Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelproducten - Extra heffing op melk - Keuze van formule B - Heffingplichtige marktdeelnemer - Koper - Vervanging van kopers door lidstaat gedurende door hen ingestelde procedures ter betwisting van verschuldigde bedragen - Daarvan uitgesloten
(Verordening nr. 1546/88 van de Commissie)
2. Landbouw - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Financiering door EOGFL - Beginselen - Zorgvuldigheidsplicht van lidstaten
[EG-Verdrag, art. 5 (thans art. 10 EG); verordening nr. 729/70 van de Raad, art. 8, leden 1 en 2]
Samenvatting
1. Uit het bij verordening nr. 1546/88 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van het bij artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 ingevoerde mechanisme blijkt, dat hoewel de lidstaat gehouden is de door hem geïnde bedragen over te maken aan de Commissie, hij de extra heffing niet zelf verschuldigd is. De communautaire regeling van extra heffingen voorziet er immers niet in dat de lidstaat als heffingplichtige in de plaats treedt van de koper, wanneer deze volgens de toepasselijke nationale procedures beroep instelt om de van hem als extra heffing gevorderde bedragen te betwisten. Deze vervanging van de koper door de lidstaat als heffingplichtige, ook indien in de tijd beperkt tot de duur van de contentieuze procedures, vereist een voorafgaande wettelijke grondslag die de voorwaarden ervan bepaalt.
( cf. punt 37 )
2. De lidstaten moeten de algemene zorgvuldigheidsplicht in de zin van artikel 5 van het Verdrag (thans artikel 10 EG) eerbiedigen, zoals deze met betrekking tot de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid nader is omschreven in artikel 8, leden 1 en 2, van verordening nr. 729/70 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Deze verplichting houdt in, dat de lidstaten de maatregelen moeten nemen waarmee onmiddellijk een eind kan worden gemaakt aan onregelmatigheden.
( cf. punt 40 )
Partijen
In zaak C-277/98,
Franse Republiek, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger en C. Vasak als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door S. Ortiz Vaamonde als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënt,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Berscheid als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep, strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 98/358/EG van de Commissie van 6 mei 1998 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1994 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB L 163, blz. 28), voorzover hierin op de Franse Republiek negatieve correcties" worden toegepast met betrekking tot de extra heffingen op melk, die overeenstemmen met bedragen waarvan de invordering aan de orde is in gedingen die op de datum van deze beschikking bij de bevoegde nationale gerechtelijke instanties aanhangig zijn,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: N. Colneric (rapporteur), president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, C. Gulmann, R. Schintgen, V. Skouris en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 maart 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 21 juli 1998, heeft de Franse Republiek krachtens artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 98/358/EG van de Commissie van 6 mei 1998 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1994 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB L 163, blz. 28; hierna: bestreden beschikking"), voorzover hierin op de Franse Republiek negatieve correcties" worden toegepast met betrekking tot de extra heffingen op melk, die overeenstemmen met bedragen waarvan de invordering aan de orde is in gedingen die op de datum van deze beschikking bij de bevoegde nationale gerechtelijke instanties aanhangig zijn.
2 Bij beschikking van de president van het Hof van 17 december 1998 is het Koninkrijk Spanje toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Franse Republiek.
Rechtskader
3 Luidens artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, blz. 13), financiert het EOGFL, afdeling Garantie, de interventies ter regulering van de landbouwmarkten, waartoe volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten wordt overgegaan.
4 Volgens artikel 4, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 729/70 stelt de Commissie aan de lidstaten de nodige middelen ter beschikking, opdat de aangewezen diensten en organen de betalingen van deze interventies overeenkomstig de communautaire voorschriften en de nationale wetgevingen verrichten.
5 Artikel 5, lid 2, sub b, van verordening nr. 729/70, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1287/95 van de Raad van 22 mei 1995 (PB L 125, blz. 1), bepaalt dat de Commissie het betrokken begrotingsjaar vóór 30 april van het volgende begrotingsjaar goedkeurt op basis van de jaarrekeningen, vergezeld van de stukken die voor die goedkeuring nodig zijn. Artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1287/95, bepaalt verder dat de Commissie een besluit neemt over de bedragen die moeten worden onttrokken aan de communautaire financiering, wanneer zij constateert dat uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn verricht.
6 Luidens artikel 8, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 729/70 treffen de lidstaten, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om zich ervan te vergewissen dat de door het EOGFL gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd, om onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen en om de ten gevolge van onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.
7 Volgens artikel 8, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 729/70 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de daartoe getroffen maatregelen en met name van de stand van de administratieve en gerechtelijke procedures.
8 Indien algehele terugvordering uitblijft, draagt de Gemeenschap krachtens artikel 8, lid 2, van verordening nr. 729/70 de financiële gevolgen van de onregelmatigheden of nalatigheden, behalve die welke voortvloeien uit onregelmatigheden of nalatigheden die aan de overheidsdiensten of organen van de lidstaten te wijten zijn. De teruggevorderde bedragen worden overgemaakt aan de diensten of organen die de betalingen hebben verricht en worden door deze in mindering gebracht op de door het EOGFL gefinancierde uitgaven.
9 Bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 10), is een extra heffing" ingesteld op de aangevoerde melkhoeveelheden die een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden, teneinde de groei van de productie van melk en van zuivelproducten in de Gemeenschap te beheersen (hierna: extra heffing").
10 Artikel 5 quater, leden 1, tweede alinea, 3 en 5, van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (PB L 148, blz. 13), ingevoegd bij verordening nr. 856/84, bepaalt:
1. [...]
De heffing wordt in elk gebied van de lidstaten toegepast volgens één van de volgende formules:
Formule A
- Voor elke melkproducent geldt een heffing over de hoeveelheden melk en/of melkequivalent die hij aan een koper heeft geleverd en die gedurende het betrokken tijdvak van 12 maanden een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden.
Formule B
- Voor elke koper van melk of andere zuivelproducten geldt een heffing over de hoeveelheden melk of melkequivalent die hem door producenten zijn geleverd en die gedurende het betrokken tijdvak van 12 maanden een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden.
- De koper die de heffing verschuldigd is, berekent deze alleen door in de prijs die wordt betaald aan die producenten die hun leveranties hebben verhoogd, in evenredigheid met hun bijdrage tot de overschrijding van de referentiehoeveelheid van de koper.
[...]
3. De som van de in lid 1 bedoelde referentiehoeveelheden mag, onder voorbehoud van lid 4, niet meer bedragen dan een gegarandeerde totale hoeveelheid die gelijk is aan de som van de hoeveelheden melk die in de betrokken lidstaat in het kalenderjaar 1981 zijn geleverd aan bedrijven die melk of andere zuivelproducten bewerken of verwerken, verhoogd met 1 %.
5. De in dit artikel bedoelde heffingen worden geacht deel uit te maken van de interventies ter regulering van de landbouwmarkten en worden aangewend voor de financiering van de uitgaven in de zuivelsector.
[...]"
11 Verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13), die tot 31 maart 1993 van kracht is gebleven, bepaalt met name de referentiehoeveelheid - die wordt omschreven als de hoeveelheid melk of melkequivalent die tijdens het kalenderjaar 1981 door een producent is geleverd (formule A) of door een koper is gekocht (formule B), in beide gevallen verhoogd met 1 % - waarboven deze producent (formule A) of deze koper (formule B) een extra heffing verschuldigd is.
12 Volgens artikel 9, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1305/85 van de Raad van 23 mei 1985 (PB L 137, blz. 12), wordt bij overschrijding van de gegarandeerde totale hoeveelheid het bedrag van de geïnde heffingen overeenkomend met de geconstateerde overschrijding aan de Gemeenschap overgemaakt".
13 Artikel 15, lid 4, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB L 139, blz. 12), bepaalt:
De [...] kopers moeten het bedrag van de eventueel verschuldigde heffing binnen drie maanden na afloop van elke periode van twaalf maanden aan de bevoegde instantie overmaken."
14 Artikel 19, lid 1, sub a, van verordening nr. 1546/88 luidt:
De lidstaten nemen de nodige aanvullende maatregelen om:
a) ervoor te zorgen dat de heffing wordt geïnd, en met name de controlemaatregelen en de maatregelen om te garanderen dat de betrokkenen op de hoogte worden gesteld van de strafrechtelijke maatregelen of van de bestuursrechtelijke sancties die bij overtreding van deze verordening tegen hen kunnen worden getroffen."
Feiten van het geding
15 De Franse autoriteiten hebben voor de toepassing van het stelsel van de extra heffing gekozen voor formule B (inning bij de kopers). Voor de melkprijsjaren 1985/1986, 1988/1989, 1989/1990 en 1991/1992 zijn extra heffingen voor een totaal bedrag van 114 387 058 FRF niet ingevorderd. Dit bedrag is als volgt verdeeld over de met de melkjaren overeenstemmende begrotingsjaren:
642 358 FRF voor melkjaar 1985/1986,
14 466 984 FRF voor melkjaar 1988/1989,
38 756 717 FRF voor melkjaar 1989/1990,
60 520 999 FRF voor melkjaar 1991/1992.
16 Bij Franse gerechtelijke instanties lopen over deze bedragen elf contentieuze procedures tussen de Franse autoriteiten en melkkopers met betrekking tot de invordering van extra heffingen.
17 Bij brief nr. VI/16332 van 16 april 1997 aan de Franse Republiek betreffende de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1993 heeft de Commissie opgemerkt, dat de openstaande bedragen alleen maar groter waren geworden en een aanzienlijke omvang kregen. Volgens de Commissie hadden deze procedures vier jaar na het einde van het laatste onder de oude melkquotaregeling vallende melkjaar moeten zijn afgesloten.
18 Bij brief nr. VI/30301 van 29 juli 1997, betreffende eveneens de goedkeuring van de rekeningen van begrotingsjaar 1993, heeft de Commissie de Franse autoriteiten formeel een voorstel voor financiële correctie doen toekomen dat overeenstemt met de gevallen van niet-boeking ten gunste van het EOGFL van de voor de melkprijsjaren 1985/1986, 1988/1989, 1989/1990 en 1991/1992 verschuldigde extra heffingen waarover bij de nationale gerechtelijke instanties nog door de kopers ingeleide contentieuze procedures lopen.
19 Na het verzoek om bemiddeling dat de Franse regering op 7 oktober 1997 had ingediend overeenkomstig beschikking 94/442/EG van de Commissie van 1 juli 1994 inzake de instelling van een bemiddelingsprocedure in het kader van de goedkeuring van de rekeningen betreffende het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie (PB L 182, blz. 45), heeft het bemiddelingsorgaan in zijn eindrapport van 29 januari 1998 vastgesteld dat het de standpunten van de partijen niet nader tot elkaar had kunnen brengen.
20 Bij de bestreden beschikking, die is gegeven op basis van verordening nr. 729/70, met name artikel 5, lid 2, daarvan, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1287/95, heeft de Commissie het bedrag van de ten laste van het EOGFL erkende uitgaven voor het begrotingsjaar 1994 vastgesteld.
21 De negende overweging van de considerans van de bestreden beschikking luidt:
Overwegende dat correcties noodzakelijk zijn ten aanzien van de extra heffingen voor melk voor de melkjaren 1985/1986 tot 1992/1993, die nog steeds open staan ten gevolge van juridische geschillen tussen de kopers/producenten enerzijds, en de bevoegde autoriteiten van bepaalde lidstaten anderzijds; dat deze negatieve correcties voor Frankrijk [...] 114 387 058 FRF [...] bedragen; dat de Commissie zich niettemin de mogelijkheid voorbehoudt om de onder de huidige goedkeuring van de rekeningen gemaakte correcties opnieuw te onderzoeken, indien al naargelang het resultaat van de juridische procedures, blijkt dat bedragen niet langer verschuldigd of niet meer teruggevorderd kunnen worden."
22 Op de datum van de bestreden beschikking had geen van de elf procedures tot een definitief vonnis geleid.
Ten gronde
Argumenten van partijen
23 De Franse regering betwist dat er een passende rechtsgrondslag bestaat om een lidstaat bedragen ten laste te leggen waarvan de overeenkomstig de communautaire en nationale bepalingen op gang gebrachte invordering nog niet is afgerond wegens nationale contentieuze procedures.
24 In de eerste plaats stelt zij dat de extra heffingen weliswaar door de lidstaten worden gestort, maar onder het toezicht van de Commissie vallen in het kader van de haar bij verordening nr. 729/70 verleende bevoegdheden, zodat zij negatieve uitgaven van het EOGFL vormen. De Commissie kan een nog niet ingevorderde extra heffing dan ook enkel ten laste van een lidstaat leggen onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden om een uitgave aan communautaire financiering te onttrekken.
25 Ingevolge artikel 8, lid 2, van verordening nr. 729/70 moeten de overheidsdiensten of organen van de lidstaten de financiële gevolgen van onregelmatigheden of nalatigheden alleen dragen wanneer deze aan hen te wijten zijn. Luidens artikel 8, lid 1, van verordening nr. 729/70 moeten de lidstaten alleen de nodige maatregelen treffen om de verschuldigde bedragen overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen terug te vorderen.
26 De Franse regering betoogt dat de bedragen waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, niet voortkomen uit onregelmatigheden of nalatigheden in de zin van verordening nr. 729/70. De procedures bij de nationale gerechtelijke instanties worden voortgezet om van de kopers betaling van de verschuldigde extra heffingen te verkrijgen.
27 Voorts zijn de lidstaten krachtens de gemeenschapsregeling inzake extra heffingen niet verplicht aan de Gemeenschap bedragen te betalen die nog niet zijn ingevorderd.
28 Luidens artikel 9, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1305/85, en artikel 19 van verordening nr. 1546/88 hoeven de lidstaten alleen ervoor te zorgen, dat de extra heffingen bij de verkopers of de kopers worden geïnd en dat de geïnde bedragen aan de Gemeenschap worden overgemaakt. Wat de te volgen procedure voor de invordering van de extra heffingen betreft, zijn de nationale autoriteiten enkel gehouden dezelfde procedure toe te passen als die welke toepasselijk is op de invordering van schulden van nationale oorsprong. Aan deze verplichting is in casu voldaan.
29 Door een termijn op te leggen voor de invordering van de verschuldigde bedragen (vier jaar na het laatste melkprijsjaar dat onder de oude melkquotaregeling valt) gaat de Commissie ten slotte haar bevoegdheden voor het beheer van het EOGFL te buiten waarover zij beschikt krachtens verordening nr. 729/70, die geen bepalingen bevat die ertoe strekken de lidstaten een dwingende termijn op te leggen. Door haar aanvankelijke praktijk vanaf 1997 te wijzigen, heeft de Commissie bovendien het beginsel van goed bestuur geschonden.
30 De Spaanse regering betoogt eveneens dat een lidstaat tegenover de Gemeenschap verplicht is, met de nodige zorgvuldigheid overeenkomstig zijn nationale recht van de schuldenaars betaling van de extra heffingen te vorderen en deze aan de Commissie over te maken. De Commissie verwart deze twee verplichtingen van de lidstaat en maakt er een derde van, te weten betaling van de heffingen alsof het om een eigen schuld ging. Volgens deze regering is de lidstaat echter niet gehouden de Gemeenschap andere bedragen te betalen dan die welke effectief zijn ingevorderd bij de producenten of de kopers van melk, die de extra heffingen verschuldigd zijn, tenzij bedragen door zijn nalatigheid niet zijn ingevorderd.
31 De Commissie brengt in herinnering, dat de kopers volgens artikel 15, lid 4, van verordening nr. 1546/88 verplicht zijn de eventueel verschuldigde extra heffing binnen drie maanden na afloop van de betrokken periode van twaalf maanden te betalen, en dat volgens artikel 19, lid 1, van deze verordening de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de extra heffing wordt geïnd.
32 De verplichting om voor een snel en doeltreffend invorderingsmechanisme te zorgen, vloeit voort zowel uit de melkquotaregeling, waarin betaling van de extra heffing een sleutelfunctie heeft, als uit de in artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) neergelegde algemene plicht tot samenwerking en loyaliteit. Een heffingstelsel zonder snel en doeltreffend invorderingsmechanisme zou zijn doel (strijden tegen overproductie van melk) voorbijschieten. Gelet op deze bijzondere aard van de extra heffing mogen de lidstaten er geen genoegen mee nemen op de invordering van de extra heffing dezelfde regels toe te passen als die welke zij toepassen voor de invordering van aan de nationale schatkist verschuldigde bedragen. Volgens de Commissie zijn de lidstaten zelf gehouden tot betaling van de extra heffing. Dat een koper volgens een nationale procedure de van hem als extra heffing gevorderde bedragen betwist, heeft dan ook geen invloed op de verplichting van de staat de verschuldigde extra heffing in haar geheel aan de Gemeenschap te betalen.
33 Subsidiair stelt de Commissie vast dat er voldoende gegevens voorhanden zijn om te concluderen, dat de Franse regering niet alle maatregelen heeft genomen die noodzakelijk zijn om te zorgen voor de invordering van de verschuldigde heffing. Dat naar gelang van het betrokken melkprijsjaar meer dan zes tot twaalf jaar na de vervaldatum dergelijke hoge bedragen nog niet zijn geïnd, vormt daarvan reeds het bewijs en toont aan, dat in elk geval eveneens is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van verordening nr. 729/70.
Beoordeling door het Hof
34 Vastgesteld zij, dat uit de artikelen 15, lid 4, en 19 van verordening nr. 1546/88 geen eigen verplichting van de lidstaten tot betaling van de extra heffingen aan de Gemeenschap kan worden afgeleid.
35 Krachtens artikel 15, lid 4, van deze verordening rust enkel op de kopers, en niet op de lidstaten, de verplichting om binnen drie maanden na afloop van elke periode van twaalf maanden aan de bevoegde instantie het bedrag van de eventueel verschuldigde extra heffing over te maken. De verplichtingen van de lidstaten zijn omschreven in artikel 19 van verordening nr. 1546/88, bepalende dat zij de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de extra heffing wordt geïnd.
36 Uit de enkele bewoordingen van artikel 19 van verordening nr. 1546/88 blijkt dat hierin een inspanningsverbintenis en geen resultaatsverbintenis wordt opgelegd.
37 Uit het bij verordening nr. 1546/88 ingevoerde mechanisme blijkt eveneens, dat hoewel de lidstaat gehouden is de door hem geïnde bedragen over te maken aan de Commissie, hij de extra heffing niet zelf verschuldigd is. De communautaire regeling van extra heffingen voorziet er niet in dat de lidstaat als heffingplichtige in de plaats treedt van de koper, wanneer deze volgens de toepasselijke nationale procedures beroep instelt om de van hem als extra heffing gevorderde bedragen te betwisten. Deze vervanging van de koper door de lidstaat als heffingplichtige, ook indien in de tijd beperkt tot de duur van de contentieuze procedures, vereist een voorafgaande wettelijke grondslag die de voorwaarden ervan bepaalt (zie in die zin arrest van 14 juli 1994, Milchwerke Köln/Wuppertal, C-352/92, Jurispr. blz. I-3385, punt 22). Deze wettelijke grondslag ontbreekt in casu evenwel.
38 Bijgevolg zijn de lidstaten overeenkomstig verordening nr. 1546/88 enkel gehouden de geïnde extra heffingen over te maken, zonder dat het bedrag van de extra heffingen een eigen schuld van de lidstaat vormt.
39 Een op de lidstaat rustende verplichting tot betaling aan de Gemeenschap vloeit evenmin voort uit artikel 9, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1305/85. Zowel in de Franse versie als in de meeste andere taalversies van deze verordening wordt alleen gesproken over betaling aan de Gemeenschap van het bedrag van de geïnde" heffingen. Hoewel de Duitse versie alleen het bedrag van de heffing vermeldt, zonder te preciseren dat het om een geïnde heffing gaat, betekent het bestaan van een voor elke lidstaat vastgestelde gegarandeerde totale hoeveelheid - zoals de advocaat-generaal in de punten 70 tot en met 73 van zijn conclusie terecht opmerkt - niet noodzakelijkerwijs dat de lidstaat een eigen betalingsplicht heeft wanneer deze totale hoeveelheid wordt overschreden.
40 Aangaande het subsidiaire argument van de Commissie, inzake artikel 8 van verordening nr. 729/90, zij eraan herinnerd, dat volgens de rechtspraak van het Hof de lidstaten in de eerste plaats de algemene zorgvuldigheidsplicht in de zin van artikel 5 van het Verdrag moeten eerbiedigen zoals deze met betrekking tot de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid nader is omschreven in artikel 8, leden 1 en 2, van verordening nr. 729/70. Deze verplichting houdt in, dat de lidstaten de maatregelen moeten nemen waarmee onmiddellijk een eind kan worden gemaakt aan onregelmatigheden (arrest van 21 januari 1999, Duitsland/Commissie, C-54/95, Jurispr. blz. I-35, punt 177).
41 De Commissie dient evenwel elke beschikking waarin zij nalatigheden vaststelt die aan de betrokken lidstaat kunnen worden toegeschreven, met redenen te omkleden (zie in die zin arrest van 12 juni 1990, Duitsland/Commissie, C-8/88, Jurispr. blz. I-2321, punt 23).
42 Om aan dit vereiste te voldoen, hoeft de Commissie enkel gegevens voor te leggen die ernstige en redelijke twijfel doen rijzen. In casu evenwel kan de stelling van de Commissie, dat de lange duur van de verstreken termijnen op zich volstaat om nalatigheid van de lidstaat vast te stellen, niet worden aanvaard. De Commissie heeft immers niet met concrete voorbeelden aangetoond, in welk opzicht de lange duur van de procedures kan worden toegeschreven aan de Franse autoriteiten. Blijkens het dossier heeft de Commissie in haar brief nr. VI/48419 van 21 december 1995 betreffende de goedkeuring van de rekeningen van de begrotingsjaren 1992 en 1993, waarin zij de Franse autoriteiten haar opmerkingen naar aanleiding van de controlebezoeken van haar diensten aan Franse melkbedrijven in 1994 en in 1995 meedeelde, juist erkend dat de Franse autoriteiten voor alle ingediende dossiers de nodige invorderingsprocedures hebben ingeleid". Zelfs al verweet de Commissie verzoekster in die brief op algemene en abstracte wijze traagheid en lange termijnen, zij heeft het Hof hierover geen duidelijkheid verschaft. Bovendien heeft de Commissie niet vermeld in welke mate de beweerde onregelmatigheden of nalatigheden die aan de Franse autoriteiten kunnen worden toegeschreven, de in het algemeen toegepaste negatieve correcties" zouden rechtvaardigen.
43 De oplegging van een termijn kan ten slotte niet goedmaken, dat er geen rechtsgrondslag voor de correcties bestaat. De lidstaten zijn enkel gehouden, de extra heffingen met de nodige zorgvuldigheid in te vorderen en deze aan de Gemeenschap over te maken.
44 Gelet op een en ander moet het beroep van de Franse Republiek gegrond worden verklaard en moet de bestreden beschikking bijgevolg nietig worden verklaard voorzover hierin op de Franse Republiek negatieve correcties" worden toegepast met betrekking tot de extra heffingen op melk, die overeenstemmen met bedragen waarvan de invordering aan de orde is in gedingen die op de datum van deze beschikking bij de bevoegde nationale gerechtelijke instanties aanhangig zijn.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
45 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover zulks is gevorderd. De Franse Republiek heeft niet geconcludeerd tot verwijzing van de Commissie in de kosten. Hoewel de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient bijgevolg elke partij haar eigen kosten te dragen.
46 Overeenkomstig artikel 69, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering zal het Koninkrijk Spanje zijn eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig beschikking 98/358/EG van de Commissie van 6 mei 1998 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1994 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven, voorzover hierin op de Franse Republiek negatieve correcties" worden toegepast met betrekking tot de extra heffingen op melk, die overeenstemmen met bedragen waarvan de invordering aan de orde is in gedingen die op de datum van deze beschikking bij de bevoegde nationale gerechtelijke instanties aanhangig zijn.
2) Verstaat dat de Franse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen elk hun eigen kosten zullen dragen.
3) Verstaat dat het Koninkrijk Spanje zijn eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy