Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Harmonisatie van wetgevingen - Verzekering wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen - Richtlijnen 72/166, 84/5 en 90/232 - Bepalen van wettelijke aansprakelijkheidsregeling voor ongevallen ten gevolge van deelneming aan verkeer van motorvoertuigen - Bevoegdheid van lidstaten - Grenzen
(Richtlijnen 72/166, 84/5 en 90/232 van de Raad)
2. Harmonisatie van wetgevingen - Verzekering wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen - Richtlijn 84/5 - Omvang van door verplichte verzekering verleende dekking ten gunste van derden - Verplichte dekking van lichamelijk letsel van inzittende familieleden van verzekeringnemer of bestuurder - Voorwaarden
(Richtlijn 84/5 van de Raad, art. 3)
3. Harmonisatie van wetgevingen - Verzekering wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen - Richtlijn 84/5 - Nationale wettelijke regeling die voor vergoeding maximumbedragen vaststelt die lager liggen dan minimumdekking bij afwezigheid van schuld van bestuurder - Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 84/5 van de Raad, art. 1, lid 2, en 5, lid 3, zoals gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1985)
Samenvatting
1. Bij gebreke van een communautaire regeling die preciseert, welk type wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van motorvoertuigen, risicoaansprakelijkheid of schuldaansprakelijkheid, door de verplichte verzekering moet worden gedekt, is de keuze van de wettelijke aansprakelijkheidsregeling voor ongevallen ten gevolge van de deelneming aan het verkeer van motorvoertuigen in beginsel voorbehouden aan de lidstaten. Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht blijven de lidstaten derhalve bevoegd te bepalen, welke wettelijke aansprakelijkheidsregeling geldt voor ongevallen ten gevolge van de deelneming aan het verkeer van motorvoertuigen, doch dienen zij te verzekeren, dat de naar hun nationaal recht geldende wettelijke aansprakelijkheid wordt gedekt door een verzekering die in overeenstemming is met de bepalingen van de richtlijnen 72/166, 84/5 en 90/232 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven.
( cf. punten 27-29 )
2. Artikel 3 van richtlijn 84/5 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, vereist enkel dat de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorvoertuigen aanleiding kan geven, zich uitstrekt tot het lichamelijke letsel van kosteloos vervoerde familieleden van de verzekeringnemer of de bestuurder of enig ander persoon die bij een ongeval aansprakelijk wordt gesteld en daarvoor door de verplichte motorrijtuigenverzekering is gedekt, ongeacht of de bestuurder van het betrokken voertuig schuld heeft aan het ongeval, wanneer het nationale recht van de betrokken lidstaat voorziet in een dergelijke dekking van het lichamelijke letsel dat onder dezelfde omstandigheden aan andere derden-inzittenden is toegebracht.
( cf. punt 35 en dictum 1 )
3. De artikelen 1, lid 2, en 5, lid 3, zoals gewijzigd bij de Toetredingsakte van Spanje en Portugal, van richtlijn 84/5 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, verzetten zich tegen een nationale wettelijke regeling die voor de vergoeding maximumbedragen vaststelt die lager liggen dan de in die artikelen vastgestelde minimumdekkingen, wanneer de bestuurder van het voertuig die het ongeval heeft veroorzaakt, geen schuld treft en hij enkel uit hoofde van zijn risicoaansprakelijkheid wordt aangesproken.
( cf. punt 41 en dictum 2 )
Partijen
In zaak C-348/98,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Tribunal da Comarca de Setúbal (Portugal), in het aldaar aanhangige geding tussen
V. M. Mendes Ferreira en M. C. Delgado Correia Ferreira
en
Companhia de Seguros Mundial Confiança SA,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 8, blz. 17), en de Derde richtlijn (90/232/EEG) van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB L 129, blz. 33),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, L. Sevón (rapporteur), P. J. G. Kapteyn, P. Jann en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- V. M. Mendes Ferreira en M. C. Delgado Correia Ferreira, vertegenwoordigd door M. H. Macau Ferreira, advocaat te Montemor-o-Novo,
- Companhia de Seguros Mundial Confiança SA, vertegenwoordigd door J. Geraldes, advocaat te Lissabon,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato,
- Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Caeiro, juridisch hoofdadviseur, C. Tufvesson, juridisch adviseur, en F. de Sousa Fialho, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 oktober 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 15 juli 1998, ingekomen bij het Hof op 24 september daaraanvolgend, heeft het Tribunal da Comarca de Setúbal het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) zeven prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 8, blz. 17; hierna: Tweede richtlijn"), en de Derde richtlijn (90/232/EEG) van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB L 129, blz. 33; hierna: Derde richtlijn").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen V. M. Mendes Ferreira en M. C. Delgado Correia Ferreira enerzijds en de verzekeringsmaatschappij Companhia de Seguros Mundial Confiança SA (hierna: Mundial Confiança") anderzijds over de vergoeding van de schade die eerstgenoemden ten gevolge van een verkeersongeval hebben geleden.
Het gemeenschapsrecht
3 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 103, blz. 1; hierna: Eerste richtlijn") luidt als volgt:
Iedere lidstaat treft (...) de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt. De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in deze maatregelen vastgesteld."
4 Artikel 1, leden 1 en 2, van de Tweede richtlijn bepaalt:
1. De verzekering bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG dient zowel materiële schade als lichamelijk letsel te dekken.
2. Onverminderd eventueel door de lidstaten voorgeschreven hogere dekkingen, eist iedere lidstaat dat de bedragen waarvoor deze verzekering verplicht is, niet lager zijn dan:
- voor lichamelijk letsel, 350 000 ECU, ingeval er slechts één slachtoffer is; ingeval er verschillende slachtoffers bij één ongeval zijn betrokken, wordt dit bedrag vermenigvuldigd met hun aantal;
- voor materiële schade, 100 000 ECU per ongeval, ongeacht het aantal slachtoffers.
In plaats van de bovengenoemde minimumbedragen kunnen de lidstaten een minimumbedrag vaststellen van 500 000 ECU voor lichamelijk letsel ingeval er verschillende slachtoffers zijn bij eenzelfde ongeval of een minimumbedrag van 600 000 ECU per ongeval voor lichamelijk letsel en materiële schade tezamen, ongeacht het aantal slachtoffers of de aard van de schade."
5 Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt:
De familieleden van de verzekeringnemer, van de bestuurder of van enig ander persoon die bij een ongeval wettelijk aansprakelijk wordt gesteld en daarvoor door de in artikel 1, lid 1, bedoelde verzekering is gedekt, kunnen voor wat betreft hun lichamelijk letsel niet op grond van deze verwantschap worden uitgesloten van het recht op een uitkering."
6 Artikel 5 van bovengenoemde richtlijn, zoals gewijzigd bij bijlage I, deel IX, F Verzekeringen", bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23, 218; hierna: Toetredingsakte"), bepaalt:
1. Uiterlijk 31 december 1987 wijzigen de lidstaten hun nationale bepalingen overeenkomstig deze richtlijn. (...)
2. De aldus gewijzigde bepalingen worden uiterlijk 31 december 1988 toegepast.
3. In afwijking van lid 2:
a) hebben het Koninkrijk Spanje, de Helleense Republiek en de Portugese Republiek tot en met 31 december 1995 de tijd om de dekkingen te verhogen tot de in artikel 1, lid 2, bedoelde bedragen. Indien zij van deze mogelijkheid gebruik maken, moeten de dekkingen
- uiterlijk 31 december 1988 meer dan 16 %, en
- uiterlijk 31 december 1992 31 %
bereiken van de in dat artikel vastgestelde bedragen.
(...)"
7 Volgens artikel 1, eerste alinea, van de Derde richtlijn dekt de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG bedoelde verzekering de aansprakelijkheid voor lichamelijk letsel van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder, ten gevolge van de deelneming van dat voertuig aan het verkeer."
8 Artikel 6 van de Derde richtlijn bepaalt:
1. De lidstaten treffen de maatregelen die nodig zijn om uiterlijk op 31 december 1992 aan deze richtlijn te voldoen. (...)
2. In afwijking van lid 1:
- krijgen de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot en met 31 december 1995 de tijd om aan de artikelen 1 en 2 te voldoen,
(...)"
Het hoofdgeding en het toepasselijke nationale recht
9 Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft zich op 12 februari 1995 een verkeersongeval voorgedaan, waarbij een aan Mendes Ferreira toebehorend motorvoertuig was betrokken dat door een van zijn kinderen werd bestuurd. In het voertuig was tevens een ander, twaalfjarig kind van hem was aanwezig, dat daarbij de dood heeft gevonden. Bij het ongeval was geen ander voertuig betrokken. In de verwijzingsbeschikking wordt gepreciseerd, dat de bestuurder van het voertuig geen fout heeft begaan.
10 Mendes Ferreira had de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot het bedoelde voertuig bij verzekeringsovereenkomst overgedragen aan Mundial Confiança.
11 Mendes Ferreira en zijn echtgenote hebben bij de verwijzende rechter een vordering ingesteld, strekkende tot veroordeling van Mundial Confiança tot vergoeding van de geleden schade. Mundial Confiança betwist deze vordering op grond dat het ten tijde van de feiten geldende Portugese recht elke verplichting tot vergoeding uitsloot.
12 Dienaangaande blijkt uit de verwijzingsbeschikking, dat volgens artikel 504, lid 2, van het Portugees burgerlijk wetboek, in de versie die gold ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, de vervoerder in geval van kosteloos vervoer in beginsel alleen aansprakelijk was voor schade die door zijn schuld was veroorzaakt. Deze bepaling werd door de Portugese rechters doorgaans aldus uitgelegd, dat de kosteloos vervoerde inzittende de schuld van de bestuurder van het voertuig moest bewijzen om schadevergoeding te verkrijgen.
13 Volgens de verwijzende rechter is artikel 504 van het Portugees burgerlijk wetboek bij decreet-wet nr. 14/96 van 6 maart 1996 gewijzigd teneinde het nationale recht aan te passen aan de Derde richtlijn, met name aan artikel 1 daarvan. Artikel 504, lid 3, van dat wetboek bepaalt thans, dat kosteloos vervoerde inzittenden zich kunnen beroepen op de risicoaansprakelijkheid van de bestuurder, zij het dat hun vordering beperkt is tot lichamelijk letsel.
14 De verwijzende rechter merkt bovendien op, dat zelfs indien de kosteloos vervoerde inzittende in geval van risicoaansprakelijkheid een recht op vergoeding zou hebben gehad krachtens de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geldende Portugese wetgeving, de aan het slachtoffer van een verkeersongeval maximaal toe te kennen schadevergoeding bij afwezigheid van schuld van de aansprakelijke persoon volgens artikel 508, lid 1, van het Portugees burgerlijk wetboek overeenkwam met het dubbele van het bedrag waarvoor de Portugese rechterlijke instanties in tweede aanleg maximaal bevoegd zijn. Laatstgenoemd bedrag, dat in 1987 is vastgesteld en sindsdien niet meer is bijgesteld, beloopt 2 000 000 PTE, zodat de maximaal toe te kennen schadevergoeding bij afwezigheid van schuld 4 000 000 PTE bedraagt.
15 De verwijzende rechter vraagt zich af, of de lidstaten, gelet op de artikelen 1, lid 2, en 5, lid 3, van de Tweede richtlijn, zoals gewijzigd bij de Toetredingsakte, voor de schade van slachtoffers van ongevallen waarin de aansprakelijke bestuurder geen enkele schuld treft, maxima kunnen vaststellen die lager liggen dan de door de Tweede richtlijn voorgeschreven minimumbedragen van de verplichte verzekering. De Tweede richtlijn zou namelijk geen onderscheid maken tussen wettelijke aansprakelijkheid op basis van schuld van de bestuurder en risicoaansprakelijkheid.
16 In die omstandigheden heeft het Tribunal da Comarca de Setúbal de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Moet ingevolge artikel 3 van richtlijn 84/5/EEG de dekking van de verplichte aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen zich uitstrekken tot schade toegebracht aan de familieleden van de verzekeringnemer of van de bestuurder van het voertuig, ook wanneer die familieleden kosteloos worden vervoerd en er enkel sprake is van risicoaansprakelijkheid, zonder schuld, of kan een lidstaat in dergelijke gevallen het recht op een uitkering uitsluiten?
2) Gelden de in artikel 1, lid 2, van richtlijn 84/5 genoemde minimumbedragen waarvoor de verzekering verplicht is, ook in geval van risicoaansprakelijkheid, zonder schuld, of kan de wettelijke regeling van een lidstaat bepalen dat wanneer de voor het ongeval aansprakelijke bestuurder geen schuld treft, de maximaal uit te keren vergoedingen lager zijn dan die minimumbedragen?
3) Dient de nationale rechter zijn nationaal recht zodanig uit te leggen dat het strookt met de bepalingen van een richtlijn, zowel in geval van gebrekkige omzetting als in geval van handhaving van oudere bepalingen van nationaal recht?
4) Dient de nationale rechter een met de richtlijn strokende uitlegging van zijn nationaal recht te geven, zelfs indien die uitlegging in strijd is met de algemene opvatting over de betekenis en de draagwijdte van de bepalingen van nationaal recht, of indien die uitlegging in overeenstemming is met de bedoeling van de nationale wetgever, maar die bedoeling in de tekst van de wet niet tot uitdrukking is gekomen?
5) Moet de nationale rechter tot een dergelijke, met de bepalingen van de communautaire richtlijn strokende uitlegging overgaan, ook indien alleen particulieren bij een geschil betrokken zijn?
6) Dient de nationale rechter zijn nationale recht overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van richtlijn 90/232/EEG uit te leggen, ook in geval van een ongeval dat zich heeft voorgedaan vóór het verstrijken van de termijn waarbinnen de lidstaat die bepaling in nationaal recht moest omzetten?
7) Indien wordt geconcludeerd dat het niet mogelijk is het nationale recht zodanig uit te leggen dat het met de bepalingen van een richtlijn strookt, verplicht de voorrang van het gemeenschapsrecht de nationale rechter dan, de met de richtlijn onverenigbare bepalingen van nationaal recht buiten toepassing te laten, ook indien alleen particulieren bij een geschil betrokken zijn?"
De eerste vraag
17 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 3 van de Tweede richtlijn voorschrijft, dat de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, zich uitstrekt tot het lichamelijke letsel van kosteloos vervoerde familieleden van de verzekeringnemer, van de bestuurder of enig andere persoon die bij een ongeval aansprakelijk wordt gesteld en daarvoor door de verplichte motorrijtuigenverzekering is gedekt (hierna: familieleden van de verzekeringnemer of de bestuurder"), ongeacht of de bestuurder van het betrokken voertuig schuld heeft aan het ongeval.
18 Verzoekers in het hoofdgeding betogen, dat artikel 3 van de Tweede richtlijn en artikel 1 van de Derde richtlijn voorzien in een wettelijke risicoaansprakelijkheid voor motorvoertuigen wat de bescherming van kosteloos vervoerde inzittenden en van de familieleden van de bestuurder betreft. Deze bepalingen zouden rechtstreekse werking hebben en voorrang hebben boven het nationale recht.
19 Mundial Confiança stelt, dat de verwijzende rechter de regeling van de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven - waarop de verschillende richtlijnen betrekking hebben - heeft verward met de privaatrechtelijke regeling van de wettelijke aansprakelijkheid, op welk rechtsgebied geen onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten heeft plaatsgevonden. Volgens Mundial Confiança heeft artikel 3 van de Tweede richtlijn enkel tot doel, de lidstaten ertoe te dwingen een onbillijk geachte ongelijke behandeling op te heffen op het gebied van de nationale wetgevingen betreffende de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, zoals blijkt uit de overwegingen van de considerans van die richtlijn.
20 Aangezien de nieuwe Portugese regeling betreffende de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, te weten decreet-wet nr. 522/85 van 31 december 1985, de familieleden van de verzekeringnemer of de bestuurder niet langer van de dekking uitsluit, zoals in de vorige regeling het geval was, zou de Portugese Republiek de bepalingen van artikel 3 van de Tweede richtlijn correct hebben uitgevoerd bij haar toetreding tot de Europese Gemeenschappen.
21 De Italiaanse regering betoogt, dat uit artikel 3 van de Tweede richtlijn voortvloeit dat de familieleden van de verzekeringnemer of de bestuurder, voor wat betreft hun lichamelijk letsel, niet op grond van deze verwantschap kunnen worden uitgesloten van de dekking door de verzekering, ongeacht of zij al dan geen inzittenden waren. Bovendien merkt zij tezamen met de Commissie op, dat de drie richtlijnen betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, kennelijk de schuld van de bestuurder buiten beschouwing laten en dus geen onderscheid maken tussen schuldaansprakelijkheid en risicoaansprakelijkheid.
22 Volgens de Commissie moet artikel 3 van de Tweede richtlijn aldus worden uitgelegd, dat indien het toepasselijke nationale recht voorschrijft, dat een inzittende die geen familielid is van de verzekeringnemer of de bestuurder van het voertuig door de verzekering wordt gedekt, dat artikel met zich brengt, dat elke wettelijke of contractuele bepaling op grond waarvan een familielid dat bij een verkeersongeval gewond is geraakt, van die bescherming wordt uitgesloten, buiten toepassing dient te blijven. Indien het nationale recht echter niet voorziet in de dekking van inzittenden, verplicht artikel 3 van de Tweede richtlijn niet tot de dekking van de familieleden van de verzekeringnemer of de bestuurder.
23 Dienaangaande moet allereerst worden vastgesteld, dat zowel uit het onderwerp van de drie richtlijnen betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, als uit de formulering daarvan volgt, dat zij niet strekken tot harmonisatie van de wettelijke aansprakelijkheidsregelingen van de lidstaten.
24 Zoals het Hof in het arrest van 28 maart 1996, Ruiz Bernáldez (C-129/94, Jurispr. blz. I-1829, punten 13-16) heeft vastgesteld, blijkt uit de considerans van de betrokken richtlijnen immers, dat deze in de eerste plaats het vrije verkeer beogen te waarborgen, zowel van de gewoonlijk op het grondgebied van de Gemeenschap gestalde voertuigen als van de inzittenden, en anderzijds dienen te verzekeren dat de slachtoffers van door deze voertuigen veroorzaakte ongevallen een vergelijkbare behandeling krijgen, ongeacht de plaats in de Gemeenschap waar het ongeval zich heeft voorgedaan (zie meer in het bijzonder de vijfde overweging van de considerans van de Tweede richtlijn en de vierde overweging van de considerans van de Derde richtlijn).
25 Daartoe heeft de Eerste richtlijn een stelsel ingevoerd dat is gebaseerd op de veronderstelling dat voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van de Gemeenschap zijn gestald, verzekerd zijn (achtste overweging). Aldus bepaalt artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten treffen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op hun grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.
26 In de aanvankelijke formulering liet dit artikel het evenwel aan de lidstaten over om de dekking van de schade en de voorwaarden van de verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid te bepalen. Ter verkleining van de verschillen die er tussen de wetgevingen van de onderscheiden lidstaten nog bestonden betreffende de omvang van de verzekeringsplicht (derde overweging van de considerans van de Tweede richtlijn), voorziet artikel 1 van de Tweede richtlijn op het gebied van de wettelijke aansprakelijkheid in een verplichte dekking van materiële schade en lichamelijk letsel ten belope van vastgestelde bedragen, en wordt in artikel 3 van diezelfde richtlijn gepreciseerd, dat de familieleden van de verzekeringnemer of de bestuurder, voor wat hun lichamelijk letsel betreft niet op grond van deze verwantschap kunnen worden uitgesloten van het recht op een uitkering. Bij artikel 1 van de Derde richtlijn is deze verplichting uitgebreid tot de dekking van lichamelijk letsel van andere inzittenden dan de bestuurder.
27 Artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn, zoals verduidelijkt en aangevuld bij de Tweede en de Derde richtlijn, legt de lidstaten dus de verplichting op om te verzekeren dat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op hun grondgebied zijn gestald, door een verzekering wordt gedekt, en preciseert met name, welke soorten schade en welke derden die het slachtoffer van een ongeval zijn geworden, door deze verzekering moeten worden gedekt. Deze bepaling bevat echter geen aanduidingen ter zake van het type wettelijke aansprakelijkheid, risicoaansprakelijkheid of schuldaansprakelijkheid, dat door de verzekering moet worden gedekt.
28 Bij gebreke van een communautaire regeling die preciseert, welk type wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van motorvoertuigen door de verplichte verzekering moet worden gedekt, is de keuze van de wettelijke aansprakelijkheidsregeling voor ongevallen ten gevolge van de deelneming aan het verkeer van motorvoertuigen in beginsel voorbehouden aan de lidstaten.
29 Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht blijven de lidstaten derhalve bevoegd te bepalen, welke wettelijke aansprakelijkheidsregeling geldt voor ongevallen ten gevolge van de deelneming aan het verkeer van motorvoertuigen, doch dienen zij te verzekeren, dat de naar hun nationaal recht geldende wettelijke aansprakelijkheid wordt gedekt door een verzekering die in overeenstemming is met de bepalingen van de drie bovengenoemde richtlijnen.
30 Wat voorts de vergoeding van de schade toegebracht aan de familieleden van de verzekeringnemer of de bestuurder aangaat, bepaalt artikel 3 van de Tweede richtlijn dat dezen, wat hun lichamelijk letsel betreft, niet op grond van hun verwantschap kunnen worden uitgesloten van het recht op vergoeding. Volgens de negende overweging van de considerans van de Tweede richtlijn beoogt deze bepaling aan de familieleden van de verzekeringnemer of de bestuurder een bescherming te bieden welke, wat hun lichamelijk letsel betreft, gelijkwaardig is aan die van andere derden die het slachtoffer van een ongeval zijn.
31 Hieruit volgt, dat derden die het slachtoffer van een ongeval zijn, niet van de verplichte motorrijtuigenverzekering kunnen worden uitgesloten op de enkele grond dat zij familieleden zijn van de verzekeringnemer of de bestuurder. De verplichte motorrijtuigenverzekering moet dus de familieleden van de verzekeringnemer of de bestuurder die het slachtoffer zijn geworden van een door een voertuig veroorzaakt ongeval, in staat stellen onder dezelfde voorwaarden als andere derden die het slachtoffer van een dergelijk ongeval zijn geworden, schadeloos te worden gesteld voor hun lichamelijk letsel.
32 Indien het nationale recht van een lidstaat derhalve voorziet in de verplichte dekking van het lichamelijke letsel van kosteloos vervoerde derde inzittenden, ongeacht de schuld van de bestuurder van het voertuig die het ongeval heeft veroorzaakt, moet het op eendere wijze voorzien in de dekking van het lichamelijke letsel van inzittenden die familieleden zijn van de verzekeringnemer of de bestuurder. Indien het nationale recht van een lidstaat daarentegen niet in de dekking van het lichamelijke letsel van derde inzittenden voorziet, is die lidstaat volgens artikel 3 van de Tweede richtlijn niet gehouden die dekking verplicht te stellen voor het lichamelijke letsel van inzittenden die familieleden zijn van de verzekeringnemer of de bestuurder.
33 Bovendien zij opgemerkt, dat het aan het hoofdgeding ten grondslag liggende ongeval zich heeft voorgedaan op 12 februari 1995, dus vóór het verstrijken van de omzettingstermijn die in de Derde richtlijn voor de Portugese Republiek was bepaald, namelijk 31 december 1995. Deze richtlijn kon door particulieren dus niet worden ingeroepen voor de nationale rechter (zie arrest van 3 maart 1994, Vaneetveld, C-316/93, Jurispr. blz. I-763, punt 16).
34 Er zij evenwel aan herinnerd, dat artikel 1 van de Derde richtlijn de dekking van de door artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn, zoals verduidelijkt en aangevuld bij de Tweede richtlijn, voorgeschreven verplichte verzekering weliswaar heeft uitgebreid tot het lichamelijke letsel van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder, doch dat het blijkens de punten 27 tot en met 29 van het onderhavige arrest niet regelt, welk type wettelijke aansprakelijkheid door de verplichte motorrijtuigenverzekering moet worden gedekt.
35 Mitsdien moet de eerste vraag aldus worden beantwoord, dat artikel 3 van de Tweede richtlijn enkel vereist, dat de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorvoertuigen aanleiding kan geven, zich uitstrekt tot het lichamelijke letsel van kosteloos vervoerde familieleden van de verzekeringnemer of de bestuurder, ongeacht of de bestuurder van het betrokken voertuig schuld heeft aan het ongeval, wanneer het nationale recht van de betrokken lidstaat voorziet in een dergelijke dekking van het lichamelijke letsel dat onder dezelfde omstandigheden aan andere derden-inzittenden is toegebracht.
De tweede vraag
36 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de artikelen 1, lid 2, en 5, lid 3, van de Tweede richtlijn, zoals gewijzigd bij de Toetredingsakte, zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die voor de vergoeding maximumbedragen vaststelt die lager liggen dan de in die bepalingen vastgestelde minimumdekkingen, wanneer de bestuurder van het voertuig die het ongeval heeft veroorzaakt, geen schuld treft en hij enkel op grond van zijn risicoaansprakelijkheid wordt aangesproken.
37 Verzoekers in het hoofdgeding en de Italiaanse regering betogen, dat de in artikel 1, lid 2, van de Tweede richtlijn vastgestelde minimumdekkingen gelden voor situaties waarin sprake is van risicoaansprakelijkheid, en dat de lidstaten geen maximumvergoedingen mogen vaststellen die lager liggen dan bovengenoemde minimumbedragen. De Italiaanse regering voegt hieraan toe, dat er, wat de minimumbedragen betreft, geen verschil is tussen schuldaansprakelijkheid en risicoaansprakelijkheid.
38 De Commissie voert aan, dat geen van de drie richtlijnen zich uitlaat over de keuze van de aansprakelijkheidsregeling. De nationale regeling kan dus zowel op risicoaansprakelijkheid als op schuldaansprakelijkheid gebaseerd zijn. Artikel 1, lid 2, van de Tweede richtlijn zou echter aldus moeten worden uitgelegd, dat wanneer de aansprakelijkheid eenmaal is vastgesteld en gelet op het beginsel dat de vergoeding de werkelijke schade moet dekken, de bij dit artikel vastgestelde minimumdekkingen in acht moeten worden genomen, ongeacht het type van de toepasselijke aansprakelijkheidsregeling.
39 Dienaangaande volgt uit de punten 27 en 28 van het onderhavige arrest, dat de bepalingen van artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn, zoals verduidelijkt en aangevuld bij de Tweede en de Derde richtlijn, met name bij artikel 1 van de Tweede richtlijn, geen aanduidingen bevatten omtrent het type wettelijke aansprakelijkheid - schuldaansprakelijkheid of risicoaansprakelijkheid - dat door de verplichte motorrijtuigenverzekering moet worden gedekt. Aangezien de gemeenschapsregeling hierover zwijgt, valt de keuze van de wettelijke aansprakelijkheidsregeling met betrekking tot ongevallen ten gevolge van de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen in beginsel onder de bevoegdheid van de lidstaten.
40 Uit punt 29 van dit arrest volgt evenwel, dat de volgens het nationale recht van de betrokken lidstaat geldende wettelijke aansprakelijkheid voor ongevallen ten gevolge van de deelneming aan het verkeer van motorvoertuigen moet worden gedekt door een verzekering en dat bij die verzekering de bij de artikelen 1, lid 2, en 5, lid 3, van de Tweede richtlijn, zoals gewijzigd bij de Toetredingsakte, vastgestelde minimumdekkingen in acht moeten worden genomen. Voor ongevallen die door deze wettelijke aansprakelijkheid worden gedekt, kan de wetgeving derhalve geen maximale vergoedingsbedragen vaststellen die lager liggen dan bovengenoemde minimumbedragen.
41 Mitsdien moet de tweede vraag aldus worden beantwoord, dat de artikelen 1, lid 2, en 5, lid 3, van de Tweede richtlijn, zoals gewijzigd bij de Toetredingsakte, zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die voor de vergoeding maximumbedragen vaststelt die lager liggen dan de in die artikelen vastgestelde minimumdekkingen, wanneer de bestuurder van het voertuig die het ongeval heeft veroorzaakt, geen schuld treft en hij enkel uit hoofde van zijn risicoaansprakelijkheid wordt aangesproken.
De derde tot en met de zevende vraag
42 Gelet op het antwoord op de eerste twee vragen zijn de derde tot en met de zevende vraag, die betrekking hebben op de verplichting tot gemeenschapsconforme uitlegging en op de rechtstreekse werking van de betrokken bepalingen van de Tweede en de Derde richtlijn, niet van belang voor de beslechting van het hoofdgeding. Mitsdien behoeven deze vragen niet te worden behandeld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
43 De kosten door de Italiaanse regering alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal da Comarca de Setúbal bij beschikking van 15 juli 1998 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 3 van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, vereist enkel, dat de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorvoertuigen aanleiding kan geven, zich uitstrekt tot het lichamelijke letsel van kosteloos vervoerde familieleden van de verzekeringnemer of de bestuurder of enig ander persoon die bij een ongeval aansprakelijk wordt gesteld en daarvoor door de verplichte motorrijtuigenverzekering is gedekt, ongeacht of de bestuurder van het betrokken voertuig schuld heeft aan het ongeval, wanneer het nationale recht van de betrokken lidstaat voorziet in een dergelijke dekking van het lichamelijke letsel dat onder dezelfde omstandigheden aan andere derden-inzittenden is toegebracht.
2) De artikelen 1, lid 2, en 5, lid 3, van de Tweede richtlijn (84/5), zoals gewijzigd bij bijlage I, deel IX, F Verzekeringen", bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen, verzetten zich tegen een nationale wettelijke regeling die voor de vergoeding maximumbedragen vaststelt die lager liggen dan de in die artikelen vastgestelde minimumdekkingen, wanneer de bestuurder van het voertuig die het ongeval heeft veroorzaakt geen schuld treft en hij enkel uit hoofde van zijn risicoaansprakelijkheid wordt aangesproken.
Full & Egal Universal Law Academy