Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Gemeenschappelijke handelspolitiek - Handelsverkeer met derde landen - Regeling voor invoer in Gemeenschap van producten van oorsprong uit Republieken Kroatië en Slovenië en Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro - Invoer in Gemeenschap van rundvlees van type baby beef" van oorsprong uit Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië - Certificaten van oorsprong afgegeven door voorheen bevoegde instantie bij gebreke van aanwijzing van nieuwe bevoegde instantie - Uitsluiting van voordeel van stelsel van verlaagde invoerheffingen
(Verordening nr. 545/92 van de Raad, art. 7; verordening nr. 859/92 van de Commissie)
Samenvatting
$$Artikel 7 van verordening nr. 545/92 van de Raad betreffende de regeling voor de invoer in de Gemeenschap van producten van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro, en verordening nr. 859/92 van de Commissie tot vaststelling van de bepalingen voor de uitvoering van de regeling inzake de invoer van bepaalde producten van de rundvleessector van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro, moeten aldus worden uitgelegd dat de invoer in de Gemeenschap, in september en oktober 1992, van partijen rundvlees van het type baby beef" van oorsprong en herkomst uit de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, waarvoor de certificaten van oorsprong waren afgegeven door de Joegoslavische instantie die daartoe bevoegd was voordat de Gemeenschap de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië heeft opgezegd, niet voor toepassing van het stelsel van verlaagde invoerheffingen van artikel 7 van verordening nr. 545/92 in aanmerking kon komen, ook al was de nieuwe bevoegde instantie voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië nog niet aangewezen op de datum waarop de invoer plaatsvond.
( cf. punt 56 en dictum )
Partijen
In zaak C-230/98,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Tribunale civile e penale di Treviso (Italië), in het aldaar aanhangige geding tussen
Amministrazione delle Finanze dello Stato
en
Schiavon Silvano, in staat van faillissement,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 545/92 van de Raad van 3 februari 1992 betreffende de regeling voor de invoer in de Gemeenschap van producten van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro (PB L 63, blz. 1), en van verordening (EEG) nr. 859/92 van de Commissie van 3 april 1992 tot vaststelling van de bepalingen voor de uitvoering van de regeling inzake de invoer van bepaalde producten van de rundvleessector van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro (PB L 89, blz. 26),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen (rapporteur), kamerpresident, G. Hirsch en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door professor U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door I. M. Braguglia, avvocato dello Stato,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Stancanelli, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 januari 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 10 juni 1998, ingekomen ter griffie van het Hof op 30 juni daaraanvolgend, heeft het Tribunale civile e penale di Treviso krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 545/92 van de Raad van 3 februari 1992 betreffende de regeling voor de invoer in de Gemeenschap van producten van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro (PB L 63, blz. 1), en van verordening (EEG) nr. 859/92 van de Commissie van 3 april 1992 tot vaststelling van de bepalingen voor de uitvoering van de regeling inzake de invoer van bepaalde producten van de rundvleessector van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro (PB L 89, blz. 26).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen de Amministrazione delle Finanze dello Stato (belastingdienst; hierna: Amministrazione") en de vennootschap naar Italiaans recht Schiavon Silvano, in staat van faillissement, vertegenwoordigd door haar faillissementscurator (hierna: Schiavon"), ter zake van de invoer in de Gemeenschap van rundvlees van de soort baby beef" van oorsprong en herkomst uit de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.
Rechtskader
3 De samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (hierna: samenwerkingsovereenkomst EEG-Joegoslavië") is op 2 april 1980 te Belgrado ondertekend door de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap en de Gemeenschap enerzijds en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (hierna: Joegoslavië") anderzijds, en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 314/83 van de Raad van 24 januari 1983 (PB L 41, blz. 1).
4 Artikel 24 van de samenwerkingsovereenkomst EEG-Joegoslavië, in de versie van artikel 5 van het aanvullend protocol bij die overeenkomst tot vaststelling van een nieuwe handelsregeling (hierna: aanvullend protocol"), goedgekeurd namens de Gemeenschap bij besluit 87/605/EEG van de Raad van 21 december 1987 (PB L 389, blz. 72), voorzag op het gebied van het handelsverkeer in een preferentiële tariefregeling voor de invoer in de Gemeenschap van producten van baby beef" van oorsprong uit Joegoslavië.
5 Voor de toepassing van die voordelen moest een certificaat van oorsprong worden overgelegd. Het model en de voorwaarden voor afgifte en gebruik van dat certificaat waren vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1368/88 van de Commissie van 18 mei 1988 tot vaststelling van de voorwaarden en bepalingen voor indeling van bepaalde levende runderen (huisdieren) en van bepaalde soorten vlees van runderen onder de onderverdelingen van de gecombineerde nomenclatuur, bedoeld in bijlage E van het aanvullend protocol bij de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (PB L 126, blz. 26).
6 Volgens bijlage II bij deze verordening was het Savezni Trzisni Inspektorat Beograd" de Joegoslavische instantie die bevoegd was tot afgifte van het certificaat van oorsprong.
7 Naar aanleiding van gewapende conflicten tussen de verschillende territoriale entiteiten van de Joegoslavische federatie hebben de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, bij besluit 91/586/EGKS, EEG van 11 november 1991 houdende schorsing van de toepassing van de overeenkomsten tussen de Europese Gemeenschap, haar lidstaten en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (PB L 315, blz. 1), de toepassing van de samenwerkingsovereenkomst EEG-Joegoslavië en van het aanvullend protocol met onmiddellijke ingang geschorst.
8 Diezelfde dag heeft de Raad verordening (EEG) nr. 3300/91 houdende schorsing van de handelsconcessies bedoeld in de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (PB L 315, blz. 1) vastgesteld.
9 Vervolgens heeft de Raad besluit 91/602/EEG van 25 november 1991 houdende opzegging van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (PB L 325, blz. 23) vastgesteld. Overeenkomstig artikel 1 van dat besluit geldt de opzegging ook voor de bij de samenwerkingsovereenkomst EEG-Joegoslavië behorende protocollen, met inbegrip dus van het aanvullend protocol.
10 Voor bepaalde producten, waartoe de producten van baby beef" niet behoorden, heeft de Raad bij verordening (EEG) nr. 3567/91 van 2 december 1991 betreffende de invoerregeling voor producten van oorsprong uit de Republieken Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Macedonië en Slowenië (PB L 342, blz. 1), aan die republieken grotendeels dezelfde regeling voor het handelsverkeer toegekend als die welke in de samenwerkingsovereenkomst EEG-Joegoslavië was opgenomen.
11 Bij verordening nr. 545/92 zijn die maatregelen voor 1992 gehandhaafd en uitgebreid tot bepaalde landbouwproducten, waaronder rundvlees van de soort baby beef".
12 In artikel 1 van verordening nr. 545/92 is het beginsel neergelegd dat, onder voorbehoud van de bijzondere bepalingen van de artikelen 2 tot en met 8 van die verordening, producten die niet zijn vermeld in bijlage II bij het EG-Verdrag en in bijlage A bij de verordening, van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro, in de Gemeenschap worden ingevoerd zonder kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking en met vrijstelling van douanerechten en heffingen van gelijke werking.
13 De regels betreffende de handelsvoordelen voor de invoer van producten van baby beef" zijn neergelegd in artikel 7 van verordening nr. 545/92, dat luidt:
Voor de producten van ,baby beef, omschreven in bijlage E, geldt het volgende:
1) Voor een eerste jaarlijks communautair contingent van 25 000 ton bedraagt de heffing bij invoer in de Gemeenschap 20 % van de basisheffing. Deze bepaling vindt toepassing op voorwaarde dat de aanbiedingsprijs franco grens, vermeerderd met het douanerecht en de verlaagde heffing, gelijk is aan of hoger is dan de communautaire interventieprijs voor de categorie AU 3 vermeerderd met 5 %.
2) Voor een tweede jaarlijks communautair contingent van 25 400 ton, te gebruiken na uitputting van het in lid 1 bedoelde contingent, bedraagt de heffing bij invoer in de Gemeenschap 50 % van de basisheffing. Deze bepaling vindt toepassing op voorwaarde dat de aanbiedingsprijs franco grens, vermeerderd met het douanerecht en de verlaagde heffing, gelijk is aan of hoger is dan de prijs die uit de toepassing van de normale heffing voortvloeit.
3) Teneinde de stabiliteit van de interne markt van de Gemeenschap niet in gevaar te brengen, zal de Commissie ervoor zorgen dat elk der genoemde republieken haar leveranties in een passend tempo doet plaatsvinden en alle nodige maatregelen neemt voor een ordelijk verloop van haar uitvoer naar de Gemeenschap, met name door een doeltreffend toezicht te houden op elke zending door middel van een certificaat waaruit blijkt dat de goederen waarop het betrekking heeft, van oorsprong en van herkomst zijn uit de genoemde republiek en dat zij volkomen in overeenstemming zijn met de in bijlage E opgenomen omschrijving. De tekst van dit certificaat wordt door de Gemeenschap opgesteld.
4) Wanneer de prijs op de markt van de Gemeenschap minder dan 98 % van de richtprijs bedraagt, geldt het bepaalde in de leden 1 en 2 tot een hoeveelheid van 4 200 ton per maand. Indien in de loop van een bepaalde maand deze hoeveelheid niet geheel wordt bereikt, kan van de niet gebruikte hoeveelheid slechts 3 200 ton naar de volgende maand worden overgedragen. Van de hoeveelheden die niet worden uitgevoerd in de periode van 1 januari tot en met 31 mei kan evenwel een hoeveelheid van 6 000 ton naar de periode van 1 juni tot en met 30 september worden overgedragen. De maandelijks uitgevoerde hoeveelheid mag in de loop van deze laatste periode evenwel niet meer dan 7 400 ton bedragen.
5) De Commissie zorgt ervoor dat elke republiek de bevoegde instanties van de Gemeenschap alle dienstige gegevens mededeelt betreffende de toegepaste prijzen bij uitvoer en de hoeveelheden en de aanbiedingsvorm van de uitgevoerde producten (levende dieren, hele geslachte dieren, voor- en achtervoeten)."
14 Artikel 10 van verordening nr. 545/92 bepaalt:
De uitvoeringsbepalingen van de in deze verordening bedoelde landbouwbepalingen worden door de Commissie vastgesteld."
15 Overeenkomstig artikel 12, tweede alinea, is deze verordening van toepassing van 1 januari tot en met 31 december 1992.
16 Op basis van in het bijzonder artikel 10 van verordening nr. 545/92 heeft de Commissie verordening nr. 859/92 vastgesteld.
17 Artikel 1 van verordening nr. 859/92 bepaalt:
1. De in artikel 7 van verordening (EEG) nr. 545/92 bedoelde verlaagde heffingen zijn slechts van toepassing voor producten die vergezeld gaan van het in artikel 7, lid 3, van voornoemde verordening bedoelde certificaat.
2. Het model van dat certificaat is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 1368/88.
3. Voor de afgifte en het gebruik van dat certificaat zijn de bepalingen van de artikelen 2, 3, 4, 5, lid 2, 6 en 7 van verordening (EEG) nr. 1368/88 van overeenkomstige toepassing.
4. Het certificaat is slechts geldig als het naar behoren is geviseerd door een instantie van afgifte die voorkomt op de lijst in bijlage I bij deze verordening."
18 Artikel 2 van verordening nr. 859/92 luidt:
Op verzoek van de belanghebbenden en tegen overlegging van het bewijs dat de in de periode van 1 januari 1992 tot en met 5 april 1992 in de lidstaten in het vrije verkeer gebrachte producten vergezeld gingen van het in artikel 1, lid 2, bedoelde certificaat dat was geviseerd hetzij door een in bijlage I genoemde instantie, hetzij door de in bijlage II genoemde instantie, en op voorwaarde bovendien dat de plaats van afgifte van het certificaat op het grondgebied van één van de in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 545/92 genoemde republieken is gelegen, betalen de lidstaten het verschil terug tussen de heffingsbedragen die enerzijds in kolom 2 en anderzijds in kolom 4 van verordening (EEG) nr. 853/92 zijn vermeld."
19 Bijlage I bij verordening nr. 859/92 vermeldt als instanties van afgifte van de certificaten van oorsprong:
- Republiek Kroatië: ,Euroinspekt, Zagreb, Croatia;
- Republiek Slovenië: ,Inspect, Ljubljana, Slovenija".
20 Bijlage II bij deze verordening vermeldt als instantie van afgifte : ,Savezni Trzisni Inspektorat, Beograd".
21 Overeenkomstig artikel 3, eerste alinea, is verordening nr. 859/92 in werking getreden op 6 april 1992.
22 Verordening nr. 859/92 voorziet dus niet in een instantie van afgifte voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië. Een dergelijke instantie is eerst aangewezen bij verordening (EEG) nr. 185/93 van de Commissie van 29 januari 1993 tot vaststelling van de bepalingen voor de uitvoering van de regeling inzake de invoer van bepaalde producten van de rundvleessector van oorsprong uit Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Slovenië en het grondgebied van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (PB L 22, blz. 70), in werking getreden op 1 februari 1993, waarvan de bijlage ,Cargoinspect, Skopje" vermeldt als instantie van afgifte op het grondgebied van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.
Het hoofdgeding
23 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat Schiavon op 28 september, 6 oktober en 19 oktober 1992 rundvlees van de soort baby beef" van oorsprong en herkomst uit de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië voor een totaalbedrag van 179 903 600 ITL in de Gemeenschap heeft ingevoerd met schorsing van de invoerrechten en van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: litigieuze invoer").
24 Om in aanmerking te komen voor deze preferentiële regeling legde Schiavon certificaten van oorsprong over, die overeenkomstig het model van bijlage I bij verordening nr. 1368/88 waren afgegeven door het Savezni Trzisni Inspektorat, Beograd, de instantie van afgifte die in bijlage II bij die verordening was aangeduid.
25 Van oordeel dat op basis van de door deze instantie afgegeven certificaten de preferentiële handelsregeling van de ten tijde van de feiten toepasselijke communautaire regeling niet op de betrokken handelswaar kon worden toegepast, vorderde de Amministrazione van Schiavon een totaalbedrag van 233 971 480 ITL aan invoerrechten en belasting over de toegevoegde waarde, vermeerderd met rente.
26 Nadat de verzekeringsonderneming die de risico's van de transactie dekte 150 000 000 ITL had betaald, vorderde de Amministrazione van Schiavon het saldo ten belope van 83 971 480 ITL.
27 Bij besluit van het Tribunale civile e penale di Treviso van 5 oktober 1995 is Schiavon failliet verklaard.
28 De Amministrazione heeft daarop het Tribunale verzocht om haar vordering ten belope van 83 971 480 ITL als bevoorrechte vordering in het passief van het faillissement van Schiavon in te schrijven.
29 Schiavon verzet zich tegen dat verzoek, op grond dat voor de litigieuze invoer de verordeningen nrs. 545/92 en 859/92 gelden en in laatstgenoemde verordening voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië geen instantie wordt aangewezen die bevoegd was voor de afgifte van de certificaten van oorsprong voor het ingevoerde rundvlees, zodat het Savezni Trzisni Inspektorat, Beograd, dat voorheen bevoegd was, als instantie bevoegd bleef om dergelijke certificaten voor de invoer uit de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië af te geven totdat de voor dat land bevoegde instantie werd aangewezen, hetgeen eerst in 1993 is gebeurd. In die omstandigheden dient het rundvlees dat de litigieuze invoer betrof, volgens haar in aanmerking te komen voor de preferentiële handelsregeling waarin de communautaire regeling voorzag.
30 De Amministrazione betoogt daarentegen, dat de gunstige invoerregeling van verordening nr. 545/92 afhankelijk was van de afgifte van certificaten van oorsprong door de door de Gemeenschap als bevoegd erkende instantie, dat de instantie die in casu de certificaten van oorsprong had afgegeven niet een van de instanties was die was aangewezen bij verordening nr. 859/92, welke ten tijde van de litigieuze invoer van kracht was, en dat deze certificaten derhalve ontoereikend moesten worden geacht zodat de heffingen en belastingen onverkort op de litigieuze invoer moesten worden toegepast.
31 Het Tribunale is van oordeel dat de beslechting van het geschil in wezen afhangt van de vraag of verordening nr. 545/92 aldus moet worden uitgelegd, dat bij gebreke van aanwijzing van een nieuwe instantie van afgifte de bevoegdheid van de voorheen bevoegde instantie moet worden geacht te zijn verlengd, dan wel of daarentegen de lijst van instanties van bijlage I bij verordening nr. 859/92 uitputtend is en bijgevolg uitsluit, dat een niet uitdrukkelijk vermelde instantie in aanmerking wordt genomen.
De prejudiciële vragen
32 In die omstandigheden heeft het Tribunale civile e penale di Treviso besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
1) Moet artikel 1 van verordening (EEG) nr. 545/92 aldus worden verstaan, dat dit de burgers van de Gemeenschap rechtstreeks een subjectief recht verleent op verlaging van invoerrechten, zodat zij, zolang voor enkele republieken van voormalig Joegoslavië geen tot afgifte van certificaten van oorsprong bevoegde instantie is aangewezen, tot de aanwijzing van een nieuwe instantie dit recht ook hebben wanneer zij een certificaat overleggen dat is afgegeven door de voorheen bevoegde instantie?
2) Of is de opsomming in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 859/92 van de Commissie uitputtend, zodat Savezni Trzisni Inspektorat niet langer bevoegd is tot afgifte van certificaten?"
33 Hoewel in de eerste prejudiciële vraag wordt gesproken van artikel 1 van verordening nr. 545/92, blijkt uit de verwijzingsbeschikking, dat het hoofdgeding is ontstaan in het kader van de invoer, in de Gemeenschap, van rundvlees van de soort baby beef" van oorsprong en herkomst uit de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.
34 Artikel 1 van verordening nr. 545/92, waarin het beginsel is neergelegd dat de in de verordening bedoelde producten zonder kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking en met vrijstelling van douanerechten en heffingen van gelijke werking in de Gemeenschap mogen worden ingevoerd, is volgens de tekst zelf van dit artikel slechts van toepassing onder voorbehoud van de bijzondere bepalingen in de artikelen 2 tot en met 8 van die verordening.
35 Artikel 7 van verordening nr. 545/92 voorziet evenwel specifiek in een stelsel van handelsvoordelen dat geldt voor de invoer, in de Gemeenschap, van producten van baby beef" in de zin van deze verordening.
36 In casu is derhalve laatstgenoemde bepaling relevant, aangezien vaststaat dat de goederen die de litigieuze invoer betrof, tot de in bijlage E bij verordening nr. 545/92 gedefinieerde categorie producten van baby beef" behoren.
37 Teneinde de rechterlijke instantie die een prejudiciële vraag heeft voorgelegd een bruikbaar antwoord te geven, kan het Hof bepalingen van het gemeenschapsrecht in aanmerking nemen, waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt (arrest van 27 maart 1990, Bagli Pennacchiotti, C-315/88, Jurispr. blz. I-1323, punt 10).
38 Bijgevolg moeten de prejudiciële vragen, tezamen beschouwd, worden gelezen als een verzoek om uit te maken, of artikel 7 van verordening nr. 545/92 en verordening nr. 859/92 aldus moeten worden uitgelegd, dat de invoer in de Gemeenschap, in september en oktober 1992, van partijen rundvlees van de soort baby beef" van oorsprong en herkomst uit de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, waarvoor de certificaten van oorsprong waren afgegeven door de Joegoslavische instantie die daartoe bevoegd was voordat de Gemeenschap de samenwerkingsovereenkomst EEG-Joegoslavië heeft opgezegd, in aanmerking kon komen voor het stelsel van verlaagde invoerheffingen van artikel 7 van verordening nr. 545/92 zolang de nieuwe bevoegde instantie voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië niet was aangewezen.
39 In artikel 7 van verordening nr. 545/92 is weliswaar het recht op een verlaagde heffing bij invoer in de Gemeenschap van producten van baby beef" neergelegd en geregeld, maar, zoals de Italiaanse regering en de Commissie in hun schriftelijke opmerkingen terecht hebben verklaard en de advocaat-generaal in de punten 22 tot en met 25 van zijn conclusie heeft uiteengezet, wordt dit recht niet automatisch toegekend aan de marktdeelnemers voor wie die bepaling van belang is.
40 Uit de bewoordingen van artikel 7 van verordening nr. 545/92 blijkt daarentegen, dat voor dat recht verschillende voorwaarden gelden, waarvan een aantal afhankelijk is van de objectieve situatie van de interne markt van de Gemeenschap die de marktdeelnemers niet kunnen beïnvloeden, aangezien de verlagingen van de invoerheffingen worden toegepast binnen de grenzen van bepaalde jaarlijkse contingenten waarvan de omvang ten dele afhangt van bepaalde evoluties van de prijs op de markt van de Gemeenschap. Overigens dient de Commissie krachtens dit artikel voor het goede beheer en de controle van het in dit artikel neergelegde stelsel van verlaagde invoerheffingen te zorgen door verschillende uitvoeringsmaatregelen vast te stellen, hetgeen een zekere beoordelingsvrijheid voor deze instelling impliceert.
41 Schiavon kan derhalve enkel voor het stelsel van artikel 7 van verordening nr. 545/92 in aanmerking komen, indien de litigieuze invoer aan alle voorwaarden van de communautaire regeling voldeed, en met name indien de instantie van afgifte die de certificaten van oorsprong heeft geviseerd bij de goederen die de litigieuze invoer betrof, ten tijde van de invoer bevoegd was.
42 Uit artikel 1, leden 1 en 4, van verordening nr. 859/92 blijkt dat, onder voorbehoud van de afwijking van artikel 2 van die verordening, de in artikel 7 van verordening nr. 545/92 bedoelde verlaagde heffingen slechts van toepassing zijn voor producten van baby beef" die vergezeld gaan van een certificaat van oorsprong, dat slechts geldig is als het is geviseerd door een instantie van afgifte die voorkomt op de lijst in bijlage I bij verordening nr. 859/92.
43 Enkel de Kroatische en de Sloveense instantie worden evenwel in die lijst vermeld. Voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië wordt daarentegen geen instantie van afgifte aangewezen.
44 Bovendien is de instantie van afgifte voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië - Cargoinspekt, Skopje - eerst aangewezen in de bijlage bij verordening nr. 185/93, die overeenkomstig artikel 3 ervan op 1 februari 1993 in werking is getreden.
45 Ten slotte mochten overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 859/92 nog enkel de producten die in de periode van 1 januari 1992 tot en met 5 april 1992 in de lidstaten in het vrije verkeer zijn gebracht, vergezeld gaan van een door het Savezni Trzisni Inspektorat, Beograd, geviseerd certificaat, met dien verstande evenwel dat de plaats van afgifte van het certificaat gelegen diende te zijn op het grondgebied van een van de Voormalige Joegoslavische republieken die onder de werkingssfeer van die verordening vallen.
46 Zoals de Commissie overtuigend heeft betoogd, diende deze bijzondere bepaling uitsluitend de toepassing van het stelsel van verlaagde invoerheffingen voor rundvlees van de soort baby beef" mogelijk te maken vanaf 1 januari 1992, de datum waarop verordening nr. 545/92 met terugwerkende kracht van toepassing was, tot 6 april 1992, de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 859/92. Na de schorsing en de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst EEG-Joegoslavië door de Gemeenschap bij verordening nr. 545/92 en tot 6 april 1992 moest er immers van worden uitgegaan dat de betrokken marktdeelnemers niet op de hoogte waren, welke instanties bevoegd waren de certificaten te viseren waarvan de producten van oorsprong uit de Voormalige Joegoslavische republieken waarvoor de verleende handelsvoordelen golden, vergezeld gingen, hetgeen voor hen geredelijk aanleiding kon zijn om zich tot de vertegenwoordiger van het Savezni Trzisni Inspektorat, Beograd, op het grondgebied van die republieken te wenden.
47 Dit gold daarentegen niet meer na 6 april 1992, aangezien de marktdeelnemers door de bekendmaking van verordening nr. 859/92 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen vanaf die datum op de hoogte waren gesteld van het feit dat enkel de in bijlage I bij die verordening aangewezen instanties bevoegd waren tot het viseren van de certificaten van oorsprong.
48 Aangezien verordening nr. 859/92 de voorwaarden voor toepassing van het stelsel van verlaagde invoerheffingen voor producten van baby beef" op uitputtende wijze heeft geregeld voor de volledige door die verordening bestreken periode, namelijk van 1 januari tot en met 31 december 1992, vloeit noodzakelijkerwijze uit artikel 1, juncto artikel 2, van die verordening voort, dat voor de periode van 6 april tot en met 31 december 1992, waarin de litigieuze invoer plaatsvond, enkel de uitdrukkelijk in bijlage I bij die verordening aangewezen instanties tot afgifte van de certificaten van oorsprong bevoegd waren.
49 In die omstandigheden rechtvaardigt niets in de tekst of de structuur van verordening nr. 859/92 het standpunt van Schiavon dat de bevoegdheid van de instantie van afgifte die was aangewezen voor de toepassing van de preferentiële handelsregeling van artikel 24 van de samenwerkingsovereenkomst EEG-Joegoslavië, in de versie van artikel 5 van het aanvullend protocol, na de schorsing en de opzegging van die overeenkomst en het protocol door de Gemeenschap moest worden geacht te zijn verlengd totdat in de communautaire regeling een nieuwe instantie van afgifte met bevoegdheid voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië werd aangewezen.
50 Deze uitlegging wordt overigens bevestigd door de omstandigheid dat het bij artikel 7 van verordening nr. 545/92 en bij verordening nr. 859/92 ingevoerde stelsel van verlaagde invoerheffingen een uitzonderingsregeling is voor bepaalde producten van oorsprong en herkomst uit enkele republieken van de Voormalige Joegoslavische federatie, zodat het strikt moet worden uitgelegd.
51 Bijgevolg zijn uitsluitend de instanties die in de relevante communautaire regeling uitdrukkelijk als instanties van afgifte zijn aangewezen, bevoegd voor het toezicht op het goede beheer van dat stelsel.
52 Deze uitlegging wordt eveneens bevestigd door de verwijzing in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 859/92 naar artikel 6 van verordening nr. 1368/88, volgens hetwelk een instantie slechts op de lijst van tot het viseren van certificaten van oorsprong bevoegde instellingen kan voorkomen indien zij zich ertoe verplicht de gegevens die in de certificaten voorkomen, te verifiëren en aan de Commissie en aan de lidstaten, op verzoek, alle nodige inlichtingen te verstrekken om die gegevens te kunnen beoordelen.
53 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, berust het stelsel van de certificaten inzake goederenverkeer als bewijsmiddelen voor de oorsprong van de producten op het beginsel van wederzijds vertrouwen en samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de staat van uitvoer en die van de staat van invoer. Een dergelijk stelsel kan evenwel slechts goed functioneren wanneer de procedures van administratieve samenwerking strikt worden geëerbiedigd (zie, in die zin, arrest van 5 juli 1994, Anastasiou e.a., C-432/92, Jurispr. blz. I-3087, punten 38 en 40).
54 Gelet op het doel en de aard van de betrokken regeling, is het derhalve van essentieel belang dat de certificaten van oorsprong enkel worden geviseerd door de instanties die daartoe door de communautaire autoriteiten bevoegd zijn verklaard voor de periode waarin de invoer heeft plaatsgevonden.
55 In casu was het voor de Commissie evenwel onmogelijk om in 1992 een instantie van afgifte voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië aan te wijzen. Na de vaststelling van verordening nr. 545/92 door de Raad heeft de Commissie namelijk de vertegenwoordigers van de Republieken Slovenië, Kroatië en Bosnië-Herzegowina en van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië uitgenodigd voor een vergadering om een nauwe samenwerking tussen de autoriteiten van het land van oorsprong van de in de verordening bedoelde producten, de autoriteiten van de lidstaat van bestemming van die producten en de Commissie tot stand te brengen en de controleorganen voor elk van de betrokken territoriale entiteiten aan te wijzen. De Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië was tijdens die vergadering evenwel niet vertegenwoordigd. Bovendien kon de Commissie, hoewel zij reeds 2 700 ton van het contingent baby beef" voor 1992 voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië had gereserveerd, ook later in dat jaar geen instantie van afgifte voor die republiek aanwijzen, omdat zij van die republiek onvoldoende garanties had gekregen inzake de doeltreffendheid van de controles die noodzakelijk waren om het goede beheer van het stelsel van verlaagde invoerheffingen van rundvlees van de soort baby beef" te verzekeren.
56 Gelet op een en ander, moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord, dat artikel 7 van verordening nr. 545/92 en verordening nr. 859/92 aldus moeten worden uitgelegd, dat de invoer in de Gemeenschap, in september en oktober 1992, van partijen rundvlees van de soort baby beef" van oorsprong en herkomst uit de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, waarvoor de certificaten van oorsprong waren afgegeven door de Joegoslavische instantie die daartoe bevoegd was voordat de Gemeenschap de samenwerkingsovereenkomst EEG-Joegoslavië heeft opgezegd, niet voor het stelsel van verlaagde invoerheffingen van artikel 7 van verordening nr. 545/92 in aanmerking kon komen, ook al was de nieuwe bevoegde instantie voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië nog niet aangewezen op de datum waarop de invoer plaatsvond.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
57 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunale civile e penale di Treviso bij beschikking van 10 juni 1998 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 7 van verordening (EEG) nr. 545/92 van de Raad van 3 februari 1992 betreffende de regeling voor de invoer in de Gemeenschap van producten van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro, en verordening (EEG) nr. 859/92 van de Commissie van 3 april 1992 tot vaststelling van de bepalingen voor de uitvoering van de regeling inzake de invoer van bepaalde producten van de rundvleessector van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro, moeten aldus worden uitgelegd, dat de invoer in de Gemeenschap, in september en oktober 1992, van partijen rundvlees van de soort baby beef" van oorsprong en herkomst uit de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, waarvoor de certificaten van oorsprong waren afgegeven door de Joegoslavische instantie die daartoe bevoegd was voordat de Gemeenschap de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië heeft opgezegd, niet voor het stelsel van verlaagde invoerheffingen van artikel 7 van verordening nr. 545/92 in aanmerking kon komen, ook al was de nieuwe bevoegde instantie voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië nog niet aangewezen op de datum waarop de invoer plaatsvond.
Full & Egal Universal Law Academy