Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Hogere voorziening - Middelen - Verkeerde beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Afwijzing - Juridische kwalificatie van feiten - Ontvankelijkheid
[EG-Verdrag, art. 168 A (thans art. 225 EG); 's Hofs Statuut-EG, art. 51, eerste alinea]
2. Ambtenaren - Verlof om redenen van persoonlijke aard - Verstrijken - Herplaatsing - Verplichting van administratie - Draagwijdte
(Ambtenarenstatuut, art. 40, lid 4, sub d)
3. Ambtenaren - Beroep tot schadevergoeding - Verlof om redenen van persoonlijke aard - Verstrijken - Herplaatsing - Verzuim - Schade - Raming
(Ambtenarenstatuut, art. 40, lid 4, sub d)
Samenvatting
1. Volgens artikel 168 A van het Verdrag (thans artikel 225 EG) en artikel 51 van 's Hofs Statuut is de hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen en moet zij zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.
Een hogere voorziening kan slechts worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van elke beoordeling van de feiten. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof evenwel ingevolge artikel 168 A van het Verdrag bevoegd om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en daaraan rechtsgevolgen heeft verbonden.
( cf. punten 30-31 )
2. De verplichting om een ambtenaar wiens verlof om redenen van persoonlijke aard is afgelopen, bij de eerste gelegenheid te herplaatsen, is van geen enkele andere voorwaarde afhankelijk dan die welke voortvloeit uit artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut, te weten de vacature van een ambt waarvoor de ambtenaar de vereiste geschiktheid bezit. Herplaatsing is niet afhankelijk van enige andere voorwaarde, zoals de omstandigheid dat de betrokken ambtenaar belangstelling heeft getoond of tijdens zijn verlof beroepswerkzaamheden uitoefent.
( cf. punt 35 )
3. Ter zake van niet-contractuele aansprakelijkheid dient de gelaedeerde zich redelijke inspanningen te getroosten om de omvang van de schade te beperken.
Zo moet bij de vaststelling van de schade die is geleden door een ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard die niet is herplaatst bij de eerste vacature van een ambt waarvoor hij de vereiste geschiktheid bezat, deze ambtenaar worden geacht als enige verantwoordelijk te zijn voor de schade die hij heeft geleden tussen de datum van ontvangst van het aanbod dat zijn onmiddellijke herplaatsing in een ambt voorstelt, en die van de aanvaarding ervan. Door als einddatum van de voor de berekening van de geleden schade in aanmerking genomen periode de datum van aanvaarding van het aanbod van het ambt te nemen, zou worden aanvaard dat een ambtenaar door zijn stilzitten de door hem geleden schade kan vergroten terwijl de onrechtmatig handelende instelling alle noodzakelijke en ter zake dienende maatregelen heeft getroffen om de schade die uit haar schending van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut voortvloeit, te beperken.
( cf. punten 56-57 )
Partijen
In zaak C-284/98 P,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. L. R. Quintana en E. Waldherr, leden van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Kirchberg,
rekwirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 26 mei 1998, Bieber/Parlement (T-205/96, JurAmbt. blz. I-A-231 en II-723), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
R. Bieber, voormalig ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Lausanne (Zwitserland), vertegenwoordigd door G. Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij de Fiduciaire Myson SARL, Rue de Cessange 30,
verzoeker in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen (rapporteur), kamerpresident, G. Hirsch en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 september 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 24 juli 1998 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft het Europees Parlement krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 26 mei 1998, Bieber/Parlement (T-205/96, JurAmbt. blz. I-A-231 en II-723; hierna: bestreden arrest"), voor zover het Gerecht het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van het door Bieber op 18 oktober 1995 ingediende verzoek om herplaatsing en schadevergoeding nietig heeft verklaard, en het Parlement ertoe heeft veroordeeld, deze laatste de materiële schade te vergoeden die hij wegens zijn niet-herplaatsing had geleden.
2 De aan het geding ten grondslag liggende feiten zijn in het bestreden arrest uiteengezet als volgt:
2 Verzoeker, die in 1971 als ambtenaar bij het secretariaat-generaal in dienst van het Europees Parlement was getreden, werd in 1981 aangesteld als afdelingshoofd in de rang A 3 en in 1986 als adviseur bij de juridische dienst.
3 In een onder meer aan de directeuren-generaal en de juridisch adviseur gerichte nota van 1 maart 1987 beklemtoonde de secretaris-generaal van het Parlement, dat herplaatsing voorrang had boven elke andere vorm van voorziening in een ambt wanneer de te herplaatsen ambtenaar de voor het betrokken ambt vereiste geschiktheid bezat.
4 Bij besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: ,TABG) van 26 september 1991 werd aan verzoeker voor de periode van 15 november 1991 tot 15 juli 1992 verlof om redenen van persoonlijke aard verleend. Dit verlof werd vervolgens bij verschillende besluiten verlengd, voor het laatst tot 15 november 1994.
5 Gedurende de periode van verlof om redenen van persoonlijke aard doceerde verzoeker als hoogleraar Europees recht aan de universiteit van Lausanne.
6 Na het overlijden van de juridisch adviseur van het Parlement, J. Campinos, deelde verzoeker de voorzitter van het Parlement bij brief van 4 augustus 1993 mee, dat hij, in voorkomend geval, gedurende zijn verlof om redenen van persoonlijke aard ter beschikking van deze instelling stond.
7 Daar hij sinds het verstrijken van de periode van verlof om redenen van persoonlijke aard geen aanbod tot herplaatsing had ontvangen, verzocht hij de directeur-generaal Personeel en financiën bij brief van 21 februari 1995 en de secretaris-generaal van het Parlement bij brief van 21 maart 1995, na te gaan, wat de mogelijkheden waren om hem, bij voorkeur met ingang van 15 juni 1995, bij de diensten van het Parlement te herplaatsen.
8 Op 18 oktober 1995 diende verzoeker krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut een verzoek om herplaatsing in, alsmede een verzoek om vergoeding van de schade die hij had geleden doordat hij niet was herplaatst.
9 Bij brief van 7 december 1995 deelde de secretaris-generaal van het Europees Parlement verzoeker mee, dat hij van plan was herplaatsing voor te stellen in het ambt van afdelingshoofd belast met het secretariaat van de Commissie institutionele zaken. In die brief verduidelijkte hij, dat hij slechts bereid was dit voorstel in te dienen wanneer aan drie voorwaarden werd voldaan: i) de herplaatsing moest uiterlijk op 1 januari 1996 plaatsvinden; ii) verzoeker mocht geen enkele verplichting buiten de instelling hebben; iii) verzoeker mocht ,op korte of langere termijn na zijn herplaatsing de voorgestelde functie of een vergelijkbare functie bij het secretariaat-generaal niet neerleggen.
10 Bij brief van 11 december 1995 en tijdens een onderhoud met de secretaris-generaal van het Parlement op 13 december 1995 verklaarde verzoeker om te beginnen dat hij dit voorstel niet wilde verwerpen, maar maakte hij bezwaar tegen de daaraan verbonden voorwaarden. Na dit onderhoud besloten de secretaris-generaal en verzoeker eenstemmig om geen vervolg te geven aan de brief van 7 december 1995 en verklaarden zij, dat verzoeker het recht behield om een aanbod in de zin van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut te weigeren, zonder zijn recht op herplaatsing te verliezen.
11 Bij brief van 21 februari 1996 stelde de secretaris-generaal verzoeker als eerste aanbod herplaatsing voor in een ambt van adviseur in de rang A 3 bij de directeur die bij het directoraat-generaal Studies met politieke zaken was belast.
12 Op 8 maart 1996 aanvaardde verzoeker het aangeboden ambt en verzocht hij, dat de modaliteiten van de hervatting van zijn werkzaamheden en inzonderheid de datum van zijn indiensttreding in onderling overleg werden vastgesteld.
13 Bij besluit van het TABG van 19 april 1996 werd verzoeker met ingang van 1 juni 1996 in dat ambt herplaatst in de rang A 3, salaristrap 6.
14 Bij brief van 22 april 1996 verzocht het hoofd van de afdeling Personeel bij het directoraat-generaal Personeel, begroting en financiën van het Parlement verzoeker, zich op maandag 3 juni 1996 bij het Parlement te melden teneinde zijn werkzaamheden te hervatten.
15 Op 10 mei 1996 diende verzoeker een klacht in tegen het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding van 18 oktober 1995.
16 Op 13 september 1996 deelde de voorzitter van het Europees Parlement verzoeker mee, dat zijn klacht was afgewezen.
17 Op 9 oktober 1996 diende verzoeker een verzoek om afvloeiing in, waarbij hij specificeerde, dat hij zijn dienst definitief wilde beëindigen op 1 februari 1997.
18 Bij brief van 2 december 1996 herhaalde verzoeker zijn verzoek om afvloeiing en verzocht hij, subsidiair, krachtens artikel 52 van het Statuut vervroegd te worden gepensioneerd.
19 Bij niet-gedateerd besluit van verweerder werd verzoeker op 1 april 1997 vervroegd gepensioneerd en werd hem met onmiddellijke ingang een ouderdomspensioen toegekend."
3 Artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Statuut") luidt als volgt:
na het verstrijken van het verlof om redenen van persoonlijke aard moet de ambtenaar bij de eerste vacature worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt, mits hij de voor dit ambt vereiste geschiktheid bezit. Indien hij het hem aangeboden ambt weigert, behoudt hij, onder dezelfde voorwaarde, het recht om bij de tweede vacature te worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt; indien hij ten tweeden male weigert, kan hij, nadat de Paritaire Commissie is geraadpleegd, ambtshalve worden ontslagen. Tot de datum van zijn daadwerkelijke herplaatsing blijft de ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard zonder bezoldiging."
4 In die omstandigheden heeft Bieber bij op 12 december 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift beroep ingesteld tot, enerzijds, nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 13 september 1996 houdende afwijzing van zijn klacht tegen het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn verzoek van 18 oktober 1995 om vergoeding van de schade die uit zijn niet-herplaatsing was voortgevloeid, en, anderzijds, veroordeling van het Parlement tot vergoeding van de als gevolg van zijn niet-herplaatsing geleden materiële schade.
Het bestreden arrest
5 Wat in de eerste plaats de vordering tot nietigverklaring betreft, verweet Bieber het Parlement met zijn enige middel, te weten schending van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut, dat het had verzuimd hem bij de eerste vacature te herplaatsen en dat het had geweigerd de uit dat verzuim voortgevloeide materiële schade te vergoeden.
6 Het Parlement stelde, dat volgens de rechtspraak van het Hof (arrest van 27 oktober 1977, Giry/Commissie, 126/75, 34/76 en 92/76, Jurispr. blz. 1937) de administratie niet verplicht is, een ambtenaar wiens verlof om redenen van persoonlijke aard is afgelopen, bij de eerste vacature te herplaatsen, wanneer de houding van de betrokken ambtenaar twijfel kan doen rijzen omtrent diens voornemen om zich ter beschikking van de instelling te stellen. In casu had de houding van Bieber de administratie tot de overtuiging gebracht, dat hij in feite niet echt herplaatst wilde worden.
7 Het Parlement voerde een aantal argumenten aan voor zijn stelling, dat verzoeker niet echt wilde worden herplaatst.
8 Dienaangaande overwoog het Gerecht om te beginnen in punt 36 van het bestreden arrest, dat volgens de tekst van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut de op de administratie rustende verplichting tot herplaatsing van de ambtenaar wiens verlof om redenen van persoonlijke aard is afgelopen, van geen enkele andere voorwaarde afhankelijk is dan die van de vacature van een ambt waarvoor die ambtenaar de vereiste geschiktheid bezit. Vervolgens overwoog het in punt 37 van dat arrest, dat naast die voorwaarde herplaatsing niet afhankelijk is van enig ander element, zoals de omstandigheid dat de betrokken ambtenaar belangstelling heeft getoond voor de herplaatsing, en dat ter zake van herplaatsing de beoordelingsvrijheid van de betrokken instanties enkel de geschiktheid van de te herplaatsten ambtenaar betrof en zich niet uitstrekte tot de opportuniteit van de herplaatsing.
9 In punt 39 voegde het Gerecht hieraan toe, dat zelfs al twijfelde het Parlement eraan, of Bieber echt wilde worden herplaatst, de instelling de ambtenaar toch het eerste vacante ambt moest aanbieden waarvoor deze de vereiste geschiktheid bezat. Het stond de ambtenaar dan vrij het ambt te weigeren, wanneer hij niet wenste te worden herplaatst. In punt 41 van het bestreden arrest stelde het Gerecht vast, dat het Parlement had toegegeven, dat er op 1 januari 1995 een ambt vacant was waarvoor Bieber de vereiste geschiktheid bezat.
10 In punt 42 wees het Gerecht de argumenten van de hand die het Parlement had aangevoerd voor zijn stelling, dat Bieber niet echt wilde worden herplaatst en dat het in die omstandigheden niet was verplicht, hem bij de eerste gelegenheid te herplaatsen. Het Gerecht overwoog in de eerste plaats, dat het Parlement zich beriep op feiten van na 21 februari 1996 en dat, aangezien het TABG daarvan vóór die datum geen kennis had kunnen hebben, die gegevens niet bepalend hadden kunnen zijn voor zijn handelwijze of verplichtingen vóór die datum. In de tweede plaats was het Gerecht van oordeel, dat het feit dat het Parlement Bieber had herplaatst zonder aan te geven welke factoren op een wilsverandering bij laatstgenoemde duidden, de geloofwaardigheid aantastte van de overige argumenten die het Parlement had aangevoerd voor zijn stelling, dat Bieber zich niet echt ter beschikking van de instelling wilde stellen.
11 Gelet op een en ander oordeelde het Gerecht in punt 43 van het bestreden arrest, dat het feit dat het op 1 januari 1995 vacante ambt niet aan Bieber was aangeboden, een schending van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut opleverde, en dat het bestreden besluit om die reden nietig moest worden verklaard.
12 Wat in de tweede plaats de vordering tot schadevergoeding betreft, stelde Bieber, dat de voor de berekening van de gestelde schade in aanmerking te nemen periode zich moest uitstrekken van 16 november 1994, de datum waarop hij had moeten worden herplaatst, tot 1 juni 1996, toen hij daadwerkelijk werd herplaatst.
13 Het Parlement betoogde, dat ingeval het Gerecht zou concluderen dat de administratie onwettig had gehandeld, voor de vaststelling van de voor de berekening van de gestelde schade in aanmerking te nemen periode moest worden nagegaan, of de houding van Bieber niet had bijgedragen tot een verdere vertraging van zijn herplaatsing. Volgens het Parlement mocht de betrokken periode niet ingaan vóór 15 juni 1995, de datum waarop Bieber wenste te worden herplaatst, en niet langer duren dan 13 december 1995, de datum waarop Bieber de inhoud van de brief van de secretaris-generaal van het Parlement van 7 december 1995 had afgekeurd.
14 Subsidiair stelde het Parlement, dat de periode niet vóór 1 januari 1995 mocht beginnen, aangezien de vacature van het eerste ambt waarin Bieber had kunnen worden herplaatst, pas vanaf 4 december 1994 op het mededelingenbord bekend was gemaakt.
15 Dienaangaande bracht het Gerecht in punt 48 van het bestreden arrest om te beginnen in herinnering, dat volgens vaste rechtspraak voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap is vereist, dat de verzoekende partij aantoont, dat het aan het gemeenschapsorgaan verweten gedrag onwettig is, dat er werkelijk schade is geleden, en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen dat gedrag en de gestelde schade (arresten Gerecht van 9 februari 1994, Latham/Commissie, T-3/92, JurAmbt. blz. II-83, punt 63, en 15 februari 1996, Ryan-Sheridan/ESVLA, T-589/93, JurAmbt. blz. II-77, punt 141).
16 Vervolgens herhaalde het Gerecht in punt 49, dat het Parlement onwettig had gehandeld door Bieber niet te herplaatsen in het eerste vacante ambt waarvoor hij de vereiste geschiktheid bezat. Een dergelijke onwettigheid vormde een fout die Bieber schade had berokkend, waarvoor deze vergoeding mocht vragen.
17 Ten slotte wees het Gerecht er in punt 50 op, dat volgens de rechtspraak de vergoeding waarop de ambtenaar recht heeft wegens inkomstenderving als gevolg van tardieve herplaatsing, in beginsel gelijk is aan de nettobezoldiging die hij zou hebben ontvangen, onder aftrek van de nettoberoepsinkomsten die hij gedurende dezelfde periode in de uitoefening van andere werkzaamheden heeft verworven (arresten Hof van 1 juli 1976, Sergy/Commissie, 58/75, Jurispr. blz. 1139, punt 40, en 5 mei 1983, Pizziolo/Commissie, 785/79, Jurispr. blz. 1343, punt 12).
18 Daarna stelde het Gerecht de periode vast die in aanmerking moest worden genomen voor de berekening van de schadevergoeding ter compensatie van de gestelde inkomstenderving. In punt 57 van het bestreden arrest koos het om de volgende redenen 1 januari 1995 als begindatum van die periode:
53 In zijn brieven van 21 februari en 21 maart 1995 heeft verzoeker verweerder alleen verzocht, na te gaan, wat de mogelijkheden waren om hem, bij voorkeur met ingang van 15 juni 1995, bij de diensten van het Parlement te herplaatsen. Het feit alleen dat een dergelijke voorkeur wordt getoond, kan niet als oorzaak of medeoorzaak worden beschouwd van de schade die is geleden tussen de datum van de eerste vacature van een ambt waarvoor verzoeker de vereiste geschiktheid bezat (1 januari 1995) en 15 juni 1995.
54 Uit verweerders antwoorden op de schriftelijke en ter terechtzitting gestelde vragen van het Gerecht blijkt, dat de betrokkene niet is herplaatst in post nr. 2948 op 1 januari 1995, noch in post nr. 1936, die nochtans werd bezet op 1 juni 1995, een tijdstip dicht bij dat waarop verzoeker had willen worden herplaatst (...) Verzoeker werd in feite pas meer dan een jaar later herplaatst.
55 Voorts werd die voorkeur pas getoond vanaf 21 februari 1995. Hieruit kan niet worden afgeleid, dat verzoeker er bij de eerste vacature (1 januari 1995) eveneens de voorkeur aan zou hebben gegeven op 15 juni 1995 te worden herplaatst, of dat hij zich niet vóór 15 juni 1995 ter beschikking van de instelling had kunnen stellen.
56 Uit een en ander volgt, dat de door verzoeker geleden schade is veroorzaakt doordat hem geen ambt met het oog op zijn herplaatsing is aangeboden, ofschoon een passend ambt vacant was."
19 In punt 63 van het bestreden arrest bepaalde het Gerecht de einddatum van de bedoelde periode op 8 maart 1996, de datum waarop Bieber het door de secretaris-generaal van het Parlement bij brief van 21 februari 1996 voorgestelde ambt aanvaardde. Op dit punt volgde het Gerecht dus geen van beide partijen bij het geding in hun standpunt.
20 Het Gerecht overwoog namelijk in de punten 59 en 60, dat 13 december 1995, de datum waarop Bieber de inhoud van de brief van de secretaris-generaal van het Parlement van 7 december 1995 zou hebben afgekeurd, niet als einde van de periode in aanmerking kon worden genomen, omdat die brief tot doel had een eventueel aanbod van een ambt voor te bereiden en derhalve geen aanbod van een ambt in de zin van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut was, en die brief door partijen niet als een eerste aanbod van een ambt in de zin van die bepaling was beschouwd.
21 Voorts overwoog het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest, dat aangezien Bieber erin had toegestemd, zijn herplaatsing tot 1 juni 1996 uit te stellen en dus van 8 maart tot 1 juni 1996 met verlof om redenen van persoonlijke aard te blijven, hij niet kan volhouden schade te hebben geleden vanaf 8 maart 1996.
22 In die omstandigheden verklaarde het Gerecht, rechtdoende:
1) Verklaart nietig het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van het door verzoeker op 18 oktober 1995 ingediende verzoek om herplaatsing en schadevergoeding.
2) Veroordeelt het Parlement ertoe, verzoeker de materiële schade te vergoeden die hij heeft geleden doordat hij op 1 januari 1995 niet in de rang A 3, salaristrap 6, is herplaatst in het ambt van juridisch adviseur bij het Parlement dat het onderwerp is geweest van kennisgeving van vacature nr. 7580 van 5 december 1994.
3) Verstaat, dat het bedrag dat aan verzoeker moet worden betaald ter compensatie van zijn verlies aan beroepsinkomsten gelijk is aan het verschil tussen de nettobezoldiging die hij tussen 1 januari 1995 en 8 maart 1996 zou hebben ontvangen, en het totale bedrag van de nettoberoepsinkomsten die hij in de uitoefening van andere werkzaamheden heeft verworven.
4) Verstaat, dat dit bedrag zal worden vermeerderd met het bedrag dat overeenkomt met het verlies voortvloeiend uit het ontbreken van automatische salaristrapverhoging.
5) Verstaat, dat het totaal van de in de punten 3 en 4 hierboven genoemde bedragen zal worden vermeerderd met rente op de voet van 4,5 % per jaar vanaf 12 december 1996 tot op de datum van de betaling ervan aan verzoeker.
6) Veroordeelt het Parlement ertoe, verzoekers pensioenrechten te herstellen teneinde het verschil te vergoeden tussen de pensioenrechten die hem hadden moeten worden toegekend indien hij per 1 januari 1995 was herplaatst, en die welke hem daadwerkelijk zijn toegekend.
7) Verstaat, dat over de uit hoofde van punt 6 hierboven verschuldigde bedragen vanaf de opeisbaarheid ervan rente op de voet van 4,5 % is verschuldigd.
8) Alvorens recht te doen over het bedrag van de door verweerder aan verzoeker verschuldigde schadevergoeding: a) gelast partijen om het Gerecht binnen drie maanden na de uitspraak van dit arrest hun akkoord over te leggen over, ten eerste, het in cijfers uitgedrukte bedrag van de aldus aan verzoeker verschuldigde schadevergoeding en, ten tweede, het herstel van zijn pensioenrechten en de rente daarover; b) gelast partijen om, bij gebreke van een dergelijk akkoord, het Gerecht binnen dezelfde termijn hun in cijfers uitgedrukte vorderingen voor te leggen met nauwkeurige vermelding van de redenen waarom zij het voorstel van de wederpartij niet aanvaarden."
De hogere voorziening
23 In zijn hogere voorziening concludeert het Parlement dat het den Hove behage:
- primair, het bestreden arrest te vernietigen;
- subsidiair, de punten 2, 3 en 6 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen teneinde de periode waarvoor het Parlement is veroordeeld om Bieber te vergoeden, te verkorten en die periode vast te stellen van 15 juni 1995 tot 13 december 1995;
- in elk geval over de kosten te beslissen overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Reglement voor de procesvoering.
24 Bieber concludeert dat het den Hove behage:
- primair, de hogere voorziening af te wijzen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid;
- subsidiair, de hogere voorziening ongegrond te verklaren wat beide middelen ervan betreft;
- het Parlement in alle kosten te verwijzen.
25 Het Parlement voert twee middelen aan tot staving van zijn hogere voorziening: in de eerste plaats verkeerde uitlegging van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut en in de tweede plaats onjuiste rechtsopvattingen bij de vaststelling van de periode die in aanmerking is genomen voor de berekening van de schade die Bieber stelt te hebben geleden.
Het eerste middel
26 In zijn eerste middel verwijt het Parlement het Gerecht in wezen, blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 36 en 37 van het bestreden arrest aan artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut een letterlijke uitlegging te geven die in strijd is met de rechtspraak van het Hof betreffende die bepaling en in het bijzonder met bovengenoemd arrest Giry/Commissie.
27 Zijns inziens volgt uit bovengenoemd arrest Giry/Commissie immers duidelijk, dat een instelling niet verplicht is, een ambtenaar bij de eerste gelegenheid te herplaatsen, zolang diens houding twijfel doet rijzen omtrent zijn voornemen om zich ter beschikking van die instelling te stellen.
28 Voorts zou die door het Gerecht gegeven uitlegging ten grondslag liggen aan de onjuiste en onvolledige beoordeling van de feiten die het Gerecht in de punten 40 en 42 van het bestreden arrest heeft verricht, en aan de onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht in punt 39 blijk heeft gegeven door eraan voorbij te gaan, dat het antwoord op de vraag of een vacante post in een administratie wordt bezet, wordt bepaald door de vereisten van de openbare dienst, en niet door de persoonlijke wensen van de ambtenaar (arrest van 5 juni 1980, Belfiore/Commissie, 108/79, Jurispr. blz. 1769).
29 Bieber stelt, dat dit middel niet-ontvankelijk is, aangezien het Parlement enkel beoogt, de feiten andermaal te laten onderzoeken.
30 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 168 A EG-Verdrag (thans artikel 225 EG) en artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG de hogere voorziening is beperkt tot rechtsvragen en moet zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht (zie, onder meer, arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 47, en 28 mei 1998, Deere/Commissie, C-7/95 P, Jurispr. blz. I-3111, punt 18).
31 Uit bovengenoemde bepalingen volgt ook, dat een hogere voorziening slechts kan worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof evenwel ingevolge artikel 168 A van het Verdrag bevoegd, toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en daaraan rechtsgevolgen heeft verbonden (zie, onder meer, arresten Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., punten 48 en 49, en Deere/Commissie, punt 21, beide reeds aangehaald).
32 Bijgevolg is de uitlegging van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut, die een rechtsvraag vormt, vatbaar voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening.
33 Derhalve moet het eerste middel ontvankelijk worden verklaard.
34 Wat de door het Gerecht in de punten 36 en 37 van het bestreden arrest gegeven uitlegging van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut betreft, volgt om te beginnen uit de rechtspraak van het Hof, dat een instelling weliswaar over enige vrijheid beschikt bij de beoordeling van de geschiktheid van de ambtenaar om een vacante post te bezetten, doch dat het verzuim van een instelling om een ambtenaar te herplaatsen hoewel zich kort na het verstrijken van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard een voor hem geschikte vacature heeft voorgedaan, een schending van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut oplevert (arrest Sergy/Commissie, reeds aangehaald, punten 13-15). Dat een ambtenaar heeft verzuimd de aandacht van de instelling te vestigen op de omstandigheid dat zijn herplaatsing niet binnen normale tijd tot stand kwam, speelt geen rol bij het bepalen van de datum waarop de instelling gevolg had moeten geven aan artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut (zie arrest Sergy/Commissie, reeds aangehaald, punten 20 en 21).
35 In die omstandigheden moet worden vastgesteld, dat het Gerecht niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 36 en 37 van het bestreden arrest te oordelen, dat de verplichting om een ambtenaar wiens verlof om redenen van persoonlijke aard is afgelopen, bij de eerste gelegenheid te herplaatsen, van geen enkele andere voorwaarde afhankelijk is dan die welke uit de betrokken bepaling voortvloeit, te weten de vacature van een ambt waarvoor de ambtenaar de vereiste geschiktheid bezit, en dat herplaatsing niet afhankelijk is van enig ander element, zoals dat de omstandigheid dat de betrokken ambtenaar belangstelling heeft getoond of tijdens zijn verlof beroepswerkzaamheden uitoefent.
36 Voorts heeft het Hof in de punten 6 tot en met 10 van bovengenoemd arrest Giry/Commissie geoordeeld, dat gezien de feiten van die zaak, te weten dat de ambtenaar had vastgehouden aan een schriftelijk verzoek om definitieve beëindiging van zijn dienst dat hij vóór het verstrijken van zijn verlof had ingediend en tegen de afwijzing waarvan hij eerst een administratieve klacht had ingediend en later beroep bij het Hof had ingesteld, bij een instelling twijfel kon rijzen omtrent de werkelijke wil van de ambtenaar om zich ter beschikking van die instelling te stellen, en dat eerst vanaf het tijdstip waarop die twijfel definitief was weggenomen, voor de instelling zekerheid ontstond omtrent haar verplichting om de ambtenaar bij de eerste gelegenheid te herplaatsen.
37 De feiten van de onderhavige zaak, zoals die door het Gerecht zijn vastgesteld, verschillen evenwel aanzienlijk van die van bovengenoemde zaak Giry/Commissie, aangezien er hier geen sprake is van een schriftelijk verzoek van Bieber om definitieve beëindiging van zijn dienst noch van een klacht of beroep van Bieber tegen een eventuele stilzwijgende afwijzing van een dergelijk verzoek.
38 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld, dat het Gerecht bij de uitlegging van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
39 Derhalve moet het eerste middel ongegrond worden verklaard, zonder dat de overige in het kader van dat middel aangevoerde argumenten behoeven te worden onderzocht.
Het tweede middel
40 Met zijn tweede middel verwijt het Parlement het Gerecht, bij de vaststelling van de voor de berekening van de gestelde schade in aanmerking te nemen periode op verschillende punten blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dit middel bestaat uit drie onderdelen.
Het eerste onderdeel van het tweede middel
41 In het eerste onderdeel van dit middel verwijt het Parlement het Gerecht, dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de vaststelling van het begin van de periode die in aanmerking is genomen voor de berekening van de door Bieber beweerdelijk geleden schade, geen rekening te hebben gehouden met het fundamentele beginsel, dat ter zake van niet-contractuele aansprakelijkheid de gelaedeerde alle passende en billijke maatregelen moet treffen om de omvang van de schade zoveel mogelijk te beperken. In casu zou Bieber, met name wegens zijn brieven van 21 februari en 21 maart 1995, waarin hij het Parlement verzocht, na te gaan, wat de mogelijkheden waren om hem, bij voorkeur met ingang van 15 juni 1995, te herplaatsen, medeverantwoordelijk zijn voor de schade die hij als gevolg van zijn tardieve herplaatsing zou hebben geleden.
42 Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling, dat het Gerecht in de punten 53, 55 en 56 van het bestreden arrest genoegzaam heeft aangetoond, waarom dit argument volledig ongegrond is.
43 In punt 53 van het bestreden arrest verklaarde het Gerecht namelijk, dat Bieber in zijn brieven van 21 februari en 21 maart 1995 alleen zijn voorkeur had getoond voor herplaatsing met ingang van 15 juni 1995, en dat het feit dat een dergelijke voorkeur wordt getoond, niet als oorzaak of medeoorzaak kan worden beschouwd van de schade die Bieber heeft geleden tussen 1 januari 1995, de datum van de eerste vacature van een ambt waarvoor hij de vereiste geschiktheid bezat, en 15 juni 1995.
44 In punt 55 verklaarde het Gerecht voorts, dat uit het feit dat Bieber op 21 februari 1995 een dergelijke voorkeur had getoond, niet kan worden afgeleid, dat hij er op 1 januari 1995 eveneens de voorkeur aan zou hebben gegeven op 15 juni 1995 te worden herplaatst, of dat hij zich niet vóór 15 juni 1995 ter beschikking van de instelling had kunnen stellen.
45 Om die reden oordeelde het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest, dat de door Bieber geleden schade uitsluitend was veroorzaakt doordat hem geen ambt met het oog op zijn herplaatsing was aangeboden, ofschoon een passend ambt vacant was.
46 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.
Het tweede onderdeel van het tweede middel
47 In het tweede onderdeel van dit middel stelt het Parlement, dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 59 en 60 van het bestreden arrest te overwegen, dat de brief van de secretaris-generaal van het Parlement van 7 december 1995 niet als een aanbod van een ambt in de zin van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut kan worden aangemerkt. Wat de kwalificatie van die brief betreft, betoogt het Parlement, dat de brief voldoende nauwkeurig was om als aanbod van een ambt te kunnen worden beschouwd, dat Bieber die brief als een aanbod van een ambt in de zin van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut had opgevat, en dat aan het feit dat partijen geen rekening hebben gehouden met die brief, geen argument kan worden ontleend om hem niet als aanbod van een ambt in de zin van bovengenoemde bepaling aan te merken, omdat Bieber de mogelijkheid had het aanbod te aanvaarden.
48 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat het Gerecht, door in punt 59 van het bestreden arrest te verklaren, dat de brief van 7 december 1995, gelet op de inhoud ervan, namelijk de verklaring van de secretaris-generaal van het Parlement dat hij van plan was herplaatsing van Bieber in het ambt van afdelingshoofd voor te stellen, doch dat dit voorstel slechts onder bepaalde voorwaarden kon worden gedaan en dat Bieber hem tevoren moest laten weten, of hij bereid was zich aan die voorwaarden te houden, alleen tot doel had een eventueel aanbod van een ambt voor te bereiden, een beoordeling van de feiten heeft gegeven tot de toetsing waarvan het Hof om de in punt 31 van dit arrest genoemde redenen niet bevoegd is.
49 Het Parlement kritiseert evenwel in wezen de juridische kwalificatie van de feiten door het Gerecht in punt 59 van het bestreden arrest. Aangezien het een rechtsvraag betreft, is het tweede onderdeel van het tweede middel ontvankelijk.
50 Vastgesteld zij evenwel, dat het Gerecht, door in punt 59 van het bestreden arrest te oordelen, dat de brief van de secretaris-generaal van het Parlement van 7 december 1995 niet als een aanbod van een ambt in de zin van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut kan worden aangemerkt, alleen een rechtsgevolg heeft verbonden aan zijn soeverein oordeel over de feiten, volgens hetwelk die brief tot doel had een eventueel aanbod van een ambt voor te bereiden, en bij de juridische kwalificatie van die brief niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
51 In die omstandigheden moet het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard.
Het derde onderdeel van het tweede middel
52 In het derde onderdeel van dit middel verwijt het Parlement het Gerecht, dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 63 van het bestreden arrest als einddatum van de voor de berekening van de gestelde schade in aanmerking te nemen periode 8 maart 1996 te nemen, toen Bieber het aanbod van het ambt aanvaardde, en niet 21 februari 1996, toen dit ambt aan Bieber werd aangeboden. De door het Gerecht gekozen oplossing zou geen rekening houden met het feit, dat Bieber heeft bijgedragen aan het intreden van de door hem gestelde schade door meer dan twee weken te laten verstrijken alvorens op het aanbod van het ambt te reageren.
53 Volgens Bieber mag 21 februari 1996, de datum waarop het aanbod van het ambt werd verstuurd, niet als einddatum van de voor de berekening van de gestelde schade in aanmerking te nemen periode worden genomen. Zijns inziens heeft een handeling volgens artikel 191, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 254, lid 3, EG) geen enkel rechtsgevolg jegens een persoon voordat zij aan deze laatste is meegedeeld. In casu heeft hij het aanbod van het ambt eerst op 23 februari 1996 van het Parlement ontvangen. Hij is evenwel van mening, dat een bedenktijd van ongeveer twee weken alvorens een tamelijk onnauwkeurig aanbod van een ambt te aanvaarden, gerechtvaardigd is. Derhalve heeft het Gerecht zijns inziens niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het einde van de betrokken periode te bepalen op 8 maart 1996, toen hij het aanbod van het ambt aanvaardde.
54 Dienaangaande zij vastgesteld, dat het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld, dat aangezien Bieber in zijn brief van 8 maart 1996 de wens te kennen had gegeven dat de datum van zijn herplaatsing in onderling overleg met het Parlement werd vastgesteld, de ambtenaar de inkomstenderving tussen 8 maart 1996 en de datum van zijn daadwerkelijke herplaatsing aan zichzelf te wijten had en derhalve met ingang van 8 maart 1996 geen schade meer kan stellen.
55 Door te oordelen dat de periode die in aanmerking moest worden genomen voor de berekening van de schade die Bieber zou hebben geleden, afliep op de datum van aanvaarding van het aanbod van het ambt, zonder na te gaan in hoeverre de ambtenaar aan het intreden van de gestelde schade had bijgedragen door tussen de ontvangst van het aanbod van het ambt en de aanvaarding ervan twee weken te laten verstrijken, heeft het Gerecht evenwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
56 Een ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard die in strijd met artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut niet is herplaatst bij de eerste vacature van een ambt waarvoor hij de vereiste geschiktheid bezat, en die een aanbod van een ambt als het onderhavige ontvangt, dat wil zeggen een aanbod dat geen datum van herplaatsing bevat en dus zijn herplaatsing met onmiddellijke ingang voorstelt, moet immers worden geacht als enige verantwoordelijk te zijn voor de schade die hij heeft geleden tussen de datum van ontvangst van het aanbod van het ambt en die van de aanvaarding ervan.
57 Door als einddatum van de voor de berekening van de geleden schade in aanmerking genomen periode de datum van aanvaarding van het aanbod van het ambt te nemen, zou worden aanvaard, dat een ambtenaar door zijn stilzitten de door hem geleden schade kan vergroten terwijl de onrechtmatig handelende instelling alle noodzakelijke en ter zake dienende maatregelen heeft getroffen om de schade die uit haar schending van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut voortvloeit, te beperken. Dat het Gerecht hiermee geen rekening heeft gehouden, is kennelijk in strijd met het in 's Hofs rechtspraak erkende algemene beginsel, dat ter zake van niet-contractuele aansprakelijkheid de gelaedeerde zich redelijke inspanningen dient te getroosten om de omvang van de schade te beperken (zie, onder meer, arresten Sergy/Commissie, punt 41, en Giry/Commissie, punt 19, beide reeds aangehaald, en arrest van 5 maart 1996, Brasserie du Pêcheur en Factortame, C-46/93 en C-48/93, Jurispr. blz. I-1029, punt 85).
58 Hieruit volgt, dat het derde onderdeel van het tweede middel gegrond is en dat punt 3 van het dictum van het bestreden arrest moet worden vernietigd.
59 Aangezien de zaak op dit punt in staat van wijzen is, moet overeenkomstig artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG en om de in de punten 55 tot en met 57 van dit arrest genoemde redenen worden vastgesteld, dat het aan Bieber ter compensatie van zijn verlies aan beroepsinkomsten te betalen bedrag gelijk is aan het verschil tussen de nettobezoldiging die hij tussen 1 januari 1995 en 23 februari 1996 zou hebben ontvangen, en het totale bedrag van de nettoberoepsinkomsten die hij in de uitoefening van andere werkzaamheden heeft verworven.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
60 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Parlement op de meeste punten in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van Bieber in de kosten van deze instantie worden verwezen.
61 Over de kosten betreffende de procedure voor het Gerecht behoeft niet te worden beslist. Aangezien die procedure nog niet is afgesloten, dient het Gerecht nog over de aldaar gerezen kosten te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende:
1) Vernietigt punt 3 van het dictum van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 26 mei 1998, Bieber/Parlement (T-205/96).
2) Verstaat, dat het aan Bieber ter compensatie van zijn verlies aan beroepsinkomsten te betalen bedrag gelijk is aan het verschil tussen de nettobezoldiging die hij tussen 1 januari 1995 en 23 februari 1996 zou hebben ontvangen, en het totale bedrag van de nettoberoepsinkomsten die hij in de uitoefening van andere werkzaamheden heeft verworven.
3) Wijst de hogere voorziening voor het overige af.
4) Verwijst het Europees Parlement in de kosten van deze procedure.
Full & Egal Universal Law Academy