Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Fiscale bepalingen - Harmonisatie van wetgevingen - Indirecte belastingen op bijeenbrengen van kapitaal - Kapitaalrecht geheven van kapitaalvennootschappen - Kapitalisatie van niet-uitgekeerde winsten - Verrichting die bij uitvoering van richtlijn 69/335 in lidstaat van kapitaalrecht was vrijgesteld - Latere onderwerping aan andere belasting - Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 69/335 van de Raad, art. 4, lid 1, en 10, sub a)
Samenvatting
$$Richtlijn 69/335 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, moet aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzet tegen de heffing, door een lidstaat die verhogingen van het maatschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap door opneming van winsten, reserves of voorzieningen van het kapitaalrecht heeft vrijgesteld, van een belasting die wordt geheven ter zake van de opneming van niet-uitgekeerde winsten in het maatschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap.
Overeenkomstig artikel 10, sub a, van de richtlijn mogen de lidstaten immers, behoudens het kapitaalrecht, geen enkele andere belasting, in welke vorm ook, heffen ter zake van de in artikel 4 van de richtlijn bedoelde verrichtingen, zoals de verhoging van het maatschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap door opneming van winsten, reserves of voorzieningen.
Partijen
In zaak C-350/98,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Dioikitiko Protodikeio Peiraios (Griekenland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Henkel Hellas ABEE
en
Elliniko Dimosio,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 4 en 7 van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB L 249, blz. 25), zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985 (PB L 156, blz. 23),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de kamerpresident, G. Hirsch en H. Ragnemalm (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Henkel Hellas ABEE, vertegenwoordigd door D. Papadellis, advocaat te Athene,
- de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Paraskevopoulou-Grigoriou, procesgemachtigde bij de juridische dienst van de staat, en D. Tsagkaraki, auditeur bij de bijzondere juridische dienst - afdeling Europees recht van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, juridisch adviseur, en H. Michard, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Griekse regering, vertegenwoordigd door M. Apessos, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, ter terechtzitting van 22 juni 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 september 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 29 mei 1998, ingekomen bij het Hof op 24 september daaraanvolgend, heeft het Dioikitiko Protodikeio Peiraios (administratieve rechtbank van eerste aanleg te Piraeus) krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 4 en 7 van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB L 249, blz. 25), zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985 (PB L 156, blz. 23; hierna: "richtlijn 69/335").
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschap Henkel Hellas ABEE (hierna: "Henkel Hellas") en Elliniko Dimosio (Griekse Staat) over de betaling van een belasting op de kapitalisatie van niet-uitgekeerde winsten.
De gemeenschapsregeling
3 Richtlijn 69/335 strekt in het bijzonder tot harmonisatie van de elementen die een rol spelen bij de vaststelling en de heffing van het recht op het bijeenbrengen van kapitaal, dat wordt geheven bij de inbreng van kapitaal in vennootschappen in de Gemeenschap, een en ander in de context van de afschaffing van de fiscale belemmeringen voor het vrije kapitaalverkeer (zie, met name, arrest van 17 december 1998, Codan, C-236/97, Jurispr. blz. I-8679, punt 3).
4 Artikel 4, lid 1, van richtlijn 69/335 stelt de lijst vast van de verrichtingen waarop het kapitaalrecht wordt geheven. Artikel 4, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 69/335 somt de verrichtingen op, die de lidstaten aan dat recht kunnen blijven onderwerpen voor zover zij op 1 juli 1984 tegen het tarief van 1 % werden belast. Volgens artikel 4, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 69/335 bepaalt de Helleense Republiek echter, welke van de genoemde verrichtingen zij aan het kapitaalrecht onderwerpt.
5 Artikel 4, lid 2, eerste alinea, sub a, van richtlijn 69/335 noemt onder meer "de vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap door omzetting van winsten, reserves of voorzieningen".
6 Wat het belastingtarief betreft, bepaalt artikel 7 van richtlijn 69/335:
"1. De lidstaten stellen de verrichtingen die op 1 juli 1984 van het kapitaalrecht waren vrijgesteld of tegen een tarief van ten hoogste 0,50 % werden belast vrij (...).
Voor de vrijstellingen gelden dezelfde voorwaarden als die welke op die datum golden voor de toekenning van de vrijstelling of voor het verlenen van een tarief van ten hoogste 0,50 %.
De Helleense Republiek bepaalt welke verrichtingen zij van het kapitaalrecht vrijstelt.
2. De lidstaten mogen ofwel alle andere dan de in lid 1 bedoelde verrichtingen van het kapitaalrecht vrijstellen, ofwel deze aan een uniform tarief van ten hoogste 1 % onderwerpen.
3. (...)"
7 Ingevolge artikel 10, sub a, van richtlijn 69/335 kunnen de lidstaten, behoudens het kapitaalrecht, met betrekking tot de op het maken van winst gerichte vennootschappen, verenigingen of rechtspersonen geen enkele andere belasting, in welke vorm ook, heffen ter zake van de in artikel 4 bedoelde verrichtingen.
De nationale regeling
8 Richtlijn 69/335 is in nationaal recht omgezet bij wet nr. 1676/1986 (FEK A'204/29.12.1986), waarvan artikel 21 het kapitaalrecht bepaalt op 1 % van de belastbare waarde. Krachtens artikel 22, lid 2, sub b, van die wet is evenwel de verhoging van het kapitaal door opneming van winsten, reserves of voorzieningen vrijgesteld van het kapitaalrecht.
9 Artikel 42, lid 6, van wet nr. 2065/1992, dat in het hoofdgeding van toepassing is, bepaalt evenwel:
"De niet-uitgekeerde winsten die op naam van de rechtspersoon zijn belast, zijn, wanneer zij in enigerlei vorm worden uitgekeerd of gekapitaliseerd op een datum na de indiening van het ontwerp van deze wet bij het Parlement, onderworpen aan een belasting tegen het tarief van 3 %, die geen aanleiding kan geven tot terugbetaling of compensatie van de inkomstenbelasting die betaald is in de loop van het boekjaar waarin die winsten zijn gemaakt."
Het hoofdgeding
10 Bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 31 augustus 1995 heeft Henkel Hellas de reeds op haar naam belaste, niet-uitgekeerde winsten over de boekjaren 1972, 1973 en 1981 tot en met 1989, ten bedrage van 215 066 276 GRD, in het maatschappelijk kapitaal opgenomen.
11 Henkel Hellas diende bij de belastingautoriteiten aangiften in met berekening van de in artikel 42, lid 6, van wet nr. 2065/1992 bedoelde belasting van 3 %. In die aangiften maakte zij een voorbehoud ten aanzien van de toepassing van het recht van 3 % op de gekapitaliseerde winst overeenkomstig de bepalingen van de Griekse wetgeving.
12 In haar beroep tot nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van dat voorbehoud stelt Henkel Hellas, dat de belasting tegen het tarief van 3 % op de kapitaalverhoging door opneming van winsten rechtstreeks in strijd is met richtlijn 69/335.
13 Daar het Dioikitiko Protodikeio Peiraios twijfelde aan de verenigbaarheid van die belasting met richtlijn 69/335, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Komt de door de Griekse Staat krachtens artikel 42, lid 6, van wet nr. 2065/1992 geheven belasting in feite neer op een kapitaalrecht als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 69/335 van de Raad van 17 juli 1969, zoals nadien gewijzigd, mede in aanmerking genomen dat op 1 juli 1984 een dergelijk kapitaalrecht in Griekenland niet bestond?
2) Zo ja, mag dan het tarief van die belasting, gelet op de bijzondere fiscale kenmerken van Griekenland, het in bovengenoemde richtlijn genoemde maximum van 1 % te boven gaan?"
De eerste vraag
14 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of richtlijn 69/335 zich verzet tegen een belasting als in het hoofdgeding aan de orde is, die wordt geheven ter zake van de opneming van niet-uitgekeerde winsten in het maatschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap.
15 De Griekse regering beklemtoont, dat de bepalingen van wet nr. 1676/1986, die de belasting op het bijeenbrengen van kapitaal in Griekenland regelt, geen betrekking hebben op een aan het kapitaalrecht onderworpen verrichting die overeenkomt met de in artikel 4, lid 2, eerste alinea, sub a, van richtlijn 69/335 bedoelde kapitaalverhoging door opneming van winsten, reserves of voorzieningen. Artikel 22, lid 2, sub b, van die wet stelt kapitaalverhogingen door opneming van winsten, reserves of kapitaal juist uitdrukkelijk vrij.
16 Volgens de Griekse regering betreft artikel 42 van wet nr. 2065/1992 enkel de directe belasting op het inkomen, en niet de verhoging van het maatschappelijk kapitaal van naamloze vennootschappen, die belastingvrij is. Het artikel heeft een tijdelijk karakter in verband met de wijziging van de regeling inzake de belastingheffing op inkomen bestaande in de winsten van naamloze vennootschappen, die als zodanig belastbaar zijn.
17 De Griekse regering betoogt dus, dat de in geding zijnde belasting van 3 % een directe inkomstenbelasting is. Richtlijn 69/335 beoogt echter de afschaffing van andere indirecte belastingen dan het kapitaalrecht, die dezelfde kenmerken als dit laatste vertonen. Derhalve moet worden vastgesteld, dat de harmonisatie waarin richtlijn 69/335 voorziet, geen betrekking heeft op de directe belastingen, zoals de belasting op het inkomen van vennootschappen, die onder de eigen bevoegdheden van de lidstaten vallen (arrest van 26 september 1996, Frederiksen, C-287/94, Jurispr. blz. I-4581, punt 21).
18 Dienaangaande moet er in de eerste plaats op worden gewezen, dat de Helleense Republiek, zoals de Griekse regering heeft bevestigd, bij de omzetting van richtlijn 69/335 in nationaal recht gebruik heeft gemaakt van de haar door artikel 7, lid 1, laatste alinea, van de richtlijn geboden mogelijkheid en de verhoging van het maatschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap door opneming van winsten, reserves of voorzieningen uitdrukkelijk van het kapitaalrecht heeft vrijgesteld.
19 In de tweede plaats moet worden opgemerkt, dat wanneer een belasting als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, wordt geheven op de opneming van niet-uitgekeerde winsten in het maatschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap, zij een van de verrichtingen treft die luidens artikel 4, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 69/335 aan het kapitaalrecht onderworpen mogen blijven.
20 Het is echter vaste rechtspraak, dat het Hof een belasting, recht of heffing vanuit gemeenschapsrechtelijk oogpunt dient te kwalificeren aan de hand van de objectieve kenmerken van de belasting, onafhankelijk van de wijze waarop deze naar nationaal recht wordt gekwalificeerd (arrest van 13 februari 1996, Bautiaa en Société française maritime, C-197/94 en C-252/94, Jurispr. blz. I-505, punt 39).
21 Overeenkomstig artikel 10, sub a, van richtlijn 69/335 evenwel mogen de lidstaten, behoudens het kapitaalrecht, geen enkele andere belasting, in welke vorm ook, heffen ter zake van de in artikel 4 bedoelde verrichtingen, zoals de verhoging van het maatschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap door opneming van winsten, reserves of voorzieningen.
22 Derhalve moet worden geconcludeerd, dat richtlijn 69/335 een lidstaat die verhogingen van het maatschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap door opneming van winsten, reserves of voorzieningen van het kapitaalrecht heeft vrijgesteld, verbiedt die verrichtingen aan een andere belasting te onderwerpen, ongeacht de kwalificatie ervan naar nationaal recht.
23 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat richtlijn 69/335 aldus moet worden uitgelegd, dat zij zich verzet tegen een belasting als in het hoofdgeding aan de orde is, die wordt geheven ter zake van de opneming van niet-uitgekeerde winsten in het maatschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap.
De tweede vraag
24 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden onderzocht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 De kosten door de Griekse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Dioikitiko Protodikeio Peiraios bij beschikking van 29 mei 1998 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985, moet aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzet tegen een belasting als in het hoofdgeding aan de orde is, die wordt geheven ter zake van de opneming van niet-uitgekeerde winsten in het maatschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap.
Full & Egal Universal Law Academy