Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening van markten - Melk en zuivelproducten - Extra heffing op melk - Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Producenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van premieregeling voor niet in handel brengen of omschakeling - Toekenning van specifieke referentiehoeveelheid - Definitieve toekenning aan producent die over oorspronkelijke referentiehoeveelheid beschikt, doch voorlopige specifieke referentiehoeveelheid niet zelf heeft gebruikt om bestaande melkproductie op zijn bedrijf te verhogen - Daarvan uitgesloten
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 3 bis, lid 3, eerste zin, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1639/91)
Samenvatting
$$Artikel 3 bis, lid 3, eerste zin, van verordening nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de extra heffing op melk, in de versie van verordening nr. 1639/91, moet met inachtneming van de voor de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid geldende beginselen aldus worden uitgelegd dat aan een producent die over een oorspronkelijke referentiehoeveelheid beschikt en die daarenboven voorlopig een specifieke referentiehoeveelheid ontvangt, die specifieke referentiehoeveelheid niet definitief kan worden toegekend wanneer hij, afgezien van de andere gestelde voorwaarden, die hoeveelheid niet zelf heeft gebruikt om de bestaande melkproductie op zijn bedrijf te verhogen. Dat is het geval wanneer een producent zijn oorspronkelijke referentiehoeveelheid in leasing geeft en enkel onder zijn voorlopige specifieke referentiehoeveelheid melk produceert.
( cf. punt 40 en dictum )
Partijen
In zaak C-273/98,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Bundesfinanzhof (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
H.-J. Schlebusch
en
Hauptzollamt Trier,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3 bis, lid 3, eerste volzin, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13), in de versie van verordening (EEG) nr. 1639/91 van de Raad van 13 juni 1991 (PB L 150, blz. 35),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, G. Hirsch (rapporteur) en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- H.-J. Schlebusch, vertegenwoordigd door J. Lukanow, advocaat te Euskirchen,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Niejahr, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 februari 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 14 mei 1998, binnengekomen bij het Hof op 20 juli daaraanvolgend, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 3 bis, lid 3, eerste volzin, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13), in de versie van verordening (EEG) nr. 1639/91 van de Raad van 13 juni 1991 (PB L 150, blz. 35) (hierna: litigieuze bepaling").
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen H.-J. Schlebusch, ten tijde van de feiten in het hoofdgeding melkproducent, en het Hauptzollamt Trier (hierna: HZA") ter zake van de definitieve toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid bovenop de oorspronkelijke referentiehoeveelheid.
De gemeenschapsregeling
3 Wegens de toenmalige overproductie van melk in de Gemeenschap voerde de Raad een stelsel van premies in voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelproducten en voor de omschakeling van het melkveebestand [verordening (EEG) nr. 1078/77 van 17 mei 1977; PB L 131, blz. 1]. Deze verordening kende een niet-leverings- of omschakelingspremie toe aan producenten die zich ertoe verbonden, gedurende vijf jaar geen melk of zuivelproducten in de handel te brengen, respectievelijk gedurende vier jaar geen melk of zuivelproducten in de handel te brengen en hun melkveebestand op de rundvleesproductie om te schakelen.
4 Aangezien er in 1983 wederom sprake was van overproductie, stelde de Raad bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 10), een extra heffing in op de hoeveelheden melk die werden geleverd boven een bepaalde referentiehoeveelheid, die voor elke producent of koper binnen de grenzen van een aan elke lidstaat gegarandeerde totale hoeveelheid werd bepaald. De van de extra heffing vrijgestelde referentiehoeveelheid is overeenkomstig verordening nr. 857/84 gelijk aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die in het referentiejaar hetzij door een producent is geleverd, hetzij door een melkfabriek is gekocht, naar gelang van de door de lidstaat gekozen formule. Ieder van de lidstaten heeft een referentiejaar tussen 1981 en 1983 gekozen.
5 Na de arresten van 28 april 1988, Mulder (120/86, Jurispr. blz. 2321), en Von Deetzen I (170/86, Jurispr. blz. 2355), stelde de Raad verordening (EEG) nr. 764/89 van 20 maart 1989 tot wijziging van verordening nr. 857/84 (PB L 84, blz. 2), vast. Bij die verordening werd een nieuw artikel 3 bis in verordening nr. 857/84 ingelast, dat onder bepaalde voorwaarden voorzag in de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid aan de zogenoemde SLOM-producenten, die ter uitvoering van een uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis geen melk hadden geleverd in het door de betrokken lidstaat gekozen referentiejaar (zogeheten SLOM I"-regeling).
6 Om uitvoering te geven aan de arresten van 11 december 1990, Spagl (C-189/89, Jurispr. blz. I-4539), en Pastätter (C-217/89, Jurispr. blz. I-4585), waarbij verschillende bepalingen van artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 in de versie van verordening nr. 764/89 ongeldig waren verklaard, stelde de Raad verordening nr. 1639/91 vast (zogeheten SLOM II"-regeling).
7 Artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 in de versie van verordening nr. 1639/91 luidde als volgt:
1. Aan de in artikel 12, onder c, derde alinea, bedoelde producenten
- waarvan de periode van niet-levering of omschakeling krachtens de uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1078/77 aangegane verbintenis, onverminderd het bepaalde in de laatste alinea, ten einde loopt na 31 december 1983, of na 30 september 1983 in de lidstaten waar de melkopbrengst in de maanden april tot en met september ten minste tweemaal zo groot is als die in de maanden oktober tot en met maart van het volgende jaar,
- waaraan, indien zij cessionaris van de premie zijn, geen referentiehoeveelheid uit hoofde van artikel 2 en/of artikel 6 van deze verordening is toegewezen,
wordt voorlopig, op een binnen drie maanden vanaf 29 maart 1989 door hen in te dienen aanvraag, een specifieke referentiehoeveelheid toegewezen (...)
(...)
2. (...)
3. Indien de producent binnen twee jaar, te rekenen vanaf 29 maart 1989, of, in het in de laatste alinea van lid 1 bedoelde geval, vanaf 1 juli 1991 en op voorwaarde dat de geldigheidsduur van de regeling inzake de extra heffing wordt verlengd, ten genoegen van de bevoegde instantie kan bewijzen dat hij de rechtstreekse verkoop en/of de leveringen daadwerkelijk heeft hervat en dat deze rechtstreekse verkoop en/of deze leveringen tijdens de laatste twaalf maanden ten minste 80 % van de voorlopige referentiehoeveelheid hebben bedragen, wordt de specifieke referentiehoeveelheid hem definitief toegewezen. (...)
4. Het deel van de specifieke referentiehoeveelheid dat in een periode van twaalf maanden niet zal worden gebruikt, mag niet tijdelijk worden overgedragen zoals bepaald in artikel 5 quater, lid 1 bis, van verordening (EEG) nr. 804/68.
(...)"
8 Verordening nr. 857/84 werd per 1 april 1993 vervangen door verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 405, blz. 1), waarbij de regeling inzake de extra heffing op melk, met bepaalde wijzigingen, met zeven jaar werd verlengd.
9 Artikel 4, lid 3, van verordening nr. 3950/92 neemt in wezen de regeling over van artikel 3 bis, lid 3, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1639/91. Derhalve wordt aan een producent die overeenkomstig artikel 3 bis, lid 1, laatste alinea, van verordening nr. 857/84 in de versie van verordening nr. 1639/91 voorlopig een specifieke individuele referentiehoeveelheid heeft ontvangen, die specifieke referentiehoeveelheid definitief toegewezen, wanneer hij vóór 1 juli 1993 ten genoegen van de bevoegde autoriteit kan aantonen, dat hij voldoet aan dezelfde voorwaarden als die genoemd in artikel 3 bis, lid 3, van verordening nr. 857/84 in de versie van verordening nr. 1639/91.
10 Bij arrest van 3 december 1992, Wehrs (C-264/90, Jurispr. blz. I-6285), verklaarde het Hof de zogenoemde anticumulatiebepaling van artikel 3 bis, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 857/84 in de versie van verordening nr. 764/89 ongeldig. Op grond van die bepaling, die eveneens voorkwam in artikel 3 bis, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 857/84 in de versie van verordening nr. 1639/91, kwamen cessionarissen van een op grond van verordening nr. 1078/77 toegekende niet-leverings- of omschakelingspremie, die een referentiehoeveelheid krachtens artikel 2 van verordening nr. 857/84 hadden verkregen, niet in aanmerking voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid.
11 Naar aanleiding van het arrest Wehrs stelde de Raad verordening (EEG) nr. 2055/93 van 19 juli 1993 vast, houdende toewijzing van een aanvullende specifieke referentiehoeveelheid aan bepaalde producenten van melk en zuivelproducten (PB L 187, blz. 8). Op grond van deze verordening, die op 1 augustus 1993 in werking is getreden, kunnen producenten die uit hoofde van verordening nr. 1078/77 een niet-leverings- of omschakelingsverbintenis waren aangegaan en die wegens de anticumulatiebepaling tot dan toe geen recht hadden op toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid, een dergelijke hoeveelheid verkrijgen bovenop de oorspronkelijke referentiehoeveelheid (zogeheten SLOM III"-regeling).
12 Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2055/93 bepaalt:
Aan de producent als omschreven in artikel 9, onder c, van verordening (EEG) nr. 3950/92, die:
- (...), of
- een deel heeft overgenomen van een bedrijf dat onder dezelfde bepalingen valt en waarvoor geen referentiehoeveelheid is toegewezen uit hoofde van artikel 3 bis van verordening (EEG) nr. 857/84,
wordt op diens verzoek een specifieke referentiehoeveelheid toegewezen, op voorwaarde dat:
- (...)
- (...)
- (...)
- hij ter staving van zijn aanvraag, aan de hand van nader te bepalen criteria, aantoont dat hij zijn productie op zijn bedrijf kan verhogen tot de gevraagde specifieke referentiehoeveelheid."
De feiten en de prejudiciële vraag
13 Schlebusch was ten tijde van de feiten melkproducent. Op 1 april 1991 beschikte hij over een oorspronkelijke referentiehoeveelheid van 50 704 kg melk.
14 Aangezien hij grond had gepacht waarvoor toentertijd de niet-leveringsregeling gold, werd hem in oktober 1991 op grond van de SLOM II-regeling een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid van 20 380 kg toegekend.
15 Nadat hij die specifieke referentiehoeveelheid had verkregen, gaf hij zijn oorspronkelijke referentiehoeveelheid in leasing en produceerde hij tussen april 1992 en februari 1993 14 272 kg melk enkel onder de voorlopig toegekende specifieke referentiehoeveelheid.
16 Vervolgens staakte Schlebusch de levering van melk.
17 Bij beschikking van - blijkens het procesdossier in de hoofdzaak - 6 juli 1994 weigerde het HZA hem de specifieke referentiehoeveelheid definitief toe te wijzen, op grond dat hij geen melk had geleverd onder de hem voorlopig toegekende referentiehoeveelheid (hierna: bestreden beschikking"). Het HZA stelde zich in feite op het standpunt, dat het verbod van leasing van de voorlopige specifieke referentiehoeveelheid in artikel 3 bis, lid 4, van verordening nr. 857/84 in de versie van verordening nr. 1639/91 kon worden omzeild, wanneer de begunstigde van die voorlopige hoeveelheid de oorspronkelijke referentiehoeveelheid waarover hij bovendien beschikte, in leasing kon geven.
18 Nadat het Finanzgericht Rheinland-Pfalz zijn beroep tegen de bestreden beschikking had verworpen, stelde Schlebusch beroep in Revision" in bij het Bundesfinanzhof, dat heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:
Moet artikel 3 bis, lid 3, eerste volzin, van verordening (EEG) nr. 857/84 in de versie van verordening (EEG) nr. 1639/91 aldus worden uitgelegd, dat aan een melkproducent een definitieve specifieke referentiehoeveelheid moet worden toegewezen, ook indien hij in het in die bepaling bedoelde tijdvak de hem voorlopig toegewezen specifieke referentiehoeveelheid niet heeft gebruikt voor een overeenkomstige verhoging van zijn melkproductie, doch het gebruik van het gedeelte van zijn melkquotum dat overeenkomt met de oorspronkelijke referentiehoeveelheid waarover zijn bedrijf naast de voorlopig toegewezen specifieke referentiehoeveelheid beschikte, tijdelijk aan een ander bedrijf heeft overgedragen?"
De toepasselijke regeling
19 Volgens de Commissie moet de prejudiciële vraag worden geacht betrekking te hebben op artikel 4, lid 3, eerste volzin, van verordening nr. 3950/92 en niet op de litigieuze bepaling, omdat de bestreden beschikking haars inziens is gegeven op 6 juli 1994, toen verordening nr. 3950/92 reeds van kracht was.
20 Vastgesteld zij, dat, ook al maakt noch de verwijzende rechter in zijn beschikking, noch Schlebusch in zijn schriftelijke opmerkingen melding van de datum waarop het HZA de bestreden beschikking heeft gegeven, uit het procesdossier in de hoofdzaak blijkt, dat die datum 6 juli 1994 is. Het Finanzgericht Rheinland-Pfalz heeft die datum immers vermeld in zijn, overigens op de grondslag van verordening nr. 3950/92 gewezen, beslissing.
21 Aangezien het Bundesfinanzhof niet onkundig kon zijn van de datum van de bestreden beschikking, heeft het het Hof met volle kennis van de situatie om uitlegging van de litigieuze bepaling verzocht.
22 Het staat niet aan het Hof, doch aan de nationale rechter, de aan het geding ten gronde liggende feiten vast te stellen en daaruit de conclusies voor de door hem te geven beslissing te trekken (zie, bijvoorbeeld, arrest van 16 september 1999, WWF e.a., C-435/97, Jurispr. blz. I-5613, punt 32). Evenmin staat het aan het Hof, uitspraak te doen over de relevantie van de door de nationale rechter gestelde vragen (zie, bijvoorbeeld, arrest van 16 april 1991, Eurim-Pharm, C-347/89, Jurispr. blz. I-1747, punt 16).
23 Voorts zijn artikel 3 bis, lid 3, van verordening nr. 857/84 in de versie van verordening nr. 1639/91 en artikel 4, lid 3, van verordening nr. 3950/92 inhoudelijk gelijk, zoals de Commissie en de advocaat-generaal hebben opgemerkt (zie punten 17 en 18 van zijn conclusie).
24 Derhalve is er geen grond om de vraag van het Bundesfinanzhof niet op de litigieuze bepaling te betrekken.
De uitlegging van artikel 3 bis, lid 3, van verordening nr. 857/84 in de versie van verordening nr. 1639/91
25 Ingevolge artikel 3 bis, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 857/84 in de versie van verordening nr. 1639/91 kon geen voorlopige specifieke referentiehoeveelheid worden toegewezen, wanneer, afgezien van de andere voorwaarden, de aanvrager reeds voor hetzelfde bedrijf over een oorspronkelijke referentiehoeveelheid beschikte. Een melkproducent kon gemeenschapsrechtelijk dan ook niet rechtmatig een specifieke referentiehoeveelheid bovenop een oorspronkelijke referentiehoeveelheid verkrijgen.
26 De specifieke referentiehoeveelheid, die dus enkel was bestemd voor SLOM-producenten die tevoren geen oorspronkelijke referentiehoeveelheid hadden verkregen en uit dien hoofde geen melk hadden kunnen produceren, kon enkel definitief worden toegewezen, wanneer de SLOM-producent het bewijs leverde, dat hij de afgelopen twaalf maanden de productie had hervat op een niveau van ten minste 80 %. Die voorwaarde was derhalve vastgesteld tegen de achtergrond en met inachtneming van de anticumulatiebepaling.
27 Bijgevolg kan uit de tekst van de litigieuze bepaling niet worden afgeleid, onder welke voorwaarden ten tijde van de feiten van het hoofdgeding een specifieke referentiehoeveelheid definitief kon worden toegewezen in een geval als dat in het hoofdgeding, dat werd gekenmerkt door een met de toentertijd geldende gemeenschapsregeling onverenigbare cumulatie van de oorspronkelijke en de specifieke referentiehoeveelheid.
28 Aan die uitlegging van de litigieuze bepaling kan niet worden afgedaan door bovengenoemd arrest Wehrs. Bij een ingewikkeld stelsel als dat van de referentiehoeveelheden, bood het in de zaak in het hoofdgeding relevante rechtskader zoals dit eruitzag na de ongeldigverklaring van de anticumulatiebepaling in het arrest Wehrs, doch vóór de vaststelling van verordening nr. 2055/93, op zichzelf, dat wil zeggen zonder aanpassing van het stelsel, namelijk niet de mogelijkheid om een specifieke referentiehoeveelheid aan een producent toe te kennen (zie arrest van 6 juni 1996, Ecroyd, C-127/94, Jurispr. blz. I-2731, punt 59).
29 Derhalve moet worden vastgesteld, dat de tekst van de litigieuze bepaling geen betrekking had op de situatie die ten grondslag ligt aan het hoofdgeding.
Het ter zake van de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid geldende beginsel
30 Artikel 1 van verordening nr. 2055/93, die op 1 augustus 1993 in werking is getreden, biedt - voor het eerst sinds de inwerkingtreding van de regeling inzake de extra heffing op melk - onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid, een specifieke referentiehoeveelheid bovenop een oorspronkelijke hoeveelheid toe te kennen. Een van die voorwaarden houdt in, dat de producent moet aantonen, dat hij zijn productie op zijn bedrijf kan verhogen tot de gevraagde specifieke referentiehoeveelheid. Derhalve moet de producent, zoals de Commissie beklemtoont, in staat zijn alle hoeveelheden melk die hem als gecumuleerde referentiehoeveelheden zijn toegekend, zelf te produceren.
31 De Commissie stelt, dat verordening nr. 2055/93, ofschoon in casu niet van toepassing, het duidelijkst is waar het gaat om aanwijzingen voor de beantwoording van de prejudiciële vraag. Derhalve moet worden nagegaan, of de voorwaarde van artikel 1, lid 1, laatste streepje, van die verordening niet de uitdrukking is van een algemeen beginsel dat reeds vóór de intrekking van de anticumulatiebepaling op de definitieve toekenning van specifieke referentiehoeveelheden van toepassing was.
32 Blijkens de zevende overweging van de considerans van verordening nr. 2055/93 betekent de in artikel 1, lid 1, van die verordening gestelde voorwaarde, dat de SLOM-producent voor toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid moet aantonen, dat hij in staat is zijn productie op zijn bedrijf te verhogen tot de gevraagde specifieke referentiehoeveelheid, een noodzakelijke aanpassing van de in de litigieuze bepaling gestelde voorwaarden.
33 Bij die voorwaarden gaat het er namelijk hoofdzakelijk om, dat de producent of de cessionaris van een op grond van verordening nr. 1078/77 toegekende premie die een specifieke referentiehoeveelheid aanvraagt, de melkproductie die hij volledig had moeten staken, daadwerkelijk moet hervatten. Derhalve kunnen voor een cessionaris die, zoals Schlebusch, een actieve melkproducent is, voor de toewijzing van de specifieke referentiehoeveelheid niet dezelfde voorwaarden gelden als in de litigieuze bepaling zijn vastgesteld.
34 Reeds vóór de vaststelling van verordening nr. 2055/93 bleek uit de derde, de vijfde en de zesde overweging van de considerans van verordening nr. 764/89, die was vastgesteld teneinde te voldoen aan bovengenoemde arresten Mulder en Von Deetzen I, en uit de achtste overweging van de considerans van verordening nr. 1639/91, dat de toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid de begunstigde enkel in staat beoogde te stellen, de aldus toegewezen hoeveelheden melk daadwerkelijk en persoonlijk te produceren en bijgevolg de activiteit van melkproducent uit te oefenen. Juist met het oog daarop was overigens in artikel 3 bis, lid 4, van verordening nr. 857/84 in de versie van verordening nr. 1639/91 elke - zelfs tijdelijke en gedeeltelijke - overdracht van referentiehoeveelheden verboden.
35 Aangezien immers de SLOM-producenten, afgezien van de andere gestelde voorwaarden, ingevolge bovengenoemd arrest Mulder enkel voor een specifieke referentiehoeveelheid in aanmerking kwamen, wanneer zij erop mochten vertrouwen, dat zij de activiteit van melkproducent eveneens onder de regeling inzake de extra heffing op melk zouden kunnen uitoefenen, kan een dergelijke referentiehoeveelheid niet zonder inbreuk te maken op het nauwkeurige en beperkte doel van dat arrest definitief worden toegekend aan een SLOM-producent die niet voornemens of in staat is de toegewezen hoeveelheden zelf te produceren.
36 Vraagt de houder van een oorspronkelijke referentiehoeveelheid daarnaast om een specifieke referentiehoeveelheid, dan zou het beperkte karakter van het in het vorige punt genoemde doel in gevaar komen, wanneer een dergelijke melkproducent laatstbedoelde hoeveelheid anders dan ter verhoging van zijn bestaande productie kon gebruiken.
37 Dat zou met name het geval zijn bij een producent die, zoals Schlebusch, zijn oorspronkelijke referentiehoeveelheid in leasing geeft nadat hij daarenboven een specifieke referentiehoeveelheid heeft verkregen, en niet zelf aanwendt om de bestaande productie van zijn bedrijf te verhogen.
38 Die uitlegging van de regeling van de specifieke referentiehoeveelheden vindt steun in de vaste rechtspraak, dat een SLOM-producent er niet op mag vertrouwen, dat hem een niet uit zijn beroepsactiviteit voortvloeiend commercieel voordeel in de vorm van een specifieke referentiehoeveelheid wordt toegekend (zie, bijvoorbeeld, arrest van 22 oktober 1991, Von Deetzen II, C-44/89, Jurispr. blz. I-5119, punt 21). Een dergelijk voordeel zou, althans indirect, worden toegekend, indien een ondernemer in geval van cumulatie van een oorspronkelijke en een specifieke referentiehoeveelheid zelf uitsluitend de specifieke referentiehoeveelheid behoefde te produceren, inzonderheid wanneer die hoeveelheid op zich niet de levensvatbaarheid van het bedrijf kan garanderen, zoals - aldus Schlebusch zelf - het geval is in het hoofdgeding.
39 Aangezien de gekozen uitlegging duidelijk aansluit bij het doel van de regeling inzake de extra heffing op melk, te weten beperking van het gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod van melk en zuivelproducten en van de daaruit voortvloeiende structurele overschotten, mocht een producent die in strijd met de SLOM II-regeling een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid had gekregen, er niet op vertrouwen, dat hem een voordeel werd toegekend, dat als onrechtmatig moest worden beschouwd voor zover hij die hoeveelheid gebruikte voor andere doeleinden dan de verhoging van zijn bestaande productie.
40 Uit een en ander volgt, dat de litigieuze bepaling met inachtneming van de voor de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid geldende beginselen aldus moet worden uitgelegd, dat aan een producent die over een oorspronkelijke referentiehoeveelheid beschikt en die daarenboven een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid ontvangt, die specifieke referentiehoeveelheid niet definitief kan worden toegewezen, wanneer hij, afgezien van de andere gestelde voorwaarden, die hoeveelheid niet zelf heeft gebruikt om de bestaande melkproductie op zijn bedrijf te verhogen. Dat is het geval, wanneer een dergelijke producent zijn oorspronkelijke referentiehoeveelheid in leasing geeft en enkel onder zijn voorlopige specifieke referentiehoeveelheid melk produceert.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
41 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 14 mei 1998 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 3 bis, lid 3, eerste volzin, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten, in de versie van verordening (EEG) nr. 1639/91 van de Raad van 13 juni 1991, moet met inachtneming van de voor de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid geldende beginselen aldus worden uitgelegd, dat aan een producent die over een oorspronkelijke referentiehoeveelheid beschikt en die daarenboven een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid ontvangt, die specifieke referentiehoeveelheid niet definitief kan worden toegewezen, wanneer hij, afgezien van de andere gestelde voorwaarden, die hoeveelheid niet zelf heeft gebruikt om de bestaande melkproductie op zijn bedrijf te verhogen. Dat is het geval, wanneer een dergelijke producent zijn oorspronkelijke referentiehoeveelheid in leasing geeft en enkel onder zijn voorlopige specifieke referentiehoeveelheid melk produceert.
Full & Egal Universal Law Academy