Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening van markten - Restituties bij uitvoer - Verzoek tot vooruitbetaling voor onder stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen - Intrekking van verzoek en weer in vrije verkeer brengen van goederen - Betaling van restituties ondanks intrekking van verzoek - Verplichting van exporteur om ten onrechte ontvangen bedragen terug te betalen - Vrijgifte van waarborg
(Verordeningen van de Commissie nr. 2220/85, art. 29, eerste alinea, en nr. 3665/87, art. 29, lid 2, 31, lid 1, en 33, lid 1)
Samenvatting
$$Artikel 33, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1615/90, juncto artikel 29, eerste alinea, van verordening nr. 2220/85 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten, zijn niet van toepassing op de situatie van de exporteur die, na de bevoegde nationale instanties overeenkomstig artikel 29, lid 2, van verordening nr. 3665/87 te hebben verzocht om vooruitbetaling van een uitvoerrestitutie voor onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen, zijn verzoek intrekt om deze goederen weer in het douanegebied van de Gemeenschap binnen te brengen, en toch de aanvankelijk aangevraagde vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie ontvangt.
In die omstandigheden moet de in artikel 31, lid 1, van verordening nr. 3665/87 bedoelde zekerheid worden vrijgegeven en moet alleen het als vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie betaalde bedrag door de exporteur worden terugbetaald overeenkomstig de nationale bepalingen inzake onverschuldigde betaling.
( cf. punten 43-44 en dictum )
Partijen
In zaak C-217/98,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Bundesfinanzhof (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas
en
LFZ Nordfleisch AG,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 33, lid 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1615/90 van de Commissie van 15 juni 1990 (PB L 152, blz. 33), juncto artikel 29, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten (PB L 205, blz. 5),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: L. Sevón (rapporteur), kamerpresident, P. Jann en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- LFZ Nordfleisch AG, vertegenwoordigd door K. Landry, advocaat te Hamburg,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K.-D. Borchardt en M. Niejahr, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van LFZ Nordfleisch AG en de Commissie ter terechtzitting van 9 september 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 november 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 7 april 1998, ingekomen bij het Hof op 12 juni daaraanvolgend, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 33, lid 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1615/90 van de Commissie van 15 juni 1990 (PB L 152, blz. 33), juncto artikel 29, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten (PB L 205, blz. 5).
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna: Hauptzollamt") en LFZ Nordfleisch AG, rechtsopvolgster van Nordfleish GmbH (hierna: Nordfleisch"), over de betaling door laatstgenoemde van een extra bedrag van 20 % krachtens artikel 33, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3665/87.
Toepasselijke verordeningen
3 Volgens artikel 18, lid 1, van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148, blz. 24), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 425/77 van de Raad van 14 februari 1977 (PB L 61, blz. 1), kan in de mate nodig om de uitvoer van rundvleesproducten op basis van de noteringen of de prijzen van deze producten op de wereldmarkt mogelijk te maken, het verschil tussen deze noteringen of prijzen en de prijzen in de Gemeenschap overbrugd worden door een restitutie bij de uitvoer.
4 Volgens artikel 15, lid 1, van deze verordening kan voor alle uitvoer uit de Gemeenschap een uitvoercertificaat worden vereist. De afgifte van dit certificaat is afhankelijk van het stellen van een waarborg, als garantie dat zal worden voldaan aan de verplichting tot invoer of uitvoer tijdens de geldigheidsduur van het certificaat. Deze waarborg wordt geheel of gedeeltelijk verbeurd indien de transactie niet of slechts ten dele binnen deze termijn plaatsvindt.
5 De algemene voorschriften betreffende de toekenning van restituties bij de uitvoer in de sector rundvlees en de criteria voor het bepalen van het bedrag ervan zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 885/68 van de Raad van 28 juni 1968 (PB L 156, blz. 2), zoals aangevuld bij verordening (EEG) nr. 1504/76 van de Raad van 21 juni 1976 (PB L 168, blz. 7).
6 Volgens artikel 5, leden 2 en 3, van deze verordening is het restitutiebedrag het bedrag dat geldt op de dag van de uitvoer, doch kan de restitutie op verzoek vooraf worden vastgesteld.
7 Artikel 5 bis van deze verordening bepaalt onder meer, dat voor toekenning van de vooraf vastgestelde restitutie een door de lidstaten af te geven certificaat van vaststelling vooraf moet worden overgelegd. Lid 2 van dit artikel luidt:
Voor de afgifte van het certificaat van vaststelling vooraf moet er een waarborg worden gesteld als garantie dat zal worden voldaan aan de verplichting dat de betrokken uitvoer tijdens de geldigheidsduur van het certificaat plaatsvindt. Deze waarborg wordt geheel of gedeeltelijk verbeurd, indien de uitvoer niet of slechts ten dele binnen deze termijn plaatsvindt."
8 De uitvoeringsbepalingen van artikel 15 van verordening nr. 805/68 en van artikel 5 bis van verordening nr. 885/68 zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 3719/88 van de Commissie van 16 november 1988 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (PB L 331, blz. 1).
9 Artikel 39 van deze verordening bepaalt de gevolgen van de regeling terugkerende goederen", als bedoeld in verordening (EEG) nr. 754/76 van de Raad van 25 maart 1976 betreffende de tariefbehandeling die van toepassing is op naar het douanegebied van de Gemeenschap terugkerende goederen (PB L 89, blz. 1) en in verordening (EEG) nr. 2945/76 van de Commissie van 26 november 1976 houdende vaststelling van enige bepalingen voor de toepassing van verordening nr. 754/76 (PB L 335, blz. 1). Voorts betreft artikel 43 van verordening nr. 3719/88 de onttrekking van de goederen aan de douanecontrole alsook de niet-inachtneming van de opslag- of uitvoertermijnen.
10 Artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwproducten (PB L 62, blz. 5), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2026/83 van de Raad van 18 juli 1983 (PB L 199, blz. 12), bepaalt:
Op verzoek van de belanghebbende wordt een bedrag dat gelijk is aan de uitvoerrestitutie uitbetaald zodra de producten of goederen onder het stelsel van douane-entrepots of vrije zones zijn gebracht met het oog op uitvoer binnen een bepaalde termijn."
11 Artikel 6 van deze verordening luidt:
Om voor de regelingen van deze verordening in aanmerking te komen moet een waarborg worden gesteld teneinde de terugbetaling te garanderen van een bedrag dat gelijk is aan het uitbetaalde bedrag, verhoogd met een extra bedrag.
Onverminderd gevallen van overmacht wordt deze waarborg geheel of gedeeltelijk verbeurd:
- in het geval dat er geen terugbetaling is geschied wanneer de uitvoer niet heeft plaatsgehad binnen de termijn bedoeld in artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 1,
of
- indien blijkt dat er geen enkel recht op restitutie bestaat of dat er recht op een restitutie van een lager bedrag bestond."
12 Verordening nr. 3665/87 regelt in detail de uitbetaling van uitvoerrestituties voor landbouwproducten.
13 Titel 2, hoofdstuk 3, van deze verordening regelt de toepassing van verordening nr. 565/80 en de te vervullen formaliteiten of in acht te nemen voorwaarden om in aanmerking te komen voor het voorschot op de restitutie in geval van verwerking of opslag vóór uitvoer.
14 Volgens artikel 25, leden 1 en 2, van verordening nr. 3665/87 geeft de exporteur via een bij de douaneautoriteiten in te dienen betalingsaangifte zijn voornemen te kennen de producten of goederen na verwerking of opslag uit te voeren met toekenning van een restitutie. Deze betalingsaangifte moet alle gegevens bevatten die nodig zijn voor de bepaling van de restitutie.
15 Vóór de aanvaarding van de betalingsaangifte door de bevoegde douanedienst moet de exporteur overeenkomstig artikel 31, lid 1, van verordening nr. 3665/87 een zekerheid stellen die gelijk is aan het overeenkomstig artikel 29, lid 3, berekende bedrag, dat wil zeggen aan het vooruit te betalen bedrag, verhoogd met 20 %.
16 Volgens artikel 26 van deze verordening worden bij het aanvaarden van de betalingsaangifte de producten of goederen onder douanecontrole geplaatst tot zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten. De datum van aanvaarding is bepalend voor de restitutievoet.
17 Volgens artikel 28, lid 5, kunnen de producten of goederen onder een stelsel van douane-entrepots blijven gedurende zes maanden vanaf de datum waarop de betalingsaangifte wordt aanvaard.
18 Krachtens artikel 29, lid 2, wordt het voorschot op de restitutie slechts betaald op schriftelijk verzoek van de exporteur. Lid 3 van dit artikel bepaalt de berekeningswijze van het vooruit te betalen bedrag.
19 Blijkens artikel 30, lid 1, moet de aangifte ten uitvoer uiterlijk op de laatste dag van vorenbedoelde termijn van zes maanden worden ingediend. Binnen 60 dagen na de dag waarop de producten of goederen aan het stelsel van het entrepot onttrokken zijn, moeten zij volgens artikel 32, lid 1, het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.
20 In de versie van verordening nr. 1615/90 bepaalt artikel 33, lid 1, dat ook deel uitmaakt van titel 2, hoofdstuk 3, van verordening nr. 3665/87, dat van toepassing is op het voorschot op de restitutie, met name bij opslag vóór uitvoer:
Wanneer voor producten of goederen waarvoor de regeling van dit hoofdstuk is toegepast, het recht op een restitutie en/of een monetair compenserend bedrag is bewezen, moet het betrokken bedrag met het vooruitbetaalde bedrag worden verrekend. Wanneer voor de geëxporteerde hoeveelheid recht bestaat op een hoger bedrag dan het vooruitbetaalde bedrag, moet het verschil aan de betrokkene worden betaald.
Wanneer voor de uitgevoerde hoeveelheid recht bestaat op een lager bedrag dan het vooruitbetaalde bedrag, met name bij toepassing van lid 2, leidt de bevoegde instantie onverwijld de procedure van artikel 29 van verordening (EEG) nr. 2220/85 in om de exporteur te dwingen het verschil tussen beide bedragen, verhoogd met 20 %, terug te betalen."
21 Artikel 29 van verordening nr. 2220/85 bepaalt de modaliteiten voor volledige of gedeeltelijke verbeurte van de zekerheid, wanneer de betrokkene het bedrag van de verbeurde zekerheid niet terugbetaalt binnen een maximumtermijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag waarop de eis tot betaling door de nationale instantie is gedaan. Dit artikel luidt:
Wanneer de bevoegde autoriteit kennis draagt van de elementen die tot volledige of gedeeltelijke verbeurte van de zekerheid leiden, eist zij onverwijld betaling van betrokkene van het bedrag van de verbeurde zekerheid, welke betaling dient te geschieden binnen een maximumtermijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag waarop de eis tot betaling is gedaan. Wanneer de betaling niet heeft plaatsgevonden binnen de voorgeschreven termijn moet de bevoegde autoriteit:
a) onverwijld de in artikel 8, lid 1, sub a, bedoelde zekerheid innen;
b) onverwijld van de in artikel 8, lid 1, sub b, bedoelde borg betaling eisen, waarbij een termijn wordt toegestaan van ten hoogste 30 dagen vanaf de dag van het verzoek om betaling;
c) onverwijld de nodige maatregelen nemen:
i) om de in artikel 8, lid 2, sub a, c, d en e, bedoelde zekerheden om te zetten in contanten opdat zij de beschikking krijgt over het verbeurde bedrag;
ii) om de beschikking te krijgen over bij de bank gedeponeerde kasdeposito's.
De bevoegde autoriteit kan, zonder vooraf betaling te eisen van de betrokkene, onverwijld definitief de in artikel 8, lid 1, sub a, bedoelde zekerheid innen."
De feiten en de prejudiciële vraag
22 Op 24, 25 en 27 juli 1990 diende Nordfleisch een verzoek in om ongeveer 70 ton rundvlees onder het stelsel van douane-entrepots te plaatsen met het oog op vooruitbetaling van een uitvoerrestitutie, alsmede een betalingsaangifte in de zin van artikel 25 van verordening nr. 3665/87. De douane willigde deze verzoeken in, stelde de hoeveelheid en de hoedanigheid van de goederen vast, stelde certificaten op voor de in deze verzoeken genoemde hoeveelheden, en stelde de restitutievoet vast.
23 Op 1 augustus 1990 verzocht Nordfleisch om vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie tegen de overeenkomstig artikel 29, lid 2, van verordening nr. 3665/87 vooraf vastgestelde restitutievoet.
24 Tussen 2 en 6 augustus 1990 trok Nordfleisch haar verzoeken om betaling van de restitutie in, daar zij voornemens was de onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen weer binnen te brengen in het douanegebied van de Gemeenschap. Voor elk van de ingetrokken aanvragen vroeg en ontving zij een inlichtingenblad Inf 3" overeenkomstig artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2945/76 van de Commissie.
25 Op 24 augustus 1990 stelde het Hauptzollamt, ondanks de intrekking van de betalingsverzoeken, vier beschikkingen tot betaling van de restitutie vast en betaalde het aan Nordfleisch in totaal 237 150,02 DEM uit, wat overeenkwam met de uitvoerrestitutie voor de onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen.
26 Bij beschikking van 6 november 1990 vorderde het Hauptzollamt de vooruitbetaalde restitutie terug, vermeerderd met een extra bedrag van 20 %, gelijk aan 47 370 DEM, overeenkomstig artikel 33, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3665/87.
27 Het Hauptzollamt wees het bezwaar van Nordfleisch tegen de toepassing van het extra bedrag van 20 % af.
28 Het door Nordfleisch bij het Finanzgericht Hamburg daartegen ingestelde beroep werd evenwel toegewezen. Uit de uitlegging van het relevante gemeenschapsrecht (artikelen 5 en 6 van verordening nr. 565/80, en artikelen 25, 29, lid 2, 31, lid 1, en 33 van verordening nr. 3665/87) volgt volgens het Finanzgericht, dat de extra 20 % niet bedoeld is als garantie voor het goede verloop van de procedure van plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots met het oog op een vooruit te betalen uitvoerrestitutie, maar veeleer als forfaitaire compensatie van de uit de ongerechtvaardigde toekenning van de vooruitbetaling van deze restitutie voortvloeiende voordelen. Bij wijziging van de eindbestemming van de betrokken goederen vervalt de verplichting tot het stellen van de in artikel 31 van verordening nr. 3665/87 voorgeschreven zekerheid, omdat afstand wordt gedaan van vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie. Hetzelfde moet volgens het Finanzgericht gelden, wanneer de douane, ondanks de intrekking door de exporteur van de betalingsverzoeken, het met de restitutie overeenkomend bedrag toch uitbetaalt, en deze uitbetaling op een vergissing berust en geen enkele rechtsgrondslag heeft.
29 Het Hauptzollamt stelde tegen deze uitspraak beroep tot Revision" in.
30 Volgens het Bundesfinanzhof is het op het eerste gezicht beslissend, dat de goederen onder het stelsel van douane-entrepots zijn geplaatst met het oog op uitvoerrestitutie, zodat het recht op vooruitbetaling een feit is, ongeacht of het stelsel is toegepast of niet. Aangezien Nordfleisch niet de verplichting is nagekomen de goederen binnen de gestelde termijn het douanegebied van de Gemeenschap te doen verlaten, vorderde het Hauptzollamt van haar terecht de betaling van een extra bedrag van 20 % krachtens artikel 33, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3665/87.
31 De door de exporteur gestelde zekerheid heeft dus niet alleen tot doel de eventuele terugbetaling van het vooruitbetaalde bedrag te verzekeren en eventuele uit de ontvangst van dit bedrag voortvloeiende ongerechtvaardigde financiële voordelen forfaitair te compenseren, doch strekt er ook toe de regelmatigheid van de plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots te garanderen en misbruik van het verzoek om toekenning van dit recht door de marktdeelnemers te voorkomen. Volgens het Bundesfinanzhof is een verhoging met 20 % onevenredig, indien zij alleen strekt tot compensatie van het uit de ongerechtvaardigde toekenning van de vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie voortvloeiende financiële voordeel. Indien dat het enige doel van de verhoging is, had ermee kunnen worden volstaan het percentage ervan enkele punten hoger te stellen dan de in de betrokken lidstaat geldende rentevoet.
32 Van oordeel evenwel dat de gegrondheid van zijn analyse niet boven alle twijfel verheven is, achtte het Bundesfinanzhof het nodig het Hof krachtens artikel 177, derde alinea, van het Verdrag de volgende prejudiciële vraag te stellen:
Moet artikel 33, lid 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 juncto artikel 29, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985, aldus worden uitgelegd, dat het bedrag van de uitvoerrestitutie ook dan met 20 % moet worden verhoogd, wanneer de overeenkomstig artikel 5 van verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 juncto de artikelen 25 en 26 van verordening (EEG) nr. 3665/87 met het oog op uitvoerrestitutie onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen - anders dan oorspronkelijk was voorzien - niet zijn uitgevoerd, doch onmiddellijk na opslag onder het stelsel van douane-entrepots en na intrekking van het betalingsverzoek [artikel 29, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3665/87] in de Gemeenschap weer in het vrije verkeer zijn gebracht?"
33 Nordfleisch en de Commissie die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, stellen beiden, dat de extra 20 % slechts kan worden gevorderd, wanneer de vooruitbetaling daadwerkelijk is gevraagd, wat in het hoofdgeding niet het geval is. De Commissie stelt met name, dat de verplichting zekerheid te stellen alvorens de betalingsaangifte wordt aanvaard, haar verklaring vindt in het feit dat deze aanvaarding de basis vormt van een recht op vooruitbetaling van de restitutie aan de exporteur. De exporteur moet daarnaast evenwel nog een schriftelijk verzoek om vooruitbetaling indienen. De nauwe band tussen de zekerheidstelling en de vooruitbetaling blijkt overigens uit verordening nr. 3665/87, waarvan artikel 31, lid 3, eerste streepje, bepaalt dat de zekerheid steeds moet worden gesteld voordat de vooruitbetaling wordt gedaan. De Commissie wijst erop, dat op niet-nakoming van de uitvoerverplichting reeds andere sancties staan die uitputtend zijn geregeld door artikel 43, lid 3, juncto artikel 39, lid 1, sub b en c, van verordening nr. 3719/88.
34 Dienaangaande zij om te beginnen opgemerkt, dat de verschillende in titel 2, hoofdstuk 3, van verordening nr. 3665/87 beschreven verrichtingen de opeenvolgende etappes vormen van de regeling die bij opslag vóór uitvoer geldt voor het voorschot op de restitutie.
35 De marktdeelnemer moet in een eerste fase een betalingsaangifte indienen die, wanneer zij door de bevoegde douanedienst wordt aanvaard, de basis vormt voor zijn recht op vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie.
36 De aanvaarding van de betalingsaangifte volstaat voor de douane evenwel niet om hem dit voorschot uit te betalen. Uitbetaling is namelijk slechts mogelijk wanneer de exporteur in een tweede fase schriftelijk daarom heeft verzocht, zodat de exporteur over de datum van vooruitbetaling kan beslissen of bij wijziging van de bestemming van de goederen volledig van betaling kan afzien.
37 Voorts blijkt uit artikel 6 van verordening nr. 565/80, dat om voor vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie in aanmerking te komen een waarborg moet worden gesteld teneinde de terugbetaling te garanderen van een bedrag dat gelijk is aan het uitbetaalde bedrag, verhoogd met een extra bedrag.
38 Wat de bij opslag vóór uitvoer op het voorschot op de restitutie toepasselijke regeling betreft, valt het bestaan van een band tussen de zekerheid en de vooruitbetaling duidelijk af te leiden uit de tekst van artikel 31, lid 3, van verordening nr. 3665/87, volgens hetwelk de lidstaten kunnen toestaan dat de zekerheid wordt gesteld na de aanvaarding van de betalingsaangifte op voorwaarde dat nationale voorschriften de exporteur verplichten de zekerheid te stellen voordat de vooruitbetaling plaatsvindt.
39 Deze zekerheid strekt er dus toe te verzekeren, dat het vooruitbetaalde bedrag bij niet-naleving van de gemeenschapsregeling inzake vooruitbetaling volledig wordt terugbetaald, alsook dat de uit de ongerechtvaardigde toekenning van de vooruitbetaling verkregen voordelen die forfaitair worden geraamd op het bij artikel 31, lid 1, van verordening nr. 3665/87 vastgestelde percentage, worden opgeheven.
40 Bij gebrek aan andersluidende gemeenschapsbepalingen kan de exporteur zijn verzoek om vooruitbetaling van de restitutie intrekken zolang de douane daarover nog geen beslissing heeft genomen. In dat geval kan de douane de door de exporteur gestelde zekerheid niet verbeuren, doch moet zij die volledig vrijgeven.
41 Indien ondanks de intrekking van het betalingsverzoek de nationale autoriteiten het restitutiebedrag toch vooruitbetalen, blijft deze betaling na intrekking van het verzoek zonder gevolgen voor de zekerheid.
42 De zekerheid kan niet worden ingehouden als sanctie voor de niet-naleving van de andere verplichtingen van de uitvoerrestitutieregeling. Op onregelmatige uitvoering van de plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots of op niet-inachtneming van de bij de regeling gestelde termijnen worden namelijk elders, met name in de artikelen 39 en 43 van verordening nr. 3719/88, sancties gesteld.
43 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat artikel 33, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3665/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1615/90, juncto artikel 29, eerste alinea, van verordening nr. 2220/85 niet van toepassing zijn op de situatie van de exporteur die na de bevoegde nationale instanties overeenkomstig artikel 29, lid 2, van verordening nr. 3665/87 te hebben verzocht om vooruitbetaling van een uitvoerrestitutie voor onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen, zijn verzoek intrekt om deze goederen weer in het douanegebied van de Gemeenschap binnen te brengen, en toch de aanvankelijk aangevraagde vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie ontvangt.
44 In die omstandigheden moet de in artikel 31, lid 1, van verordening nr. 3665/87 bedoelde zekerheid worden vrijgegeven en moet alleen het als vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie betaalde bedrag door de exporteur worden terugbetaald overeenkomstig de nationale bepalingen inzake onverschuldigde betaling.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
45 De door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 7 april 1998 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 33, lid 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1615/90 van de Commissie van 15 juni 1990, juncto artikel 29, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten, zijn niet van toepassing op de situatie van de exporteur die na de bevoegde nationale instanties overeenkomstig artikel 29, lid 2, van verordening nr. 3665/87 te hebben verzocht om vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie voor onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen, zijn verzoek intrekt om deze goederen weer in het douanegebied van de Gemeenschap binnen te brengen, en toch de aanvankelijk aangevraagde vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie ontvangt.
In die omstandigheden moet de in artikel 31, lid 1, van verordening nr. 3665/87 bedoelde zekerheid worden vrijgegeven en moet alleen het als vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie betaalde bedrag door de exporteur worden terugbetaald overeenkomstig de nationale bepalingen inzake onverschuldigde betaling.
Full & Egal Universal Law Academy