Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet betwiste niet-nakoming
[EG-Verdrag, art. 169 (thans art. 226 EG)]
Partijen
In zaak C-239/98,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Tufvesson, juridisch adviseur, en B. Mongin, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C. Chavance, secretaris bij dezelfde directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Joseph II 8 B,
verweerster,
"betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen (en in werking te doen treden) en mee te delen die nodig zijn voor het volledig volgen van richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn "schadeverzekering") (PB L 228, blz. 1), en van richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (derde richtlijn "levensverzekeringen") (PB L 360, blz. 1), en met name door die richtlijnen niet uit te voeren ten aanzien van de "mutuelles" in de zin van de "code de la mutualité", de krachtens het EG-Verdrag en die richtlijnen op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), L. Sevón, J.-P. Puissochet en P. Jann, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 7 juli 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 september 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 juli 1998, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) het Hof verzocht vast te stellen, dat de Franse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen (en in werking te doen treden) en mee te delen die nodig zijn voor het volledig volgen van richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn "schadeverzekering") (PB L 228, blz. 1), en van richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (derde richtlijn "levensverzekeringen") (PB L 360, blz. 1), en met name door die richtlijnen niet uit te voeren ten aanzien van de "mutuelles" in de zin van de "code de la mutualité", de krachtens het EG-Verdrag en die richtlijnen op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Blijkens de eerste overweging van de considerans van de richtlijnen 92/49 en 92/96 hebben deze ten doel, zowel uit het oogpunt van de vrijheid van vestiging als uit dat van het vrij verrichten van diensten de interne markt in de sector van de verzekeringen te voltooien, teneinde het voor verzekeringsondernemingen die hun hoofdkantoor in de Gemeenschap hebben, gemakkelijker te maken in de Gemeenschap verbintenissen aan te gaan en in de Gemeenschap gelegen risico's te dekken.
3 Volgens de vijfde overweging van de considerans van die richtlijnen beogen deze een wederzijdse erkenning van de vergunningen en van de stelsels van bedrijfseconomisch toezicht tot stand te brengen, waardoor een en dezelfde vergunning voor de gehele Gemeenschap geldig is en waarbij het beginsel geldt, dat het toezicht wordt uitgeoefend door de lidstaat van herkomst.
4 Artikel 6 van richtlijn 92/49 [in de plaats gekomen van artikel 8 van de eerste richtlijn (73/239/EEG) van de Raad van 24 juli 1973 (PB L 228, blz. 3)] bepaalt:
"1. De lidstaat van herkomst stelt de eis dat de verzekeringsondernemingen die een vergunning aanvragen:
a) een van de volgende rechtsvormen aannemen:
(...)
- ten aanzien van de Franse Republiek: $société anonyme', $société d'assurance mutuelle', $institution de prévoyance' overeenkomstig de $code de la sécurité sociale', $institution de prévoyance' overeenkomstig de $code rural', alsmede de $mutuelles' overeenkomstig de $code de la mutualité'."
5 Artikel 5 van richtlijn 92/96 [in de plaats gekomen van artikel 8 van de eerste richtlijn (79/267/EEG) van de Raad van 5 maart 1979 (PB L 63, blz. 1)] heeft dezelfde inhoud.
6 Ingevolge artikel 57, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 92/49 en artikel 51, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 92/96 moesten de lidstaten uiterlijk op 31 december 1993 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen om aan die richtlijnen te voldoen, en deze bepalingen uiterlijk op 1 juli 1994 in werking doen treden. Zij moesten de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
7 Bij brief van 31 maart 1995 wees de Commissie de Franse autoriteiten erop, dat bij wet nr. 94/678 van 8 augustus 1994 betreffende de bijkomende sociale bescherming van werknemers en houdende uitvoering van de richtlijnen 92/49 en 92/96 van 18 juni en 10 november 1992 van de Raad van de Europese Gemeenschappen (JORF van 10 augustus 1994, nr. 184, blz. 11 655), en bij wet nr. 94/679 van 8 augustus 1994 houdende diverse economische en financiële bepalingen (JORF van 10 augustus 1994, nr. 184, blz. 11 668), de richtlijnen 92/49 en 92/96 niet in nationaal recht waren omgezet wat de "mutuelles" in de zin van de "code de la mutualité" betreft.
8 In antwoord op die brief deelden de Franse autoriteiten op 8 juni 1995 mee, dat een wetsontwerp tot uitvoering van die richtlijnen ten aanzien van de "mutuelles" in de zin van de "code de la mutualité" binnenkort bij het Franse parlement zou worden ingediend.
9 Toen geen enkele tekst werd vastgesteld, verzocht de Commissie de Franse Republiek bij aanmaningsbrief van 31 januari 1996 overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken over de niet-uitvoering van de richtlijnen 92/49 en 92/96 op voormeld punt.
10 Op 2 juli 1996 antwoordden de Franse autoriteiten, dat de uitvoering van de betrokken richtlijnen wat de "code de la mutualité" betreft, zich in een voorbereidende fase bevond.
11 Op 5 maart 1997 zond de Commissie de Franse Republiek een met redenen omkleed advies, waarin zij deze verzocht, binnen een termijn van twee maanden de nodige maatregelen te nemen met het oog op de volledige uitvoering van de richtlijnen 92/49 en 92/96.
12 Op 18 november 1997 deelden de Franse autoriteiten de Commissie een ontwerp tot uitvoering van de richtlijnen 92/49 en 92/96 mee, waardoor deze van toepassing zouden worden op de onder de "code de la mutualité" vallende "groupements mutuelles". Zij herinnerden daarbij in het bijzonder aan de beginselen van het Franse recht inzake de "mutuelles". Op 3 december 1997 deelden zij de Commissie mee, dat zij zich ertoe verbonden, begin 1998 een ter uitvoering van de twee richtlijnen bestemd wetsontwerp in te dienen, waarin de algemene beginselen zouden worden vastgelegd. De wettelijke bepalingen ter uitvoering van de technische en bedrijfseconomische bepalingen van de richtlijnen 92/49 en 92/96 zouden vóór eind 1998 worden aangekondigd.
13 Op 11 februari 1998 zonden de Franse autoriteiten de Commissie een toelichting over de specifieke kenmerken van de "mutualité" en informeerden zij haar over de keuzes die zij met het oog op de uitvoering van de betrokken richtlijnen in die sector hadden gemaakt.
14 Op 11 maart 1998 stelde de Franse regering de Commissie in kennis van de nieuwe richting die zij wenste in te slaan, waarbij in het nationale recht een onderscheid zou worden gemaakt tussen, enerzijds, de verzekeringsactiviteiten van de "mutuelles" die uitkeringen of prestaties in natura impliceren en waarop de bedrijfseconomische bepalingen van de richtlijnen 92/49 en 92/96 van toepassing zouden zijn, en, anderzijds, de - door dochterondernemingen te beheren - activiteiten van de "mutuelles" die geen verband houden met het verzekeringsbedrijf.
15 Bij brief van 6 mei 1998 herinnerde de Commissie de Franse autoriteiten eraan, dat de volledige toepassing van de richtlijnen 92/49 en 92/96 op de "mutuelles" haars inziens niet belet, dat deze hun specifieke karakter behouden.
16 Op 7 juli 1998 heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
17 In haar verzoekschrift stelt de Commissie om te beginnen vast, dat de Franse Republiek de richtlijnen 92/49 en 92/96 onvolledig heeft uitgevoerd, door de "mutuelles" in de zin van de "code de la mutualité" buiten de nieuwe regeling te houden.
18 Voorts wijst zij erop, dat de niet-uitvoering de volgende gevolgen heeft:
- de in de richtlijnen 92/49 en 92/96 gestelde financiële en bedrijfseconomische normen gelden niet voor de Franse "mutuelles" (passende technische voorzieningen, solvabiliteitsmarge);
- er wordt geen juridisch onderscheid gemaakt tussen de eigenlijke verzekeringsactiviteit en de "sociale" activiteiten (apotheken, brillenwinkels, vakantietehuizen, verhuur van vergaderzalen), wat in strijd is met het specialisatiebeginsel dat de richtlijnen 92/49 en 92/96 ten aanzien van de verzekeringsondernemingen stellen en dat inhoudt, dat de commerciële activiteiten en de door de "mutuelles" verrichte sociale activiteiten niet door hetzelfde rechtssubject mogen worden beheerd;
- het systeem van portefeuilleoverdracht is niet in overeenstemming met dat van de richtlijnen 92/49 en 92/96;
- het herverzekeringssysteem verdraagt zich niet met de eisen van het Verdrag.
19 In haar verweerschrift betoogt de Franse regering in de eerste plaats, dat het beroep niet-ontvankelijk is, voor zover de Commissie blijkens het verzoekschrift het geding uitbreidt tot het punt van de conformiteit met het gemeenschapsrecht [te weten met richtlijn 64/225/EEG van de Raad van 25 februari 1964 ter opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten, voor wat betreft herverzekering en retrocessie (PB 1964, 56, blz. 878)] van de herverzekeringsmechanismen die krachtens de nationale wetgeving van toepassing zijn op de "mutuelles" in de zin van de "code de la mutualité". Dat punt is in de precontentieuze procedure immers niet ter sprake gekomen.
20 Dienaangaande heeft de Commissie in haar repliek gesteld en ter terechtzitting herhaald, dat het punt van bezwaar zoals geformuleerd in de aanmaningsbrief, het met redenen omkleed advies en het verzoekschrift, op geen enkele wijze gewijzigd is, en dat het zowel in de gehele precontentieuze procedure als in de conclusies van het verzoekschrift steeds erom is gegaan, dat de Franse Republiek de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om de richtlijnen 92/49 en 92/96 uit te voeren ten aanzien van de "mutuelles" in de zin van de "code de la mutualité", niet heeft vastgesteld, althans niet heeft meegedeeld. Voorts heeft de Commissie ter terechtzitting erkend, dat, anders dan zij ten onrechte in haar verzoekschrift had gesteld, de niet-uitvoering van de richtlijnen 92/49 en 92/96 geen gevolgen heeft voor de herverzekering, daar de te dier zake op de lidstaten rustende communautaire verplichtingen niet uit die richtlijnen voortvloeien, maar uit richtlijn 64/225, die in haar verzoekschrift niet wordt genoemd.
21 In de tweede plaats erkent de Franse regering, dat de "mutuelles" in de zin van de "code de la mutualité" ingevolge artikel 6 van richtlijn 92/49 en artikel 5 van richtlijn 92/96 binnen de materiële werkingssfeer van die richtlijnen vallen, en dat de uitvoeringsbepalingen niet op die "mutuelles" van toepassing zijn. Zij voegt daaraan toe, dat tussen de Franse autoriteiten en de betrokken "mutuelles", die stellen dat de toepassing van de richtlijnen 92/49 en 92/96 op hun activiteiten het specifieke karakter van de onderlinge bijstand in het gedrang zou brengen, nog wordt onderhandeld over de wijze waarop dat moet gebeuren. Ter terechtzitting heeft de Franse regering een in mei 1999 op verzoek van de regering opgesteld rapport ("Rapport Rocard") over de "mutuelles" en het gemeenschapsrecht aan het dossier toegevoegd, waarin wordt beklemtoond, dat het noodzakelijk is de richtlijnen 92/49 en 92/96 zo snel mogelijk in Frans recht om te zetten.
22 Het volstaat op te merken, dat de Franse regering niet ontkent, dat de bepalingen die noodzakelijk zijn om de richtlijnen 92/49 en 92/96 wat de "mutualités" betreft, in nationaal recht om te zetten, nog niet zijn vastgesteld.
23 Bijgevolg moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.
24 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Franse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor het volledig volgen van de richtlijnen 92/49 en 92/96, en met name door deze richtlijnen niet uit te voeren ten aanzien van de "mutuelles" in de zin van de "code de la mutualité", de krachtens die richtlijnen op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek voor het wezenlijke in het ongelijk is gesteld, dient zij, overeenkomstig de vordering van de Commissie in die zin, in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen (en in werking te doen treden) en mee te delen die nodig zijn voor het volledig volgen van richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn "schadeverzekering"), en van richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (derde richtlijn "levensverzekeringen"), en met name door die richtlijnen niet uit te voeren ten aanzien van de "mutuelles" in de zin van de "code de la mutualité", is de Franse Republiek de krachtens die richtlijnen op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy