Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
[EG-Verdrag, art. 169 (thans art. 226 EG)]
Partijen
In zaak C-362/98,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. J. Kuijper, juridisch adviseur, en A. Aresu, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van dezelfde dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door D. Del Gaizo, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adélaïde 5,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de nodige wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 93/103/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (dertiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 307, blz. 1), en/of die maatregelen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, L. Sevón en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 juli 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 9 oktober 1998, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) het Hof verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de nodige wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 93/103/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (dertiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 307, blz. 1; hierna: "richtlijn"), en/of die maatregelen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Ingevolge artikel 13, lid 1, van de richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 23 november 1995 aan de richtlijn te voldoen.
3 Daar de Commissie niet in kennis was gesteld van maatregelen tot tenuitvoerlegging van de richtlijn in de Italiaanse rechtsorde en evenmin over andere informatie beschikte waaruit viel af te leiden, dat de Italiaanse Republiek aan die verplichting had voldaan, leidde zij bij aanmaningsbrief van 27 februari 1996 tegen die lidstaat de niet-nakomingsprocedure van artikel 169 van het Verdrag in.
4 Toen antwoord uitbleef, richtte de Commissie op 23 december 1996 een met redenen omkleed advies tot de Italiaanse Republiek, met het verzoek de nodige maatregelen te treffen om binnen een termijn van twee maanden na betekening van het advies aan de richtlijn te voldoen.
5 Toen geen enkele officiële reactie op dit advies binnenkwam, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
6 In haar verweerschrift bestrijdt de Italiaanse regering de niet-nakoming niet. Zij deelt evenwel mede, dat op 24 april 1998 een wet is aangenomen waarbij zij wordt gemachtigd de richtlijn te implementeren, welke wet in mei 1998 in werking is getreden. De implementatieprocedure is dus gaande en zal binnenkort tot het gewenste resultaat leiden.
7 Nu de tenuitvoerlegging van de richtlijn niet binnen de gestelde termijn heeft plaatsgevonden, moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.
8 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens artikel 13, lid 1, van de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
9 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien zulks is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld en de Commissie in die zin heeft geconcludeerd, moet de Italiaanse Republiek in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om te voldoen aan richtlijn 93/103/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (dertiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG), is de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 13, lid 1, van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Italiaanse Republiek wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy