Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
[EG-Verdrag, art. 169 (thans art. 226 EG)]
Partijen
In zaak C-391/98,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Kontou-Durande, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van dezelfde dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door N. Dafniou, auditeur bij de bijzondere juridische dienst, sectie EG-recht, van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en I. Chalkias, juridisch adviseur bij de Raad van State, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 93/43/EEG van de Raad van 14 juni 1993 inzake levensmiddelenhygiëne (PB L 175, blz. 1), de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, G. Hirsch en H. Ragnemalm (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juni 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, op 4 november 1998 neergelegd ter griffie van het Hof, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) het Hof verzocht vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 93/43/EEG van de Raad van 14 juni 1993 inzake levensmiddelenhygiëne (PB L 175, blz. 1; hierna: "richtlijn"), de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Ingevolge artikel 16 van de richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen om uiterlijk 30 maanden na de vaststelling van de richtlijn, dat wil zeggen op 14 december 1995, eraan te voldoen, en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Omdat zij geen enkele mededeling over maatregelen tot omzetting van de richtlijn in Grieks recht had ontvangen en ook niet over andere inlichtingen beschikte waaruit zij kon afleiden dat de Helleense Republiek aan die verplichting had voldaan, leidde de Commissie op 27 februari 1996 de procedure van artikel 169 van het Verdrag in met een aanmaningsbrief aan de Griekse regering, waarin zij deze verzocht binnen twee maanden haar opmerkingen te maken.
4 Bij brief van 18 mei 1996 deed de Griekse regering aan de Commissie weten, dat de uitvoeringsregeling in ontwerp gereed was en dat de bevoegde ministeries bezig waren dat ontwerp zijn definitieve vorm te geven.
5 Bij gebreke van verdere informatie over de implementatie van de richtlijn deed de Commissie de Helleense Republiek bij brief van 23 december 1996 een met redenen omkleed advies toekomen, waarin zij haar uitnodigde binnen twee maanden na de betekening van het advies de nodige maatregelen te treffen om de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen na te komen.
6 Toen verdere mededelingen van de Griekse regering over de vaststelling van die maatregelen uitbleven, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
7 De Griekse regering betwist niet, dat de richtlijn niet binnen de gestelde termijn is uitgevoerd. Zij wijst er echter op, dat de tekst van een bestuursrechtelijke regeling reeds door de bevoegde instanties is goedgekeurd en binnenkort door de bevoegde ministers zal worden ondertekend om vervolgens in het Griekse staatsblad te worden bekendgemaakt.
8 Waar de implementatie van de richtlijn niet binnen de gestelde termijn is verwezenlijkt, moet het beroep van de Commissie gegrond worden verklaard.
9 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
10 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Aangezien de Commissie zulks heeft gevorderd en de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om aan richtlijn 93/43/EEG van de Raad van 14 juni 1993 inzake levensmiddelenhygiëne te voldoen, is de Helleense Republiek de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy