Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep wegens niet-nakoming - Niet-inachtneming van beschikking van Commissie inzake staatssteun - Verplichting tot terugvordering van toegekende steun - In aanmerking te nemen termijn - Termijn bepaald in beschikking waarvan niet-uitvoering wordt bestreden, of vervolgens door Commissie gestelde termijn
[EG-Verdrag, art. 93, lid 2, tweede alinea, en 169 (thans art. 88, lid 2, tweede alinea, EG en 226 EG)]
2. Beroep wegens niet-nakoming - Niet-nakoming van verplichting tot terugvordering van toegekende steun - Verweermiddelen - Volstrekte onmogelijkheid van uitvoering - Verplichting van Commissie en lidstaat om in geval van moeilijkheden bij uitvoering samen te werken bij zoeken naar oplossing die Verdrag eerbiedigt
[EG-Verdrag, art. 5 en 93, lid 2 (thans art. 10 EG en 88, lid 2, EG)]
Samenvatting
1. De in artikel 93, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag (thans artikel 88, lid 2, tweede alinea, EG) voorziene beroepsweg is niet meer dan een variant van het beroep wegens niet-nakoming, specifiek aangepast aan de bijzondere problemen die steunmaatregelen van staten meebrengen voor de mededinging op de gemeenschappelijke markt.
Aangezien artikel 93, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag, anders dan artikel 169 van het Verdrag (thans artikel 226 EG), niet voorziet in een precontentieuze procedure en de Commissie derhalve geen met redenen omkleed advies uitbrengt waarin de lidstaten een termijn voor nakoming van haar beschikking wordt gesteld, kan de in aanmerking te nemen termijn voor de toepassing van artikel 93, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag slechts de termijn zijn die is bepaald in de beschikking waarvan de niet-uitvoering wordt bestreden of, in voorkomend geval, de vervolgens door de Commissie gestelde termijn.
( cf. punten 24, 26 )
2. Het enige verweer dat een lidstaat tegen een door de Commissie krachtens artikel 93, lid 2, van het Verdrag (thans artikel 88, lid 2, EG) ingesteld beroep wegens niet-nakoming kan aanvoeren, is de volstrekte onmogelijkheid om de beschikking correct uit te voeren.
Dat een lidstaat tegen een dergelijk beroep geen ander verweermiddel kan aanvoeren dan de volstrekte onmogelijkheid van uitvoering, belet niet, dat de staat die bij de uitvoering van een beschikking van de Commissie inzake steunmaatregelen op niet voorziene en onvoorzienbare moeilijkheden stuit, of zich bewust wordt van gevolgen die de Commissie niet voor ogen heeft gehad, deze problemen aan laatstgenoemde voorlegt en daarbij passende wijzigingen van de betrokken beschikking voorstelt. Op grond van het met name in artikel 5 van het Verdrag (thans artikel 10 EG) tot uitdrukking gebrachte beginsel dat de lidstaten en de gemeenschapsinstellingen over en weer tot loyale samenwerking verplicht zijn, moeten de Commissie en de lidstaat in een dergelijk geval te goeder trouw samenwerken om met volledige inachtneming van de verdragsbepalingen, inzonderheid die betreffende de steunmaatregelen, de moeilijkheden te overwinnen.
Aan de voorwaarde van volstrekte onmogelijkheid van uitvoering wordt niet voldaan wanneer de verwerende regering zich ertoe beperkt, de Commissie in kennis te stellen van de juridische, politieke of praktische problemen die de uitvoering van de beschikking meebrengt, zonder tegen de betrokken ondernemingen tot enigerlei actie over te gaan om de steun terug te krijgen en zonder de Commissie alternatieven voor de uitvoering van de beschikking voor te stellen waardoor de moeilijkheden hadden kunnen worden overwonnen.
Ten slotte is de lidstaat verplicht om als eerste voorstellen te doen in geval van moeilijkheden.
( cf. punten 30-32, 50 )
Partijen
In zaak C-378/98,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door A. Snoecx als gemachtigde, bijgestaan door G. van Gerven en K. Coppenholle, advocaten,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen vast te stellen om bij de begunstigde ondernemingen de steun terug te vorderen die is toegekend in het kader van de Maribel bis/ter-regeling, die bij beschikking 97/239/EG van de Commissie van 4 december 1996 betreffende steunmaatregelen van de Belgische regering in het kader van de Maribel bis/ter-regeling (PB 1997, L 95, blz. 25), hem officieel ter kennis gebracht op 20 december 1996, onwettig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten ingevolge artikel 189, vierde alinea, EG-Verdrag (thans artikel 249, vierde alinea, EG), alsmede de artikelen 2 en 3 van die beschikking,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, J.-P. Puissochet, R. Schintgen, F. Macken en N. Colneric (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: D. Louterman-Hubeau, afdelingshoofd,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 30 november 2000, waarbij de Commissie was vertegenwoordigd door G. Rozet en het Koninkrijk België door G. van Gerven en door B. van Hees, advocaat,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 januari 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 oktober 1998, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 93, lid 2, tweede alinea, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, tweede alinea, EG) het Hof verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen vast te stellen om bij de begunstigde ondernemingen de steun terug te vorderen die is toegekend in het kader van de Maribel bis/ter-regeling, die bij beschikking 97/239/EG van de Commissie van 4 december 1996 betreffende steunmaatregelen van de Belgische regering in het kader van de Maribel bis/ter-
regeling (PB 1997, L 95, blz. 25), hem officieel ter kennis gebracht op 20 december 1996, onwettig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten ingevolge artikel 189, vierde alinea, EG-Verdrag (thans artikel 249, vierde alinea, EG), alsmede de artikelen 2 en 3 van die beschikking.
De toepasselijke regeling en de feiten
Voorgeschiedenis en beschikking 97/239
2 In België werd bij wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (Belgisch Staatsblad van 2 juli 1981, blz. 8575), de zogenoemde Maribel"-regeling ingevoerd waarbij aan werkgevers die handarbeiders tewerkstellen een vermindering van de socialezekerheidsbijdragen werd toegekend. Gelet op de algemene strekking en automatische toepassing ervan, werd deze regeling niet beschouwd als een onder artikel 92, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG) vallende steunmaatregel.
3 Bij koninklijk besluit van 14 juni 1993 (Belgisch Staatsblad van 7 juli 1993, blz. 16069) werd deze regeling met ingang van 1 juli 1993 gewijzigd door de invoering van de Maribel bis"-regeling. Ingevolge deze regeling werd de vermindering van de socialezekerheidsbijdragen verhoogd voor werkgevers die hun activiteit hoofdzakelijk uitoefenen in één van de sectoren die het meest aan de internationale concurrentie zijn blootgesteld.
4 Bij koninklijk besluit van 22 februari 1994 (Belgisch Staatsblad van 18 maart 1994, blz. 6724) werd de zogenoemde Maribel ter"-regeling ingevoerd, waarbij de vermindering van de socialezekerheidsbijdragen opnieuw werd verhoogd met ingang van 1 januari 1994. De werkingssfeer ervan werd ook per 1 januari 1994 uitgebreid tot de sector van het internationaal transport, en per 1 april daaraanvolgend tot de sector van het luchtvervoer, het vervoer over water en de vervoerondersteunende activiteiten.
5 Omdat de Belgische regering de Maribel bis-regeling en de Maribel ter-regeling (hierna: Maribel bis/ter-regeling") niet vooraf bij de Commissie had aangemeld, leidde de Commissie de procedure van artikel 93, lid 2, eerste alinea, van het Verdrag in. Deze procedure mondde uit in de vaststelling van beschikking 97/239 van de Commissie van 4 december 1996, die op 20 december daaraanvolgend aan het Koninkrijk België officieel ter kennis werd gebracht.
6 In artikel 1 van beschikking 97/239 verklaarde de Commissie de verhoogde vermindering van de socialezekerheidsbijdragen voor handarbeiders, die in het kader van de Maribel bis/ter-regeling wordt toegekend aan werkgevers die hun activiteiten hoofdzakelijk uitoefenen in één van de sectoren die het meest aan de internationale concurrentie zijn blootgesteld, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
7 Volgens artikel 2, eerste zin, van beschikking 97/239 [dient] België [...] passende maatregelen te nemen om de verhoogde verminderingen van de sociale bijdragen [...] ongedaan te maken en dient [het] de illegaal verleende steun bij de ontvangende ondernemingen terug te vorderen".
8 Artikel 3 van beschikking 97/239 bepaalt, dat België [...] de Commissie uiterlijk twee maanden na de datum van kennisgeving van deze beschikking op de hoogte [brengt] van de maatregelen die het getroffen heeft, om hieraan te voldoen".
9 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 19 februari 1997, verzocht het Koninkrijk België het Hof om nietigverklaring van beschikking 97/239. Bij arrest van 17 juni 1999, België/Commissie (C-75/97, Jurispr. blz. I-3671), verwierp het Hof dit beroep.
De door het Koninkrijk België na beschikking 97/239 ondernomen stappen en de vóór de instelling van het onderhavige beroep gevoerde besprekingen
10 De Belgische regering deelde de Commissie mee, dat zij met ingang van 1 juli 1997 de Maribel bis/ter-regeling zou vervangen door een nieuwe regeling, Maribel quater", teneinde te voldoen aan de door het eerste deel van artikel 2, eerste zin, van beschikking 97/239 opgelegde verplichting om de verhoogde verminderingen van de sociale bijdragen ongedaan te maken. De Commissie antwoordde aan de Belgische regering, dat zij de Maribel quater-regeling in haar geheel als een algemene maatregel beschouwde, en dat zij daartegen geen bezwaar zou maken op grond van artikel 92, lid 1, van het Verdrag.
11 Het Koninkrijk België voegde zich daarentegen vóór de instelling van het onderhavige beroep niet naar de door het tweede deel van artikel 2, eerste zin, van beschikking 97/239 opgelegde verplichting tot terugvordering van de in het kader van de Maribel bis/ter-regeling toegekende steun.
12 Tussen de Belgische regering en de Commissie vonden besprekingen plaats teneinde de moeilijkheden te overwinnen die de Belgische regering voor de niet-terugvordering van deze steun aanvoerde. Deze besprekingen lijken een aanvang te hebben genomen op een vergadering tussen vertegenwoordigers van de Belgische regering en ambtenaren van de Commissie op 13 januari 1997.
13 De Belgische regering beriep zich op de volgende moeilijkheden: de opheffing of het faillissement van sommige ondernemingen, de samenvloeiing tussen de bijdrageverminderingen van de Maribel bis/ter-regeling, de inaanmerkingneming van de diverse financieringsvormen waarop de ondernemingen recht zouden hebben gehad indien zij deze verminderingen niet hadden gekregen, de berekeningsproblemen in verband met de eventuele aftrek van de terug te betalen bedragen van de nieuwe Maribel quater-verminderingen, het grote aantal begunstigde ondernemingen waarvoor de verminderingen van kwartaal tot kwartaal aan de hand van het aantal tewerkgestelde arbeiders zouden moeten worden berekend, en kort gezegd, de hoge kosten en de ondraaglijke werklast die een dergelijke terugvorderingsoperatie voor de bevoegde instanties zou meebrengen.
14 De Belgische regering voerde aan dat een forfaitaire berekening van het bedrag van de terug te vorderen steun noodzakelijk was.
15 Tevens verzocht zij om toepassing van de de-minimisregel en stelde zij dat ondernemingen met minder dan 50 werknemers ingevolge deze regel de betrokken steun niet dienden terug te betalen.
16 De Commissie was in beginsel niet gekant tegen toepassing van de de-minimisregel en evenmin tegen eventuele verrekening van de terug te betalen bedragen met de nieuwe Maribel quater-verminderingen.
17 Zij verzocht de Belgische regering evenwel diverse malen, haar voorstel inzake forfaitaire berekening te verduidelijken en de terugvordering van de betrokken steun volgens de voorgestelde methode te concretiseren. Ongerust over het zeer vage karakter van de forfaitaire berekening, verzette de Commissie zich tegen elke berekeningsmethode waarbij het bedrag van de bijdrageverminderingen die de ondernemingen daadwerkelijk hadden gekregen, buiten beschouwing zou worden gelaten.
18 Omdat er na maandenlange besprekingen nog geen concrete voorstellen inzake de terugvordering van de steun waren gedaan, verzocht de Commissie de Belgische regering bij brief van 4 mei 1998 om binnen 15 werkdagen vanaf de datum van de onderhavige brief een concreet, gedetailleerd en werkbaar voorstel over de terugvordering te doen".
19 Daar zij geen genoegen kon nemen met het antwoord van de Belgische regering, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Het vervolg van de besprekingen na de instelling van het onderhavige beroep
20 Blijkens de antwoorden van de partijen op een vraag van het Hof werden de besprekingen in januari 1999 hervat na een onderbreking wegens de instelling van het onderhavige beroep. De Belgische regering heeft toen met de Commissie verschillende versies bestudeerd van een ontwerpprotocol" dat zij voorstelde om het probleem van de terugvordering van de Maribel bis/ter-steun op te lossen.
21 De in dat document voorgestelde terugvorderingsmethode is in grote lijnen aanvaard door de Commissie, die de Belgische regering slechts om een aantal preciseringen heeft verzocht.
22 De terugvordering van de Maribel bis/ter-steun is vervolgens geregeld bij de wet van 24 december 1999 houdende sociale en diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad van 31 december 1999, 3de uitgave, blz. 50467).
23 Sommige modaliteiten van die regeling worden evenwel betwist door de Commissie, die de Belgische regering heeft gewezen op de noodzaak wijzigingen in die wet aan te brengen. Er lijkt met name nog onenigheid te bestaan over een aspect van de toepassing van de de-minimisregel alsook over de gestelde dubbelzinnigheid van de wet voorzover deze de betrokken ondernemingen een dubbele fiscale aftrek van het terug te betalen bedrag lijkt toe te staan.
Ten gronde
De relevante datum voor de vaststelling van een niet-nakoming
24 De in artikel 93, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag voorziene beroepsgang is niet meer dan een variant van het beroep wegens niet-nakoming, specifiek aangepast aan de bijzondere problemen die steunmaatregelen van staten meebrengen voor de mededinging op de gemeenschappelijke markt (arrest van 14 februari 1990, Frankrijk/Commissie, Boussac Saint Frères", C-301/87, Jurispr. blz. I-307, punt 23).
25 In het kader van procedures krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) moet de vraag of verplichtingen niet zijn nagekomen, worden beantwoord naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en kan het Hof geen rekening houden met sedertdien opgetreden wijzigingen (zie, bijvoorbeeld, arrest van 23 mei 2000, Commissie/Italië, C-58/99, Jurispr. blz. I-3811, punt 17).
26 Aangezien artikel 93, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag, anders dan artikel 169 van het Verdrag, niet voorziet in een precontentieuze procedure en de Commissie derhalve geen met redenen omkleed advies uitbrengt waarin de lidstaten een termijn voor nakoming van haar beschikking wordt gesteld, kan de in aanmerking te nemen termijn voor de toepassing van de eerst aangehaalde bepaling slechts de termijn zijn die is bepaald in de beschikking waarvan de niet-uitvoering wordt bestreden of, in voorkomend geval, de vervolgens door de Commissie gestelde termijn.
27 Wat de in casu gestelde termijn betreft, wordt door artikel 3 van beschikking 97/239 aan de Belgische regering een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving ervan gegeven om de Commissie op de hoogte te brengen van de maatregelen die zij heeft genomen om aan die beschikking te voldoen, daaronder begrepen de maatregelen tot terugvordering van de toegekende steun. Na lange besprekingen tussen partijen over de door de Belgische regering ondervonden moeilijkheden, heeft de Commissie in haar brief van 4 mei 1998 een nieuwe termijn vastgesteld, die vijftien dagen na de datum van deze brief verstreek.
28 Gelet op de daadwerkelijk ondervonden moeilijkheden en op de rechtspraak inzake de verplichting voor zowel de lidstaten als de gemeenschapsinstellingen tot loyale samenwerking (zie arrest van 22 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C-261/99, Jurispr. blz. I-2537, punt 24), kan niet worden betwist, dat de in artikel 3 van beschikking 97/239 vastgestelde termijn werd vervangen door de in de brief van 4 mei 1998 gestelde termijn. Derhalve dient deze laatste termijn relevant te worden geacht, en moet worden vastgesteld dat de initiatieven en maatregelen die de Belgische regering na het verstrijken van deze termijn heeft genomen, niet in aanmerking mogen worden genomen.
De gestelde onmogelijkheid om de toegekende bedragen terug te vorderen
29 Niet betwist wordt dat de Belgische autoriteiten de onwettig toegekende Maribel bis/ter-steun niet hebben teruggevorderd binnen de gestelde termijn, te weten binnen de in punt 28 van dit arrest vastgestelde termijn.
30 Volgens vaste rechtspraak is het enige verweer dat een lidstaat tegen een door de Commissie krachtens artikel 93, lid 2, van het Verdrag ingesteld beroep wegens niet-nakoming kan aanvoeren, de volstrekte onmogelijkheid om de beschikking correct uit te voeren (zie arresten van 4 april 1995, Commissie/Italië, C-348/93, Jurispr. blz. I-673, punt 16; 29 januari 1998, Commissie/Italië, C-280/95, Jurispr. blz. I-259, punt 13, en arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 23).
31 Dat een lidstaat tegen een dergelijk beroep geen ander verweermiddel kan aanvoeren dan de volstrekte onmogelijkheid van uitvoering, belet niet, dat de staat die bij de uitvoering van een beschikking van de Commissie inzake steunmaatregelen op niet voorziene en onvoorzienbare moeilijkheden stuit, of zich bewust wordt van gevolgen die de Commissie niet voor ogen heeft gehad, deze problemen aan laatstgenoemde voorlegt en daarbij passende wijzigingen van de betrokken beschikking voorstelt. Op grond van het met name in artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) tot uitdrukking gebrachte beginsel dat de lidstaten en de gemeenschapsinstellingen over en weer tot loyale samenwerking verplicht zijn, moeten de Commissie en de lidstaat in een dergelijk geval te goeder trouw samenwerken om met volledige inachtneming van de verdragsbepalingen, inzonderheid die betreffende de steunmaatregelen, de moeilijkheden te overwinnen (zie arresten van 2 februari 1989, Commissie/Duitsland, 94/87, Jurispr. blz. 175, punt 9; 4 april 1995, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 17; 27 juni 2000, Commissie/Portugal, C-404/97, Jurispr. blz. I-4897, punt 40, en arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 24).
32 Aan de voorwaarde van volstrekte onmogelijkheid van uitvoering wordt niet voldaan wanneer de verwerende regering zich ertoe beperkt, de Commissie in kennis te stellen van de juridische, politieke of praktische problemen die de uitvoering van de beschikking meebrengt, zonder tegen de betrokken ondernemingen tot enigerlei actie over te gaan om de steun terug te krijgen en zonder de Commissie alternatieven voor de uitvoering van de beschikking voor te stellen waardoor de moeilijkheden hadden kunnen worden overwonnen (zie arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 10; arresten van 10 juni 1993, Commissie/Griekenland, C-183/91, Jurispr. blz. I-3131, punt 20, en 29 januari 1998, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 14).
Argumenten van partijen
33 De Commissie verwijt het Koninkrijk België dat het geen maatregelen tot terugvordering van de toegekende Maribel bis/ter-steun heeft getroffen, terwijl deze terugvordering niet volstrekt onmogelijk was. Dienaangaande klaagt zij erover dat het Koninkrijk België geen initiatieven heeft genomen om te proberen die steun bij de begunstigde ondernemingen terug te vorderen.
34 Zij betreurt tevens dat de Belgische regering geen alternatieven voor de uitvoering van beschikking 97/239 heeft voorgesteld teneinde de bij de terugvordering van de betrokken steun ondervonden moeilijkheden te overwinnen. Meer in het bijzonder verwijt de Commissie haar dat zij haar voorstellen betreffende een verrekeningsmethode en een forfaitaire berekening niet heeft verduidelijkt, ondanks herhaalde verzoeken hiertoe.
35 De Belgische regering antwoordt dat zij met bekwame spoed te werk is gegaan om de betrokken steun terug te vorderen, maar onoverkomelijke moeilijkheden heeft ondervonden voor de juiste berekening - per kwartaal - van de bijdrageverminderingen die de betrokken ondernemingen hadden gekregen.
36 Zij voegt eraan toe dat zij bij gebreke van een algemene oplossing van dit probleem beschikking 97/239 niet slechts jegens sommige betrokken ondernemingen kon uitvoeren zonder het beginsel van gelijke behandeling te schenden.
37 De Belgische regering geeft een omstandige uiteenzetting van de moeilijkheden die volgens haar het gevolg zijn van twee bijzonderheden van het Belgische socialezekerheidssysteem:
- In de eerste plaats zou de onderneming die wordt verplicht tot terugbetaling van ontvangen Maribel bis/ter-steun, in een situatie komen te verkeren die hoogstens gedurende een periode van 30 dagen kan worden gehandhaafd, aangezien de onderneming anders niet meer in aanmerking komt voor andere verminderingen van sociale lasten waarvoor andere voorwaarden gelden. Het spreekt evenwel vanzelf dat een dergelijke terugbetaling onmogelijk binnen een termijn van 30 dagen kan plaatsvinden.
- In de tweede plaats zou het in elk geval uitgesloten zijn om berekeningen te verrichten over de periode vóór 1994, aangezien de Maribel-regelingen een ondeelbaar geheel vormden en het computersysteem vóór deze datum geen onderscheid maakte tussen de voordelen van de aanvankelijke Maribel-regeling en die van de Maribel bis/ter-regeling.
38 Volgens de Belgische regering konden de ondervonden moeilijkheden alleen door een forfaitaire berekening van het terug te vorderen bedrag worden overwonnen, welke oplossing door de Commissie evenwel van de hand werd gewezen.
39 In dit verband verwijt de Belgische regering de Commissie dat zij niet constructief heeft samengewerkt om een aanvaardbare oplossing voor het probleem van de terugvordering van de betrokken steun te vinden. Zij beklemtoont dat de verplichting tot loyale samenwerking de gemeenschapsinstellingen evenzeer bindt als de lidstaten.
Beoordeling door het Hof
40 Er zij aan herinnerd dat het Hof in punt 90 van het reeds aangehaalde arrest België/Commissie heeft geoordeeld dat het feit dat de moeilijkheden zich ontegenzeglijk zouden voordoen, nog niet bewees dat terugvordering van de betrokken steun absoluut onmogelijk was en dat een dergelijke absolute onmogelijkheid reeds bestond op het ogenblik waarop de Commissie beschikking 97/239 gaf.
41 Zoals de advocaat-generaal in punt 25 van zijn conclusie heeft vastgesteld, hebben de Belgische autoriteiten er zich in de praktijk toe beperkt te wijzen op technische en administratieve moeilijkheden die bij die terugvordering zouden ontstaan, voornamelijk wegens het groot aantal betrokken ondernemingen en de noodzaak het bedrag van de steun - per kwartaal - vast te stellen aan de hand van het daadwerkelijke aantal in die ondernemingen tewerkgestelde arbeiders.
42 Met betrekking tot dergelijke moeilijkheden heeft het Hof in een soortgelijke zaak het argument afgewezen dat het grote aantal betrokken ondernemingen de terugvordering absoluut onmogelijk kan maken (arrest van 29 januari 1998, Commissie/Italië, reeds aangehaald). In punt 23 van dit arrest heeft het Hof meer in het bijzonder vastgesteld dat ook al zou de terugvordering van een belastingkrediet op administratief vlak problemen opleveren, op grond van die omstandigheid de terugvordering niet als technisch niet-uitvoerbaar kan worden beschouwd.
43 Tot op de relevante datum voor de vaststelling van de niet-nakoming heeft de Belgische regering geen enkele actie ondernomen om de betrokken steun bij de begunstigde ondernemingen terug te vorderen. Het lijkt evenwel niet absoluut onmogelijk te zijn geweest om met de terugvordering van deze steun te beginnen bij bepaalde ondernemingen, te weten ondernemingen die met eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling worden geselecteerd, en die ondernemingen te vrijwaren tegen de nadelen die uit de bijzonderheden van het Belgische socialezekerheidssysteem voortvloeien.
44 Tevens dient te worden vastgesteld dat het Koninkrijk België onvoldoende met de Commissie heeft samengewerkt om een oplossing voor het probleem van de terugvordering van de betrokken steun te vinden.
45 Het is waar dat de Belgische regering een verrekeningsmethode heeft voorgesteld die in wezen berustte op een forfaitaire berekening van de door elke onderneming te betalen bedragen.
46 De Commissie heeft evenwel terecht opgemerkt dat de voorgestelde forfaitaire berekening van de terug te vorderen steun vaag was geformuleerd.
47 Ondanks herhaalde verzoeken van de Commissie heeft de Belgische regering haar geen aanwijzingen verstrekt waardoor de aard en de precieze inhoud van deze berekeningswijze duidelijk konden worden. In het bijzonder heeft zij niet aangegeven welke elementen als forfaitair" moesten worden beschouwd.
48 Bovendien heeft de Belgische regering op een bepaald ogenblik tijdens de onderhandelingen zelf verklaard, ernstige twijfels te hebben over de haalbaarheid van haar verrekeningsmethode, en heeft zij de Commissie op de hoogte gebracht van haar aarzelingen dienaangaande.
49 Derhalve kon de Commissie bij gebreke van nadere inlichtingen niet anders dan verklaren dat een eventuele forfaitaire berekening waarbij geen rekening zou worden gehouden met het bedrag van de bijdrageverminderingen die de ondernemingen daadwerkelijk hadden gekregen, onaanvaardbaar was.
50 Met betrekking tot het gebrek aan samenwerking dat de Belgische regering aan de Commissie verwijt, dient te worden vastgesteld dat de lidstaat tot wie de beschikking is gericht waarin de terugvordering van onwettig betaalde steun wordt gelast, verplicht is om als eerste voorstellen te doen in geval van moeilijkheden.
51 Bij gebreke van communautaire bepalingen betreffende de procedure voor terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen, moet onrechtmatig toegekende steun in beginsel worden teruggevorderd op de in het nationale recht bepaalde wijze (zie arrest van 20 maart 1997, Alcan Deutschland, C-24/95, Jurispr. blz. I-1591, punt 24). De lidstaat is dus het best in staat om te bepalen welke modaliteiten voor een dergelijke terugvordering geschikt zijn.
52 In die omstandigheden kan de Commissie geen gebrek aan samenwerking worden verweten. Voorts heeft zij onverwijld de toepassing van de de-minimisregel aanvaard en heeft zij zich tijdens de onderhandelingen verschillende keren bereid verklaard om een concreet voorstel betreffende een forfaitaire berekening te aanvaarden. Zij heeft dus op actieve wijze haar best gedaan om samen te werken door het weinige aan gedane en aanvaardbare voorstellen te aanvaarden.
53 Uit het voorgaande volgt dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen vast te stellen om bij de begunstigde ondernemingen de steun terug te vorderen die is toegekend in het kader van de Maribel bis/ter-regeling, die bij beschikking 97/239 onwettig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten ingevolge artikel 189, vierde alinea, van het Verdrag, alsmede de artikelen 2 en 3 van die beschikking.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
54 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen vast te stellen om bij de begunstigde ondernemingen de steun terug te vorderen die is toegekend in het kader van de Maribel bis/ter-regeling, die bij beschikking 97/239/EG van de Commissie van 4 december 1996 betreffende steunmaatregelen van de Belgische regering in het kader van de Maribel bis/ter-regeling onwettig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, is het Koninkrijk België de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten ingevolge artikel 189, vierde alinea, EG-Verdrag (thans artikel 249, vierde alinea, EG), alsmede de artikelen 2 en 3 van die beschikking.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy