleenrecht zou de richtlijn volledig worden uitgevoerd en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging zou nog slechts van de voltooiing van het wetgevingsproces afhangen. De Ierse regering merkt nog op, dat die wet binnenkort gereed zal zijn voor publicatie en dan onverwijld zal worden afgekondigd.
11 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen (zie, onder meer, arrest van 14 september 1999, Commissie/Griekenland, C-401/98, Jurispr. blz. I-5543, punt 9).
12 Aangezien de richtlijn niet binnen de daarin gestelde termijn in nationaal recht is omgezet, moet het beroep van de Commissie gegrond worden verklaard.
13 Mitsdien moet worden vastgesteld dat Ierland, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
14 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien Ierland in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom, is Ierland de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Ierland wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy