Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Handelingen van de instellingen - Richtlijnen - Uitvoering door lidstaten - Noodzakelijkheid van volledige uitvoering - Ontbreken van activiteit waarop richtlijn betrekking heeft, in lidstaat - Geen invloed
[EG-Verdrag, art. 189, derde alinea, (thans art. 249, derde alinea, EG)]
2. Landbouw - Harmonisatie van wetgevingen inzake sanitaire controles - Financiering van keuringen en sanitaire controles van vers vlees - Richtlijnen 85/73 en 93/118 - Niveaus van retributies - Verlaging van forfaitaire communautaire retributies tot bedrag van werkelijke inspectiekosten - Verplichting voor lidstaten om deze verlaging automatisch te rechtvaardigen - Geen
(Richtlijn 85/73 van de Raad, art. 2, lid 5, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/118; richtlijn 93/118 van de Raad, bijlage)
Samenvatting
1. Het feit dat een bepaalde activiteit waarop een richtlijn betrekking heeft, in een lidstaat niet bestaat, kan deze lidstaat niet ontheffen van zijn verplichting wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen te treffen ter verzekering van een adequate uitvoering van alle bepalingen van die richtlijn.
( cf. punt 22 )
2. Hoofdstuk I van de bijlage bij richtlijn 93/118 tot wijziging van richtlijn 85/73 inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles van vers vlees en van vlees van pluimvee bevat geen enkele bepaling die als basis kan dienen voor een verplichting van de lidstaten om de Commissie de gegevens mee te delen, die een verlaging van het bedrag van de communautaire retributies rechtvaardigen.
( cf. punt 36 )
Partijen
In zaak C-214/98,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Condou-Durande, lid van de juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door I. K. Chalkias, adjunct juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, en N. Dafniou, auditeur bij de bijzondere juridische dienst, sectie Europees recht, van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Helleense Republiek,
- door bij de soorten vlees waarop de in richtlijn 93/118/EG van de Raad van 22 december 1993 tot wijziging van richtlijn 85/73/EEG inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles van vers vlees en van vlees van pluimvee (PB L 340, blz. 15) bedoelde retributies van toepassing zijn, niet de categorie eenhoevigen/paardachtigen te vermelden;
- door de bedragen van de retributies voor de sanitaire controles bij het slachten van dieren en in verband met het uitsnijden van vers vlees vast te stellen op 50 % van de forfaitaire communautaire bedragen, zonder echter die vermindering in overeenstemming met de vereisten van hoofdstuk I van de bijlage bij richtlijn 93/118 te motiveren, en
- door pluimvee vrij te stellen van de retributie voor het uitsnijden van vers vlees,
de krachtens het EG-Verdrag en deze richtlijn, en in het bijzonder hoofdstuk I, punten 1, 2 en 5, van de bijlage ervan, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, V. Skouris, J.-P. Puissochet, R. Schintgen (rapporteur) en F. Macken, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 juni 1998, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) verzocht vast te stellen dat de Helleense Republiek,
- door bij de soorten vlees waarop de in richtlijn 93/118/EG van de Raad van 22 december 1993 tot wijziging van richtlijn 85/73/EEG inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles van vers vlees en van vlees van pluimvee (PB L 340, blz. 15) bedoelde retributies van toepassing zijn, niet de categorie eenhoevigen/paardachtigen te vermelden;
- door de bedragen van de retributies voor de sanitaire controles bij het slachten van dieren en in verband met het uitsnijden van vers vlees vast te stellen op 50 % van de forfaitaire communautaire bedragen, zonder echter die vermindering in overeenstemming met de vereisten van hoofdstuk I van de bijlage bij richtlijn 93/118 te motiveren, en
- door pluimvee vrij te stellen van de retributie voor het uitsnijden van vers vlees,
de krachtens het EG-Verdrag en deze richtlijn, en in het bijzonder hoofdstuk I, punten 1, 2 en 5, van de bijlage ervan, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
De toepasselijke regeling
Richtlijn 93/118
2 Blijkens de considerans van richtlijn 93/118 is het doel van de wijziging van richtlijn 85/73/EEG van de Raad van 29 januari 1985 inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles van vers vlees en van vlees van pluimvee (PB L 32, blz. 14), de werkingssfeer ervan uit te breiden om een doeltreffende werking van de regeling van de sanitaire controles te verzekeren en concurrentiedistorsies te voorkomen.
3 Daartoe wordt de lidstaten in artikel 1, lid 1, van richtlijn 85/73, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/118, de verplichting opgelegd forfaitaire communautaire retributies te heffen ter dekking van de kosten verbonden aan de keuringen en sanitaire controles van vers vlees van bepaalde diersoorten. Krachtens lid 2 van die bepaling worden de retributies zodanig vastgesteld, dat zij de kosten dekken die de bevoegde autoriteit maakt in verband met de loonkosten, met inbegrip van de sociale premies, en de administratiekosten voor het verrichten van de in die richtlijn bedoelde controles en keuringen.
4 Hoofdstuk I van de bijlage bij richtlijn 93/118 stelt het bedrag en de wijze van heffing van deze retributies vast voor vlees dat valt onder de richtlijnen 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1994 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (PB 1964, 121, blz. 2012) en 71/118/EEG van de Raad van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (PB L 55, blz. 23).
5 Hoofdstuk I, punt 1, van die bijlage luidt:
Onverminderd de toepassing van de punten 4 en 5 innen de lidstaten voor de keuringskosten in verband met de slachtwerkzaamheden:
- de volgende forfaitaire bedragen:
a) rundvlees
- volwassen runderen: 4,75 ecu/dier,
- jonge runderen: 2,5 ecu/dier;
b) eenhoevigen/paardachtigen: 4,4 ecu/dier;
c) varkens: 1,30 ecu/dier;
d) schape- en geitevlees: dieren met een geslacht gewicht van
i) minder dan 12 kg: 0,175 ecu/dier;
ii) 12 tot 18 kg: 0,35 ecu/dier;
iii) meer dan 18 kg: 0,5 ecu/dier.
In afwachting van een heronderzoek van de keuringsvoorschriften voor lammeren, geiten en biggen van minder dan 12 kg mogen de lidstaten uiterlijk tot en met 31 december 1995, voor de keuring van deze geslachte dieren een bedrag innen dat overeenkomt met de reële keuringskosten;
e) tot en met 31 december 1995 wordt het minimumbedrag voor de in richtlijn 71/118/EEG bedoelde keuringen vóór en na het slachten vastgesteld:
i) hetzij forfaitair op de onderstaande niveaus:
- voor vleeskippen en vleeskuikens en ander jong mestpluimvee met een gewicht van minder dan 2 kg, alsmede voor uitstootkippen: 0,01 ecu/dier,
- voor ander jong mestpluimvee met een geslacht gewicht van meer dan 2 kg: 0,02 ecu/dier,
- voor ander zwaar volwassen pluimvee van meer dan 5 kg: 0,04 ecu/dier;
ii) hetzij, ingeval een lidstaat besluit geen onderscheid te maken naar pluimveecategorieën overeenkomstig bovenstaand punt i), op 0,03 ecu/dier.
- een deel dat betrekking heeft:
a) op de administratiekosten, dat wordt vastgesteld op een bedrag dat niet lager mag zijn dan 0,725 ecu per ton;
b) op het opsporen van residuen, dat wordt vastgesteld op een bedrag dat niet lager mag zijn dan 1,35 ecu per ton."
6 Hoofdstuk I, punt 2 van die bijlage bepaalt:
De controles en keuringen in verband met het uitsnijden als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt B, van richtlijn 64/433/EEG en in artikel 3, lid 1, punt B, van richtlijn 71/118/EEG worden gedekt:
a) hetzij op forfaitaire wijze, door een extra forfaitair bedrag van 3 ecu per ton voor vlees dat in een uitsnijderij wordt binnengebracht.
Dit bedrag wordt toegevoegd aan de in punt 1 bedoelde bedragen;
b) hetzij via inning van de reële keuringskosten per werkuur, met dien verstande dat elk begonnen uur als werkuur moet worden beschouwd.
Wanneer het uitsnijden wordt verricht in de inrichting waar het vlees verkregen is, wordt op de in de eerste alinea bedoelde bedragen een korting toegepast van maximaal 55 %."
7 Hoofdstuk I, punt 5 van die bijlage luidt als volgt:
De lidstaten waar de loonkosten, de structuur van de inrichtingen en de verhouding tussen dierenartsen en inspecteurs afwijkt van het communautair gemiddelde dat is bepaald voor de berekening van de in de punten 1 en 2, onder a), vastgestelde forfaitaire bedragen, kunnen hiervan afwijken door verminderingen tot op het niveau van de werkelijk gemaakte inspectiekosten,
a) in het algemeen, bij sterk uiteenlopende kosten van levensonderhoud en loonkosten;
b) voor een bepaalde inrichting, voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- vaststelling per dag van een minimumaantal te slachten dieren, zodat van tevoren kan worden gepland hoeveel keuringspersoneel moet worden ingezet;
- het aantal geslachte dieren moet constant zijn, zodat het keuringspersoneel door een planning van de aanvoer van dieren op rationele wijze kan worden ingezet;
- strakke bedrijfsorganisatie en planning alsmede vlot verloop van het slachtproces met optimale benutting van het keuringspersoneel;
- geen wachttijden en ander tijdverlies voor het keuringspersoneel;
- maximale uniformiteit van de te slachten dieren qua leeftijd, omvang, gewicht en gezondheidstoestand.
In geen geval mag de toepassing van deze afwijkingen leiden tot een vermindering met meer dan 55 % van de in punt 1 genoemde bedragen."
8 Volgens artikel 3, lid 1, eerste en derde alinea, van richtlijn 93/118 moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen treffen om, wat de eisen van de bijlage betreft, uiterlijk op 31 december 1993 aan deze richtlijn te voldoen, en moesten zij de Commissie onverwijld in kennis stellen van de vastgestelde bepalingen.
De Griekse regeling
9 Richtlijn 93/118 is in Griekenland omgezet bij presidentieel decreet nr. 34/94.
10 Artikel 2, lid 1, van dit decreet bepaalt, voor welke soorten vlees retributies moeten worden betaald, en geeft tevens de dienovereenkomstige bedragen aan:
a) rundvlees:
- volwassen runderen: 2,25 ecu/dier
- jonge runderen: 1,25 ecu/dier
b) varkens: 0,65 ecu/dier
c) schapen en geiten:
- minder dan 12 kg: 0,085 ecu/dier
- 12 tot 18 kg: 0,175 ecu/dier
- meer dan 18 kg: 0,250 ecu/dier
d) pluimvee:
- minder dan 2 kg: 0,005 ecu/dier
- meer dan 2 kg: 0,01 ecu/dier
- meer dan 5 kg: 0,02 ecu/dier."
11 Artikel 3, lid 1, van genoemd decreet bepaalt, dat het gedeelte van de retributie ter dekking van de controles en keuringen in verband met het uitsnijden als bedoeld in artikel 4, lid 1, sub B, b, van presidentieel decreet nr. 599/85 en artikel 3, lid 1, sub b, van presidentieel decreet nr. 959/81, forfaitair wordt vastgesteld op 1,5 ecu per ton vlees met been dat is bestemd voor uitsnijden.
12 In lid 2 van hetzelfde artikel wordt bepaald, dat het in lid 1 bedoelde bedrag wordt toegevoegd aan de in artikel 2, lid 1, sub a, b en c bedoelde bedragen.
13 Ten slotte wordt in lid 3 van dat artikel bepaald, dat wanneer het uitsnijden plaats vindt in het bedrijf waar het vlees is verkregen, de in lid 1 bedoelde bedragen met 50 % worden verminderd.
De precontentieuze procedure
14 Volgens de Commissie voldoet presidentieel decreet nr. 34/94 niet aan bepaalde vereisten van de bijlage bij richtlijn 93/118, omdat in strijd met de bepalingen van hoofdstuk I, punten 1, 2 en 5 van die bijlage een categorie eenhoevigen/paardachtigen ontbreekt, de forfaitaire communautaire bedragen in alle gevallen met 50 % zijn verminderd zonder dat de Griekse autoriteiten haar hadden meegedeeld op welke gegevens die vermindering berustte, en pluimvee is vrijgesteld van de retributie in verband met het uitsnijden van vers vlees. In die omstandigheden heeft zij de Helleense Republiek bij brief van 14 september 1995 aangemaand om binnen twee maanden haar opmerkingen in te dienen.
15 De Griekse autoriteiten hebben deze aanmaningsbrief niet beantwoord.
16 Bijgevolg heeft de Commissie op 19 augustus 1997 de Helleense Republiek een met redenen omkleed advies gezonden, waarin zij haar verzocht om de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om aan de verplichtingen van hoofdstuk I, punten 1, 2 en 5, van de bijlage van richtlijn 93/118 te voldoen.
17 Aangezien de Helleense Republiek dit met redenen omkleed advies niet heeft opgevolgd, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep van de Commissie
18 De Commissie voert in wezen drie middelen aan, te weten:
- niet-omzetting van hoofdstuk I, punt 1, eerste streepje, sub b, van de bijlage bij richtlijn 93/118, omdat vlees van eenhoevigen/paardachtigen niet mede is begrepen onder de soorten vlees waarop de in die richtlijn bedoelde retributies van toepassing zijn,
- onjuiste omzetting van de gecombineerde bepalingen van hoofdstuk I, punten 1, 2 en 5 van die bijlage, omdat in de Griekse regeling het bedrag van de retributies voor de sanitaire controles bij het slachten van dieren en in verband met het uitsnijden van vers vlees zijn vastgesteld op 50 % van de forfaitaire communautaire bedragen, zonder echter die vermindering in overeenstemming met de vereisten van richtlijn 93/118 te motiveren, en
- niet-omzetting van de bepalingen van hoofdstuk I, punt 1, eerste streepje, sub e, juncto punt 2, eerste alinea, sub a, van de bijlage bij die richtlijn, omdat in de Griekse regeling voor de toepassing van de retributie in verband met het uitsnijden van vers vlees pluimvee niet is genoemd.
De vermelding van eenhoevigen/paardachtigen voor de toepassing van richtlijn 93/118
19 De Commissie stelt, dat richtlijn 93/118 in de Griekse regeling niet volledig is omgezet, omdat bij de soorten vlees waarop de door de nationale autoriteiten te heffen retributies voor de in die richtlijn bedoelde keuringen en sanitaire controles van toepassing zijn, het vlees van eenhoevigen/paardachtigen niet wordt vermeld, hoewel die categorie dieren uitdrukkelijk in hoofdstuk I, punt 1, eerste streepje, sub b, van de bijlage bij die richtlijn is genoemd.
20 Zonder het bestaan van die lacune te ontkennen stelt de Griekse regering daartegenover, dat opneming van de categorie eenhoevigen/paardachtigen in de nationale regeling ter omzetting van richtlijn 93/118 niet noodzakelijk was, omdat geen enkel slachthuis in Griekenland voor het slachten van dergelijke dieren is erkend. Eenhoevigen/paardachtigen kunnen dus in feite niet in die lidstaat worden geslacht, zodat het ontbreken van de vermelding van die dieren elk rechtsgevolg mist.
21 De Griekse regering voegt eraan toe, dat de categorie eenhoevigen/paardachtigen in elk geval uitdrukkelijk wordt genoemd in een presidentieel decreet dat in voorbereiding is in het kader van de op handen zijnde uitvoering van richtlijn 96/43/EG van de Raad van 26 juni 1996 tot wijziging en codificering van richtlijn 85/73/EEG om de financiering van de keuringen en veterinaire controles van levende dieren en bepaalde dierlijke producten te garanderen en tot wijziging van de richtlijn 90/675/EEG en 91/496/EEG (PB L 162, blz. 1).
22 Bij de beoordeling van deze grief van de Commissie moet aanstonds worden herinnerd aan de rechtspraak van het Hof, volgens welke het feit dat een bepaalde activiteit waarop een richtlijn betrekking heeft, in een lidstaat niet bestaat, deze lidstaat niet kan ontheffen van zijn verplichting wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen te treffen ter verzekering van een adequate omzetting van de bepalingen van die richtlijn (zie, in die zin, arrest van 15 maart 1990, Commissie/Nederland, C-339/87, Jurispr. blz. I-851, punt 22).
23 In de punten 22 en 25 van het geciteerde arrest Commissie/Nederland heeft het Hof namelijk geoordeeld, dat zowel het rechtszekerheidsbeginsel als de noodzaak om de volledige toepassing van richtlijnen rechtens en niet alleen feitelijk te waarborgen, vereist dat de lidstaten de voorschriften van de betrokken richtlijn in bindende wettelijke bepalingen overnemen.
24 Zoals de advocaat-generaal in de punten 22 en 23 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is deze rechtspraak volledig toepasselijk op de onderhavige zaak.
25 De Griekse regering heeft geenszins aangetoond, dat hoe dan ook geen eenhoevige/paardachtige dieren op Grieks grondgebied kunnen worden geslacht, en heeft zich beperkt tot het stellen van een op een gegeven moment bestaande feitelijke situatie waarvan niet is uitgesloten dat deze nadien kan veranderen. Overigens is in presidentieel decreet nr. 410/94, dat door de Griekse regering in bijlage bij haar verweerschrift is overgelegd, wel uitdrukkelijk in de mogelijkheid van erkenning van het slachten van eenhoevige/paardachtige dieren (artikel 1, lid 4) voorzien.
26 In die omstandigheden stelt de Commissie terecht, dat de Helleense Republiek verplicht was in haar nationale regeling de eenhoevigen/paardachtigen uitdrukkelijk te vermelden voor de toepassing van de krachtens richtlijn 93/118 te heffen retributies.
27 Een dergelijke verplichting rust namelijk op de betrokken lidstaat niet enkel om vooruit te lopen op elke wijziging van de op een gegeven moment bestaande zuiver feitelijke situatie, waarop die lidstaat zich voor zijn verweer beroept, maar vooral om een voldoende nauwkeurig, duidelijk en doorzichtig wettelijk en bestuursrechtelijk kader te scheppen, zodat de volledige toepassing van richtlijn 93/118 onder alle omstandigheden juridisch is gewaarborgd en de particulieren hun rechten en verplichtingen kunnen kennen.
28 Gelet op de punten 22 tot en met 27 van dit arrest is de eerste grief van de Commissie derhalve gegrond.
De vaststelling van het bedrag van de retributies op 50 % van de forfaitaire communautaire bedragen
29 De Commissie stelt, dat in presidentieel decreet nr. 34/94 de gecombineerde bepalingen van hoofdstuk I, punten 1, 2 en 5 van de bijlage bij richtlijn 93/118 niet in acht worden genomen, omdat daarin het bedrag van de retributies voor de keuringen en sanitaire controles in verband met het slachten van dieren en het uitsnijden van vers vlees zijn vastgesteld op 50 % van de in die bijlage bepaalde forfaitaire communautaire bedragen, zonder dat de Helleense Republiek die vermindering heeft gemotiveerd en in het bijzonder zonder dat zij de Commissie de concrete gegevens ter rechtvaardiging van een dergelijke vermindering heeft meegedeeld.
30 In antwoord op deze grief betoogt de Griekse regering, dat hoofdstuk I, punt 5, van de bijlage bij richtlijn 93/118 de lidstaten toestaat af te wijken van de bedragen van de retributies, zoals die op communautair niveau in deze bijlage zijn vastgelegd, voor zover de vermindering niet meer dan 55 % van die bedragen beloopt. In casu is dat vereiste zorgvuldig in acht genomen. Voor het overige bevat de richtlijn geen enkele verplichting voor de lidstaten om de Commissie de redenen van een vermindering van de bedragen van de retributies mee te delen. Hoe het ook zij, het is wel bekend, dat de kosten van levensonderhoud alsook de loonkosten in Griekenland aanzienlijk afwijken van het communautaire gemiddelde, en de desbetreffende gegevens zijn voor diensten van de Commissie gemakkelijk toegankelijk.
31 Vaststaat, dat in presidentieel decreet nr. 34/94 de bedragen van de krachtens de bijlage bij richtlijn 93/118 te heffen retributies zijn vastgesteld op 50 % van de forfaitaire communautaire bedragen.
32 Blijkens hoofdstuk I, punt 5, van de bijlage bij richtlijn 93/118 mag een lidstaat waar de kosten van levensonderhoud en de loonkosten bijzonder sterk verschillen van het communautaire gemiddelde dat voor de berekening van de forfaitaire bedragen is bepaald, van die bedragen afwijken tot het niveau van de werkelijk gemaakte inspectiekosten, voor zover de vermindering niet meer dan 55 % van die bedragen beloopt.
33 In casu stelt de Commissie niet, dat de door de Griekse autoriteiten toegepaste vermindering die grens overschrijdt, maar verwijt zij hen de precieze gegevens ter rechtvaardiging van die vermindering niet aan haar te hebben meegedeeld.
34 De Commissie baseert zich in dit verband meer in het bijzonder op artikel 2, lid 5, van richtlijn 85/73, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/118, op de gecombineerde bepalingen van hoofdstuk I, punten 1, 2 en 5, van de bijlage bij laatstgenoemde richtlijn en op artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG).
35 Te beginnen met de laatste bepaling volstaat de opmerking, dat de Commissie deze voor het eerst in repliek heeft aangevoerd en dat haar redenering op dit punt bovendien buitengewoon beknopt is. Aangezien artikel 5 van het Verdrag door de Commissie noch tijdens de precontentieuze procedure noch in de conclusies van haar verzoekschrift uitdrukkelijk is genoemd, dient het argument dat die bepaling niet in acht is genomen, buiten beschouwing te blijven, omdat de Griekse regering zich, wat dit onderdeel van de grief van de Commissie betreft, niet naar behoren heeft kunnen verdedigen.
36 Vervolgens moet worden opgemerkt, dat hoofdstuk I van de bijlage bij richtlijn 93/118 geen enkele bepaling bevat die als basis kan dienen voor een verplichting van de lidstaten om de Commissie de gegevens mee te delen, die een verlaging van het bedrag van de communautaire retributies rechtvaardigen.
37 Ten slotte bepaalt artikel 2, lid 5, van richtlijn 85/73, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/118:
De lidstaten zenden de Commissie - voor de eerste maal twee jaar na invoering van de nieuwe regeling en vervolgens op haar verzoek - gegevens toe over de verdeling en het gebruik van deze retributies, en moeten de wijze van berekening ervan kunnen rechtvaardigen."
38 Zoals de advocaat-generaal in de punten 37 tot en met 39 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt reeds uit de formulering van deze bepaling, dat de lidstaten weliswaar de Commissie twee jaar na de invoering van richtlijn 93/118 moeten informeren over de verdeling en het gebruik van de retributies waarin de richtlijn voorziet, doch dat zij de wijze van berekening van het bedrag van die retributies in de nationale regeling enkel hoeven te verklaren voor zover de Commissie hen vooraf daarom heeft verzocht.
39 Immers, anders dan artikel 8, lid 1, van richtlijn 85/73, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/118, op grond waarvan de Helleense Republiek in de daarin bedoelde gevallen mag afwijken van de in die richtlijn vervatte beginselen, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de Griekse autoriteiten de Commissie over die afwijkingen informeren en dat die informatie vergezeld [gaat] van de noodzakelijke motivering", kent artikel 2, lid 5, van deze richtlijn een dergelijke verplichting voor de lidstaten niet, maar bepaalt slechts, dat zij de wijze van berekening van de retributies moeten (...) kunnen rechtvaardigen".
40 Daaruit volgt, dat in casu slechts sprake kan zijn van een niet-nakoming van laatstgenoemde bepaling wanneer komt vast te staan, dat de Helleense Republiek heeft nagelaten te antwoorden op een voorafgaand verzoek van de Commissie om mededeling van de precieze gegevens die de in die lidstaat vastgestelde verminderde retributies rechtvaardigen.
41 Op dit punt heeft de Commissie in repliek slechts betoogd, dat zij de Griekse regering meermaals had verzocht om mededeling van de gegevens waarop de verlaging van het bedrag van de retributies berustte, maar dat zij geen antwoord had ontvangen.
42 Volgens vaste rechtspraak staat het evenwel aan de Commissie om in het kader van een niet-nakomingsprocedure krachtens artikel 169 van het Verdrag het gestelde verzuim aan te tonen, zonder dat zij zich daarbij kan baseren op een of ander rechtsvermoeden (zie, met name, arrest van 9 september 1999, Commissie/Duitsland, C-217/97, Jurispr. blz. I-5087, punt 22).
43 Aangezien de Commissie in het onderhavige geval voor het Hof niets naders heeft gesteld, met name niet over de datum van haar beweerde verzoeken aan de Griekse regering, kan zij niet worden geacht behoorlijk te hebben aangetoond, dat zij vóór het begin van de precontentieuze procedure heeft verzocht om mededeling van concrete gegevens op grond waarvan de betrokken lidstaat de door hem toegepaste verlaging van het bedrag van de retributies kon rechtvaardigen, en dus, dat de Griekse autoriteiten door hun stilzwijgen inbreuk hebben gemaakt op een uit een dergelijk uitdrukkelijk voorafgaand verzoek ontstane verplichting. De gestelde inbreuk op het gemeenschapsrecht moet immers noodzakelijkerwijze reeds vóór de aanmaningsbrief bestaan.
44 In die omstandigheden moet de tweede grief van de Commissie worden afgewezen.
De vermelding van pluimvee voor de retributie voor het uitsnijden van vers vlees
45 Volgens de Commissie is in presidentieel decreet nr. 34/94, en in het bijzonder artikel 3, lid 2 ervan, pluimvee niet genoemd voor de toepassing van de retributie voor het uitsnijden van vers vlees. Dit is niet in overeenstemming met de regels van richtlijn 93/118, want volgens de gecombineerde bepalingen van hoofdstuk I, punten 1, eerste streepje, sub e, en 2, eerste alinea, sub a, van de bijlage moet de retributie voor het uitsnijden ook voor pluimvee worden betaald, en wordt het bedrag van deze retributie toegevoegd aan het bedrag van de te heffen retributie voor de sanitaire controles bij het slachten van de betrokken dieren.
46 Volgens de Griekse regering is deze grief ongegrond om twee redenen. In de eerste plaats wordt in artikel 3, lid 1, van presidentieel decreet nr. 34/94 verwezen naar de presidentiële decreten nrs. 959/81 en 599/85, inmiddels vervangen door de presidentiële decreten nrs. 410/94 en 291/96, waarin conform de regels van richtlijn 93/118 mede pluimvee wordt genoemd voor de toepassing van de retributie voor het uitsnijden. In de tweede plaats is de Griekse bestuurspraktijk volledig in overeenstemming met de toepasselijke nationale regeling en dus met de betrokken richtlijn, omdat op het gehele Griekse grondgebied daadwerkelijk retributies voor het uitsnijden van vlees van pluimvee worden geheven.
47 In de eerste plaats moet worden vastgesteld, dat richtlijn 93/118, zoals reeds uit de titel ervan blijkt, mede van toepassing is op vlees van pluimvee.
48 Meer in het bijzonder is de retributie voor het uitsnijden niet enkel van toepassing op rundvlees, varkensvlees, schape- en geitevlees en op vlees van eenhoevigen/paardachtigen, maar eveneens op vlees van pluimvee, zoals blijkt uit hoofdstuk I, punt 1, eerste streepje, sub e, juncto punt 2, eerste alinea, sub a, van de bijlage bij richtlijn 93/118.
49 In de tweede plaats heeft het Hof weliswaar geoordeeld, dat de uitvoering van een richtlijn niet noodzakelijkerwijs vereist, dat de bepalingen ervan formeel en letterlijk in een uitdrukkelijke en specifieke wetsbepaling worden overgenomen, en dat een algemene juridische context kan volstaan, wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende bepaalde en duidelijke wijze verzekert (zie, met name, arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 31).
50 Volgens de rechtspraak is het echter noodzakelijk, dat de rechtssituatie voldoende nauwkeurig, duidelijk en doorzichtig is, opdat de belanghebbenden in staat zijn kennis te krijgen van al hun rechten en verplichtingen (zie, in die zin, arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 32).
51 In het onderhavige geval legt hoofdstuk I, punten 1, eerste streepje, sub e, en 2, eerste alinea, sub a, van de bijlage bij richtlijn 93/118 de lidstaten de verplichting op om de communautaire retributie voor het uitsnijden onder meer te heffen van vers vlees van pluimvee en het bedrag van die retributie toe te voegen aan de retributie die verschuldigd is voor de sanitaire controles bij het slachten van de betrokken dieren. Deze bepaling legt de lidstaten dus een nauwkeurige resultaatsverplichting op en regelt de rechtssituatie van de betrokken particulieren rechtstreeks.
52 Zoals de advocaat-generaal in de punten 52 tot en met 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, staat echter vast, dat in Griekenland de verplichting tot heffing van de retributie voor het uitsnijden van vlees van pluimvee niet zo duidelijk, nauwkeurig en doorzichtig is geregeld, dat de rechtszekerheid gewaarborgd is en de betrokken marktdeelnemers in staat zijn kennis te krijgen van al hun rechten en verplichtingen.
53 Immers, ook al zou artikel 3, lid 1, van presidentieel decreet nr. 34/94 wel voldoende duidelijk voorzien in de heffing van een retributie voor het uitsnijden van vlees van pluimvee, zoals de Griekse regering betoogt, dit neemt niet weg dat lid 2 van dat artikel enkel bepaalt, dat het bedrag van die retributie wordt toegevoegd aan de retributie voor de sanitaire controles bij het slachten van runderen, varkens, schapen en geiten. Laatstgenoemde bepaling heeft dus niet expliciet betrekking op pluimvee, zodat zowel de overheidsinstanties die de regels van richtlijn 93/118 moeten toepassen, als de betrokken marktdeelnemers presidentieel decreet nr. 34/94 aldus zouden kunnen uitleggen, dat het uitsnijden van vlees van pluimvee, anders dan de uitsnijwerkzaamheden bij de andere categorieën vlees, geen aanleiding geeft tot betaling van een retributie waarvan het bedrag wordt toegevoegd aan dat van de andere krachtens de richtlijn verschuldigde retributies.
54 De Griekse uitvoeringsregeling van richtlijn 93/118 schept dus voor de betrokken rechtssubjecten onzekerheid over het toepassingsgebied van de communautaire retributie voor het uitsnijden van vers vlees en voldoet wegens die dubbelzinnigheid niet aan de verplichting, de richtlijn op duidelijke, nauwkeurige en doorzichtige wijze om te zetten, te meer omdat volgens presidentieel decreet nr. 34/94 de retributie voor de keuringskosten in verband met slachtwerkzaamheden zonder onderscheid van toepassing is op rundvlees, varkensvlees, schape- en geitevlees en vlees van pluimvee.
55 Met betrekking tot het argument van de Griekse regering, dat de retributie voor het uitsnijden van vlees van pluimvee in feite wordt geheven, volstaat de opmerking, dat dat argument niets kan afdoen aan de vaststelling van het Hof, dat de bepalingen van presidentieel decreet nr. 34/94 niet voldoende duidelijk, nauwkeurig en doorzichtig zijn om een juiste omzetting van richtlijn 93/118 te vormen.
56 Volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn immers eenvoudige administratieve praktijken die, ook al zijn zij in overeenstemming met de voorschriften van een richtlijn, naar hun aard volgens goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd, niet te beschouwen als een geldige uitvoering van de verplichting die krachtens artikel 189 EG-Verdrag (thans artikel 249 EG) rust op de lidstaten tot wie een richtlijn is gericht (zie, met name, arrest Commissie/Nederland, reeds aangehaald, punt 29, en arrest van 7 november 1996, Commissie/Luxemburg, C-221/94, Jurispr. blz. I-5669, punt 22).
57 Daaruit volgt, dat de derde grief van de Commissie moet worden aanvaard.
58 Gelet op al het voorgaande moet worden vastgesteld, dat de Helleense Republiek
- door de categorie eenhoevigen/paardachtigen niet te vermelden bij de soorten vlees waarop de in richtlijn 93/118 bedoelde retributies van toepassing zijn, en
- door pluimvee niet expliciet te noemen voor de toepassing van de bij deze richtlijn vastgestelde retributie in verband met het uitsnijden van vers vlees,
de krachtens artikel 3, lid 1, eerste en derde alinea, van richtlijn 93/118 juncto hoofdstuk I, punten 1, eerste streepje, sub b en e, en 2, eerste alinea, sub a, van de bijlage bij die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
59 Het beroep moet voor het overige worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
60 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie met betrekking tot de kosten niets heeft gevorderd, dient elke partij zijn eigen kosten te dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) - Door de categorie eenhoevigen/paardachtigen niet te vermelden bij de soorten vlees waarop de retributies van toepassing zijn die zijn vastgesteld bij richtlijn 93/118/EG van de Raad van 22 december 1993 tot wijziging van richtlijn 85/73/EEG inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles van vers vlees en van vlees van pluimvee, en
- door pluimvee niet expliciet te noemen voor de toepassing van de bij deze richtlijn vastgestelde retributie voor het uitsnijden van vers vlees,
is de Helleense Republiek de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 3, lid 1, eerste en derde alinea van richtlijn 93/118 juncto hoofdstuk I, punten 1, eerste streepje, sub b en e, en 2, eerste alinea, sub a, van de bijlage bij deze richtlijn, niet nagekomen.
2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.
3) De Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Helleense Republiek dragen ieder hun eigen kosten.
Full & Egal Universal Law Academy