Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Termijnen - Verval van recht - Heropening - Voorwaarde - Nieuw feit - Besluit waarbij criteria voor indeling in rang bij aanwerving worden gewijzigd
(Ambtenarenstatuut, art. 31, lid 2, 90 en 91)
2. Ambtenaren - Gelijke behandeling - Aanwerving - Indeling in rang - Nieuw onderzoek - Recht om nieuw onderzoek te vragen beperkt tot na arrest van 5 oktober 1995, T-17/95, aangeworven ambtenaren - Geen objectieve rechtvaardiging
(Ambtenarenstatuut, art. 5, lid 3)
Samenvatting
1. Het besluit van de Commissie van 7 februari 1996, waarbij de criteria voor de indeling in rang van na 5 oktober 1995 aangeworven ambtenaren zijn gewijzigd, heeft algemene gelding en zet een aantal definitief geworden administratieve besluiten op de helling. Dit besluit vormt daardoor een nieuw feit dat bezwarend kan zijn voor ambtenaren die vóór 5 oktober 1995 waren aangeworven, en dat hun de mogelijkheid biedt om binnen de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut bepaalde termijnen een verzoek tot herziening van hun indeling in te dienen.
( cf. punt 49 )
2. Het besluit van 7 februari 1996, dat na het arrest van 5 oktober 1995, Alexopoulou, T-17/95, is vastgesteld en waarbij de criteria voor de indeling in de rang van na 5 oktober 1995 aangeworven ambtenaren zijn gewijzigd, maakt inbreuk op het in artikel 5, lid 3, van het Statuut verwoorde algemene beginsel van gelijke behandeling, aangezien het verschil in behandeling bestaande in het feit dat de na 5 oktober 1995 aangestelde ambtenaren van de Commissie een nieuw onderzoek van hun indeling in rang konden vragen, terwijl degenen die vóór die datum waren benoemd, dat niet meer konden, niet objectief wordt gerechtvaardigd door het feit dat 5 oktober 1995 de datum van uitspraak van dat arrest is.
De uitvoering van dat arrest bracht immers niet de verplichting mee om voor ambtenaren die niet bij het geding betrokken waren, die datum als datum van inwerkingtreding van het besluit van 7 februari 1996 te nemen. Zo de Commissie met dit besluit haar zorgplicht al is nagekomen jegens de ambtenaren die na 5 oktober 1995 waren aangesteld en het besluit betreffende hun indeling niet binnen de gestelde termijn hadden bestreden, valt niet te rechtvaardigen of zelfs maar in te zien, waarom zij deze plicht niet eveneens is nagekomen jegens de ambtenaren die tussen 1983 en 5 oktober 1995 waren aangesteld en zich in dezelfde situatie bevonden.
( cf. punten 55-57 )
Partijen
In zaak C-389/98 P,
H. Gevaert, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Merelbeke (België), vertegenwoordigd door N. Lhoëst, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirant,
betreffende hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Eerste kamer) van 19 augustus 1998, Gevaert/Commissie (T-160/97, JurAmbt. blz. I-A-465 en II-1363), strekkende tot vernietiging van die beschikking,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Valsesia, C. Berardis-Kayser en F. Duvieusart-Clotuche als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, P. Jann en L. Sevón (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: L. Hewlett, administrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 15 december 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 maart 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 2 november 1998, heeft rekwirant krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 19 augustus 1998, Gevaert/Commissie (T-160/97, JurAmbt. blz. I-A-465 en II-1363; hierna: bestreden beschikking"), voorzover daarbij zijn beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 augustus 1996, houdende afwijzing van zijn verzoek om herziening van zijn indeling in rang, is verworpen.
Toepasselijke regeling en feiten
2 Artikel 5, lid 3, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Statuut") bepaalt:
Voor de ambtenaren die tot eenzelfde categorie of groep behoren, gelden onderscheidenlijk dezelfde bepalingen met betrekking tot aanwerving en loopbaan."
3 Artikel 31 van het Statuut luidt als volgt:
1. De aldus gekozen kandidaten worden aangesteld:
- in de aanvangsrang van hun categorie of groep, indien het ambtenaren betreft van categorie A of van de groep voor de talendienst;
- in de aanvangsrang welke overeenkomt met het ambt waarvoor zij zijn aangeworven, indien het ambtenaren der andere categorieën betreft.
2. Het tot aanstelling bevoegde gezag kan echter van bovenstaande bepalingen binnen de volgende grenzen afwijken:
a) voor de rangen A 1, A 2, A 3 en LA 3:
- voor de helft van het aantal opengevallen plaatsen,
- voor tweederde van het aantal nieuwe plaatsen;
b) voor de overige rangen:
- voor eenderde van het aantal opengevallen plaatsen,
- voor de helft van het aantal nieuwe plaatsen.
Behoudens voor rang LA 3 geldt deze bepaling per reeks van zes te bezetten ambten in iedere rang."
4 Op het beroep van een ambtenaar verklaarde het Gerecht het besluit houdende indeling van de betrokkene nietig (arrest Gerecht van 5 oktober 1995, Alexopoulou/Commissie, T-17/95, JurAmbt. blz. I-A-227 en II-683).
5 Die ambtenaar was in de aanvangsrang van zijn categorie ingedeeld op basis van een intern besluit van 1 september 1983 inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving (hierna: besluit van 1 september 1983"), waarbij de Commissie had afgezien van de haar bij artikel 31, lid 2, van het Statuut verleende discretionaire bevoegdheid. Met betrekking tot dit besluit oordeelde het Gerecht evenwel, dat volgens de rechtspraak de uitoefening van de bij artikel 31, lid 2, van het Statuut aan het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: TABG") verleende discretionaire bevoegdheid weliswaar kan worden geregeld bij een intern besluit zoals het besluit van 1 september 1983, doch dat de Commissie niet bij wege van een eenvoudig besluit de rechtsgevolgen van de bepalingen van het Statuut kan beknotten of beperken. Bijgevolg kon de Commissie volgens het Gerecht niet volledig afstand doen van de haar bij artikel 31, lid 2, van het Statuut verleende bevoegdheid door zich volledig het recht te ontzeggen een ambtenaar bij zijn aanwerving in een andere rang dan de aanvangsrang van de loopbaan aan te stellen, en maakte het besluit van 1 september 1983 inbreuk op het Statuut.
6 Het Gerecht benadrukte in het bijzonder dat, om te vermijden dat artikel 31, lid 2, van het Statuut elke juridische betekenis verliest, het TABG in bijzondere omstandigheden, zoals in het geval van een kandidaat met uitzonderlijke kundigheden, in concreto dient te beoordelen, of die bepaling moet worden toegepast. Dit geldt met name wanneer de specifieke behoeften van de dienst de aanstelling van een bijzonder kundige persoon vereisen en derhalve toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut rechtvaardigen, of wanneer de aangeworven persoon uitzonderlijke kundigheden bezit en om toepassing van die bepaling verzoekt. Het Gerecht preciseerde evenwel, dat gezien de grote verscheidenheid van de door de sollicitanten naar een Europees ambt aangetoonde beroepservaringen, het TABG in het kader van de artikelen 31 en 32, tweede alinea, van het Statuut of de interne besluiten ter uitvoering hiervan, bij de beoordeling van de vroegere beroepservaring van iemand die als ambtenaar wordt aangeworven, over een discretionaire bevoegdheid beschikt, zowel met betrekking tot de aard en de duur van die beroepservaring als ten aanzien van de mate waarin zij relevant is voor het te bekleden ambt (arrest Alexopoulou/Commissie, reeds aangehaald, punt 21).
7 Ten vervolge op het reeds aangehaalde arrest Alexopoulou/Commissie stelde de Commissie op 7 februari 1996 een besluit vast (hierna: besluit van 7 februari 1996"), gepubliceerd in de Mededelingen van de Administratie van 27 maart 1996, waarbij het besluit van 1 september 1983 werd gewijzigd. Voortaan luidt artikel 2, eerste alinea, van dit laatste besluit als volgt:
Het [TABG] stelt de ambtenaar op proef aan in de aanvangsrang van de loopbaan waarvoor hij is aangeworven.
Bij wijze van uitzondering kan het [TABG] besluiten de ambtenaar op proef in een hogere rang van de loopbaan in te delen, wanneer het dienstbelang de aanwerving vereist van een bijzonder gekwalificeerd ambtenaar of wanneer de aangeworven ambtenaar over buitengewone kwalificaties beschikt."
8 Het besluit van 7 februari 1996 bepaalt, dat het in werking treedt op 5 oktober 1995, datum van uitspraak van het reeds aangehaalde arrest Alexopoulou/Commissie.
9 Een groot aantal ambtenaren heeft krachtens artikel 31, lid 2, van het Statuut verzocht om indeling in de hoogste rang van de loopbaan. Bij het Gerecht zijn meer dan 80 beroepen ingesteld, waarin is verzocht om nietigverklaring van een aanstellingsbesluit of van een besluit waarbij een verzoek om herziening van een besluit houdende indeling in rang was afgewezen.
10 De ambtenarenloopbaan van rekwirant en de voor zijn geschil met de Commissie relevante beslissingen kunnen chronologisch als volgt worden weergegeven:
- 18 januari 1995: aanstelling als ambtenaar op proef bij de Commissie in een ambt van adjunct-assistent met indeling in rang B 5, salaristrap 3, per 1 september 1994;
- 6 juni 1995: aanstelling in vaste dienst per 1 juni 1995;
- 5 oktober 1995: arrest Alexopoulou/Commissie, reeds aangehaald, en inwerkingtreding van het besluit van 7 februari 1996;
- 7 februari 1996: algemeen besluit van de Commissie houdende wijziging van het besluit van 1 september 1983;
- 27 maart 1996: publicatie van het besluit van 7 februari 1996 in de Mededelingen van de Administratie;
- 24 juni 1996: verzoek om herziening van de indeling in rang;
- 26 augustus 1996: afwijzing van dit verzoek;
- 25 november 1996: indiening van een klacht;
- 3 februari 1997: uitdrukkelijk afwijzend besluit, betekend op 24 februari 1997;
- 23 mei 1997: instelling van het beroep bij het Gerecht.
De bestreden beschikking
11 Op een door de Commissie opgeworpen exceptie verklaarde het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk, op grond dat het besluit van 7 februari 1996 geen nieuw feit vormde dat de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde termijn om beroep in te stellen tegen het besluit van 18 januari 1995 houdende indeling van rekwirant, opnieuw kon doen ingaan.
12 In punt 33 van de beschikking stelde het Gerecht vast, dat rekwirant niet binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn van drie maanden een klacht had ingediend tegen het besluit van het TABG van 18 januari 1995 betreffende zijn indeling bij aanwerving. In punt 34 herinnerde het eraan, dat een ambtenaar de voorwaarden van zijn aanvankelijke aanwerving niet kan betwisten nadat deze definitief is geworden.
13 Aangaande het verzoek van rekwirant om herziening van de indeling in rang overwoog het Gerecht in de punten 35 en 36 van de bestreden beschikking, dat zelfs indien dit verzoek aldus diende te worden uitgelegd dat het slechts strekte tot herziening van zijn indeling op het ogenblik van het verzoek en niet van zijn indeling bij aanwerving, dit niet wegnam dat dit op artikel 31, lid 2, van het Statuut gebaseerde verzoek noodzakelijkerwijs een betwisting inhield van de voorwaarden van zijn aanvankelijke aanwerving of althans indirect het definitief geworden besluit van het TABG van 18 januari 1995 op de helling kon zetten.
14 Na in punt 37 van de bestreden beschikking te hebben gewezen op het beginsel dat alleen een nieuw en wezenlijk feit een verzoek om een nieuw onderzoek van een niet tijdig betwist besluit kan rechtvaardigen, overwoog het Gerecht in punt 39, dat het besluit van 7 februari 1996 naar zijn aard en juridische strekking geen nieuw feit kon vormen, aangezien het niet ertoe strekte of ertoe leidde, dat vóór de inwerkingtreding van het besluit definitief geworden besluiten op de helling werden gezet.
15 In punt 40 van de bestreden beschikking oordeelde het Gerecht, dat de vaststelling van de datum van inwerkingtreding van het besluit van 7 februari 1996 op 5 oktober 1995, dat wil zeggen op de dag van uitspraak van het reeds aangehaalde arrest Alexopoulou/Commissie, betekende dat het besluit alleen gold voor na 5 oktober 1995 aangeworven ambtenaren. In punt 42 overwoog het Gerecht, dat de Commissie met dit besluit alleen een noodzakelijke wijziging aan het besluit van 1 september 1983 had aangebracht om aan bovengenoemd arrest te voldoen.
16 Verder benadrukte het Gerecht in punt 43 van de bestreden beschikking, dat artikel 31, lid 2, van het Statuut geen regel bevat die op alle ambtenaren moet worden toegepast, maar integendeel aan het TABG de discretionaire bevoegdheid verleent om - bij wijze van uitzondering - een ambtenaar bij zijn aanwerving in de hoogste rang van zijn loopbaan aan te stellen. Verder herinnerde het Gerecht eraan, dat het TABG volgens het reeds aangehaalde arrest Alexopoulou/Commissie in de regel niet van geval tot geval dient na te gaan, of artikel 31, lid 2, van het Statuut dient te worden toegepast, en evenmin het besluit om deze bepaling niet toe te passen, dient te motiveren.
17 Op grond van de overweging dat de bevoegdheid van de administratie om een ambtenaar bij zijn aanwerving in de hoogste rang van de aanvangsloopbaan en de middenloopbaan aan te stellen, als een uitzondering op de algemene indelingsregels moet worden gezien, concludeerde het Gerecht in punt 44 van de bestreden beschikking, dat het besluit van 7 februari 1996 niet bezwarend kon zijn voor rekwirant en voor hem dus geen nieuw feit kon vormen.
18 Gelet op het voorgaande, met name op het uitzonderingskarakter van artikel 31, lid 2, van het Statuut, concludeerde het Gerecht in punt 45 van de bestreden beschikking, dat de afwijzing door de Commissie van een na het verstrijken van de klachttermijn ingediend verzoek om herindeling in rang geen inbreuk maakte op het beginsel van gelijke behandeling.
19 Verder verwierp het Gerecht in punt 46 van de bestreden beschikking het argument van rekwirant dat de Commissie haar zorgplicht niet was nagekomen, op grond dat die plicht niet tot gevolg kon hebben dat de administratie een gemeenschapsbepaling zou moeten uitleggen op een wijze die indruist tegen de precieze bewoordingen ervan. Artikel 31, lid 2, van het Statuut kon in casu niet aldus worden uitgelegd, dat het op alle ambtenaren moest worden toegepast.
20 Verder verwierp het Gerecht in de punten 47 en 48 van de bestreden beschikking het argument dat de Commissie tegenstrijdig zou hebben gehandeld door in casu het verzoek van rekwirant om een nieuw onderzoek van de indeling in rang af te wijzen, terwijl zij met het besluit van 1 september 1983 alle volgens de oude criteria ingedeelde ambtenaren de mogelijkheid had geboden, om herziening van hun indeling te verzoeken. Volgens het Gerecht had de in 1983 geboden mogelijkheid slechts betrekking op een nieuw onderzoek volgens de ten tijde van de aanvankelijke aanwerving van de ambtenaren geldende indelingscriteria, terwijl rekwirant verzocht om een nieuw onderzoek van zijn indeling volgens de nieuwe, bij het besluit van 7 februari 1996 ingevoerde criteria.
21 Het Gerecht oordeelde, dat rekwirant geen nieuwe feiten had aangevoerd die de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde termijnen opnieuw konden doen ingaan, en concludeerde in punt 50 van de bestreden beschikking, dat het besluit van 18 januari 1995 niet meer kon worden aangevochten, zodat het beroep niet-ontvankelijk diende te worden verklaard.
De hogere voorziening
22 De hogere voorziening berust op drie middelen, ontleend aan schending van het gemeenschapsrecht: in de eerste plaats, onjuiste juridische kwalificatie van het verzoek van rekwirant, in de tweede plaats, onjuiste juridische kwalificatie van het besluit van 7 februari 1996 en schending van het beginsel van gelijke behandeling en van artikel 5, lid 3, van het Statuut, en, in derde plaats, tegenstrijdigheid in de motivering van de bestreden beschikking.
23 Met zijn eerste middel, dat betrekking heeft op de punten 35 tot en met 37 van de bestreden beschikking, stelt rekwirant, dat het Gerecht een onjuiste juridische kwalificatie van de feiten heeft gegeven door te oordelen dat zijn verzoek om herindeling zijn aanvankelijke indeling op de helling dreigde te zetten, terwijl hij had verzocht om herziening van zijn indeling vanaf 5 oktober 1995.
24 Deze onjuiste beoordeling had volgens hem rechtsgevolgen, doordat het Gerecht is nagegaan of een nieuw feit voorhanden was dat tot een nieuw onderzoek van het besluit houdende aanvankelijke indeling van rekwirant kon leiden en aldus de klachttermijn opnieuw kon doen ingaan, terwijl het enkel had moeten nagaan of er sinds de periode waarin de Commissie het besluit houdende aanvankelijke indeling had genomen, een wezenlijke wijziging van de omstandigheden was opgetreden die een verzoek om herziening van de huidige indeling rechtvaardigde.
25 Het tweede middel, dat betrekking heeft op de punten 39 tot en met 45 van de beschikking, is door rekwirant alleen aangevoerd voor het geval het Hof zou oordelen, dat zijn verzoek om herindeling het besluit houdende aanvankelijke indeling op de helling zou kunnen zetten.
26 Volgens rekwirant rechtvaardigde het besluit van de Commissie van 7 februari 1996 een verzoek om herziening van zijn indeling, aangezien het een nieuw feit was of althans een wezenlijke wijziging van de omstandigheden sinds de vaststelling van het besluit houdende aanvankelijke indeling. Bijgevolg is het besluit houdende afwijzing van dit verzoek om herziening volgens hem een handeling waartegen beroep kan worden ingesteld, en geen bevestiging van de aanvankelijke indeling.
27 Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, is rekwirant van mening, dat dit nieuwe feit of althans deze wezenlijke wijziging van de omstandigheden kan leiden tot discriminatie tussen vóór en na 5 oktober aangeworven ambtenaren en dus tot schending van het beginsel van gelijke behandeling, dat een hogere rechtsregel is. Dit beginsel is met name verwoord in artikel 5, lid 3, van het Statuut, dat bepaalt dat voor de ambtenaren die tot eenzelfde categorie of groep behoren, [...] onderscheidenlijk dezelfde bepalingen [gelden] met betrekking tot aanwerving en loopbaan".
28 Rekwirant erkent, dat het besluit van de Commissie van 7 februari 1996 hem niet automatisch het recht verleent om in de hoogste rang van zijn loopbaan te worden ingedeeld, gelet op de discretionaire bevoegdheid van het TABG. Hij is evenwel van mening dat, om te vermijden dat artikel 31, lid 2, van het Statuut elke inhoud verliest, dit besluit hem het absolute recht op een beoordeling van zijn kundigheden en van de specifieke behoeften van de dienst verleent en aldus de mogelijkheid creëert dat hij in een andere dan de aanvangsrang van de loopbaan wordt ingedeeld.
29 Bijgevolg heeft het Gerecht volgens hem in strijd met het beginsel van gelijke behandeling en artikel 5, lid 3, van het Statuut geoordeeld, dat het TABG op grond van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid mocht weigeren een objectief onderzoek naar zijn kundigheden in te stellen, omdat artikel 31, lid 2, niet op alle ambtenaren moest worden toegepast.
30 Met het derde middel verwijt rekwirant het Gerecht, dat het zichzelf heeft tegengesproken door enerzijds te oordelen dat het besluit van 7 februari 1996 niet ertoe strekt of tot gevolg heeft dat definitieve indelingsbesluiten - dat wil zeggen indelingsbesluiten die reeds meer dan drie maanden oud zijn - op de helling worden gezet, en anderzijds te aanvaarden dat het besluit geldt voor alle na 5 oktober 1995 aangeworven ambtenaren, dus ook voor die ten aanzien van wie het indelingsbesluit meer dan drie maanden geleden is genomen en dus definitief is.
31 Volgens de Commissie is het middel inzake de onjuiste kwalificatie van het verzoek van rekwirant ongegrond. Zij verwijst in het bijzonder naar de passage in punt 36 van de bestreden beschikking, volgens welke, zelfs indien de stelling van rekwirant wordt gevolgd, [...] dit niet [wegneemt], dat het definitief geworden besluit van het TABG van 18 januari 1995 door dit verzoek indirect op de helling kan worden gezet".
32 Aangaande het tweede middel stelt de Commissie, dat het besluit van 7 februari 1996 enkel beoogt, de in het reeds aangehaalde arrest Alexopoulou/Commissie genoemde beginselen, die zij in acht dient te nemen, voor de transparantie in het besluit van 1 september 1983 te integreren. Een dergelijk besluit is een interne richtlijn die moet worden beschouwd als een indicatieve gedragsregel die de administratie zichzelf oplegt in het kader van de haar verleende beoordelingsbevoegdheid.
33 Aangezien het besluit van 7 februari 1996 alleen het in het reeds aangehaalde arrest Alexopoulou/Commissie genoemde statutaire beginsel overneemt, en een arrest op zichzelf geen nieuw feit ten opzichte van derden kan zijn, kon rekwirant dit besluit volgens de Commissie niet aanvoeren als een nieuw feit dat een verzoek om herziening van zijn indeling kon rechtvaardigen.
34 Aangaande de gestelde schending van het beginsel van gelijke behandeling benadrukt de Commissie, dat de door rekwirant in zijn verzoekschrift aangehaalde rechtspraak niet ter zake dienend is, aangezien deze geldt voor een nieuwe regel die zonder onderscheid van toepassing is op elke ambtenaar die kan aantonen dat hij zich in een bepaalde situatie bevindt, terwijl het geval van rekwirant betrekking heeft op artikel 31, lid 2, van het Statuut, volgens hetwelk het TABG in het kader van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid een ambtenaar bij zijn aanwerving in de hoogste rang van zijn loopbaan kan aanstellen.
35 Op het derde middel antwoordt de Commissie, dat zij met haar besluit van 7 februari 1996 de ambtenaren alleen heeft ingelicht over de strekking van artikel 31, lid 2, van het Statuut, zoals die in het reeds aangehaalde arrest Alexopoulou/Commissie in herinnering is gebracht, zonder evenwel nieuwe rechten te creëren. Zij betwist derhalve, dat er een tegenstrijdigheid zou zijn in de motivering van de bestreden beschikking.
Beoordeling door het Hof
Het eerste middel
36 Aangaande de vraag, of het Gerecht het verzoek van rekwirant onjuist heeft gekwalificeerd door vast te stellen dat hij hiermee de voorwaarden van zijn aanvankelijke aanwerving wilde aanvechten, moet om te beginnen worden vastgesteld, dat het op 24 juni 1996 door hem ondertekende verzoek als hoofding Aanvraag tot herklassering op basis van art. 31 par. 2" vermeldde en dat hij daarin de mening uitdrukte, over voldoende ervaring en kundigheden te beschikken om een nieuw onderzoek van zijn indeling van dat moment te vragen ([...] I believe to have the sufficient experience and skills to demand a review of my actual grade").
37 De op 25 november 1996 door rekwirant ingediende klacht vermeldt als onderwerp herindeling". Volgens deze klacht wordt verzocht om een nieuw onderzoek van zijn administratieve situatie en correcte aanpassing van zijn indeling" en miskent [de Commissie] dus de strekking van het verzoek door te oordelen, dat het een betwisting inhoudt van het besluit houdende aanvankelijke indeling".
38 Dit verzoek berust op artikel 31, lid 2, van het Statuut, dat betrekking heeft op de indeling in rang bij aanwerving van ambtenaren die zijn geslaagd voor een vergelijkend onderzoek dat hen toegang verleent tot het Europees openbaar ambt.
39 Een verzoek om herindeling strekt dus tot herziening van de aanvankelijke indeling in rang op het tijdstip van de aanstelling van de ambtenaar. Dit geval moet worden onderscheiden van een bevordering, die volgens artikel 45, lid 1, van het Statuut hierin bestaat dat de ambtenaar tijdens zijn loopbaan wordt aangesteld in de eerstvolgende hogere rang van de categorie waartoe hij behoort.
40 Zoals het Hof reeds heeft vastgesteld, biedt de bij artikel 31, lid 2, van het Statuut verleende bevoegdheid om een ambtenaar in afwijking van lid 1 van hetzelfde artikel bij wijze van uitzondering in de hoogste en niet in de aanvangsrang van de loopbaan aan te stellen, met de gevolgen die dit voor de begroting heeft, het TABG de mogelijkheid om rekening te houden met de specifieke behoeften van de dienst en met de beroepservaring van de betrokkene op het ogenblik van zijn aanstelling (zie in die zin arrest van 29 juni 1994, Klinke/Hof van Justitie, C-298/93 P, Jurispr. blz. I-3009, punten 14 en 15).
41 Zelfs indien de door rekwirant gevorderde herziening van de indeling slechts zou ingaan op 5 oktober 1995, moesten daarvoor dus zijn bijzondere kundigheden en beroepservaring op de dag van zijn aanvankelijke aanwerving in aanmerking worden genomen.
42 Het Gerecht heeft derhalve in punt 35 van de bestreden beschikking terecht geoordeeld, dat het door rekwirant op grond van artikel 31, lid 2, van het Statuut ingediende verzoek noodzakelijkerwijs ertoe strekte de voorwaarden van zijn aanvankelijke indeling in het geding te brengen.
43 Het eerste middel moet bijgevolg worden afgewezen.
Het tweede middel
44 Om te beginnen moet worden uitgemaakt, welke de strekking is van het besluit van 7 februari 1996. Dit besluit, dat op 27 maart 1996 is gepubliceerd, bepaalt dat het in werking treedt op 5 oktober 1995, datum van uitspraak van het reeds aangehaalde arrest Alexopoulou/Commissie.
45 Dit ter uitvoering van dat arrest genomen besluit heeft de criteria voor de indeling van ambtenaren bij aanwerving, zoals die sedert het besluit van 1 september 1983 door de Commissie werden toegepast, gewijzigd. Ingevolge dit besluit kan de indeling van een bepaalde categorie van ambtenaren, namelijk degenen die na 5 oktober 1995 zijn aangesteld, worden herzien.
46 Aldus zette dit besluit, anders dan het Gerecht in punt 39 van de bestreden beschikking heeft geoordeeld, definitief geworden administratieve besluiten op de helling, aangezien een aantal ambtenaren om herziening van hun indeling hebben kunnen verzoeken terwijl zij niet binnen de termijn beroep hadden ingesteld tegen het besluit waarbij hun indeling bij aanwerving was vastgesteld.
47 Aangaande het argument dat artikel 31, lid 2, van het Statuut geen regel bevat die op alle ambtenaren moet worden toegepast, volstaat de vaststelling dat, zoals het Gerecht zelf heeft geoordeeld, om te vermijden dat artikel 31, lid 2, van het Statuut elke juridische betekenis verliest, [...] het TABG in bijzondere omstandigheden, zoals in het geval van een kandidaat met uitzonderlijke kundigheden, in concreto [dient] te beoordelen, of die bepaling moet worden toegepast. Dit geldt met name wanneer de specifieke behoeften van de dienst de aanstelling van een bijzonder kundige persoon vereisen en derhalve toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut rechtvaardigen [...], of wanneer de aangeworven persoon uitzonderlijke kundigheden bezit en om toepassing van die bepalingen verzoekt" (arrest Alexopoulou/Commissie, reeds aangehaald, punt 21).
48 Bijgevolg beschikt het TABG ten aanzien van de behoeften van de dienst en de beroepservaring van de kandidaat weliswaar over een beoordelingsbevoegdheid, maar ontheft dit hem niet van de verplichting om een verzoek om toepassing van de regel van artikel 31, lid 2, van het Statuut te onderzoeken, wanneer dit verzoek uitgaat van een kandidaat die meent over uitzonderlijke kundigheden te beschikken.
49 Bijgevolg had het besluit van 7 februari 1996, waarbij de indelingscriteria werden gewijzigd, algemene gelding en zette het een aantal definitief geworden administratieve besluiten op de helling. Anders dan het Gerecht in punt 39 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld, vormde dit besluit daardoor een nieuw feit, dat in casu bezwarend kon zijn voor ambtenaren die vóór 5 oktober 1995 waren aangeworven. Dezen moesten dus in staat worden gesteld om binnen de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut bepaalde termijnen bij de Commissie een verzoek om herziening van hun indeling in te dienen.
50 Bijgevolg was het op 24 juni 1996 door rekwirant ingediende verzoek geldig en was het bij het Gerecht ingestelde beroep tegen het besluit houdende afwijzing van dat verzoek ontvankelijk.
51 Aangezien het tweede middel gegrond is, moet de bestreden beschikking worden vernietigd, zonder dat het derde middel behoeft te worden onderzocht.
Gegrondheid van het beroep
52 Daar de zaak in staat van wijzen is, dient het Hof overeenkomstig artikel 54 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA zelf te oordelen over de gegrondheid van het verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 26 augustus 1996 waarbij het verzoek van rekwirant om herziening van zijn indeling in rang is afgewezen.
53 Volgens rekwirant berust dit besluit op een onrechtmatig algemeen besluit. Het besluit van 7 februari 1996 maakt immers inbreuk op het beginsel van gelijke behandeling, daar het niet geldt voor ambtenaren die vóór 5 oktober 1995 zijn aangesteld.
54 Dienaangaande dient te worden opgemerkt, dat het in artikel 5, lid 3, van het Statuut verwoorde beginsel van gelijke behandeling een algemene regel van het communautaire ambtenarenrecht is. Er is sprake van discriminatie wanneer gelijke of vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld en dit verschil niet objectief gerechtvaardigd is (zie in die zin arrest van 2 december 1982, Micheli e.a./Commissie, 198/81-202/81, Jurispr. blz. 4145, punten 5 en 6; over de aanwervingsvoorwaarden, zie arresten van 11 juli 1985, Hattet e.a./Commissie, 66/83-68/83 en 136/83-140/83, Jurispr. blz. 2459, punt 24, en Appelbaum/Commissie, 119/83, Jurispr. blz. 2423, punt 25).
55 In casu worden de ambtenaren die na 5 oktober 1995 zijn aangesteld, door het besluit van 7 februari 1996 bevoordeeld ten opzichte van ambtenaren die vóór die datum waren aangesteld, aangezien eerstgenoemden een nieuw onderzoek van hun indeling hebben kunnen vragen, terwijl laatstgenoemden dat niet meer konden.
56 Dit verschil in behandeling wordt niet objectief gerechtvaardigd door het feit dat 5 oktober 1995 de datum van uitspraak van het reeds aangehaalde arrest Alexopoulou/Commissie is. De uitvoering van dat arrest bracht immers niet de verplichting mee om voor ambtenaren die niet bij het geding betrokken waren, die datum als datum van inwerkingtreding van het besluit van 7 februari 1996 te nemen. Zo de Commissie met dit besluit haar zorgplicht al is nagekomen ten opzichte van de ambtenaren die na 5 oktober 1995 waren aangesteld en het besluit betreffende hun indeling niet binnen de gestelde termijn hadden bestreden, valt niet te rechtvaardigen of zelfs maar in te zien, waarom zij deze plicht niet eveneens is nagekomen ten opzichte van de ambtenaren die tussen 1983 en 5 oktober 1995 waren aangesteld en zich in dezelfde situatie bevonden.
57 Bijgevolg maakte het besluit van 7 februari 1996 inbreuk op het in artikel 5, lid 3, van het Statuut verwoorde beginsel van gelijke behandeling, voorzover het vergelijkbare situaties verschillend behandelde zonder daarvoor zelfs maar een motivering te geven die dit verschil objectief tracht te rechtvaardigen.
58 Bijgevolg moet het besluit van 26 augustus 1996, waarbij het verzoek van rekwirant om herziening van zijn indeling in rang wordt afgewezen, nietig worden verklaard omdat het berust op dat algemene besluit, dat inbreuk maakt op het beginsel van gelijke behandeling.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
59 Volgens artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het zelf de zaak afdoet. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van rekwirant behalve in haar eigen kosten ook te worden verwezen in alle kosten die rekwirant in eerste aanleg en in hogere voorziening zijn opgekomen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Vernietigt de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 19 augustus 1998, Gevaert/Commissie (T-160/97).
2) Verklaart nietig het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 augustus 1996, waarbij het verzoek van rekwirant om herziening van zijn indeling in rang is afgewezen.
3) Verwijst de Commissie van de Europese Gemeenschappen in alle voor het Gerecht en het Hof opgekomen kosten.
Full & Egal Universal Law Academy