Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Mededinging - Gemeenschapsregels - Materiële werkingssfeer - Collectieve overeenkomsten waarmee doelstellingen van sociale politiek worden nagestreefd - Collectieve overeenkomst inzake ziektekostenverzekering waarbij werkgever wordt verplicht tot betaling van premie uitsluitend aan in het kader van die collectieve overeenkomst gekozen verzekeraars - Ziekteverzekeringsactiviteit uitbesteed aan verzekeraars - Daarvan uitgesloten
[EG-Verdrag, art. 85 en 86 (thans artikelen 81 en 82 EG)]
Samenvatting
$$Bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst inzake de ziektekostenverzekering van onder deze overeenkomst vallende werknemers, uit hoofde waarvan het voor rekening van de werkgever komende gedeelte van de premies slechts wordt betaald voor verzekeringen die worden afgesloten bij de in het kader van de uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst gekozen verzekeraar(s), zijn verenigbaar met de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (thans artikelen 81 EG en 82 EG).
In dit verband kan het feit dat de betrokken ziektekostenverzekeringsactiviteit is uitbesteed, geen grond opleveren om een collectieve arbeidsovereenkomst als de onderhavige uit te sluiten van de in de arresten van 21 september 1999, Albany, C-67/96, Brentjens', C-115/97 tot en met C-117/97, en Drijvende Bokken, C-219/97, geformuleerde uitzondering op het verbod van artikel 85 van het Verdrag. Een dergelijke beperking zou namelijk een ongerechtvaardigde ingreep in de vrijheid van de sociale partners betekenen, die, wanneer zij een overeenkomst sluiten over een bepaald aspect van de arbeidsvoorwaarden, eveneens tot oprichting van een apart orgaan voor de uitvoering van de overeenkomst moeten kunnen besluiten en bepalen, dat dit orgaan een andere verzekeraar kan inschakelen.
( cf. punten 26, 32 en dictum )
Partijen
In zaak C-222/98,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Kantongerecht te Groningen (Nederland), in het aldaar aanhangig geding tussen
H. van der Woude
en
Stichting Beatrixoord,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 85 en 86 EG-Verdrag (thans de artikelen 81 EG en 82 EG),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), kamerpresident, R. Schintgen en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- H. van der Woude, vertegenwoordigd door P. E. Mazel, advocaat te Leeuwarden,
- Stichting Beatrixoord, vertegenwoordigd door M. Blokzijl, advocaat te Groningen,
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra, assistent juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Kruse, departementsråd bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Ridley, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door P. Elias, QC, en J. Skilbeck, Barrister,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Wils en H. J. M. van Vliet, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van H. van der Woude, vertegenwoordigd door P. E. Mazel; de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra; de Zweedse regering, vertegenwoordigd door B. Hernquist, onderdirecteur bij het juridisch secretariaat van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R. Magrill van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door S. Moore, Barrister, en de Commissie, vertegenwoordigd door W. Wils, ter terechtzitting van 23 maart 2000,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 mei 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 20 mei 1998, ingekomen bij het Hof op 17 juni daaraanvolgend, heeft het Kantongerecht te Groningen krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 85 en 86 EG-Verdrag (thans de artikelen 81 EG en 82 EG).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen H. van der Woude en zijn werkgever, Stichting Beatrixoord (hierna: Beatrixoord"), in verband met haar weigering, de bijdrage in de premies ziektekostenverzekering af te dragen aan een andere verzekeraar dan de beheerder van de ziektekostenregeling IZZ, een regeling die in het leven is geroepen bij de collectieve arbeidsovereenkomst voor het ziekenhuiswezen, die op Van der Woudes arbeidsovereenkomst van toepassing is.
De nationale wettelijke regeling
3 Artikel 1, eerste alinea, van de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst (hierna: Wet CAO") definieert de collectieve arbeidsovereenkomst aldus:
Onder collectieve arbeidsovereenkomst wordt verstaan de overeenkomst, aangegaan door een of meer werkgevers of een of meer verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers en een of meer verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid van arbeiders, waarbij voornamelijk of uitsluitend worden geregeld arbeidsvoorwaarden, bij arbeidsovereenkomsten in acht te nemen."
4 Artikel 12, eerste alinea, van de Wet CAO bepaalt:
Elk beding tussen een werkgever en een arbeider, strijdig met een collectieve arbeidsovereenkomst door welke zij beiden gebonden zijn, is nietig; in plaats van zodanig beding gelden de bepalingen der collectieve arbeidsovereenkomst."
5 Artikel 14 van deze wet luidt:
Wanneer bij de collectieve arbeidsovereenkomst niet anders is bepaald, is de werkgever, die door die overeenkomst gebonden is, verplicht, tijdens de duur dier overeenkomst haar bepalingen omtrent arbeidsvoorwaarden ook na te komen bij de arbeidsovereenkomsten, als in de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld, welke hij aangaat met arbeiders, die door de collectieve arbeidsovereenkomst niet gebonden zijn."
6 Artikel 2, lid 1, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten bepaalt:
Onze minister kan bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, die in het gehele land of in een gedeelte des lands voor een - naar zijn oordeel belangrijke - meerderheid van de in een bedrijf werkzame personen gelden, in het gehele land of in dat gedeelte des lands algemeen verbindend verklaren. Deze bepalingen zijn dan, behalve in de gevallen door onze minister uitgezonderd, binnen dat gebied verbindend voor alle werkgevers en arbeiders ten aanzien van arbeidsovereenkomsten, die naar de aard van de arbeid, waarop zij betrekking hebben, onder de collectieve arbeidsovereenkomst vallen of zouden vallen, hetzij deze arbeidsovereenkomsten op het tijdstip, waarop de werking der verbindendverklaring aanvangt, reeds gesloten zijn, hetzij zij daarna gesloten worden."
7 In artikel 3, leden 1 en 3, van genoemde wet wordt voorts bepaald:
1. Elk beding tussen de werkgever en de arbeider, strijdig met verbindend verklaarde bepalingen, is nietig; in plaats van zodanig beding gelden de verbindend verklaarde bepalingen.
(...)
3. Bij gebreke van bepalingen in een arbeidsovereenkomst omtrent aangelegenheden, geregeld in verbindend verklaarde bepalingen, gelden die verbindend verklaarde bepalingen."
De collectieve arbeidsovereenkomst voor het ziekenhuiswezen
8 Artikel 32 van de Collectieve arbeidsovereenkomst voor het ziekenhuiswezen (hierna: CAO"), laatstelijk verlengd tot 31 maart 1998, bepaalt:
Ziektekostenregeling IZZ
De (voormalige) werknemer kan deelnemen aan de collectieve ziektekostenregeling(en) IZZ.
De voorwaarden voor deelneming voor hem en zijn eventuele mededeelnemer(s) en de omvang van de verstrekking zijn geregeld in het Reglement Ziektekostenregeling van de Stichting IZZ.
In dit reglement is tevens de vaststelling van de premie geregeld. Het Reglement Ziektekostenregeling wordt, na overleg met partijen bij deze CAO, vastgesteld en gewijzigd door het bestuur van de in lid 2 genoemde stichting. De hoogte van de eventuele bijdrage(n) van de werkgever in de premie van de betreffende ziektekostenregeling(en) wordt vastgesteld door partijen bij deze CAO. Deze eventuele werkgeversbijdrage geldt voor deeltijdwerkers naar evenredigheid van de omvang van het dienstverband.
De in lid 1 genoemde regelingen worden uitgevoerd door de Stichting Instituut Ziektekostenvoorziening Ziekenhuiswezen (IZZ). In het bestuur van deze stichting zijn partijen bij deze CAO vertegenwoordigd.
De stichting kan zijn werkzaamheden geheel of gedeeltelijk doen uitvoeren door één of meer non-profit ziektekostenverzekeraars.
De voor de deelname van de (voormalige) werknemer aan de ziektekostenregeling IZZ totaal verschuldigde premie per deelnemer wordt na overleg met partijen bij deze CAO door de Stichting IZZ vastgesteld en wordt door de werkgever gestort in het door voornoemde stichting beheerde Ziektekostenfonds tenzij in het reglement anders is bepaald."
9 Artikel II, sub G, van deze CAO bepaalt voorts:
Voor zover (...) niet anders is bepaald, is het de werkgever niet toegestaan af te wijken van de bepalingen van deze CAO of arbeidsvoorwaarden met de werknemer overeen te komen die in deze CAO geen regeling vinden."
10 Artikel 2, lid IA, sub 1, van het Reglement Ziektekostenvoorziening IZZ, bepaalt:
Als deelnemer wordt toegelaten tot de regeling basisvergoeding de werknemer die in dienst komt van de werkgever, ingaande de datum van de indiensttreding, alsmede de werknemer op wie eerst op latere datum de ziektekostenregeling van toepassing is geworden, ingaande deze datum."
Het hoofdgeding
11 Van der Woude is hoofd technische dienst van Beatrixoord, die een verzorgingstehuis exploiteert. Hij is geen lid van een vakbond. Op zijn arbeidsovereenkomst is de CAO van toepassing.
12 Overeenkomstig artikel 32, lid 1, van de CAO betaalt Beatrixoord voor Van der Woude 50 % van de premie van de ziektekostenregeling IZZ.
13 Het IZZ oefent het verzekeringsbedrijf niet zelf uit, maar heeft dit vanaf 1977 uitbesteed aan de Onderlinge Waarborgmaatschappij Zorgverzekeraar VGZ U.A. te Nijmegen. In totaal gaat het om circa 750 000 verzekerden (260 000 werknemers en hun gezinnen), waarvan naar schatting 40 % particulier verzekerd is.
14 Van der Woude vordert in het hoofdgeding, dat Beatrixoord hem de bijdrage in zijn premies ziektekostenverzekering betaalt, ongeacht bij welke verzekeraar hij is verzekerd. Hij wenst zich namelijk te verzekeren bij een andere ziektekostenverzekeraar, RZG, die hem zowel wat de uitkeringen als wat de premie betreft gunstiger voorwaarden biedt. Van der Woude stelt, dat hij per maand (inclusief de bijdrage van Beatrixoord) 133 NLG voor de basisverzekering en 33 NLG voor een aanvullende verzekering betaalt, welke premies bij RZG 128,50 NLG respectievelijk 19,50 NLG zouden zijn. Het eigen risico bedraagt bij IZZ 200 NLG, bij RZG 150 NLG. Voorts zou RZG in het kader van een ingrijpende gebitsanering (zes kronen van 800 NLG per stuk) de kosten van de gehele behandeling voor haar rekening nemen, terwijl hij onder het vigerende IZZ-reglement recht heeft op een vergoeding van 450 NLG per stuk. Bovendien kan bij IZZ niet anders dan na voorafgaande keuring een aanvullende verzekering worden afgesloten.
15 Blijkens het verwijzingsvonnis kan Beatrixoord slechts verplicht worden van de ziektekostenregeling van artikel 32 van de CAO af te wijken en aan Van der Woude een bijdrage voor een verzekering van zijn keuze te verlenen, indien komt vast te staan dat de CAO-regeling nietig is.
16 Voor de beantwoording van de vraag, of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde CAO-bepalingen mogelijk in strijd zijn met de artikelen 85 en 86 van het Verdrag, is onder meer van belang, of IZZ - dat niet zelf het verzekeringsbedrijf uitoefent - kan worden aangemerkt als een onderneming in de zin van deze artikelen.
17 In die omstandigheden heeft het Kantongerecht te Groningen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
Is het samenstel van artikel II, sub G (waarin is bepaald dat van deze CAO niet mag worden afgeweken), en artikel 32 (de ziektekostenregeling) van de CAO in strijd met het bepaalde in artikel 85 en 86 EG-Verdrag?"
De prejudiciële vraag
18 De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen, of bepalingen van een CAO inzake de ziektekostenverzekering van onder deze CAO vallende werknemers, uit hoofde waarvan het voor rekening van de werkgever komende gedeelte van de premies slechts wordt betaald voor verzekeringen die worden afgesloten bij de in het kader van de uitvoering van de CAO gekozen verzekeraar(s), verenigbaar zijn met de artikelen 85 en 86 van het Verdrag.
19 Na mededeling van de arresten van 21 september 1999, Albany (C-67/96, Jurispr. blz. I-5751); Brentjens (C-115/97-C-117/97, Jurispr. blz. I-6025), en Drijvende Bokken (C-219/97, Jurispr. blz. I-6121), achtte de verwijzende rechter het niettemin noodzakelijk het verzoek om een prejudiciële beslissing te handhaven, op grond dat in casu de uitvoering van de ziektekostenregeling-IZZ was ondergebracht bij IZZ, die de betrokken verzekeringsactiviteit had uitbesteed aan de commerciële verzekeraar VGZ.
20 Van der Woude heeft ter terechtzitting opgemerkt, dat het Hof in de voormelde arresten Albany, Brentjens en Drijvende Bokken de gestelde vraag in wezen reeds heeft beantwoord. Hij was echter van mening, dat de in deze arresten gemaakte uitzondering op de toepasselijkheid van artikel 85 van het Verdrag niet geldt voor ziektekostenverzekeringen. Een premie ziektekostenverzekering behoort, anders dan pensioenen, die deel uitmaken van de directe beloning, niet tot de essentiële bepalingen waarover wordt onderhandeld in het kader van collectieve arbeidsovereenkomsten. Bovendien is de collectieve arbeidsovereenkomst naar zijn mening rechtstreeks van invloed op derden, namelijk de andere aanbieders van ziektekostenverzekeringen, daar zij de verplichting inhoudt om zich te verzekeren bij VGZ.
21 Eveneens onder verwijzing naar de arresten Albany, Brentjens en Drijvende Bokken heeft de Nederlandse regering, ondersteund door de Zweedse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk, ter terechtzitting betoogd, dat de in casu tussen 6 werkgeversorganisaties en 28 werknemersorganisaties gesloten overeenkomst is voortgevloeid uit de dialoog tussen sociale partners, is gesloten in de vorm van een collectieve arbeidsovereenkomst en betrekking heeft op de arbeidsvoorwaarden van de werknemers. Een dergelijke collectieve arbeidsovereenkomst voldoet dus aan de in de aangehaalde arresten gestelde criteria. Volgens de Nederlandse regering is het feit dat de verzekeringsactiviteit niet wordt uitgeoefend door de sociale partners, maar door IZZ is uitbesteed aan VGZ, niet van invloed op het karakter en de doelstelling van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde collectieve arbeidsovereenkomst.
22 In de arresten Albany, Brentjens en Drijvende Bokken heeft het Hof geoordeeld, dat overeenkomsten die in het kader van collectieve onderhandelingen tussen sociale partners worden gesloten ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden, wegens hun aard en doel moeten worden geacht niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag te vallen.
23 Derhalve moet worden onderzocht, of de aard en het doel van de in geding zijnde overeenkomst rechtvaardigen, dat deze buiten de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, van het Verdrag blijft.
24 De onderhavige overeenkomst is gesloten in de vorm van een collectieve overeenkomst en is het resultaat van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers- en werknemersorganisaties.
25 Wat het doel ervan betreft, wordt bij de overeenkomst voor een bepaalde sector een ziektekostenregeling in het leven geroepen, die bijdraagt aan de verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers: niet alleen garandeert zij hen de nodige middelen om hun ziektekosten te kunnen betalen, maar ook leidt zij tot een verlaging van de kosten die zonder collectieve overeenkomst te hunnen laste zouden komen.
26 Het feit dat de betrokken verzekeringsactiviteit is uitbesteed, kan geen grond opleveren om een collectieve arbeidsovereenkomst als de onderhavige uit te sluiten van de in de arresten Albany, Brentjens en Drijvende Bokken gemaakte uitzondering op het verbod van artikel 85 van het Verdrag. Een dergelijke beperking zou namelijk een ongerechtvaardigde ingreep in de vrijheid van de sociale partners betekenen, die, wanneer zij een overeenkomst sluiten over een bepaald aspect van de arbeidsvoorwaarden, eveneens tot oprichting van een apart orgaan voor de uitvoering van de overeenkomst moeten kunnen besluiten en bepalen, dat dit orgaan een andere verzekeraar kan inschakelen.
27 Derhalve moet worden geconcludeerd, dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst wegens haar aard en doel niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt.
28 Wat artikel 86 van het Verdrag betreft, merkt Van der Woude op, dat de relevante geografische markt Nederland is en de relevante productmarkt die van de particuliere ziektekostenverzekeringen, te leveren aan en af te nemen door werknemers die onder de CAO vallen. Als gevolg van artikel 32 van de CAO is er een aparte deelmarkt ontstaan: gewone ziektekostenverzekeringen zijn voor onder de CAO vallende werknemers immers niet substitueerbaar met die geleverd door IZZ/VGZ. Deze verzekeraars hebben dus een machtspositie in de zin van artikel 86 van het Verdrag en, doordat de werkgevers 50 % van de premie betalen, kunnen IZZ/VGZ zich in belangrijke mate onafhankelijk van hun concurrenten en verzekerden gedragen.
29 Van der Woude stelt voorts, dat IZZ/VGZ van die machtspositie misbruik maken door onbillijke prijzen en andere onbillijke contractvoorwaarden op te leggen. Ondanks de kostenvoordelen die IZZ/VGZ genieten als gevolg van de litigieuze bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst, bieden zij toch ongunstiger voorwaarden dan hun potentiële concurrenten, zoals uit punt 14 van dit arrest blijkt. Bovendien beroept hij zich op artikel 2, lid IA, van het Reglement Ziektekostenvoorziening IZZ, dat inhoudt dat een werknemer die zich om hem moverende redenen niet (langer) aansluit bij IZZ/VGZ, daar ook niet kan terugkeren. Deze bepaling versterkt de binding tussen IZZ/VGZ en de verzekerden dus nog extra.
30 In dit verband volstaat de vaststelling, dat noch uit de door de nationale rechter overgelegde stukken, noch uit de schriftelijke of mondelinge opmerkingen blijkt, dat de onderneming die de in geding zijnde verzekering beheert, door de regeling in de collectieve arbeidsovereenkomst ertoe wordt gebracht haar eventuele machtspositie te misbruiken, of dat de geleverde prestaties niet overeenkomen met de behoeften van de betrokken werknemers.
31 Ten aanzien van de vraag, of de bepaling, dat voormalige leden zich niet opnieuw bij IZZ kunnen aansluiten, en of de in casu gehanteerde onbillijke prijzen en andere contractvoorwaarden misbruik van machtspositie opleveren, moet worden vastgesteld, dat deze punten niet behoren tot het onderwerp van geschil van het hoofdgeding, daar dit uitsluitend betrekking heeft op de vraag, of het feit dat de werkgeversbijdrage enkel kan worden betaald voor volgens de bij collectieve arbeidsovereenkomst gestelde regels afgesloten ziektekostenverzekeringen, verenigbaar is met de mededingingsvoorschriften.
32 Derhalve moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat bepalingen van een CAO inzake de ziektekostenverzekering van onder deze CAO vallende werknemers, uit hoofde waarvan het voor rekening van de werkgever komende gedeelte van de premies slechts wordt betaald voor verzekeringen die worden afgesloten bij de in het kader van de uitvoering van de CAO gekozen verzekeraar(s), verenigbaar zijn met de artikelen 85 en 86 van het Verdrag.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
33 De kosten door de Nederlandse en de Zweedse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk alsmede de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Kantongerecht te Groningen bij vonnis van 20 mei 1998 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Bepalingen van een CAO inzake de ziektekostenverzekering van onder deze CAO vallende werknemers, uit hoofde waarvan het voor rekening van de werkgever komende gedeelte van de premies slechts wordt betaald voor verzekeringen die worden afgesloten bij de in het kader van de uitvoering van de CAO gekozen verzekeraar(s), zijn verenigbaar met de artikelen 85 en 86 EG-Verdrag (thans de artikelen 81 EG en 82 EG).
Full & Egal Universal Law Academy