Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Sociale Politiek - Harmonisatie van wetgevingen - Overgang van ondernemingen - Behoud van rechten van werknemers - Richtlijn 77/187 - Toepasselijkheid op overgang tussen vennootschappen van zelfde groep
(Richtlijn 77/187 van de Raad)
2 Sociale Politiek - Harmonisatie van wetgevingen - Overgang van ondernemingen - Behoud van rechten van werknemers - Richtlijn 77/187 - Werkingssfeer - Tot groep behorende vennootschap die opdrachten voor werken aan andere vennootschap van zelfde groep uitbesteedt - Daaronder begrepen - Voorwaarden
(Richtlijn 77/187 van de Raad)
Samenvatting
1 Richtlijn 77/187 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, kan toepassing vinden op een overgang tussen twee vennootschappen die tot eenzelfde groep behoren.
Anders dan bij het mededingingsrecht, is er immers geen reden waarom voor de toepassing van de richtlijn het overeenstemmende marktgedrag van de moedermaatschappij en haar dochters zwaarder zou wegen dan de formele scheiding tussen die vennootschappen, die eigen rechtspersoonlijkheid hebben. Een dergelijke oplossing, die erop zou neerkomen dat overgangen tussen vennootschappen van eenzelfde groep buiten het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, zou juist indruisen tegen het doel van deze laatste, namelijk verzekeren, dat de werknemers bij verandering van ondernemer hun rechten zoveel mogelijk behouden, door het mogelijk te maken dat zij op dezelfde voorwaarden als zij met de vervreemder waren overeengekomen, in dienst van de nieuwe werkgever blijven.
2 Richtlijn 77/187 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, is van toepassing op een situatie waarin een tot een groep behorende vennootschap besluit, opdrachten voor werkzaamheden uit te besteden aan een andere vennootschap van dezelfde groep, mits de uitbesteding gepaard gaat met de overgang van een economische eenheid tussen beide vennootschappen. Het begrip economische eenheid verwijst naar een georganiseerd geheel van personen en elementen waarmee een economische activiteit met een eigen doel kan worden uitgeoefend.
Partijen
In zaak C-234/98,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Industrial Tribunal, Leeds (Verenigd Koninkrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
G. C. Allen e.a.
en
Amalgamated Construction Co. Ltd,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB L 61, blz. 26),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann, J.-P. Puissochet (rapporteur) en P. Jann, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: L. Hewlett, administrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- G. C. Allen e.a., vertegenwoordigd door J. Hendy, QC, M. Ford, Barrister, geïnstrueerd door L. Christian, Solicitor,
- Amalgamated Construction Co. Ltd, vertegenwoordigd door P. Duffy, QC, en G. Clarke, Barrister, geïnstrueerd door Watson Burton, Solicitors,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door M. Ewing, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door K. Smith, Barrister,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en A. de Bourgoing, chargé de mission bij die directie, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Docksey en P. Hillenkamp, juridisch adviseurs, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van G. C. Allen e.a., Amalgamated Construction Co. Ltd, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie, ter terechtzitting van 16 juni 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 juli 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 5 mei 1998, ingekomen bij het Hof op 3 juli daaraanvolgend, heeft het Industrial Tribunal, Leeds, krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB L 61, blz. 26; hierna: "richtlijn").
2 Die vragen zijn gerezen in gedingen tussen G. C. Allen en 23 andere mijnwerkers en Amalgamated Construction Co. Ltd (hierna: "ACC").
3 ACC is een Britse vennootschap, die zich sinds een twintigtal jaren bezighoudt met het boren van tunnels en gangen voor rekening van de eigenaars/exploitanten van steenkoolmijnen teneinde hen toegang te verschaffen tot de ertsen en deze te winnen. Hiertoe organiseren de mijneigenaars/exploitanten regelmatig inschrijvingen voor de uitvoering van een bepaald pakket werkzaamheden. Ofschoon daarvoor geen enkele garantie bestaat, worden de gesloten contracten meestal voor onbepaalde tijd verlengd, zodat ACC kennelijk nog nooit bij een nieuwe aanbesteding een contract is kwijtgeraakt.
4 ACC is een dochtermaatschappij van AMCO Corporation plc (hierna: "AMCO-groep"), die het volledige kapitaal van ACC bezit. De AMCO-groep telt een twaalftal vennootschappen, waaronder een andere volledige dochtermaatschappij, AM Mining Services Ltd (hierna: "AMS"). AMS is in 1993 opgericht om werkzaamheden in verband met de sluiting van mijnen te verrichten, zoals het onderhoud en het opvullen van schachten. Hiertoe heeft zij eigen personeel aangetrokken, waarvan de arbeidsvoorwaarden verschillen van die van het personeel van ACC en met name voor de werknemers veel ongunstiger zijn. Ofschoon ACC en AMS afzonderlijke juridische eenheden zijn, hebben zij dezelfde directie en worden de administratieve en logistieke taken in de beide ondernemingen binnen de AMCO-groep gemeenschappelijk verricht.
5 AMS heeft haar activiteiten geleidelijk uitgebreid en zich taken laten toebedelen verband houdende met werkzaamheden op het gebied van het ondergrondse wegennet, zoals de schoonmaak en het onderhoud van mijngangen. Zij verwierf in het bijzonder nieuwe opdrachten in de Prince of Wales-steenkolenmijn, in Yorkshire. ACC was in deze mijn reeds werkzaam en verrichtte er boorwerkzaamheden voor rekening van de Britse nationale steenkolenmaatschappij British Coal en later, na privatisering van laatstgenoemde en de verkoop van een deel van haar activa, voor rekening van RJB Mining (UK) Ltd (hierna: "RJB").
6 In augustus 1994 en maart 1995 schreef ACC, wier contracten ten einde liepen, in voor een aantal nieuwe opdrachten verband houdende met boorwerkzaamheden in de Prince of Wales-steenkolenmijn. In de offertes was steeds bepaald, dat de werkzaamheden zouden worden uitbesteed aan AMS, die lagere personeelskosten had dan ACC. ACC verkreeg de opdrachten. Daar door de uitbesteding aan AMS de omvang van haar activiteiten afnam, ontsloeg ACC evenwel een aantal in de mijn tewerkgestelde werknemers, met de mededeling dat zij na een onderbreking van een weekeinde door AMS konden worden overgenomen.
7 In 1994 en 1995 ontvingen de door ACC ontslagen werknemers ontslagvergoedingen, alvorens door AMS te worden aangeworven. Daar ACC haar eigen boorwerkzaamheden zoals altijd pas afsloot nadat AMS met haar boorwerkzaamheden was begonnen, kon gedurende deze overgangsperiode moeilijk worden bepaald, of de betrokken werknemers voor de ene dan wel voor de andere vennootschap werkten.
8 Als onderaannemer van de werkzaamheden beschikte AMS over alle machines en installaties die British Coal, later RJB, voorheen aan ACC ter beschikking had gesteld, zoals de sanitaire voorzieningen, de kantine en het nodige materieel voor de verwijdering van uitgegraven aarde, het vervoer van materialen of de ondergrondse boringen.
9 Later maakte RJB echter haar bedenkingen kenbaar over de arbeidsvoorwaarden van haar verschillende dienstverleners, waaronder AMS, omdat zij van mening was, dat deze het personeel van die ondernemingen demotiveerden. Op voorstel van RJB besloot ACC daarom, de nieuwe opdracht die zij had gekregen niet aan AMS uit te besteden, maar deze zelf uit te voeren. Hiertoe wierf zij haar oude werknemers die door AMS, wier onderaanbestedingscontracten zojuist waren afgelopen, waren overgenomen, opnieuw aan. Tot die werknemers behoorden Allen e.a. Deze nieuwe aanwerving geschiedde onder arbeidsvoorwaarden die beter waren dan die van AMS, maar ongunstiger dan die waarmee ACC voor 1994 of 1995 had ingestemd.
10 Omdat zij meenden, recht te hebben op de arbeidsvoorwaarden die bij ACC tot aan hun vertrek naar AMS hadden gegolden, stelden Allen e.a. beroep in bij het Industrial Tribunal. Tot staving van hun vorderingen betoogden zij, dat volgens de Transfer of Undertakings (Protection of Employment) Regulations 1981, waarbij de richtlijn in nationaal recht is omgezet, een dubbele overgang van onderneming had plaatsgevonden, eerst tussen ACC en AMS en nadien tussen AMS en ACC. Laatstgenoemde ontkende echter, dat er een overgang had plaatsgevonden.
11 Daar het Industrial Tribunal, Leeds, van mening was, dat de beslechting van het geding van de uitlegging van de richtlijn afhing, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Kan de richtlijn verworven rechten (77/187/EEG) toepassing vinden op twee vennootschappen die tot eenzelfde groep behoren en dezelfde eigenaars, dezelfde directie en dezelfde gebouwen hebben en dezelfde werkzaamheden uitvoeren, of zijn die vennootschappen voor de toepassing van de richtlijn te beschouwen als een en dezelfde onderneming? Kan er inzonderheid sprake zijn van een overgang van onderneming in de zin van de richtlijn, wanneer een groot deel van het personeel van vennootschap A naar vennootschap B binnen dezelfde groep vennootschappen overgaat?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, op grond van welke criteria wordt dan bepaald, of een dergelijke overgang heeft plaatsgevonden? Is er inzonderheid sprake van een dergelijke overgang wanneer:
a) de betrokken werknemers gedurende bepaalde tijd door vennootschap A, beweerdelijk op grond van gebrek aan arbeidsplaatsen, zijn ontslagen en hun werk is aangeboden bij de tot dezelfde groep behorende vennootschap B, die geografisch gescheiden werkzaamheden of een deel van de werkzaamheden van vennootschap A verricht, te weten het boren van mijngangen;
b) tussen vennootschap A en B geen overgang van gebouwen, directie, infrastructuur, materieel of activa heeft plaatsgevonden en de meeste belangrijke activa die de vennootschappen voor het boren van de hoofdgangen gebruiken, worden geleverd door een derde partij, namelijk de mijnexploitant;
c) vennootschap A de enige contractpartij blijft tegenover de derde, de klant, die haar een opdracht heeft gegeven voor bouwwerkzaamheden op $continu' basis;
d) de overgang van de werknemers van vennootschap A naar vennootschap B nauwelijks of in het geheel niet is samengevallen met het begin en/of het einde van de overeenkomsten voor de uitvoering van de werkzaamheden;
e) vennootschap A en vennootschap B dezelfde directie en dezelfde gebouwen delen;
f) de werknemers na hun indienstneming door vennootschap B zowel voor vennootschap A als voor vennootschap B werkzaamheden verrichten, afhankelijk van de behoeften van de plaatselijke directie die voor beide ondernemingen verantwoordelijk is;
g) de werkzaamheden ononderbroken zijn uitgevoerd, zonder dat er op enig tijdstip sprake is geweest van een opschorting van de activiteiten of een wijziging van de wijze van uitvoering ervan?"
Het eerste deel van de eerste vraag
12 Met het eerste deel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen, of de richtlijn toepassing kan vinden op een overgang tussen twee vennootschappen van eenzelfde groep, die dezelfde eigenaars, dezelfde directie en dezelfde ruimten hebben en dezelfde werkzaamheden uitvoeren.
13 Allen e.a., de Franse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie zijn van mening, dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Zij stellen, dat artikel 2 van de richtlijn de "vervreemder" en de "verkrijger" omschrijft als iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een overgang de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of het onderdeel daarvan verliest respectievelijk verkrijgt. Ofschoon zij tot dezelfde groep behoren, vormen de twee dochtermaatschappijen niettemin twee afzonderlijke juridische eenheden die ten opzichte van hun respectieve werknemers afzonderlijke verplichtingen aangaan.
14 ACC is echter van mening, dat de richtlijn niet kan worden toegepast in het geval van een overgang tussen twee vennootschappen die dezelfde eigenaars, dezelfde directie en hetzelfde kaderpersoneel hebben en die hun gedragslijn op de markt ten opzichte van elkaar niet echt zelfstandig kunnen bepalen. Dergelijke vennootschappen worden in het kader van het mededingingsrecht immers als één onderneming aangemerkt (arrest van 24 oktober 1996, Viho/Commissie, C-73/95 P, Jurispr. blz. I-5457). Wegens de noodzaak, de economische realiteit in aanmerking te nemen, moeten twee dochtermaatschappijen van dit type bovendien als één werkgever in de zin van de richtlijn worden beschouwd.
15 De richtlijn is overeenkomstig artikel 1, lid 1, van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst, of een fusie. Volgens artikel 2, sub a en b, van de richtlijn wordt onder "vervreemder" en "verkrijger" verstaan, iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een overgang in de zin van artikel 1, lid 1, de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of het onderdeel daarvan verliest respectievelijk verkrijgt.
16 De richtlijn is dus van toepassing wanneer er, door overdracht krachtens overeenkomst of door fusie, wijziging optreedt in de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming exploiteert en die uit dien hoofde als werkgever verplichtingen heeft tegenover de in de onderneming aangestelde werknemers; daarbij is niet van belang, of de eigendom van de onderneming is overgedragen (arresten van 17 december 1987, Ny Mølle Kro, 287/86, Jurispr. blz. 5465, punt 12, en 10 februari 1988, Tellerup, genaamd "Daddy's Dance Hall", 324/86, Jurispr. blz. 739, punt 9).
17 Hieruit volgt, dat de richtlijn elke juridische wijziging in de persoon van de werkgever beoogt te regelen, indien de andere voorwaarden van de richtlijn eveneens zijn vervuld, en dat zij dus kan worden toegepast op een overgang tussen twee dochtermaatschappijen van eenzelfde groep, die afzonderlijke rechtspersonen vormen en elk specifieke arbeidsverhoudingen met hun werknemers hebben. De omstandigheid dat de betrokken vennootschappen niet alleen dezelfde eigenaars, maar ook dezelfde directie en dezelfde gebouwen hebben en dezelfde werkzaamheden verrichten, is daartoe irrelevant.
18 Aan deze conclusie wordt geen afbreuk gedaan door het arrest Viho/Commissie (reeds aangehaald), waarin het Hof in de punten 15 tot en met 17 oordeelde, dat artikel 85, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) niet geldt voor verhoudingen tussen een moedermaatschappij en haar dochtermaatschappijen, wanneer die vennootschappen een economische eenheid vormen waarbinnen de dochtermaatschappijen hun marktgedrag niet werkelijk zelfstandig bepalen, doch handelen volgens instructies die hun worden gegeven door de moedermaatschappij, die hen volledig controleert.
19 Dit begrip onderneming, dat typisch is voor het mededingingsrecht, houdt verband met het feit dat in de betrekkingen binnen een economische eenheid, bij gebreke van economisch van elkaar onafhankelijke beslissers, geen sprake kan zijn van een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging tussen ondernemingen, die de mededinging beperkt in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
20 Er is geen reden waarom voor de toepassing van de richtlijn het overeenstemmende marktgedrag van de moedermaatschappij en haar dochterondernemingen zwaarder zou wegen dan de formele scheiding tussen die vennootschappen, die eigen rechtspersoonlijkheid hebben. Een dergelijke oplossing, die erop neer zou komen dat overgangen tussen vennootschappen van eenzelfde groep buiten het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, druist juist in tegen het doel van deze laatste, die volgens het Hof beoogt te verzekeren, dat de werknemers bij verandering van ondernemer hun rechten zoveel mogelijk behouden, door het mogelijk te maken dat zij op dezelfde voorwaarden als zij met de vervreemder waren overeengekomen, in dienst van de nieuwe werkgever blijven (zie met name reeds aangehaalde arresten Ny Mølle Kro, punt 12, en Daddy's Dance Hall, punt 9).
21 Mitsdien moet op het eerste deel van de eerste vraag worden geantwoord, dat de richtlijn toepassing kan vinden op een overgang tussen twee vennootschappen die tot eenzelfde groep behoren en die dezelfde eigenaars, dezelfde directie en dezelfde gebouwen hebben en dezelfde werkzaamheden uitvoeren.
Het tweede deel van de eerste vraag en de tweede vraag
22 Met het tweede deel van de eerste vraag en met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, aan de hand van welke criteria moet worden vastgesteld, of er sprake is van een overgang en of die criteria in casu vervuld zijn.
23 De richtlijn heeft tot doel, ook bij verandering van eigenaar de continuïteit van de in het kader van een economische eenheid bestaande arbeidsverhoudingen te waarborgen. Voor de vraag of er sprake is van een overgang in de zin van de richtlijn, is derhalve beslissend, of de identiteit van de betrokken eenheid bewaard blijft, wat met name blijkt doordat de exploitatie ervan daadwerkelijk wordt voortgezet of wordt hervat (arresten van 18 maart 1986, Spijkers, 24/85, Jurispr. blz. 1119, punten 11 en 12, en 11 maart 1997, Süzen, C-13/95, Jurispr. blz. I-1259, punt 10).
24 In de eerste plaats kan de richtlijn slechts van toepassing zijn, indien de overgang betrekking heeft op een duurzaam georganiseerde economische eenheid, waarvan de activiteit niet tot de uitvoering van een bepaald werk is beperkt (arrest van 19 september 1995, Rygaard, C-48/94, Jurispr. blz. I-2745, punt 20). Het begrip eenheid verwijst dus naar een georganiseerd geheel van personen en elementen, waarmee een economische activiteit met een eigen doelstelling kan worden uitgeoefend (arrest Süzen, reeds aangehaald, punt 13).
25 Het staat aan de verwijzende rechter om in het licht van deze uitleggingsgegevens te bepalen, of de boorwerkzaamheden van ACC in de Prince of Wales-steenkolenmijn waren georganiseerd in de vorm van een economische eenheid, alvorens die onderneming die werkzaamheden aan AMS uitbesteedde.
26 In de tweede plaats moet, om uit te maken of aan de voorwaarden voor de overgang van een economische eenheid is voldaan, rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden die de betrokken transactie kenmerken, zoals de aard van de betrokken onderneming of vestiging, de vraag of al dan niet materiële activa als gebouwen en roerende zaken worden overgedragen, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van de overdracht, de vraag of al dan niet vrijwel al het personeel door de nieuwe ondernemer wordt overgenomen, de vraag of al dan niet de klantenkring wordt overgedragen, de mate waarin de voor en na de overdracht verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen en de duur van een eventuele onderbreking van die activiteiten. Al deze elementen zijn evenwel slechts deelaspecten van het te verrichten globale onderzoek en mogen daarom niet elk afzonderlijk worden beoordeeld (zie met name reeds aangehaalde arresten Spijkers, punt 13, en Süzen, punt 14).
27 In het hoofdgeding wettigt de enkele omstandigheid, dat de onderneming waaraan de opdrachten voor de boorwerkzaamheden waren verleend, gelijksoortige diensten verrichtte als de onderneming waaraan de werkzaamheden vervolgens zijn uitbesteed, derhalve niet de conclusie, dat er sprake is van een overdracht van een economische eenheid tussen de eerste en de tweede onderneming. Een economische eenheid kan immers niet worden gereduceerd tot de activiteit waarmee zij is belast. Haar identiteit blijkt eveneens uit andere factoren, zoals de personeelssamenstelling, de leiding, de taakverdeling, de bedrijfsvoering of, in voorkomend geval, de beschikbare productiemiddelen (arrest Süzen, reeds aangehaald, punt 15; arresten van 10 december 1998, Hernández Vidal e.a., C-127/96, C-229/96 en C-74/97, Jurispr. blz. I-8179, punt 30, en Hidalgo e.a., C-173/96 en C-247/96, Jurispr. blz. I-8237, punt 30).
28 Gelijk in punt 26 van dit arrest reeds werd opgemerkt, moet de nationale rechter bij de beoordeling van de feitelijke omstandigheden die de betrokken transactie kenmerken, onder meer rekening houden met de aard van de betrokken onderneming of vestiging. Het belang dat moet worden gehecht aan de diverse criteria die bepalen of er sprake is van een overgang in de zin van de richtlijn, verschilt noodzakelijkerwijs naar gelang van de uitgeoefende activiteit, en zelfs van de productiewijze of de bedrijfsvoering in de betrokken onderneming of vestiging of een onderdeel daarvan. Waar in het bijzonder een economische eenheid in bepaalde sectoren zonder materiële of immateriële activa van betekenis kan functioneren, kan het behoud van de identiteit van een dergelijke eenheid na de haar betreffende transactie per definitie niet afhangen van de overdracht van dergelijke activa (reeds aangehaalde arresten Süzen, punt 18; Hernández Vidal e.a., punt 31, en Hidalgo e.a., punt 31).
29 Het Hof heeft daarom geoordeeld, dat voor zover in bepaalde sectoren, waarin de arbeidskrachten de voornaamste factor zijn bij de activiteit, een groep werknemers die duurzaam een gemeenschappelijke activiteit verricht, een economische eenheid kan vormen, een dergelijke eenheid ook na de overdracht haar identiteit kan behouden, wanneer de nieuwe ondernemer niet alleen de betrokken activiteit voortzet, maar ook een wezenlijk deel - qua aantal en deskundigheid - van het personeel overneemt dat zijn voorganger speciaal voor die taak had ingezet. In dat geval verwerft de nieuwe ondernemer immers het georganiseerde geheel van elementen waarmee de activiteiten of bepaalde activiteiten van de overdragende onderneming duurzaam kunnen worden voortgezet (reeds aangehaalde arresten Süzen, punt 21; Hernández Vidal e.a., punt 32, en Hidalgo e.a., punt 32).
30 In het hoofdgeding kan het boren van mijnschachten niet worden aangemerkt als een activiteit waarin de arbeidskrachten de voornaamste factor zijn, aangezien het een belangrijke inzet van materieel en middelen vereist. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt echter, dat het in de mijnbouwsector gebruikelijk is, dat de voornaamste activa die voor de uitvoering van de boorwerkzaamheden nodig zijn, door de mijneigenaar zelf worden verstrekt. Zo heeft AMS, als onderaannemer, over de machines kunnen beschikken die RJB eerder aan ACC ter beschikking had gesteld. De omstandigheid dat de eigendom van de voor de exploitatie van de onderneming benodigde activa niet aan de nieuwe exploitant is overgedragen, betekent echter niet, dat er geen sprake kan zijn van een overgang (zie arresten Ny Mølle Kro en Daddy's Dance Hall, reeds aangehaald, en arrest van 12 november 1992, Watson Rask en Christensen, C-209/91, Jurispr. blz. I-5755). Onder die omstandigheden is het feit dat tussen ACC en AMS geen overdracht van activa heeft plaatsgevonden, niet van beslissende invloed.
31 De omstandigheid dat ACC steeds de enige contractpartij van RJB is geweest en dat zij de werkzaamheden aan AMS heeft uitbesteed, kan op zich evenmin uitsluiten, dat er sprake is geweest van een overgang in de zin van de richtlijn. In de eerste plaats is de vraag, of tussen de vervreemder en de verkrijger al dan niet de klantenkring is overgedragen, slechts één van de aspecten die in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van de vraag, of er sprake is geweest van een overgang (arrest Spijkers, reeds aangehaald, punt 13). In de tweede plaats is de richtlijn van toepassing in alle gevallen waarin in het kader van contractuele betrekkingen een wijziging plaatsvindt in de natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de exploitatie van de onderneming en als werkgever verplichtingen aangaat ten opzichte van de werknemers van de onderneming (zie met name arrest van 7 maart 1996, Merckx en Neuhuys, C-171/94 en C-172/94, Jurispr. blz. I-1253, punt 28).
32 Aangaande het feit dat het moment waarop de werknemers van ACC door AMS werden overgenomen, niet samenviel met de aanvang of de beëindiging van de contracten, moet worden opgemerkt, dat, gelijk door de Commissie gesteld, de overgang van een onderneming een juridisch en feitelijk complexe operatie is, waarvan de uitvoering enige tijd kan vergen. Voorts hield volgens de verwijzingsbeschikking het ontslag van de werknemers van ACC en hun indienstneming door AMS klaarblijkelijk verband met de beslissing van ACC, de betrokken werkzaamheden aan AMS uit te besteden. Overigens heeft ACC, toen zij de boorwerkzaamheden weer op zich nam, de door AMS in dienst genomen werknemers opnieuw aangeworven. Onder die omstandigheden kan geen bijzonder belang worden gehecht aan het feit, dat het begin van de uitvoering van de aan AMS uitbestede werkzaamheden niet samenviel met de overname door haar van de werknemers van ACC.
33 Ook al sluit voor het overige een tijdelijke opschorting van de activiteit van de onderneming op zich niet uit, dat er sprake is van een overgang (zie arrest Ny Mølle Kro, reeds aangehaald, punt 19), de omstandigheid dat de werkzaamheden continu zijn voortgezet, zonder onderbreking of wijziging in de manier waarop zij worden uitgevoerd, is niettemin een van de meest voorkomende kenmerken van overgangen van ondernemingen.
34 Het feit dat ACC en AMS dezelfde directie en dezelfde gebouwen hebben en dat er geen sprake is geweest van overgang van leidinggevend personeel van de ene naar de andere vennootschap, kan er niet aan in de weg staan dat er sprake is van een overgang, mits de transactie tussen de twee dochtermaatschappijen inderdaad betrekking heeft gehad op een economische eenheid in de zin van de rechtspraak van het Hof.
35 De verwijzende rechter heeft tevens gewezen op de omstandigheid, dat de door ACC ontslagen en door AMS overgenomen werknemers vervolgens afwisselend voor de ene of de andere vennootschap hebben gewerkt, al naar gelang de behoeften van de plaatselijke directie, die de beide vennootschappen leidt. Gelijk de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft opgemerkt, beschikt het Hof echter niet over voldoende gegevens om zich daarover uit te spreken. Zo deze situatie, gelijk in de verwijzingsbeschikking wordt gesuggereerd en door Allen e.a. ter terechtzitting is bevestigd, overeenkwam met de beginperiode, waarin de boorwerkzaamheden van ACC en AMS elkaar overlapten, kan zij om dezelfde redenen als in punt 32 van dit arrest uiteengezet, hoe dan ook niet beletten dat er sprake is geweest van een overgang.
36 ACC stelt echter, dat de feiten in het hoofdgeding vergelijkbaar zijn met de feiten in de zaak die heeft geleid tot het arrest Rygaard (reeds aangehaald), waarin het Hof heeft geoordeeld, dat er geen overgang van onderneming in de zin van de richtlijn is, wanneer een ondernemer aan een andere ondernemer werknemers en materiaal ter beschikking stelt om bepaalde werkzaamheden te doen uitvoeren.
37 Het Hof heeft in het arrest Rygaard (reeds aangehaald) geoordeeld, dat een situatie waarin een onderneming een van haar opdrachten voor voltooiing aan een andere onderneming overdraagt, en daarbij enkel bepaalde werknemers en materiaal ter beschikking stelt om het betrokken werk te doen uitvoeren, buiten de werkingssfeer van de richtlijn valt. Deze situatie verschilt echter van de onderhavige zaak, aangezien aan AMS volledige opdrachten voor de uitvoering van werken zijn uitbesteed. Bovendien heeft het Hof in punt 21 van het arrest Rygaard (reeds aangehaald) gesteld, dat de overdracht van een werk met het oog op voltooiing ervan, onder de richtlijn kan vallen, indien zij gepaard gaat met de overdracht van een georganiseerd geheel van elementen waarmee de activiteiten of bepaalde activiteiten van de overdragende onderneming duurzaam kunnen worden voortgezet. De omstandigheid dat ACC aan AMS slechts de uitvoering van bepaalde boorwerkzaamheden heeft uitbesteed, zou dus niet volstaan om de toepassing van de richtlijn uit te sluiten, indien kwam vast te staan dat AMS, naar aanleiding van deze transactie, van ACC de georganiseerde middelen heeft gekregen waardoor zij haar booractiviteiten in de Prince of Wales-steenkolenmijn duurzaam kon uitoefenen.
38 Het staat aan de verwijzende rechter om in het licht van de hiervoor uiteengezette uitleggingsgegevens vast te stellen, of er in het hoofdgeding sprake is geweest van een overgang.
39 Mitsdien moet op het tweede deel van de eerste vraag en op de tweede vraag worden geantwoord, dat de richtlijn van toepassing is op een situatie waarin een tot een groep behorende vennootschap besluit, opdrachten voor de uitvoering van boorwerkzaamheden in mijnen uit te besteden aan een andere vennootschap van dezelfde groep, mits de uitbesteding gepaard gaat met de overgang van een economische eenheid tussen beide vennootschappen. Het begrip economische eenheid verwijst naar een georganiseerd geheel van personen en elementen waardoor de uitoefening van een economische activiteit met een eigen doel mogelijk wordt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
40 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Franse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Industrial Tribunal, Leeds, bij beschikking van 5 mei 1998 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, kan toepassing vinden op een overgang tussen twee vennootschappen die tot eenzelfde groep behoren en die dezelfde eigenaars, dezelfde directie en dezelfde gebouwen hebben en dezelfde werkzaamheden uitvoeren.
2) Richtlijn 77/187 is van toepassing op een situatie waarin een tot een groep behorende vennootschap besluit, opdrachten voor de uitvoering van boorwerkzaamheden in mijnen uit te besteden aan een andere vennootschap van dezelfde groep, mits de uitbesteding gepaard gaat met de overgang van een economische eenheid tussen beide vennootschappen. Het begrip economische eenheid verwijst naar een georganiseerd geheel van personen en elementen waardoor de uitoefening van een economische activiteit met een eigen doel mogelijk wordt.
Full & Egal Universal Law Academy