Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Bijstand in financiering van beroepsopleidingsacties - Bevestiging door lidstaten van feitelijke en boekhoudkundige juistheid van aanvragen tot betaling van saldo - Begrip - Draagwijdte
(Verordening nr. 2950/83 van de Raad, art. 5, lid 4, en 6, lid 1)
2. Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Bijstand in financiering van beroepsopleidingsacties - Begrip uitgaven die niet voor vergoeding in aanmerking komen" - Beslissing dat uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking komen - Exclusieve bevoegdheid van Commissie - Gevolgen van vermindering of intrekking van communautaire bijstand voor saldo van nationale bijdrage
(Verordening nr. 2950/83 van de Raad, art. 1 en 6)
3. Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Bijstand in financiering van beroepsopleidingsacties - Terugbetaling, op verzoek van betrokken lidstaat, als conservatoire maatregel, van nationale bijdrage en communautaire bijstand - Toelaatbaarheid - Toepassing van nationaal recht
4. Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Bijstand in financiering van beroepsopleidingsacties - Bevestiging door lidstaten van feitelijke en boekhoudkundige juistheid van aanvragen tot betaling van saldo - Nieuw onderzoek van deze aanvragen - Toelaatbaarheid
(Verordening nr. 2950/83 van de Raad, art. 5, lid 4; beschikking 83/673 van de Commissie, art. 7)
Samenvatting
1. Bij de bevestiging van de door de ontvanger van financiële bijstand van het Europees Sociaal Fonds voorgelegde rekeningen op grond van artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 houdende toepassing van besluit 83/516 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds, kan een lidstaat zich niet beperken tot een louter technische verificatie van de gedane uitgaven, maar moet hij zich integendeel ervan vergewissen, of de uitgaven gerechtvaardigd zijn voor de in concreto uitgevoerde actie en stroken met de prijzen van goederen en diensten op de nationale markt, en of de kosten in een ingewikkelde structuur redelijk verdeeld zijn. Hij moet zich dus ervan vergewissen, of de door de ontvanger van de bijstand gedane uitgaven redelijk" zijn, en of de betrokkene blijk heeft gegeven van goed financieel beheer".
Dit neemt niet weg dat het ingevolge artikel 6, lid 1, van die verordening de Commissie is die de definitieve beschikking vaststelt en daarvoor bij uitsluiting rechtens aansprakelijk is jegens de ontvangers van de bijstand. Aangezien de definitieve beschikking inzake de verlening van communautaire bijstand uitsluitend wordt vastgesteld door de Commissie, die voor de marktdeelnemers van de verschillende lidstaten dezelfde criteria zal hanteren, is er dus geen risico van verschillende behandeling.
( cf. punten 27, 30-32, dictum 1 )
2. Uit verordening nr. 2950/83 houdende toepassing van besluit 83/516 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds, blijkt dat als uitgaven die niet voor vergoeding in aanmerking komen", niet alleen moeten worden aangemerkt de uitgaven die volgens artikel 1 van deze verordening niet door het Europees Sociaal Fonds kunnen worden gefinancierd, maar ook de uitgaven die weliswaar op grond daarvan voor vergoeding in aanmerking komen, maar volgens artikel 6 van de verordening niet bij de definitieve goedkeuring in aanmerking mogen worden genomen omdat van de bijstand van het Fonds geen gebruik is gemaakt volgens de in het goedkeuringsbesluit gestelde voorwaarden. In die context moet de beslissing van de bevoegde nationale autoriteiten om de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van een deel van de uitgaven voor een mede door het Europees Sociaal Fonds gefinancierde opleidingsactie niet te bevestigen op grond dat zij ongerechtvaardigd of onevenredig zijn, worden beschouwd als een voorstel aan de Commissie om deze uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Verder dient met betrekking tot de vermindering of de vervallenverklaring van de nationale bijdrage, voorgesteld door de bevoegde nationale autoriteiten naar aanleiding van de beslissing om de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van bepaalde uitgaven niet te bevestigen, een definitieve beschikking te worden vastgesteld door de Commissie, die betrekking heeft op dat deel van de bijdrage dat overeenkomt met de bijstand van het Europees Sociaal Fonds. Deze definitieve beschikking van de Commissie tot goedkeuring van het saldo is bepalend voor het saldo van de nationale bijdrage.
( cf. punten 36, 40, 48, dictum 2-3 )
3. Het gemeenschapsrecht verzet zich niet ertegen, dat de bevoegde nationale autoriteiten als louter conservatoire maatregel terugbetaling vorderen van de nationale bijdrage en van de bijstand van het Europees Sociaal Fonds, voordat de Commissie haar definitieve beschikking tot goedkeuring van het saldo heeft gegeven. De bevoegdheid van deze autoriteiten om een dergelijke terugbetaling te vorderen wordt door het nationale recht beheerst.
( cf. punten 56-57, dictum 4 )
4. De feitelijke en boekhoudkundige bevestiging van de in de aanvraag tot betaling van het saldo voor een opleidingsactie verstrekte gegevens, als bedoeld in artikel 5, lid 4, tweede zin, van verordening nr. 2950/83 houdende toepassing van besluit 83/516 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds, verbiedt een lidstaat niet om de aanvraag tot betaling van het saldo opnieuw te onderzoeken en desgevallend een gewijzigde aanvraag bij de Commissie in te dienen en een vermindering van de bijstand voor te stellen. Wanneer de bevoegde nationale autoriteiten gebruik maken van deze mogelijkheid, is er geen sprake van een tweede bevestiging van de feitelijke en boekhoudkundige juistheid in de zin van deze bepaling, maar oefenen zij de hun bij artikel 7 van beschikking 83/673 betreffende het beheer van het Europees Sociaal Fonds, verleende bevoegdheid uit.
( cf. punten 61-62, dictum 5 )
Partijen
In zaak C-413/98,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Supremo Tribunal Administrativo (Portugal), in het aldaar aanhangige geding tussen
Directora-Geral do Departamento para os Assuntos do Fundo Social Europeu (DAFSE)
en
Frota Azul-Transportes e Turismo Lda,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van besluit 83/516/EEG van de Raad van 17 oktober 1983 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds (PB L 289, blz. 38), verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van besluit 83/516 (PB L 289, blz. 1), en beschikking 83/673/EEG van de Commissie van 22 december 1983 betreffende het beheer van het Europees Sociaal Fonds (PB L 377, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, V. Skouris, J.-P. Puissochet, R. Schintgen en F. Macken (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: R. Grass,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. I. Fernandes en L. Claudino de Oliveira als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. Figueira en K. Simonsson als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juli 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 27 oktober 1998, ingekomen bij het Hof op 20 november daaraanvolgend, heeft het Supremo Tribunal Administrativo krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) zeven prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van besluit 83/516/EEG van de Raad van 17 oktober 1983 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds (PB L 289, blz. 38), verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van besluit 83/516 (PB L 289, blz. 1), en beschikking 83/673/EEG van de Commissie van 22 december 1983 betreffende het beheer van het Europees Sociaal Fonds (PB L 377, blz. 1).
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de onderneming Frota Azul-Transportes e Turismo Lda (hierna: Frota Azul") en de Directora-Geral do Departamento para os Assuntos do Fundo Social Europeu (dienst belast met de aangelegenheden van het Europees Sociaal Fonds; hierna: DAFSE") over de weigering van laatstgenoemde om bepaalde uitgaven van Frota Azul te bevestigen en het besluit om dienovereenkomstig teruggave te eisen van de van het Europees Sociaal Fonds (hierna: ESF") en het Orçamento da Segurança Social (begroting van de sociale zekerheid; hierna: OSS") ontvangen bijstand.
De gemeenschapsregeling
3 Artikel 2 van besluit 83/516 bepaalt:
1. De bijstand van het Fonds wordt verleend voor acties die in publiekrechtelijk of privaatrechtelijk verband worden uitgevoerd.
2. De betrokken lidstaten staan in voor adequate uitvoering van de acties. Deze bepaling geldt echter niet voor acties waarvoor de bijstand van het Fonds alle voor financiering in aanmerking komende uitgaven dekt."
4 Artikel 5, leden 1, 2 en 5, van besluit 83/516 luidt:
1. Onverminderd het bepaalde in de volgende leden, wordt de bijstand van het Fonds verleend voor 50 % van de voor bijstand in aanmerking komende uitgaven zonder evenwel het bedrag van de financiële deelneming van de overheid van de betrokken lidstaat te mogen overschrijden.
2. Bij acties ten behoeve van de werkgelegenheid in gebieden die worden gekenmerkt door een bijzonder ernstige en langdurige verstoring van het evenwicht in de werkgelegenheid, en die door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, worden aangewezen, wordt de bijstand van het Fonds met 10 % verhoogd.
[...]
5. De bijstand van het Fonds mag niet leiden tot overfinanciering van voor bijstand in aanmerking komende uitgaven."
5 Volgens artikel 1 van verordening nr. 2950/83 kan bijstand van het Fonds uitsluitend worden verleend voor uitgaven voor, met name, het inkomen van personen die betrokken zijn bij acties op het gebied van de beroepsopleiding en
de kosten van voorbereiding, functionering en administratie van acties op het gebied van de beroepsopleiding.
6 Artikel 5, lid 4, van die verordening bepaalt:
De aanvragen om betaling van het saldo omvatten een gedetailleerd verslag over de inhoud, de resultaten en de financiële aspecten van de betrokken actie. De lidstaat bevestigt de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de in de betalingsaanvragen verstrekte gegevens."
7 Artikel 6 van verordening nr. 2950/83 bepaalt:
1. Indien van de bijstand van het Fonds geen gebruik wordt gemaakt op de wijze die in het besluit tot goedkeuring is vastgesteld, kan de Commissie deze bijstand opschorten, verminderen of doen vervallen, na aan de betrokken lidstaat gelegenheid te hebben geboden zijn opmerkingen te maken.
2. Overgemaakte bedragen waarvan geen gebruik is gemaakt op de wijze die in het besluit tot goedkeuring is vastgesteld, worden teruggevorderd. De lidstaat is subsidiair aansprakelijk voor de ten onrechte betaalde bedragen voor acties waarop de in artikel 2, lid 2, van besluit 83/516/EEG bedoelde waarborg van toepassing is. Indien de lidstaat aan de Gemeenschap de door degenen die financieel voor de actie verantwoordelijk zijn terug te betalen bedragen overmaakt, treedt de lidstaat in de rechten van de Gemeenschap."
8 Artikel 7 van de verordening bepaalt:
1. Onverminderd de controles die door de lidstaten worden uitgeoefend, kan de Commissie verificaties ter plaatse uitvoeren.
2. De verificaties van de inhoud van een aanvraag om betaling kunnen via een representatieve steekproef worden verricht. De Commissie stelt het steekproefpercentage vóór het uitvoeren van de verificatie, in overleg met de betrokken lidstaat vast aan de hand van de materiële en technische omstandigheden van de desbetreffende actie. Indien de steekproef aanleiding geeft tot vermindering, wordt deze naar rato toegepast op het gehele bedrag waarvan de betaling is gevraagd, nadat de lidstaat zijn opmerkingen heeft kunnen maken.
3. De lidstaat ziet erop toe dat de Commissie toegang heeft tot de nodige informatie om inzicht te verkrijgen in de doelstellingen en de inhoud van de aanvragen, alsmede in het verloop, de financiering en de resultaten van de acties. De lidstaten houden de bewijsstukken voor de in artikel 5, leden 2 en 4, bedoelde bevestigingen ter beschikking van de Commissie.
4. De betrokken lidstaat biedt de Commissie de nodige hulp bij de verificatie. De Commissie doet de lidstaat tijdig mededeling van de verificatie. Vertegenwoordigers van de lidstaat mogen hieraan deelnemen.
5. Op verzoek van de Commissie worden de verificaties, indien de betrokken lidstaat hiermede instemt, uitgevoerd door de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat. Vertegenwoordigers van de Commissie mogen hieraan deelnemen."
9 Beschikking 83/673, die betrekking heeft op het beheer van het ESF, bepaalt in artikel 1, lid 2, eerste streepje, dat indiening van aanvragen om betaling van een saldo als bedoeld in artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83, geschiedt met gebruikmaking van het in bijlage 2 bij deze beschikking opgenomen formulier.
10 Artikel 6, leden 1 en 2, van beschikking 83/673 luidt:
1. De aanvragen om betaling van de lidstaten dienen de Commissie binnen een termijn van tien maanden na de datum waarop de acties beëindigd zijn, te bereiken. Betaling van bijstand waarvoor de aanvraag na deze termijn wordt ingediend, is uitgesloten.
2. De voorschotten moeten binnen drie maanden na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn van tien maanden worden terugbetaald, wanneer de kosten van de betrokken acties niet met gebruikmaking van het in bijlage 2 opgenomen formulier kunnen worden verantwoord."
11 Ten slotte bepaalt artikel 7 van die beschikking:
Indien wegens een vermoeden van onregelmatigheid naar het beheer van een project waaraan bijstand is toegekend, een onderzoek wordt ingesteld, doet de lidstaat hiervan aan de Commissie onverwijld mededeling."
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
12 In 1987 verzocht Frota Azul samen met andere ondernemingen om financiële bijstand van het ESF en het OSS voor beroepsopleidingsacties in 1988.
13 Na uitvoering van de vooraf goedgekeurde acties diende Frota Azul een aanvraag tot betaling van het saldo van de nationale en de communautaire bijstand in.
14 De directeur-generaal van het DAFSE, die de Portugese Republiek in ESF-aangelegenheden vertegenwoordigt, bevestigde de ingediende uitgaven en deed de aanvraag in 1989 aan het ESF toekomen.
15 Wegens de vele verzoeken om bijstand van het ESF voor de financiering van acties in publiekrechtelijk of privaatrechtelijk verband waarover het DAFSE zich diende uit te spreken, deelde het evenwel pas in 1995 na hernieuwd onderzoek van het dossier mee, dat de voor bevestiging in aanmerking komende bedragen lager waren dan eerder aan de Commissie was meegedeeld.
16 Na dit nieuwe onderzoek weigerde het DAFSE bepaalde uitgaven te bevestigen en stelde het vast, dat Frota Azul, onverminderd de definitieve beslissingen van de Commissie betreffende de verzoeken om betaling van het saldo, 3 777 465 PTE diende terug te betalen, zijnde de aan het ESF en het OSS verschuldigde bedragen.
17 Frota Azul stelde tegen het desbetreffende besluit beroep in bij het Tribunal Administrativo de Círculo de Lisboa (Portugal), dat het besluit vernietigde.
18 Het Tribunal overwoog, dat de bevestiging door het DAFSE van de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de uitgaven een zuiver technische verificatie was ter voorbereiding van de definitieve beslissing die uitsluitend door de Commissie werd genomen. Bijgevolg had het DAFSE, door te beslissen dat bepaalde uitgaven om redenen verband houdend met de redelijkheid en goed financieel beheer niet voor financiering in aanmerking kwamen, de grenzen van zijn bevoegdheden overschreden.
19 Tegen dit vonnis heeft het DAFSE beroep ingesteld bij het Supremo Tribunal Administrativo, dat de behandeling van de zaak heeft geschorst en de volgende prejudiciële vragen aan het Hof heeft gesteld:
1) Moet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2950/83/EEG van de Raad, de beslissing van de lidstaat om de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van een gedeelte van de uitgaven voor een beroepsopleidingsactie die mede door het ESF wordt gefinancierd, niet te bevestigen op grond dat die uitgaven niet overeenstemmen met de werkelijke prijzen van de goederen en diensten op de nationale markt, de voor diensten in rekening gebrachte prijzen hoger zijn dan de in de lidstaat vastgestelde maxima, de administratiekosten excessief zijn, hoeveelheden en soorten gebruikte materialen geen verband houden met de actie of qua hoeveelheid niet gerechtvaardigd zijn voor de betrokken actie, dan wel om overeenkomstige redenen, worden aangemerkt als een beslissing dat die uitgaven niet voor financiering in aanmerking komen, of is het integendeel een beslissing waarin de lidstaat zich ertoe beperkt de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de in de aanvraag om betaling vermelde gegevens niet te bevestigen in de zin van artikel 5, lid 4, tweede volzin, van deze verordening?
2) Leidt vermindering van de nationale deelneming waartoe het bevoegde nationale orgaan in het stadium van de goedkeuring en betaling van het saldo besluit als uitvloeisel van de niet-bevestiging van een gedeelte van de uitgaven op de in de eerste vraag vermelde gronden, krachtens de artikelen 5, lid 4, en 7, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 2950/83 en artikel 5, leden 1 en 5, van besluit 83/516/EEG tot een overeenkomstige en evenredige verlaging van de communautaire bijstand, zodat een nieuwe beoordeling door de communautaire organen van de correctie of de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van die uitgaven om een volledige medefinanciering door het ESF van die uitgaven alsnog mogelijk te maken, overbodig en niet haalbaar is?
3) Wanneer onder bovenbedoelde omstandigheden een lidstaat ernstige onregelmatigheden vaststelt met betrekking tot het gehele kader waarin de financiering werd beoordeeld en toegekend en op die grond na de aanvraag om betaling van het saldo in de zin van artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 besluit, de nationale bijstand te doen vervallen, ook al is de opleidingsactie tot op zekere hoogte uitgevoerd, of wanneer er slechts in schijn een actie heeft plaatsgevonden, ontbreekt dan verder iedere beoordelingsvrijheid van het beheersorgaan van het ESF en is een definitieve beslissing van dat orgaan dan niet meer gerechtvaardigd, daar iedere mogelijkheid van communautaire deelneming in die actie definitief is uitgesloten en ook reeds, zelfs op communautair niveau, het rechtsgevolg ,vervallen van de bijstand is ingetreden op de enkele grond, dat het nationale orgaan aldus heeft beslist, alsmede gezien deze noodzakelijke, automatische vorm van verval in deze zin, neergelegd in voormelde artikelen van verordening nr. 2950/83 en besluit 83/516 alsook in de algemene regels neergelegd in deze voorschriften van gemeenschapsrecht, daar deze de ,financiële deelneming en de ,bijstand van het Fonds regelen en onder de vermelde omstandigheden van een dergelijke situatie geen sprake meer zou zijn?
4) Moet ervan worden uitgegaan dat bij de bevestiging ,van de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de in de betalingsaanvragen verstrekte gegevens niet wordt beoordeeld, of de uitgaven gerechtvaardigd zijn voor de in concreto uitgevoerde actie en stroken met de prijzen van goederen en diensten op de nationale markt alsmede van de vraag, en of de kosten in een ingewikkelde structuur redelijk verdeeld zijn, zodat alleen formeel mag worden geverifieerd, of de in de betalingsaanvraag aangevoerde uitgaven betrekking hebben op de goedgekeurde uitgaven en of de uitgaven de maximumbedragen voor iedere post niet overschrijden en in de boekhouding zijn verwerkt op basis van formeel aanvaardbare documenten en volgens de toepasselijke boekhoudkundige regels?
5) Dient de toepassing, op de gedane uitgaven, van materiële beoordelingscriteria, dat wil zeggen de beoordeling of de uitgaven overeenstemmen met de reële marktprijzen, of de administratiekosten van de met de opleiding belaste onderneming juist zijn, of het gebruik van bepaalde hoeveelheden of zelfs van bepaalde soorten materiaal onredelijk is (bijvoorbeeld omdat het duurder is dan ander materiaal, dat eveneens geschikt is) voor de uitvoering van een bepaalde opleidingsactie, te geschieden onder voorbehoud van beoordeling door de communautaire organen, opdat die criteria identiek zijn en bijgevolg alle ondernemers binnen de Gemeenschap gelijk worden behandeld, met de desbetreffende gevolgen voor de uitlegging en toepassing van artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83?
6) Strekt de uit artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 voortvloeiende bevoegdheid van de Commissie om met uitsluiting van andere organen, de bijstand van het Fonds op te schorten, te verminderen of te doen vervallen, zich ook uit tot de opschorting, vermindering of vervallenverklaring van de ,nationale deelneming door het nationale orgaan belast met het beheer van de bijstand voor opleidingsacties?
Indien het gemeenschapsrecht het bevoegde nationale orgaan niet belet, de nationale bijstand op te schorten, te verminderen of te doen vervallen, heeft dan het nemen van een dergelijke beslissing in het stadium na de aanvraag om betaling van het saldo onmiddellijk en automatisch gevolgen voor het overeenkomstige gedeelte van de communautaire bijstand en geeft dit bovendien het nationale orgaan de mogelijkheid om de onmiddellijke terugbetaling te vorderen
- van de nationale deelneming?
- van de nationale deelneming en de communautaire bijstand?
Of vloeit uit het gemeenschapsrecht dwingend voort, dat het nationale orgaan zich ertoe dient te beperken, bepaalde uitgaven niet te bevestigen en een definitieve beslissing van de Commissie dient af te wachten en eerst op dat ogenblik terugbetaling van voor de actie betaalde voorschotten kan vorderen op grond dat het pas dan ,ratione temporis wettelijk bevoegd is om te beslissen over de terugvordering van onverschuldigd uitgekeerde bedragen?
7) Kan de feitelijke en boekhoudkundige bevestiging van de in de aanvraag om betaling van het saldo voor een opleidingsactie verstrekte gegevens, als bedoeld in artikel 5, lid 4, tweede volzin, van verordening nr. 2950/83 van de Commissie, slechts geldig worden uitgevoerd door invulling van punt 18 van het formulier in bijlage 2 van beschikking 83/673/EEG van de Commissie van 22 december 1983 bij de indiening van de aanvraag om betaling van het saldo, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, leden 2, eerste streepje, 3 en 4, en artikel 6, leden 1 en 2, van deze beschikking, of betreft het hier bepalingen die enkel betrekking hebben op procedurele formaliteiten tussen organen, die geen externe werking hebben en zonder fundamentele betekenis zijn en die niet de mogelijkheid uitsluiten, dat datzelfde orgaan naderhand in een afzonderlijk document of in een vervangend formulier andere bedragen bevestigt, mits in alle gevallen rekening wordt gehouden met het rechtskarakter van de betrokken maatregel en de in het nationale recht gestelde beperkingen en voorwaarden voor de desbetreffende wijziging worden geëerbiedigd?"
De vierde en de vijfde vraag
20 Met de vierde en de vijfde vraag, die eerst dienen te worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de bevestiging door de lidstaat van de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de in de aanvragen om betaling van het saldo verstrekte gegevens als bedoeld in artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 ook de beoordeling impliceert of de gedane uitgaven gerechtvaardigd en gegrond zijn.
21 Volgens de Portugese regering kan deze bevestiging niet beperkt blijven tot een louter boekhoudkundige verificatie, maar houdt zij integendeel een oordeel in omtrent de vraag, of de in de betalingsaanvragen vermelde uitgaven al dan niet voor bijstand in aanmerking komen, om ten aanzien van de Commissie de juistheid en de wettigheid van de daarin verstrekte gegevens te kunnen bevestigen zodat de reële kosten van de uitgevoerde actie overeenstemmen met de bevestigde kosten.
22 De Commissie deelt dit standpunt en wijst erop, dat de ontvangers van bijstand van het ESF een akkoordverklaring moeten ondertekenen waarin zij zich ertoe verbinden de bijstand te gebruiken overeenkomstig de nationale en communautaire bepalingen en met inachtneming van de elementen die bepalend zijn geweest bij de vaststelling van het besluit tot goedkeuring van hun dossier.
23 Zij voegt er evenwel aan toe, dat het door de bevoegde nationale autoriteiten genomen besluit tot bevestiging haar niet bindt en evenmin vooruitloopt op haar definitieve beschikking.
24 Dienaangaande dient te worden opgemerkt, dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten het dichtst bij de bijstand ontvangende marktdeelnemers staan en dus de programma's inzake communautaire bijstand onder het toezicht van de Commissie dienen uit te voeren.
25 Uit dat oogpunt dient er om te beginnen aan te worden herinnerd, dat volgens artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 de aanvragen om betaling van het saldo een gedetailleerd verslag over de inhoud, de resultaten en de financiële aspecten van de betrokken actie moeten omvatten. Verder staan de betrokken lidstaten volgens artikel 2, lid 2, van besluit 83/516 in voor adequate uitvoering van de acties. Volgens artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2950/83 ten slotte kunnen zowel de lidstaten als de Commissie controle uitoefenen op het gebruik van de verleende financiële bijstand.
26 Verder wordt in artikel 2 van het Financieel Reglement van 21 december 1977 van toepassing op de algemene begroting der Europese Gemeenschappen (PB L 356, blz. 1) bepaald, dat over de op de begroting uitgetrokken bedragen moet worden beschikt volgens beginselen van zuinig en goed financieel beheer".
27 Bijgevolg kan de lidstaat, gelet op het systeem van controle op de toekenning van communautaire overheidsmiddelen, bij de bevestiging van de door de ontvanger van financiële bijstand van het ESF voorgelegde rekeningen zich niet beperken tot een louter technische verificatie van de gedane uitgaven, maar moet hij zich integendeel ervan vergewissen, of de uitgaven gerechtvaardigd zijn voor de in concreto uitgevoerde actie en stroken met de prijzen van goederen en diensten op de nationale markt, en of de kosten in een ingewikkelde structuur redelijk verdeeld zijn. Hij moet zich dus ervan vergewissen, of de door de ontvanger van bijstand gedane uitgaven redelijk" zijn, en of de betrokkene blijk heeft gegeven van goed financieel beheer".
28 Deze uitlegging vindt verder steun in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 2950/83, volgens hetwelk de verificaties via een representatieve steekproef kunnen worden verricht. Indien de bevestiging door de lidstaat niet meer was dan een technische verificatie, zou het de Commissie zijn die systematisch controles moest uitvoeren.
29 Voorzover de feitelijke en boekhoudkundige bevestiging, zoals is vastgesteld, ook dient in te houden, dat de betrokken lidstaat beoordeelt of de uitgaven gerechtvaardigd en gegrond zijn, wenst de verwijzende rechter te vernemen, of in dat geval niet het risico bestaat dat de verschillende lidstaten deze beoordelingscriteria niet op dezelfde wijze op de marktdeelnemers zullen toepassen.
30 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat, zoals het Hof reeds heeft vastgesteld in het arrest van 24 oktober 1996, Commissie/Lirestal e.a. (C-32/95 P, Jurispr. blz. I-5373, punt 29), in het besluit om de bijstand op te schorten, te verminderen of te doen vervallen soms een beoordeling of een toetsing door de bevoegde nationale instanties tot uiting kan komen, doch dat dit niet wegneemt dat het ingevolge artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 de Commissie is die de definitieve beschikking vaststelt en ten opzichte van de ontvangers van de bijstand bij uitsluiting daarvoor rechtens aansprakelijk is.
31 Aangezien de definitieve beschikking inzake de verlening van communautaire bijstand uitsluitend wordt vastgesteld door de Commissie, die voor de marktdeelnemers van de verschillende lidstaten dezelfde criteria zal hanteren, is er dus geen risico van verschillende behandeling.
32 Op de vierde en de vijfde vraag dient derhalve te worden geantwoord, dat bij de bevestiging door de betrokken lidstaat van de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de in de aanvragen om betaling van het saldo verstrekte gegevens als bedoeld in artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 ook wordt beoordeeld, of de gedane uitgaven gerechtvaardigd en gegrond zijn.
De eerste vraag
33 Met de eerste vraag, die in de tweede plaats dient te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de beslissing van de bevoegde nationale autoriteiten om de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van een deel van de uitgaven in verband met een mede door het ESF gefinancierde opleidingsactie niet te bevestigen op grond dat deze uitgaven niet gerechtvaardigd of niet evenredig zijn, moet worden beschouwd als een beslissing dat deze uitgaven niet voor bijstand in aanmerking komen.
34 De Portugese regering stelt dat, voorzover artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 de term bevestigt" gebruikt, de lidstaat zich niet dient te beperken tot het uitbrengen van een advies. De weigering van het DAFSE om een deel van de uitgaven te bevestigen is een beslissing dat deze uitgaven niet voor bijstand in aanmerking komen, zodat de Commissie niet meer zou kunnen nagaan, of de niet bevestigde uitgaven voor vergoeding in aanmerking komen, maar zich zou moeten beperken tot een controle van de door het DAFSE goedgekeurde uitgaven.
35 Dienaangaande moet om te beginnen worden uitgemaakt, wat moet worden verstaan onder het begrip uitgaven die niet voor vergoeding in aanmerking komen".
36 Zoals de Commissie en de Portugese regering terecht hebben opgemerkt, blijkt uit verordening nr. 2950/83 dat als dusdanig niet alleen moeten worden aangemerkt de uitgaven die volgens artikel 1 van deze verordening niet door het ESF kunnen worden gefinancierd, maar ook de uitgaven welke weliswaar op grond daarvan voor vergoeding in aanmerking komen, maar volgens artikel 6 van die verordening niet bij de definitieve goedkeuring in aanmerking mogen worden genomen omdat van de bijstand van het ESF geen gebruik is gemaakt volgens de in het goedkeuringsbesluit vastgelegde voorwaarden.
37 Niet voor vergoeding in aanmerking komen bijgevolg de uitgaven die niet zijn aanvaard omdat de financiële bijstand niet is gebruikt volgens de in het goedkeuringsbesluit vastgelegde voorwaarden.
38 Anders dan de Portugese regering heeft gesteld, dient er evenwel aan te worden herinnerd, zoals reeds in punt 30 van het onderhavige arrest is vastgesteld, dat de Commissie bij uitsluiting bevoegd is om communautaire bijstand in het kader van het ESF op te schorten, te verminderen of te doen vervallen.
39 Bijgevolg zijn de uitgaven die volgens de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat niet voor vergoeding in aanmerking komen, slechts definitief van vergoeding uitgesloten wanneer de Commissie een beslissing in die zin neemt. Bij de verificatie door de Commissie moet de betrokken lidstaat, met name ingevolge artikel 7, lid 4, van verordening nr. 2950/83, de nodige assistentie verlenen, hetgeen inhoudt dat de Commissie de lidstaat om uitleg kan verzoeken over zijn weigering om bepaalde uitgaven te bevestigen.
40 Op de eerste vraag dient dus te worden geantwoord, dat de beslissing van de bevoegde nationale autoriteiten om de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van een deel van de uitgaven voor een mede door het ESF gefinancierde opleidingsactie niet te bevestigen op grond dat zij ongerechtvaardigd of onevenredig zouden zijn, als een voorstel aan de Commissie moet worden beschouwd om die uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen.
De tweede en de derde vraag en het eerste deel van de zesde vraag
41 Met de tweede en de derde vraag en het eerste deel van de zesde vraag, die in de derde plaats dienen te worden beoordeeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, enerzijds, of de vermindering of de vervallenverklaring van de nationale deelneming door de bevoegde nationale autoriteiten naar aanleiding van de beslissing om de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van bepaalde uitgaven niet te bevestigen, tot een overeenkomstige en evenredige vermindering of vervallenverklaring van de communautaire bijstand leidt en, anderzijds, of de vermindering of de opschorting van de communautaire bijstand door de Commissie gevolgen heeft voor de nationale deelneming.
42 Volgens de Portugese regering komt de definitieve beslissing over de aanvraag om betaling van het saldo weliswaar toe aan de Commissie, maar hangt deze beslissing af van de voorafgaande bevestiging door de betrokken lidstaat van de door de ontvanger van financiële bijstand ingediende uitgaven. De weigering van de lidstaat om voor bepaalde uitgaven een bevestiging te geven en dus een deel van de nationale deelneming toe te kennen, belet volgens haar de overeenkomstige financiering door het ESF. Voorzover de lidstaat bij uitsluiting bevoegd is om een nationale deelneming toe te kennen, kan de Commissie haars inziens immers niet op een dergelijk besluit terugkomen en een financiële last opleggen ten nadele van de begroting van de betrokken lidstaat.
43 Dit betoog faalt.
44 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld in de beschikking van 12 november 1999, Branco/Commissie (C-453/98 P, Jurispr. blz. I-8037, punt 88), is het ingevolge artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 immers de Commissie die de definitieve beschikking vaststelt en is alleen zij jegens de ontvangers van de bijstand rechtens aansprakelijk voor een dergelijke beschikking. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat de bevestiging door het DAFSE niet een handeling is die de Commissie bindt.
45 Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, dienen de nationale autoriteiten die bevoegd zijn inzake ESF-bijstand, dan ook een voorstel tot vermindering of vervallenverklaring van de bijstand in, dat betrekking heeft op de nationale deelneming en als gevolg daarvan, ingevolge artikel 5, lid 1, van besluit 83/516, op de communautaire bijstand. Op dit voorstel dient de Commissie een definitieve beschikking vast te stellen, die enkel betrekking heeft op de bijstand van het ESF.
46 Bijgevolg is de definitieve beschikking van de Commissie tot goedkeuring van het saldo ook bepalend voor het saldo van de nationale deelneming.
47 Deze uitlegging vindt steun in artikel 7, lid 2, laatste zin, van verordening nr. 2950/83, volgens hetwelk de door de Commissie na een controle toegepaste vermindering naar rato wordt toegepast op het gehele bedrag waarvan de betaling is gevraagd, alsook in artikel 5, lid 5, van besluit nr. 83/516, volgens hetwelk de bijstand van het ESF niet mag leiden tot overfinanciering van voor bijstand in aanmerking komende uitgaven.
48 Op de tweede en de derde vraag, alsook op het eerste deel van de zesde vraag dient bijgevolg te worden geantwoord, dat met betrekking tot de vermindering of de vervallenverklaring van de nationale deelneming, voorgesteld door de bevoegde nationale autoriteiten naar aanleiding van de beslissing om de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van bepaalde uitgaven niet te bevestigen, een definitieve beschikking dient te worden vastgesteld door de Commissie, die betrekking heeft op dat deel van de steun dat overeenkomt met de bijstand van het ESF. Deze definitieve beschikking van de Commissie tot goedkeuring van het saldo is bepalend voor het saldo van de nationale deelneming.
Het tweede deel van de zesde vraag
49 Met het tweede deel van de zesde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet, dat de bevoegde nationale autoriteiten als louter conservatoire maatregel terugbetaling eisen van de nationale deelneming en van de bijstand van het ESF, voordat de Commissie haar definitieve beschikking heeft gegeven.
50 Volgens de Portugese regering kan de lidstaat, voorzover hij ingevolge artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2950/83 subsidiair aansprakelijk is voor de ten onrechte betaalde bedragen, de terugbetaling van die sommen gelasten na de beslissing om de uitgaven niet te bevestigen of na de definitieve beschikking van de Commissie.
51 Volgens de Commissie kunnen de bevoegde nationale autoriteiten pas na de vaststelling van haar definitieve beschikking de ten onrechte betaalde bedragen definitief terugvorderen. Het gemeenschapsrecht verzet er zich haars inziens evenwel niet tegen dat als conservatoire maatregel de terugbetaling reeds vóór de vaststelling van de definitieve beschikking wordt bevolen.
52 Deze laatste uitlegging dient te worden gevolgd.
53 De Commissie is immers bij uitsluiting bevoegd om de bijstand van het ESF op te schorten, te verminderen of te doen vervallen, zoals is vastgesteld in punt 44 van het onderhavige arrest.
54 Geen enkele gemeenschapsrechtelijke bepaling verzet zich ertegen, dat de bevoegde nationale autoriteiten als louter conservatoire maatregel de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de toegekende communautaire bijstand vorderen.
55 Voorzover artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2950/83 bepaalt, dat de lidstaat subsidiair aansprakelijk is voor de ten onrechte betaalde bedragen, kan hij integendeel een wettig belang hebben, met name bij het risico van faillissement van de ontvanger van financiële bijstand, om als conservatoire maatregel de terugbetaling van deze bedragen te verlangen, om te voorkomen dat deze na de vaststelling van de definitieve beschikking van de Commissie ten laste van de lidstaat zelf zouden vallen.
56 Bijgevolg wordt de bevoegdheid van de nationale autoriteiten om als louter conservatoire maatregel de terugbetaling te vorderen van de huns inziens ten onrechte ontvangen bedragen door het nationale recht beheerst.
57 Op het tweede deel van de zesde vraag dient derhalve te worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht zich niet ertegen verzet, dat de bevoegde nationale autoriteiten als louter conservatoire maatregel terugbetaling vorderen van de nationale deelneming en van de bijstand van het ESF, voordat de Commissie haar definitieve beschikking heeft gegeven.
De zevende vraag
58 Met de zevende vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de feitelijke en boekhoudkundige bevestiging van de in de aanvraag om betaling van het saldo voor een opleidingsactie verstrekte gegevens, als bedoeld in artikel 5, lid 4, tweede zin, van verordening nr. 2950/83, tot gevolg heeft dat de lidstaat de aanvraag om betaling van het saldo later niet opnieuw mag onderzoeken.
59 Volgens artikel 6 van beschikking 83/673 dienen de aanvragen om betaling van het saldo de Commissie te bereiken binnen een termijn van tien maanden na de datum waarop de acties beëindigd zijn, en is betaling van bijstand waarvoor de aanvraag na deze termijn wordt ingediend, uitgesloten. Indien de aanvraag om betaling van het saldo enkel vóór de feitelijke en boekhoudkundige bevestiging ervan op haar regelmatigheid zou kunnen worden gecontroleerd, zou het kunnen zijn dat de lidstaat niet in staat is deze aanvraag binnen een termijn van tien maanden bij de Commissie in te dienen, zodat betaling van het saldo van de bijstand uitgesloten zou zijn. De ontvanger van de bijstand kan er dus belang bij hebben, dat de feitelijke en boekhoudkundige bevestiging van een aanvraag om betaling van het saldo vóór de uitvoering of de beëindiging van de regelmatigheidscontrole aan de Commissie wordt toegezonden (zie beschikking Branco/Commissie, reeds aangehaald, punt 77).
60 Bijgevolg verzet niets zich ertegen, dat de bevoegde nationale autoriteiten na de feitelijke en boekhoudkundige bevestiging van een aanvraag om betaling van het saldo de juistheid van de daarin verstrekte gegevens controleren (zie, in die zin, beschikking Branco/Commissie, reeds aangehaald, punt 78).
61 Bij de uitoefening van die controle is er geen sprake van een tweede feitelijke en boekhoudkundige bevestiging in de zin van artikel 5, lid 4, tweede zin, van verordening nr. 2950/83, maar oefenen de bevoegde nationale autoriteiten de hun bij artikel 7 van beschikking 83/673 verleende bevoegdheid uit.
62 Bijgevolg dient op de zevende vraag te worden geantwoord, dat de feitelijke en boekhoudkundige bevestiging van de in de aanvraag om betaling van het saldo voor een opleidingsactie verstrekte gegevens, als bedoeld in artikel 5, lid 4, tweede zin, van verordening nr. 2950/83, een lidstaat niet verbiedt om de aanvraag om betaling van het saldo opnieuw te onderzoeken en desgevallend een gewijzigde aanvraag bij de Commissie in te dienen en een vermindering van de bijstand voor te stellen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
63 De kosten door de Portugese regering, alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Supremo Tribunal Administrativo bij beschikking van 27 oktober 1998 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De bevestiging door de betrokken lidstaat van de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de in de aanvragen om betaling van het saldo verstrekte gegevens als bedoeld in artikel 5, lid 4, van verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van besluit 83/516/EEG betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds, impliceert ook de beoordeling of de gedane uitgaven gerechtvaardigd en gegrond zijn.
2) De beslissing van de bevoegde nationale autoriteiten om de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van een deel van de uitgaven voor een mede door het Europees Sociaal Fonds gefinancierde opleidingsactie niet te bevestigen op grond dat zij ongerechtvaardigd of onevenredig zouden zijn, moet als een voorstel aan de Commissie worden beschouwd om die uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen.
3) Met betrekking tot de vermindering of de vervallenverklaring van de nationale deelneming, voorgesteld door de bevoegde nationale autoriteiten naar aanleiding van de beslissing om de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van bepaalde uitgaven niet te bevestigen, dient een definitieve beschikking te worden vastgesteld door de Commissie, die betrekking heeft op dat deel van de steun dat overeenkomt met de bijstand van het Europees Sociaal Fonds. Deze definitieve beschikking van de Commissie tot goedkeuring van het saldo is bepalend voor het saldo van de nationale deelneming.
4) Het gemeenschapsrecht verzet zich niet ertegen, dat de bevoegde nationale autoriteiten als louter conservatoire maatregel terugbetaling vorderen van de nationale deelneming en van de bijstand van het Europees Sociaal Fonds, voordat de Commissie haar definitieve beschikking heeft gegeven.
5) De feitelijke en boekhoudkundige bevestiging van de in de aanvraag om betaling van het saldo voor een opleidingsactie verstrekte gegevens, als bedoeld in artikel 5, lid 4, tweede zin, van verordening nr. 2950/83, verbiedt een lidstaat niet om de aanvraag om betaling van het saldo opnieuw te onderzoeken en desgevallend een gewijzigde aanvraag bij de Commissie in te dienen en een vermindering van de bijstand voor te stellen.
Full & Egal Universal Law Academy