Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Prejudiciële vragen - Voorlegging aan Hof - Bepaling van voor te leggen vragen - Exclusieve bevoegdheid van nationale rechter
[EG-Verdrag, art. 177 (thans art. 234 EG)]
2. Gemeenschapsrecht - Beginselen - Bescherming van gewettigd vertrouwen - Grenzen - Wijziging van regeling betreffende gemeenschappelijke ordening van markten - Wijzigingen in premiestelsel in sector ruwe tabak - Beoordelingsvrijheid van instellingen
3. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening van markten - Ruwe tabak - Vervanging van stelsel van verwerkingsquota door stelsel van productiequota tijdens productiejaar - Beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen - Schending - Geen
(Verordening nr. 711/95 van de Raad; verordening nr. 1066/95 van de Commissie)
Samenvatting
1. Artikel 177 van het Verdrag (thans artikel 234 EG) organiseert een rechtstreekse samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties door middel van een niet-contentieuze procedure, die niet afhangt van enig initiatief van partijen en waar partijen alleen schriftelijke opmerkingen kunnen indienen. Volgens deze bepaling staat het aan de nationale rechter en niet aan de partijen in het geding om zich tot het Hof te wenden. Aangezien de bevoegdheid om de aan het Hof voor te leggen vragen te formuleren alleen aan de nationale rechter toekomt, kunnen partijen de inhoud daarvan niet wijzigen.
( cf. punt 29 )
2. Ook al is het vertrouwensbeginsel een van de fundamentele beginselen van de Gemeenschap, de marktdeelnemers mogen niet vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen, handelend krachtens hun discretionaire bevoegdheid, kan worden gewijzigd. Dit is met name het geval op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, die juist een voortdurende aanpassing mogelijk moeten maken, afhankelijk van de wijzigingen van de economische situatie. Hieruit volgt, dat de marktdeelnemers zich niet op een verkregen recht kunnen beroepen om een uit een gemeenschappelijke marktordening voortvloeiend voordeel, dat hun op een bepaald ogenblik is toegekend, te behouden. Dit geldt ook voor de vaststelling van de door een verwerkingsbedrijf bij de levering van tabak door de traditionele producenten betaalde premies, die van jaar tot jaar kunnen worden verlaagd.
( cf. punten 37 en 53 )
3. De omstandigheid dat in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak de regeling van verwerkingsquota in de loop van een productiejaar is vervangen door een regeling van productiequota, namelijk bij verordening nr. 711/95 tot wijziging van verordening nr. 2075/92 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak, levert geen schending op van het vertrouwensbeginsel noch een schending van de beginselen waarop die gemeenschappelijke marktordening is gebaseerd, aangezien de betrokken marktdeelnemers sinds 30 juli 1992, de datum van publicatie van laatstgenoemde verordening, wisten dat de regeling van productiequota met ingang van de oogst 1995 zou worden toegepast en zij vóór de uitplanting van de jonge planten in volle grond - hetgeen in Italië tegen het eind van de maand april geschiedt - op de hoogte waren van de voor die oogst beschikbare hoeveelheden met betrekking tot de in deze lidstaat verbouwde tabakssoorten.
Bovendien is het gewettigd vertrouwen van de tabaksproducenten evenmin geschonden door de wijzigingen die bij verordening nr. 1066/95 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 2075/92 met betrekking tot de quotaregeling in de sector ruwe tabak voor de oogsten 1995, 1996 en 1997, zijn aangebracht in de berekeningsmethode van de aan hen toegekende individuele quota, aangezien deze wijzigingen enkel een aanpassing betreffen van de praktische modaliteiten van voornoemde methode aan de bij verordening nr. 711/95 definitief ingevoerde regeling van productiequota, welke methode gebaseerd blijft op het gemiddelde van de hoeveelheden die in de drie aan het laatste oogstjaar voorafgaande jaren zijn geleverd, verdeeld per soortengroep, met uitzondering echter van de oogst 1992.
( cf. punten 42, 45, 47, 49 en 51 )
Partijen
In zaak C-402/98,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Tribunale amministrativo regionale del Lazio (Italië), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Agricola Tabacchi Bonavicina Snc di Mercati Federica (ATB) e.a.
en
Ministero per le Politiche Agricole,
Azienda di Stato per gli interventi nel mercato agricolo (AIMA),
Mario Pittaro,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van de verordeningen (EG) nr. 711/95 van de Raad van 27 maart 1995 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2075/92 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB L 73, blz. 13), nr. 1066/95 van de Commissie van 12 mei 1995 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad wat de quotaregeling betreft in de sector ruwe tabak voor de oogsten 1995, 1996 en 1997 (PB L 108, blz. 5), en nr. 1067/95 van de Commissie van 12 mei 1995 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 3478/92 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de toepassing van de premieregeling in de sector ruwe tabak (PB L 108, blz. 11),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), kamerpresident, C. Gulmann, J.-P. Puissochet, V. Skouris en F. Macken, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Agricola Tabacchi Bonavicina Snc di Mercati Federica (ATB) e.a., vertegenwoordigd door E. Cappelli, P. de Caterini en A. Bandini, advocaten te Rome,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door D. Del Gaizo, avvocato dello Stato,
- de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door I. Díez Parra en A. Tanca, juridisch adviseurs, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. P. Ruggeri Laderchi, lid van de juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door A. Cevese, advocaat te Vicenza,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Agricola Tabacchi Bonavicina Snc di Mercati Federica (ATB) e.a.; de Italiaanse regering; de Raad, en de Commissie ter terechtzitting van 20 januari 2000,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 februari 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 11 maart 1998, ingekomen bij het Hof op 11 november daaraanvolgend, heeft het Tribunale amministrativo regionale del Lazio het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van de verordeningen (EG) nr. 711/95 van de Raad van 27 maart 1995 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2075/92 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB L 73, blz. 13), nr. 1066/95 van de Commissie van 12 mei 1995 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad wat de quotaregeling betreft in de sector ruwe tabak voor de oogsten 1995, 1996 en 1997 (PB L 108, blz. 5), en nr. 1067/95 van de Commissie van 12 mei 1995 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 3478/92 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de toepassing van de premieregeling in de sector ruwe tabak (PB L 108, blz. 11).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Agricola Tabacchi Bonavicina Snc di Mercati Federica (ATB) en 23 andere tabaksproducenten in Venetië enerzijds (hierna: ATB e.a.") en het Ministero per le Politiche Agricole, Azienda di Stato per gli interventi nel mercato agricolo (AIMA) (overheidsbedrijf voor interventie op de landbouwmarkt) en M. Pittaro anderzijds, naar aanleiding van de toewijzing aan ATB e.a., krachtens de verordeningen nrs. 711/95, 1066/95 en 1067/95, van de productiequota voor de oogst 1995.
De toepasselijke gemeenschapsregeling
3 Teneinde in de sector ruwe tabak, welke sector wordt gekenmerkt door een discrepantie tussen vraag en aanbod, de markten te stabiliseren en de betrokken landbouwbevolking een billijke levensstandaard te verzekeren, is bij verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB L 215, blz. 70) de communautaire regeling betreffende de gemeenschappelijke ordening der markten in deze sector gewijzigd (hierna: GMO voor ruwe tabak"). Bedoelde verordening heeft tot een vereenvoudiging geleid van de regelingen voor het beheer van de markt. Voorts verzekert zij een beheersing van de productie teneinde deze aan te passen aan zowel de behoeften van de markt als de budgettaire eisen, en voorziet zij in een verbeterde controle teneinde te garanderen dat met de beheersregeling de doelstellingen van de GMO ten volle worden bereikt.
4 De premies ten gunste van de traditionele tabaksproducenten, welke premies bij de levering van de tabak worden betaald door het verwerkingsbedrijf, zijn in verordening nr. 2075/92 gehandhaafd. Om echter de communautaire tabaksproductie te beperken en tegelijk de productie van moeilijk verkoopbare soorten tegen te gaan, voorziet voormelde verordening in een algemene garantiedrempel voor de Gemeenschap, onderverdeeld in specifieke drempels per groep tabakssoorten.
5 De achtste overweging van de considerans van verordening nr. 2075/92 luidt als volgt:
overwegende dat, om de inachtneming van de garantiedrempels te garanderen, voor een beperkte periode een regeling met bewerkingsquota moet worden ingesteld; dat het aan de lidstaten staat de bewerkingsquota bij wijze van overgangsregeling en met inachtneming van de vastgestelde garantiedrempels aan de betrokken bedrijven toe te wijzen volgens de daartoe vastgestelde communautaire regels die erop gericht zijn om een billijke toewijzing te waarborgen op basis van de in het verleden bewerkte hoeveelheden, zonder dat evenwel de geconstateerde abnormale productie in aanmerking wordt genomen; dat de nodige maatregelen zullen worden genomen om de quota later adequaat over de producenten te kunnen verdelen; dat de lidstaten die over de nodige gegevens beschikken de quota over de producenten kunnen verdelen op basis van hun productie in het verleden".
6 Artikel 9, leden 3 en 4, van verordening nr. 2075/92, opgenomen onder titel II, genaamd Regeling voor de beheersing van de productie", is als volgt geformuleerd:
3. Op grond van de krachtens lid 2 vastgestelde hoeveelheden en onverminderd het bepaalde in lid 5 wijzen de lidstaten, bij wijze van overgangsregeling voor de oogsten 1993 en 1994, aan de bedrijven voor eerste bewerking bewerkingsquota toe in verhouding tot het per soortengroep berekende gemiddelde van de hoeveelheden die hun in de drie aan het laatste oogstjaar voorafgaande jaren zijn geleverd voor bewerking. De productie in 1992 en de leveranties uit deze oogst worden evenwel niet in aanmerking genomen. Deze verdeling prejudicieert niet op de verdeling van de bewerkingsquota voor de oogst van de daaropvolgende jaren.
(...)
4. De lidstaten kunnen evenwel de quota rechtstreeks over de producenten verdelen indien zij met betrekking tot de productie van alle producenten voor de drie oogsten die aan de laatste oogst voorafgaan, over de nodige juiste gegevens beschikken, uitgesplitst naar geproduceerde en aan een bewerker geleverde soort en hoeveelheid."
7 Bij de verordeningen (EEG) nrs. 3477/92 en 3478/92 van de Commissie van 1 december 1992 (PB L 351, blz. 11 respectievelijk 17) zijn de uitvoeringsbepalingen voor de toepassing van verordening nr. 2075/92 vastgesteld, bij de eerste verordening voor wat betreft de quotaregeling in de sector ruwe tabak voor de oogsten 1993 en 1994 en bij de tweede voor wat betreft de in die sector geldende premieregeling.
8 Verordening nr. 3477/92 preciseert in de zeventiende overweging van de considerans:
de lidstaten [moeten] nu reeds passende maatregelen (...) nemen om over de middelen te beschikken die nodig zijn om de quota vanaf de oogst 1995 rechtstreeks over de producenten te verdelen".
9 Artikel 20 van diezelfde verordening bepaalt:
De lidstaten leggen een database aan waarin voor elk bewerkingsbedrijf en elke producent worden opgenomen gegevens voor de identificatie van hun vestigingen of hun bedrijf, de quota of de hoeveelheden op de hun toegewezen teeltcertificaten en alle andere nuttige gegevens voor enerzijds de controle op de quotaregeling en anderzijds de rechtstreekse verdeling van de quota over de producenten vanaf de oogst 1995."
10 Bij verordening nr. 711/95 is verordening nr. 2075/92 gewijzigd, waarmee tevens een einde is gekomen aan de overgangsregeling van toewijzing van de quota aan de verwerkingsbedrijven. Artikel 1 van deze verordening voorziet onder meer in een wijziging van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 2075/92, welke bepaling thans is geredigeerd als volgt:
Op grond van de krachtens lid 2 vastgestelde hoeveelheden, en onverminderd het bepaalde in lid 4, wijzen de lidstaten aan de producenten productiequota toe in verhouding tot het per soortengroep berekende gemiddelde van de hoeveelheden die in de drie aan het laatste oogstjaar voorafgaande jaren zijn geleverd voor bewerking. De productie in 1992 en de leveranties uit deze oogst worden evenwel niet in aanmerking genomen; deze worden vervangen door de productie en de leveranties van het vierde jaar voorafgaande aan dat van de laatste oogst. Deze verdeling prejudicieert niet op de verdeling van de productiequota voor de oogst van de daaropvolgende jaren."
11 Artikel 2 van verordening nr. 711/95 bepaalt:
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Zij is van toepassing met ingang van de oogst 1995 (...)"
12 Verordening nr. 711/95 is op 1 april 1995 bekendgemaakt en op 2 april daaraanvolgend in werking getreden. Het voorstel van de Commissie voor die verordening was op 23 februari 1995 gepubliceerd [document COM(94) 555 def., PB C 46, blz. 6].
13 Op 4 april 1995 heeft de Commissie een Nota aan de tabaksproducenten in de Gemeenschap" gepubliceerd (PB C 82, blz. 3) met de volgende inhoud:
De tabaksproducenten dienen er nota van te nemen dat voor de productie van tabak waarvoor zij een communautaire premie ontvangen, voor de oogst 1995 restricties blijven gelden in de vorm van quota.
In het door de Commissie hij de Raad ingediende voorstel (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, C 46 van 23 februari 1995, blz. 6) tot wijziging van de basisverordening [verordening (EEG) nr. 2075/92] is onder andere bepaald dat alleen aan de telers, en niet aan bedrijven voor eerste bewerking, quota moeten worden toegewezen (op grond van de huidige regeling konden de lidstaten de quota hetzij aan de bedrijven voor eerste bewerking, hetzij aan de telers toewijzen). Voor de oogst 1995 worden de quota gebaseerd op het gemiddelde van de hoeveelheden die voor de oogsten 1990, 1991 en 1993 voor bewerking zijn geleverd. Zodra de verordening van de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement is gewijzigd, zal de Commissie de betrokken wijzigingen verwerken in de uitvoeringsbepalingen van de verordening. Met name zal worden overgeschakeld van de toewijzing van quota aan de bedrijven voor eerste bewerking naar de toewijzing van quota aan de telers. Deze wijziging zal gelden met ingang van de oogst 1995.
In de context van het prijzenpakket 1995 heeft de Commissie aan de Raad voor de oogst 1995 de onderstaande verdeling van de quota voor de verschillende soortengroepen voorgesteld.
(...)"
14 Voornoemde nota bevat verder een tabel waarin per tabakssoort en per lidstaat de door de Commissie aan de Raad voorgestelde verdeling van de quota voor de oogst 1995 staat weergegeven.
15 Aangaande de verdeling van de productiequota bepaalt artikel 3 van verordening nr. 1066/95:
(...)
De lidstaten verstrekken de producenten de productiequotumattesten uiterlijk op 31 januari van het oogstjaar.
(...)
Voor de oogst 1995 mogen de lidstaten de in de tweede alinea genoemde termijn tot en met 31 mei verlengen."
16 Artikel 20 van verordening nr. 1066/95 bepaalt:
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen."
17 Verordening nr. 1066/95 is op 13 mei 1995 bekendgemaakt en op 14 mei daaraanvolgend in werking getreden.
18 Verordening nr. 1067/95 legt onder meer de teeltcontracten, de premiebetalingsregelingen, de controlemaatregelen en de sancties vast.
19 Artikel 2 van deze verordening bepaalt:
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Zij is van toepassing met ingang van de oogst 1995 (...)"
20 Na haar bekendmaking op 13 mei 1995 is verordening nr. 1067/95 op 14 mei daaraanvolgend in werking getreden.
21 Verder zijn bij verordening (EG) nr. 1550/95 van de Raad van 29 juni 1995 (PB L 148, blz. 39) de premies en garantiedrempels voor tabaksbladeren per groep tabak voor de oogst 1995 vastgesteld. Ingevolge artikel 3 is deze verordening in werking getreden op de datum van haar bekendmaking, te weten op 30 juni 1995.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
22 ATB e.a. hebben bij het Tribunale amministrativo regionale del Lazio beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van de handelingen en bepalingen van de bevoegde Italiaanse organen houdende verdeling van het nationale quotum voor de tabaksproductie voor de oogst 1995 en toewijzing van hun individuele quota. Zij baseren hun beroep op ongeldigheid van de verordeningen nrs. 711/95, 1066/95 en 1067/95.
23 De verwijzende rechter brengt in herinnering, dat tabak in februari wordt ingezaaid en dat de jonge planten in april in de volle grond worden uitgeplant. Verordening nr. 711/95 is op 2 april 1995 in werking getreden. De uitvoeringsbepalingen bij deze verordening, zoals opgenomen in de verordeningen nrs. 1066/95 en 1067/95, werden pas bekend op de datum van publicatie van voornoemde verordeningen, dat wil zeggen op 13 mei 1995. De algemene garantiedrempels voor elke tabakssoort, die onontbeerlijk zijn om het aan elke producent toegekende quotum definitief te kunnen bepalen, kwamen voor de oogst 1995 uiteindelijk pas vast te staan met de vaststelling van verordening nr. 1550/95, dat wil zeggen op 29 juni 1995. Bijgevolg hebben de tabaksproducenten zich bij het maken van hun ondernemerskeuzes moeten laten leiden door gegevens die voornamelijk betrekking hadden op de oogsten 1993 en 1994 en hebben zij pas tijdens het oogstseizoen de eerste serieuze aanwijzingen gekregen, terwijl de definitieve informatie hun eerst na afloop van de oogst ter ore is gekomen.
24 De verwijzende rechter concludeert hieruit, dat ATB e.a. niet in staat zijn gesteld hun productie voor de oogst 1995 aan te passen aan de criteria van de verordeningen nrs. 711/95, 1066/95 en 1067/95, omdat de nieuwe communautaire regeling is vastgesteld op een tijdstip waarop de ondernemersbeslissingen reeds waren genomen en het planten voor bedoelde oogst reeds had plaatsgevonden.
25 De nationale rechter wijst erop, dat ATB e.a. niet opkomen tegen de nieuwe uitvoeringsregeling van de garantiedrempels, doch tegen de tardieve vaststelling van de communautaire regeling, waarvan zij pas in kennis zijn gesteld op een tijdstip waarop de tabaksproductie voor de oogst 1995 reeds in de eindfase was beland. De productiequota voor het jaar 1995 houden volgens deze rechter namelijk een wijziging in van de voorheen geldende regeling van de bewerkingsquota, hetgeen voor de producenten een onherstelbaar verlies met zich brengt, gelijk aan het verschil tussen de bewerkingsquota en de productiequota.
26 Het verzuim om een overgangsregeling te treffen of om de gevolgen van de nieuwe, op productiequota gebaseerde regeling, de zogeheten regeling van de garantiedrempels", uit te stellen tot de volgende oogst, komt volgens ATB e.a. neer op een regelrechte schending van de fundamentele beginselen van de GMO voor ruwe tabak en van het beginsel van de bescherming van gewettigd vertrouwen. Immers, enerzijds ziet het er niet naar uit, dat het met de instelling van een productiequotum beoogde doel kan worden verwezenlijkt door verordeningen die pas zijn bekendgemaakt nadat de producenten reeds hun beslissingen hadden genomen en ten uitvoer hadden gelegd. Anderzijds eist voornoemd beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen, dat maatregelen tot beperking van de productie tijdig worden vastgesteld en meegedeeld, teneinde negatieve consequenties voor de investeringen van de producenten te voorkomen.
27 In die omstandigheden heeft het Tribunale amministrativo regionale del Lazio besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
Verdragen artikel 2 van verordening (EG) nr. 711/95 van de Raad van 27 maart 1995, artikel 20 van verordening (EG) nr. 1066/95 van de Commissie van 12 mei 1995 en artikel 2 van verordening (EG) nr. 1067/95 van de Commissie van 12 mei 1995 zich met het beginsel van behoorlijke organisatie van de gemeenschappelijke marktordening en met het vertrouwensbeginsel, waar zij een nieuwe toepassingsregeling voor de premies voor de tabaksproductie invoeren op een ogenblik waarop de uitplanting reeds heeft plaatsgevonden en de producenten investeringen hebben gedaan op basis van een redelijke beoordeling van de gemeenschapsregeling zoals die ten tijde van het inzaaien en de uitplanting in volle grond gold?"
28 Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat ATB e.a. en de Italiaanse regering tevens de geldigheid betwisten van verordening nr. 1550/95, waarbij algemene garantiedrempels voor elke tabakssoort zijn vastgesteld.
29 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat artikel 177 van het Verdrag een rechtstreekse samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties in het leven roept door middel van een niet op tegenspraak gerichte procedure, die niet afhangt van enig initiatief van partijen en waar partijen enkel schriftelijke opmerkingen kunnen indienen. Krachtens deze bepaling staat het aan de nationale rechter en niet aan de partijen in het geding om zich tot het Hof te wenden. Aangezien de bevoegdheid om de aan het Hof voor te leggen vragen te formuleren, alleen aan de nationale rechter toekomt, kunnen partijen de inhoud daarvan niet wijzigen (zie, met name, arrest van 9 december 1965, Singer, 44/65, Jurispr. blz. 1191, 1198).
30 Zoals de Commissie terecht opmerkt, heeft het Tribunale amministrativo regionale del Lazio het Hof geen prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van verordening nr. 1550/95.
31 In die omstandigheden behoeft de geldigheid van deze verordening niet te worden onderzocht.
De geldigheid van de verordeningen nrs. 711/95, 1066/95 en 1067/95
32 ATB e.a. en de Italiaanse regering stellen, dat de verordeningen nrs. 711/95, 1066/95 en 1067/95 aanzienlijke vernieuwingen hebben ingevoerd op het vlak van de uitvoeringsbepalingen van de premieregeling voor de tabaksproductie, door een definitieve regeling in te voeren die met ingang van de oogst 1995 toepasselijk is en waarin de inachtneming van de jaarlijks voor elke tabakssoort vastgestelde garantiedrempel wordt verzekerd door de productiequota rechtstreeks aan de verschillende producenten toe te wijzen en niet langer aan de bewerkingsbedrijven.
33 Zij betogen dat hun gewettigd vertrouwen is geschonden, doordat zij niet tijdig in kennis zijn gesteld van de maatregelen die gevolgen konden hebben voor hun investeringen. Immers, ofschoon bedoelde verordeningen van toepassing zijn op de oogst 1995, zijn zij pas midden in het landbouwseizoen bekendgemaakt. Voorts hebben de verordeningen de beginselen miskend die aan de GMO voor ruwe tabak ten grondslag liggen, inzonderheid het beginsel dat de termijnen voor de verdeling van de quota vroeg genoeg moeten worden meegedeeld om de producenten in staat te stellen daar bij de tabaksproductie zoveel mogelijk rekening mee te houden. Dit beginsel vloeit voort uit de derde overweging van de considerans van verordening nr. 3477/92 en de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1066/95, alsook uit artikel 3, tweede alinea, van verordening nr. 1066/95, welke bepaling de nationale autoriteiten ertoe verplicht, de quotumattesten uiterlijk op 31 januari van het oogstjaar aan de producenten te verstrekken, ook al mogen de lidstaten die termijn voor de oogst 1995 verlengen tot en met 31 mei.
34 Verordening nr. 711/95 en de verordeningen ter uitvoering daarvan, te weten de verordeningen nrs. 1066/95 en 1067/95, zouden zodoende terugwerkende kracht hebben, hetgeen voor het doel van verordening nr. 711/95 niet vereist is; laatstgenoemde verordening zou er immers toe strekken, de productie in het licht van de verworven ervaring beter te oriënteren door de lidstaten toe te staan, de premies rechtstreeks aan de producenten te betalen.
35 ATB e.a. en de Italiaanse regering herinneren er in dit verband aan, dat volgens punt 18 van het arrest van 11 juli 1991, Crispoltoni (C-368/89, Jurispr. blz. I-3695; hierna: arrest Crispoltoni I") het met de instelling van een contingentering van de productie nagestreefde doel niet kan worden bereikt wanneer de desbetreffende maatregelen te laat worden vastgesteld, namelijk wanneer de beslissingen over de aan te planten oppervlakte reeds zijn genomen en de aanplant reeds heeft plaatsgevonden.
36 Zij betogen voorts, dat de vertraagde vaststelling van de verordeningen nrs. 711/95, 1066/95 en 1067/95 de tabaksproducenten ertoe heeft gedwongen, zelf hun individuele quota te berekenen aan de hand van de methode die daarvóór op de oogsten was toegepast voor de vaststelling van de bewerkingsquota. Verordening nr. 1066/95 zou op volstrekt onvoorzienbare wijze de methode van berekening van deze quota hebben gewijzigd.
37 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd, dat ook al is het vertrouwensbeginsel een van de fundamentele beginselen van de Gemeenschap, de marktdeelnemers niet mogen vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen, handelend krachtens hun discretionaire bevoegdheid, kan worden gewijzigd. Dit is met name het geval op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, die juist een voortdurende aanpassing mogelijk moeten maken, afhankelijk van de wijzigingen van de economische situatie. Hieruit volgt, dat de marktdeelnemers zich niet op een verkregen recht kunnen beroepen om een uit een gemeenschappelijke marktordening voortvloeiend voordeel, dat hun op een bepaald ogenblik is toegekend, te behouden (zie, met name, arresten van 5 oktober 1994, Crispoltoni e.a., C-133/93, C-300/93 en C-362/93, Jurispr. blz. I-4863, punten 57 en 58, en 17 september 1998, Pontillo, C-372/96, Jurispr. blz. I-5091, punten 22 en 23).
38 Dit geldt te meer voor een geval als dat van het hoofdgeding, waar de toepasselijke communautaire wetgeving, te weten artikel 9 van verordening nr. 2075/92, bepaalde, dat de nieuwe regeling van rechtstreekse toewijzing aan de producenten van de quota op zijn laatst voor de oogst 1995 door alle lidstaten moest worden toegepast, terwijl de lidstaten de quota slechts bij wijze van overgangsregeling aan de bewerkingsbedrijven konden blijven toewijzen voor de oogsten 1993 en 1994 (zie, op dit laatste punt, arrest van 12 september 1996, Fattoria autonoma tabacchi e.a., C-254/94, C-255/94 en C-269/94, Jurispr. blz. I-4235, punt 36).
39 Het Hof heeft in de punten 20 en 21 van het arrest Crispoltoni I geoordeeld, dat verordening (EEG) nr. 1114/88 van de Raad van 25 april 1988 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 727/70 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB L 110, blz. 35) en verordening (EEG) nr. 2268/88 van de Raad van 19 juli 1988 tot vaststelling van de voor de oogst 1988 geldende streefprijzen, interventieprijzen, premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren, afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak, referentiekwaliteiten, productiegebieden en gegarandeerde maximumhoeveelheden, en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1975/87 (PB L 199, blz. 20), ongeldig waren, voor zover daarin een gegarandeerde maximumhoeveelheid werd vastgesteld voor in 1988 geoogste tabak van de soort Bright. Om tot die conclusie te komen wees het Hof erop, dat hoewel de betrokken ondernemers rekening moesten houden met de mogelijkheid dat maatregelen zouden worden genomen om de toeneming van de tabaksproductie in de Gemeenschap binnen de perken te houden en de productie van soorten waarvoor afzetmoeilijkheden bestonden tegen te gaan, zij er niettemin van mochten uitgaan, dat eventuele maatregelen die consequenties zouden hebben voor hun investeringen, hun tijdig ter kennis zouden worden gebracht.
40 Dit was niet het geval met de verordeningen die centraal stonden in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Crispoltoni I. In de punten 14 tot en met 16 van dat arrest heeft het Hof namelijk geconstateerd, dat de verordeningen nrs. 1114/88 en 2268/88 terugwerkende kracht hadden, voor zover zij bij overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de tabaksoogst van de soort Bright in 1988 in een verlaging van de interventieprijzen en de premies voorzagen, en voor zover zij eind april, respectievelijk eind juli waren bekendgemaakt, dat wil zeggen nadat het inzaaien voor het lopende jaar had plaatsgevonden en nadat de jonge planten in volle grond waren uitgeplant.
41 Zoals echter in punt 45 van het arrest van 26 maart 1998, Petridi (C-324/96, Jurispr. blz. I-1333), is gepreciseerd, heeft het Hof zich in het arrest Crispoltoni I uitgesproken over de toepassing met terugwerkende kracht, op de tabaksoogst 1988, van het systeem van gegarandeerde maximumhoeveelheden, dat de betrokken ondernemers onbekend was, zowel wat de aard van de nieuwe maatregelen voor de ordening van de tabaksmarkt in de Gemeenschap betreft als ten aanzien van de datum van inwerkingtreding daarvan.
42 Verordening nr. 711/95 is daarentegen in een andere context vastgesteld. Sinds 30 juli 1992, de datum van publicatie van verordening nr. 2075/92, wisten de betrokken marktdeelnemers namelijk dat de regeling van bewerkingsquota in Italië uitsluitend als overgangsregeling was gehandhaafd en dat de nieuwe regeling van de productiequota met ingang van de oogst 1995 zou worden toegepast.
43 Verordening nr. 711/95, die op 1 april 1995 is gepubliceerd, heeft dus enkel bevestigd, dat de regeling van productiequota van toepassing was op de oogst 1995, ook al dateerde het voorstel van de Commissie voor die verordening al van 23 februari 1995.
44 Bovendien zij eraan herinnerd, dat de Commissie in een op 4 april 1995 gepubliceerde nota de aandacht van de tabaksproducenten had gevestigd op de overgang van de regeling van bewerkingsquota naar de regeling van productiequota en op het feit dat deze wijziging zou gelden voor de oogst 1995. Bedoelde nota bevatte tevens een tabel waarop de door de Commissie voor de oogst 1995 aan de Raad voorgestelde verdeling tussen de lidstaten van de per groepssoort beschikbare hoeveelheden stond weergegeven en waarop voor de in Italië verbouwde soorten identieke hoeveelheden werden vermeld als in verordening nr. 1550/95.
45 Blijkens het voorgaande wisten de betrokken marktdeelnemers, dat op de oogst 1995 de regeling van productiequota van toepassing was, en waren zij vóór de uitplanting in volle grond van de jonge planten - hetgeen in Italië tegen het eind van de maand april geschiedt - op de hoogte van de voor die oogst beschikbare hoeveelheden voor wat betreft de in Italië verbouwde tabakssoorten. Deze uitplanting nu vormt bij de tabaksteelt de grootste kostenpost en de producenten moeten dan ook op dit moment beslissen welk oppervlak zij gaan bebouwen.
46 In die omstandigheden heeft verordening nr. 711/95 niet het gewettigd vertrouwen van de tabaksproducenten geschonden, noch de beginselen die aan de GMO voor ruwe tabak ten grondslag liggen.
47 Bovendien is, in tegenstelling tot de bewering van ATB e.a. en de Italiaanse regering, het gewettigd vertrouwen van de tabaksproducenten evenmin geschonden door de wijzigingen die bij de verordeningen nrs. 1066/95 en 1067/95 aan de uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 2075/92 zijn aangebracht voor wat betreft de quota- en premieregeling in de sector ruwe tabak.
48 Dienaangaande zij opgemerkt, dat artikel 9, lid 3, van verordening nr. 2075/92 voorschreef, dat de bewerkingsquota werden berekend naar rato van het gemiddelde van de hoeveelheden die in de drie aan het laatste oogstjaar voorafgaande jaren waren geleverd voor bewerking, verdeeld over de soortengroepen, met uitzondering echter van de oogst 1992. Dezelfde regeling werd toegepast ter bepaling van de productiequota in de lidstaten die eventueel zouden beslissen, geen gebruik te maken van de overgangsregeling van bewerkingsquota.
49 Zoals de advocaat-generaal in de punten 25 tot en met 29 van zijn conclusie terecht opmerkt, blijkt uit een vergelijking tussen de bepalingen van verordening nr. 3477/92, die de uitvoeringsbepalingen van de quotaregeling in de sector ruwe tabak voor de oogsten 1993 en 1994 heeft vastgelegd, en die van verordening nr. 1066/95, waarin die bepalingen zijn neergelegd voor de oogsten 1995, 1996 en 1997, dat de essentiële elementen van de methode van berekening van de individuele quota ongewijzigd zijn gebleven. Deze methode blijft namelijk gebaseerd op het gemiddelde van de hoeveelheden die in de drie aan het laatste oogstjaar voorafgaande jaren zijn geleverd voor bewerking, verdeeld per soortengroep, met uitzondering echter van de oogst 1992. De bij verordening nr. 1066/95 ingevoerde wijzigingen betreffen enkel een aanpassing van de praktische modaliteiten van deze berekeningsmethode aan de regeling van productiequota die definitief is ingesteld bij verordening nr. 711/95.
50 Bovendien blijkt uit de opmerkingen van de Italiaanse regering, dat deze aanpassing van de methode van berekening van de quota de Italiaanse overheid niet heeft belet, in een circulaire van 28 februari 1995 de tabaksproducenten voorlopige quota toe te wijzen voor de oogst 1995 en deze te bevestigen in een circulaire van 24 mei 1995, dus slechts elf dagen na de datum van publicatie van verordening nr. 1066/95.
51 Mitsdien heeft de aanpassing, bij verordening nr. 1066/95, van de methode van berekening van de aan de tabaksproducenten toegekende individuele quota geen inbreuk gemaakt op het gewettigd vertrouwen van die producenten noch op de beginselen die aan de GMO voor ruwe tabak ten grondslag liggen.
52 Hieraan moet worden toegevoegd, dat, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, de regeling van productiequota de risico's van verlaging van de individuele quota van de producenten, om redenen die onafhankelijk zijn van hun eigen wil, vermindert, aangezien de tabaksproducenten onder deze nieuwe regeling - in tegenstelling tot de oude regeling van bewerkingsquota - niet meer riskeren dat hun quota worden verlaagd naar rato van de verlaging van de quota van de bewerkingsbedrijven, om redenen die slechts die bedrijven betreffen.
53 Gesteld al dat de bij verordening nr. 1067/95 ingevoerde wijzigingen tot een verlaging van de aan ATB e.a. betaalde premies hebben geleid, dan nog volstaat de opmerking dat, zoals in punt 37 van het onderhavige arrest in herinnering is geroepen, de marktdeelnemers niet mogen vertrouwen op handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen, handelend krachtens hun discretionaire bevoegdheid, kan worden gewijzigd, met name op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, die juist een voortdurende aanpassing mogelijk moeten maken, afhankelijk van de wijzigingen van de economische situatie. Dit geldt ook voor de vaststelling van premies, die van jaar tot jaar kunnen worden verlaagd (zie arrest Pontillo, reeds aangehaald, punt 28).
54 In die omstandigheden moet op de vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet gebleken is van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de verordeningen nrs. 711/95, 1066/95 en 1067/95 kunnen aantasten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
55 De kosten door de Italiaanse regering alsmede door de Raad en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunale amministrativo regionale del Lazio bij beschikking van 11 maart 1998 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van:
- verordening (EG) nr. 711/95 van de Raad van 27 maart 1995 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2075/92 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak;
- verordening (EG) nr. 1066/95 van de Commissie van 12 mei 1995 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad wat de quotaregeling betreft in de sector ruwe tabak voor de oogsten 1995, 1996 en 1997, en
- verordening (EG) nr. 1067/95 van de Commissie van 12 mei 1995 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 3478/92 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de toepassing van de premieregeling in de sector ruwe tabak.
Full & Egal Universal Law Academy